donderdag 28 februari 2013

De VU? Nu?

“U heeft één nieuw bericht”, sprak de voicemaildame tegen me. Ik ken deze voicemaildame al jaren, maar ik kon in haar stem niks ontdekken dat de inhoud van het bericht verraadde. Maar even verder luisteren dus… “Hallo, hier Jos Megens van het genderteam van de VU. Ik wil u graag oproepen voor de eerste gesprekken”… Mijn adem stokte… Genderteam? De VU? Nu?

Toen ik me negen maanden geleden inschreef bij de VU hoorde ik dat de wachtlijst anderhalf jaar bedroeg. Anderhalf jaar; het voelde als een eeuwigheid. Alsof ik een marathon moest lopen met een grote stalen kogel om mijn enkel. Goed nieuws kwam snel. Een half jaar geleden hoorde ik al dat het genderteam extra geld kreeg om de wachtlijsten op te lossen, Maar helaas, het lukte maar niet om extra genderpsychologen te vinden. De wachttijd bleef staan. Een typisch geval van een dode mus: hoera, er komt een oplossing! Maar die komt toch niet echt! Pas sinds kort kreeg ik van enkele vriendinnen uit mijn omgeving de eerste signalen van verbetering. En dit bericht op mijn voicemail bevestigt het. Het genderteam is er in geslaagd de wachttijd te verkorten. En flink ook. Knappe prestatie, genderteam! Namens alle transgenders bedankt!

Maar ja, daar sta ik dan. Oververmoeid en uitgeput van het emotionele proces van de afgelopen maanden. Mijn depressie lijkt weggetrokken, maar ik sta hier met lege handen. Met alleen grote twijfels over mijn pad. Zoals ik al eerder schreef: met het gevoel weer terug bij af te zijn. En nu, precies nu, serveert het leven mij de volgende cynische grap: ik mag met de diagnostische fase beginnen bij de VU. Ik kon me negen maanden geleden niet voorstellen dit ooit te zullen zeggen: het is te snel... Zoals ik gisteren al schreef ligt voor mij nu alles open. En dat moet ook even zo blijven.

Toen ik vanochtend de VU belde, bleek de oplossing eenvoudig. Ik mag mijn plekje op de wachtlijst nog even aanhouden. Als ik over een paar maanden wil kan ik gewoon weer inschuiven in het proces. Dan kan ik gewoon direct starten met de diagnostische fase. Gelukkig, ik heb mijn kans niet verspeeld, ik hoef niet achteraan te schuiven omdat ik nu niet toehap. Dankjewel genderteam. Dank voor jullie flexibiliteit en inlevingsvermogen. Nu mag het voor mij echt nog even allemaal open blijven.

woensdag 27 februari 2013

Open

De wind zoog zichzelf door het poortje onder de Munt en deed mij rillen. Het sneeuwde en waaide. De opening onder de toren bundelde de gure wind tot een onaangename poolwind. Deze middag zou ik M. weer zien. We zouden samen door de stad gaan wandelen en praten. Neutraal terrein, zoals dat heet. Nou ja neutraal. Hier stond ik, onder de Munttoren te wachten op haar komst. Net als zij bij onze eerste date hier op mij stond te wachten. Helemaal neutraal was deze plek dus niet. Op onze eerste date wandelden we urenlang, ons verwonderend over elkaar en door wat we zagen als we door de ogen van de ander naar deze stad keken. Deze keer liep het anders. Het gure weer joeg ons meteen naar binnen.

Het was raar om M. te begroeten met een kus op de wang. Ik wilde haar op de mond kussen, maar ik voelde haar gezicht doelgericht naar opzij gaan. Een confronterend besef van een nieuwe werkelijkheid. M. had duidelijk haar best gedaan om er niet te verleidelijk uit te zien. Gezien onze chemie een verstandige keuze. Vechtend tegen de aandrang om haar stevig vast te pakken liep ik naast haar de straat in, richting de warmte van het cafeetje. En voor ik het wist zaten we met twee potjes thee tussen ons in tegenover elkaar. Twee geliefden die proberen zonder elkaar verder te gaan. Twee geliefden die door de intensiteit van hun relatie keihard geconfronteerd werden met hun eigen wonden. Geconfronteerd met de oude pijn die in het heden de openheid en intense verbinding van hun relatie ondraaglijk maakte. Met het diepe besef bij elkaar te willen zijn.

Oude pijn. Tja. Mijn oude pijn heeft altijd mijn keuzes beïnvloedt. Ik sta nu op het punt dat ik mijn oude pijn mijn keuzes moet laten bepalen. De confrontatie met mijn oude pijn - het gemis aan moederliefde; de fundamenteel gevoelde afwijzing – heeft me tot stilstand gebracht. Het proces waarin ik langzaam maar zeker richting transformatie tot vrouw bewoog, met groeiende weerstand op de koop toe, is nu gestopt. Die beslissing kan ik niet nemen zonder te begrijpen of ik die pijn voel omdat ik eigenlijk een vrouw ben, of dat ik een vrouw wil zijn om die pijn te ontvluchten. De centrale vraag van mijn zoektocht; het achtste puzzelstukje van mijn puzzel waar ik eerder over schreef.

In zekere zin ben ik nu weer terug bij af. Ik heb al bijna drie weken geen Lisa-dag meer gehad. Wat een verschil met de afgelopen paar maanden; ik was gegroeid naar vier Lisa-dagen per week. En nu naar nul. Lisa is terug in de kast. Heb ik haar daar uit boosheid weer ingeduwd? Of heeft Lisa zich teruggetrokken omdat ik eerst moest zorgen dat ik heelhuids door mijn crisis kwam? Dit laatste is de hypothese van mijn psycholoog. Op dit moment is hij gemotiveerder dan ik voor mijn transformatie naar Lisa. Hij gelooft in Lisa. Ik niet meer. Nou ja, ongeloof... ik ben bang. Ik voel een verlangen, een nieuwsgierigheid naar Lisa. Ik weet nog goed hoe fijn ik me vaak voelde als ik Lisa was. Maar ik durf nu niet meer. Bang om meegezogen te worden in een coping-mechanisme; een vlucht. Brengt Lisa me bij mezelf? Of haalt ze me van mijn pijn vandaan? Dit cruciale verschil moet ik helder krijgen voordat ik een beslissing neem.

En zo staan alle opties weer open. Ook de optie om Lisa te laten rusten, om mijn leven weer op te pakken als Man-ik. Met een bijzondere, intense en leerzame ervaring in mijn achterzak. Maar hoe ziet die toekomst er dan uit? Tijdens ons gesprek bleek dat M. nog gelooft in een toekomst met mij. Net als ik graag wil geloven in een toekomst met haar. Voor M. is nu helder geworden dat dat alleen een toekomst kan zijn waar Man-ik in voorkomt. Lisa en Man-ik naast elkaar is een optie. Enkel Lisa niet. Fijn dat het voor haar nu helder is geworden. Dat maakt het voor mij ook helder. En tegelijk gevaarlijk. Want hoe houd ik alle opties open als er een beloning in het verschiet ligt als ik één optie afsluit? Als ik nog een extra reden heb om Lisa in de kast te houden? Maar ja, alle opties open houden moet toch écht betekenen dat ik de kastdeur naar Lisa openhoud. Misschien is Lisa worden toch echt het pad dat ik moet volgen. Mijn angst om dat onder ogen te zien is groot. Mijn weerstand om me als Lisa te manifesteren is nu ook groot. En toch weet ik dat ik dit onderzoek niet kan doen zonder Lisa. Zonder Lisa-dagen. Het moet. Pffff… Aanstaande zaterdag is een bijeenkomst van de Startersgroep van Transvisie. Ga ik dan als Lisa? Voor het eerst sinds ruim drie weken? Of durf ik het aan om als Man-ik te gaan, voor het eerst in deze groep? Wat is wijsheid? Ik weet het niet. Mijn impuls volgen? Misschien doe ik dat wel als de dag eenmaal daar is. Maar met impulsen volgen krijg je geen richting. Daarvoor moet je keuzes maken en de consequenties dragen. Maar daar ben ik nu nog niet aan toe. Daar ben ik nu nog niet sterk genoeg voor. Ik kan nu niet anders dan alles open laten. En te berusten in het feit dat alles wat open is zo af en toe blootstaat aan een gure winterwind.

zaterdag 23 februari 2013

Het perspectief van dit verhaal

Ik. Het is het meest compacte woord dat er is. Twee letters vertegenwoordigen een ongelooflijke complexiteit aan ervaringen, gevoeligheden, herinneringen, voorkeuren en drijfveren. Twee letters om iets aan te duiden dat zich anders nog niet in duizend boeken of blogs zou laten omschrijven. Ik. Een te ingewikkeld begrip om te bevatten. En toch is dat waar deze hele zoektocht om draait. Mezelf vinden. Maar wie ben ik?

Dit blog begon met een heldere afbakening van ‘ik’. Ik was Lisa, een vrouw in een mannenlichaam. Duidelijk iemand anders dan Man-ik, de persoon van wie dat mannenlijf was. Lisa was niet Man-ik. Maar wie ze dan wel was? Dat was de vraag. Gaandeweg maakte Lisa een ontwikkeling door. Ze kreeg ervaringen, voorkeuren, vrienden, verlangens. Lisa kreeg meer inhoud en werd een eigen persoon. Lisa versus Man-ik.

In september vorig jaar begon op dit blog voor het eerst de scheiding tussen Man-ik en Lisa te vervagen. Alsof niet meer scherp te zien was waar Lisa ophield en Man-ik begon. Logisch dat in de maanden daarna ook mijn verwarring over deze zoektocht toenam. Hoe kon ik er nu voor kiezen iemand te worden als ik niet wist waar ik voor koos? Of het leven echt beter zou worden als ik Lisa was? Ik twijfelde, zeker omdat ik zag dat zij net zo goed Man-ik is, als Man-ik Lisa.

Sinds januari is het perspectief van dit blog weer gewijzigd. Ik schrijf dit blog nu vanuit mijn derde ik. Niet het Lisa-perspectief, niet het Man-ik-perspectief, maar een derde ik. Ik schreef al eerder over deze ik. Een zoekende ik, die zich identificeert met Lisa, maar ook met Man-ik. En die tegelijk angstvallig probeert weg te blijven bij die twee persoonlijkheden, omdat ze allebei de lading niet lijken te dekken. Deze ik voelt een diepe, oude pijn en probeert deze pijn onder ogen te komen, te dragen en te aanvaarden. Deze ik wil geen vrouw worden. Deze ik wil niet vastzitten in frustraties en boosheid over het verleden. Deze ik wil niet verdwijnen in pijn. Deze ik wil leven.

Het is schrijvers-doodzonde nummer 1: een wankelend perspectief; een verhaal dat niet telkens vanuit dezelfde persoon verteld wordt. Deze doodzonde bega ik in dit blog. Een onvermijdelijke doodzonde, gezien het thema van dit verhaal. Wie is de ik-persoon van dit verhaal, van dit blog? Tja, wist ik het maar. Wie is de ik-persoon van mijn leven? Ik weet het niet. Deze ik wil leven. Maar hoe doe je dat? Hoe doe je dat als je voortdurend de hete adem in je nek voelt van twee andere ikken die het allebei voor het zeggen willen hebben. Als je voortdurend bewust contact moet houden met een heel wankele basis in jezelf, om niet ten prooi te vallen aan verwarring. Een wankele basis, dat is heel wat meer dan ik de afgelopen weken tot mijn beschikking had. Het gaat gelukkig sinds een paar dagen weer iets beter met me. De storm lijkt geluwd. En ik zit doorweekt en bibberend ineengedoken op het dek van mijn bootje, aarzelend om op te staan en verder te gaan. Aarzelend om de averij in kaart te brengen, de lucht te observeren en mijn positie te bepalen op deze immense zee. Met ingehouden adem probeer ik in het hier en nu te blijven. In afwachting van het moment dat ik weer voluit mag gaan ademen. Voluit mag gaan leven. Als ik.



woensdag 20 februari 2013

Aan de pil

Na vijf uurtjes slaap werd ik vannacht woelend wakker. Woelend van gedachten, maar vooral woelend van seksueel verlangen. Ik sloeg de hand aan mezelf, net zoals ik een paar uur eerder had gedaan om in slaap te komen. Maar nu werkte het niet als slaapmiddel. De permanente staat van paniek waar ik nu al een paar weken in ben hield me wakker. Paniek van het besef dat ik zoveel ter discussie heb gesteld in mijn leven, dat ik nu helemaal niets meer over heb. Mijn mannelijke identiteit is weggeschrompeld tot een klein hoopje onzekerheid. Mijn vrouwelijke identiteit is een peuter die niet weet wie ze is. Mijn grote ik, die onder die twee verstopt zit, is de weg kwijt. Ik werk amper nog. Ik wankel als acteur in de theaterproductie waar ik nu in zit. En bovenal ben ik M. kwijt. Ik heb niks meer, behalve pijn, lijkt het.

Na een uur te hebben gewoeld in dit drama, voelde ik opnieuw seksueel verlangen. “Jezus, alweer? De derde keer in zes uur tijd...”. En terwijl ik mezelf vastgreep, dacht ik aan M. Aan seks met M. En ik was een man. Een stevige man, die de regie hield tijdens de seks. M. lag op haar rug, wilde niets anders doen dan Man-ik toelaten en ze genoot. En daar genoot ik weer van. En toen kwam er een ontlading. Niet fysiek, dat was misschien teveel gevraagd van dit vermoeide lijf. Maar energetisch kwam er een sterke ontlading. Ik voelde me klaarkomen, zonder de fysieke gevolgen die daar normaal bij komen kijken. Ik voelde me mannelijk. Heel mannelijk. Ik zuchtte. En met die zucht vulde mijn lijf zich met warmte, met rust, met kracht. Ik voelde me heel geaard, heel sterk en heel stabiel. Er was geen drama, geen emotie, geen pijn. Ik voelde rust. Het voelde als thuiskomen.

In deze rust bleef ik nog lang in bed liggen. Maar uiteindelijk moest ik er uit. Ik had een afspraak bij de huisarts; ik wilde opnieuw proberen antidepressiva te krijgen. Maar zoals ik me nu voelde, leek dat allemaal compleet overbodig. Wekenlang, nee eerlijk gezegd maandenlang, ploeter ik om me een beetje goed te voelen. En juist nu, nu ik zou willen laten zien hoe slecht ik me voel, juist nu lukt het me niet om me slecht te voelen. Het leven is soms behoorlijk cynisch.

Ik heb gezocht naar de pijn. In alle hoeken van mijn systeem. En ja, uiteindelijk, gelukkig, ik vond de pijn. Ik kon er heen, ik kon de pijn voelen en toelaten. En ja, de huisarts heeft een heel depressieve man te zien gekregen. En ja, deze depressieve man heeft een recept voor antidepressiva gekregen. Gelukkig. Want ik weet dat het stevige, gelukzalige gevoel van vanochtend weer voorbij gaat. En dan hoop ik vanaf nu te kunnen rusten in het comfort van de pillen. In de wetenschap dat die stevigheid nog in mij zit. Dat ik daar weer naar toe kan.

Dat wordt mijn doel voor de komende maanden. Mijn stevigheid ervaren en mijn diepe wond helen. Vrouw of man? Geen idee. Werkelijk geen idee. Die vraag is nu totaal niet relevant, hoewel die nog 1000 keer per dag in me opkomt. Eerst rusten, dan helen en dan voelen wat er is en wat ik wil. Ik heb me voorgenomen in juni de balans op te maken. Tot die tijd probeer ik te leven met wat er is. Leven zonder gedachte dat ik me tot vrouw zal transformeren. Als ik niet eerst mijn wond wat laat genezen, kan ik nooit voelen of ik me vrouw voel omdat er zoveel pijn is waar ik vanaf wil, of dat ik zoveel pijn heb omdat ik me vrouw voel. Een cruciaal verschil in het proces waar ik in zit. En eigenlijk ben ik verbaasd hoe makkelijk de psychologen met wie ik spreek over die vraag heengestapt zijn.

Juni. Dan stel ik mezelf pas weer de vraag of ik een vrouw wil worden of niet. Ik ben benieuwd of ik dat met mijn microscopisch kleine beetje geduld kan volhouden. Ik moet mezelf vinden, voordat ik mezelf kan worden. Nog vier maanden. Ik hoop dat M. op mij wil wachten. Ik hoop dat we van daaruit dan weer samen verder kunnen. IJdele hoop misschien. Maar ja, hoop doet leven. Tenminste voor even.

maandag 18 februari 2013

Helemaal niets

“Er is niets, helemaal niets dat jij heb gedaan om te veroorzaken dat je moeder je zo veel pijn heeft gedaan”. Ze moest het twee keer zeggen. De eerste keer ging er een luikje dicht in mij. Ik voelde dat het belangrijk was wat ze zei. Maar het drong niet tot me door. Alsof het niet binnen mócht komen. Maar toen psycholoog Laura van Transvisie het herhaalde, brak ik. Er is niets, helemaal niets dat ik heb gedaan om te veroorzaken dat mijn moeder me zoveel pijn heeft gedaan. “En toch is die pijn er. En dat is heel, heel erg verdrietig”. Laura bleef kalm, zoals ze altijd is. En ze was bij me. Op dit kwetsbaarste moment sinds tijden was Laura bij me en ze zag mijn pijn. Mijn boosheid. Mijn totale overgave aan de diepste emoties in me. Ik had geen grote verhalen, geen grote emoties. Ik was te moe om de drama-queen uit te hangen. En kennelijk kom ik dan bij mijn kern; “Drama of inspiratie?” schreef ik eerder al, weet je nog? En eenmaal in mijn kern is het overzichtelijk. Dan is er een grote wond. Een wond die misschien geheeld kan worden. Bijvoorbeeld door de woorden van Laura. De woorden die ik hier herhaal, zodat ik ze kan teruglezen. Telkens weer. Zodat ik misschien eindelijk mag helen…

Er is niets, helemaal niets
dat ik heb gedaan om te veroorzaken
dat mijn moeder me
zoveel pijn heeft gedaan.

En alle gedachten die ik destijds als klein kind nodig had om te verklaren waarom mijn moeder me zoveel pijn deed, die laat ik los. Het is niet te begrijpen dat mijn moeder mij dit aandeed. Ook niet met alle verhalen die ik heb verzonnen over mezelf. Het is onbegrijpelijk, verdrietig en heel pijnlijk. En het voelt alsof ik vandaag weer een stapje heb gezet om te aanvaarden dat het is gebeurd. Het is zo. En het heeft niets, helemaal niets te maken met wie ik ben.

De pijn is er nog. Hij hangt om me heen. Gisteren was Y. er om me op te vangen. Nu is er niemand. De mensen die ik belde konden niet. Maar goed, ik ga zo slapen. Ik ben moe. Doodmoe. En daarna zien we wel weer verder. Morgen heb ik een afspraak voor mijn werk; de enige deze week. Ik ga proberen daar naar toe te gaan. Morgenavond heb ik gezelschap en voor de andere avonden deze week lijkt dat ook te gaan lukken. Overdag heb ik nauwelijks iets te doen. Ik ben bang voor de depressie. Gedachten aan M. zijn permanent aanwezig. Gedachten aan mijn Lisa-proces zijn er soms ook. Maar dat is niet het belangrijkste nu. Het belangrijkste is mijn diepe wond. Waar ik niets, helemaal niets aan kon doen. Dankjewel Laura.

zaterdag 16 februari 2013

Overdracht

Vanochtend schreef ik over de ontkenning die ik als kind ervaarde. En over hoe M. deze wond verzachtte. Ik begin me steeds helderder te realiseren wat er nu eigenlijk aan de hand was: M. en ik zaten vast in een wederzijds patroon van overdracht. Overdracht is een term uit de psychologie. Het betekent in het algemeen dat je ervaringen die je in het verleden hebt opgedaan overdraagt op de huidige situatie. In de praktijk is het vaak je ouder-kind relatie die je overdraagt op huidige relaties. Dat doe je onbewust met als doel om kind te blijven, om zo je kinderlijke behoeften die onvervuld zijn gebleven nog te bevredigen in het nu. Dat is althans je hoop. Maar de praktijk is zuur: wat je als kind niet hebt gekregen, kun je als volwassene nooit meer inhalen. Ook niet met overdracht. En zo zit je onbewust in het heden in negatieve relaties omdat je wilt ontsnappen aan de negativiteit van de relatie die je met je ouder had.

Natuurlijk kende ik mijn oude verdriet wel en hoe mijn hunkering naar liefde daar mee te maken had. Die inzichten had ik al jaren geleden gekregen. Maar het risico van dingen te snel snappen is dat je er niet echt helemaal in zakt. Dat je besef algemeen blijft. En hoe algemener je besef, hoe meer van je onbewuste gedrag onzichtbaar blijft. Dan blijft je inzicht vooral mentaal. En valt het niet in je ziel.

Ik weet niet of het kwartje nu in mijn ziel gevallen is. Of nu de pijn groot genoeg is om doorgedrongen te zijn tot de kern. Maar ik zie nu glashelder hoe mijn ouder-verdriet mijn relatie met M. tekende. Ik zie nu waarom M.’s gedrag mij soms zo ontzettend veel pijn deed: er was overdracht van mij naar M. Zij was mijn moeder geworden. Juist omdat M. in staat was onvoorwaardelijk van mij te houden, herkende ik in haar de moeder die ik als kind nooit heb ervaren. De liefde van M. was de liefde die ik van mijn moeder had willen hebben. In onze relatie werd ik daardoor onbewust soms weer het kind van vroeger. Hunkerend naar de liefde die ik gemist had. En telkens als M. eens vervelend, negatief of geprikkeld naar mij deed, werd de afwijzing die ik vroeger heb ervaren weer geactiveerd in het heden. Mijn ervaring van diepe afwijzing. En dus reageerde ik daar heftig op. Heftiger dan M. verdiende. Ik was boos op haar. Maar onbewust was ik vooral boos op mijn moeder. Nu ik me dit besef voel ik me verslagen. In de val gelokt door onbewuste processen, aangedreven door oude pijn.

En ja, er is een andere kant. Die zie ik ook. Er was niet alleen overdracht van mij naar M. Er was ook overdracht de andere kant op. En het is me nu ook op een dieper niveau duidelijk geworden hoe dat in zijn werk ging. Ik denk dat ik voor M. onbewust haar vader was. Ik ben iemand met een sterke persoonlijkheid. Net als hij was. Ik ben iemand die in staat is om overrompelend veel liefde te geven. Net als hij kon. Ik ben iemand die veel weet en veel kan; “Van Alles” zoals M. dat noemde. Net als haar vader “Van Alles” was. En dus was het, telkens als ik me uitsprak over iets wat M. deed of naliet, voor haar alsof haar vader haar berispte. En voelde M. zich klein gehouden en geïntimideerd. En begon ze te puberen tegen mij. Een pubertijd die ze met haar vader had moeten uitvechten, niet met mij. En nu ik dit schrijf herinner ik me dat ik dit al eens tegen haar had gezegd, aan het begin van onze relatie. Toen ik nog in mijn kracht stond en beter in contact met mijn onbewuste. Haar vader stond toen nog stevig op het voetstuk waar hij door haar als klein meisje op is gezet. Net zoals ze mij in het begin van onze relatie op een voetstuk had gezet. Inmiddels heeft ze mij er wel van afgeslagen. Ik hoop dat ze daarmee zich nu ook onbewust van haar vader heeft losgemaakt. Dan was dit alles tenminste niet voor niks.

Maria Mena zong ooit: “I will no longer apologize for your former lovers’ mistakes”. In die zin zit de enige manier verscholen om overdracht te doorbreken: dat je stopt van de ander te verlangen dat die goed maakt wat in het verleden fout is gegaan. Je kunt daar pas mee stoppen als je je er bewust van geworden bent. Dat ben ik nu. Tenminste, ik hoop dat ik voldoende bewust ben om er ook echt mee te stoppen. Ik zou zo graag sorry willen zeggen tegen M. Sorry voor alle keren dat ik van haar mijn moeder had gemaakt. Ik ben zo bang dat het te laat is voor sorry. Nou ja, het is nooit te laat voor sorry. Maar dat ik daar M. niet meer mee terugkrijg.

Lieve M., het spijt me voor alle keren dat ik jou verantwoordelijk heb gemaakt voor mijn gemiste moederliefde. Het spijt me.



Ontkenning

Ik leef nog. Maar de gedachte er mee te stoppen blijft door mijn hoofd spoken. S. is nog hier. Zijn vriendje inmiddels niet meer. We zijn samen, vader en zoon. Maar mijn depressie verstikt ons samenzijn. Ik heb voorgesteld hem eerder dan afgesproken naar zijn moeder te brengen. Maar S. wil bij mij zijn. Hij doet zijn eigen ding hier en laat mij met mijn verdriet. Hij troost me maar af en toe, dus hij begint niet de redder uit te hangen. Gelukkig. Gelukkig lijkt hij daarin niet op zijn vader. Ik zeg hem ook steeds dat ik van hem hou en dat ik het verdriet wel kan dragen. Dat het er bij hoort en dat het overgaat. Ik hou me groter dan ik me voel. Ik vind het fijn dat hij er is. Hij houdt me bij de dood vandaan.

Ik zou hem zo graag willen vertellen wat er allemaal speelt. Die radeloze vader, alleen maar van een verbroken relatie? "Nee, S., het is veel ingewikkelder. Maar dat kan ik je nu niet uitleggen". Dat zei ik tegen hem vanochtend. Ik wil hem zo graag vertellen wat er gebeurt, maar het is te groot, te heftig, te emotioneel. Ik zou hem bang maken en beschadigen.

Ik mis M. enorm. En dat doet vreselijk pijn. M. was zoveel dingen die ik aantrekkelijk vind in een vrouw. Dingen die ik niet snel allemaal in één andere partner zal vinden. M. noemde mij wel eens "Van Alles". Maar die term is zeker ook op haar van toepassing. En ja, bij dat "Van Alles" hoorde ook gedrag dat voor mij onveilig voelde. Daarbij hoorde ook een heftige, agressieve stijl van communiceren. Ze heeft ook problemen met zichzelf, net als ik. Maar op momenten dat ze daar niet in gevangen zat, accepteerde ze mij in wie ik was. En volgens mij gold andersom precies hetzelfde. Er was nooit eerder iemand die mij zo volledig accepteerde, met alles wat ik in me had.

Daarom is mijn pijn nu zo heftig. Zo'n grote acceptatie heb ik als kind nooit gehad. Ik heb nooit echt fundamentele moederliefde gevoeld. Natuurlijk, mijn moeder knuffelde me wel eens. Ze gaf me genegenheid. Maar er bleef altijd een ondertoon in voelbaar dat ze niet wist wat ze met me aan moest. Dat ze liever had gehad dat ik er niet was. Zoals ik al eerder schreef, heeft ze dat laatste ook wel eens letterlijk tegen me gezegd. Ik ben altijd ontkend geweest in wie ik was. En ik vraag me nu af of ik me ontkend gevoeld heb als meisje, of dat ik me maar meisje ben gaan voelen omdat ik als jongetje ontkend werd. Ik weet het niet. Het lijkt me een cruciale vraag op mijn pad. Is vrouw-worden een vlucht of een transformatie naar wie ik echt ben? Zeg het maar...

In deze diepe pijn waar ik in zit voel ik me alleen. Heel alleen. Als ik om hulp vraag, krijg ik die. Ik heb fijne vrienden. Maar ik moet blijven vragen, blijven vragen. En daar heb ik haast geen energie meer voor. Af en toe krijg ik spontaan hulp aangeboden. Zoals gisterenavond. De moeder van M. belde me. Ze las mijn blog en was geschrokken van wat ik de afgelopen dagen schreef. "Een moeder wil altijd dat het goed gaat met haar kind", zei ze. En dat deed pijn. Heel veel pijn. Ik ben blij met haar troost en steun, ze is een lieve vrouw. Maar hoe pijnlijk is het om te constateren dat je ex-schoonmoeder meer om je geeft dan je eigen moeder. Sinds M. en ik uit elkaar zijn heb ik niks van mijn moeder gehoord. Helemaal niks. Geen telefoontje, geen kaartje, helemaal niks. Zelfs nu ik in de diepste pijn sta waar ik ooit geweest ben, laat ze me in de steek. Ontkent ze mijn bestaan. Godverdomme!

Ik krijg wel steun van mijn oudste zus. Onbeholpen als ze is stuurt ze me af en toe berichtjes via Facebook. Ze weet niks van Lisa. Maar ze weet wel dat ik pijn heb om M. En dus is ze op haar manier bij me. Mijn jongste zus weet wel van Lisa en ook van de pijn die ik nu ervaar. Maar die heeft het te druk met zichzelf. Ze gaat steeds meer op onze moeder lijken. De laatste keer dat ik haar belde om mijn verhaal kwijt te kunnen kwam het niet uit omdat ze haar schoonvader op visite had. "Ik bel je nog", zei ze. Dat is inmiddels bijna drie weken geleden.

Het kleine kind in mij is vroeger ontkend, genegeerd. En dit patroon zet zich voort, tot op de dag van vandaag. En de acceptatie door M. verzachtte die wond. Nu ze weg is, is de wond weer helemaal open getrokken. En nu bloed ik verdriet van vroeger. En ik vraag me af of dit ooit nog te stelpen is.


vrijdag 15 februari 2013

Een plan

Een nieuw ritme tekent zich af. Om vier uur ’s nachts wakker. Paniek, pijn en verdriet. Nu was het een droom die me wekte. Een droom waarin ik in de wachtkamer zat van een dokter. Het was er druk. Aan de overkant van de ruimte zat M. Ze lachte naar iemand die binnen kwam lopen. Ik keek, en dat bleek de ex-vriendin te zijn met wie ik kort een relatie had nadat de moeder van S. van me was gescheiden. Ze herkenden elkaar (wat in het echt niet zou kunnen gebeuren), lachten naar elkaar en keken naar mij. En toen werd ik wakker.

In het gewoel in mijn bed ontstonden vernietigende gedachten. Ik maakte een plan. Een plan over hoe ik een einde aan mijn leven zou maken. Ineens wist ik het. Ik heb alles wat ik er voor nodig heb in huis. Ik voelde dat ik het ging doen. “O ja, eindelijk rust… Nee! Dit mag ik niet laten gebeuren! Ik moet hier blijven. Voor S. Beter een depressieve vader, of een vader die een vrouw wordt, dan geen vader. Maar ik ben zo moe…. Ik wil niet meer… Stop! Uit bed, nu!”.

En hier zit ik. Ik denk aan S., die in de kamer hiernaast slaapt. Nou ja, slaapt… ik hoor hem onrustig dromen. We zijn meer met elkaar verbonden dan goed voor hem is. En ik denk aan M. Ik ga haar volgende week zien. En ik ben doodsbang. Doodsbang voor dat ze al een nieuw vriendje heeft. Doodsbang voor dat ze mijn depressiviteit niet zal willen zien. Doodsbang voor dat ze niet gelooft dat ik mijn vrouw-verlangen wil opgeven en dat ik met antidepressiva mijn pijn wil verdoven. Net als mijn vader deed.

Antidepressiva. Ik wacht er nog op. Over een dag of vijf ga ik weer naar de dokter. Ik moet en ik zal verdomme antidepressiva krijgen. Het Oxazepammetje dat ik net heb ingenomen doet zijn werk nog niet… Ik red dit niet op eigen kracht…

donderdag 14 februari 2013

Ik ben er klaar mee

Ik heb net een half uur onder de douche gestaan. Niet omdat ik zo vies was maar omdat ik wilde huilen. Heel lang huilen. En er is nu geen andere plek in huis waar ik dat ongestoord en ongehoord kan doen. S. is nu bij mij, hij heeft schoolvakantie. En zijn beste vriend is hier ook, die logeert een paar dagen. Twee leuke jochies van elf. Maar ik kan er niet van genieten. Ik doe mijn best nog een beetje een leuke papa te zijn. Maar ja…

Vannacht werd ik weer in paniek wakker. Dat gebeurt me veel de laatste tijd. Geen gewone onrust, die ik al zo goed ken van het laatste jaar. Maar ronduit paniek. Mijn radeloze huilbui smoorde ik in mijn kussen om te voorkomen dat de jongens er wakker van zouden worden. Uiteindelijk stond ik op om maar weer een Oxazepam te nemen. Een uur later viel ik weer in slaap. Totdat vanochtend mijn telefoon me wakker belde. Ik had geen zin om op te nemen, dus ik drukte weg, ook al was het een goede vriend die belde. Ik had er geen zin in. Ik had geen zin om op te staan. Ik had geen zin. Geen zin… Totdat mijn plichtsbesef naar de jongens toe me uit bed duwde.

Ik moest hard werken om het gezellig gekwebbel van de jongens bij het ontbijt te kunnen horen. Om er zoveel mogelijk deelgenoot van te zijn. S. heeft nu eindelijk de ouders van zijn vriendje zo ver dat hij hier in de grote stad mocht komen logeren. Nu wil ik voor S. wel een beetje goede indruk maken. Maar het valt me zwaar. Ik wil geen model-papa zijn. Ik wil S. knuffelen. Vasthouden. En nooit meer loslaten. De destructieve gedachten van de laatste tijd krijg ik alleen nog uit mijn hoofd door aan hem te denken. Hij lijkt nog de enige reden om een oplossing te vinden voor mijn problemen. En die last wil ik niet op zijn schouders leggen. Die verantwoordelijkheid is te groot voor wie dan ook, en zeker voor iemand van elf. Dus duw ik mijn emoties weg en ga door.

Maar ik wil deze strijd niet. Ik heb niet voor deze strijd gekozen en ik begrijp niet waar hij vandaan komt. Ik wil geen vrouw willen worden. Ik wil gewoon een man zijn. Zo is het bedoeld; kijk maar naar wat daar tussen mijn benen hangt. Ik wil geen proces waarin ik alles wat ik heb opgebouwd in de waagschaal moet stellen. Een proces waarin ik mezelf verlies en niet eens zeker weet of ik aan het eind een nieuwe, betere, fijnere zelf zal hebben gevonden. Een sprong in het diepe? Het voelt eerder als een sprong in het óndiepe, met een zekere verlammende klap op de bodem tot gevolg.

Ik wil man zijn, en daarin rust ervaren. En dan met M., haar zoontje en S. een ‘gewoon’ gezinnetje vormen. Het gezinnetje dat we ooit waren. Ook al was dat met horten en stoten. Horten en stoten die voor een deel veroorzaakt werden doordat ik me niet kon overgeven aan hoe het was. Doordat ik vond dat de dingen anders moesten zijn dan ze waren. Mijn eeuwige zoektocht naar…. Tja, naar wat? Naar de antwoorden achter de grote levensvragen: “Waarom? Waartoe? Wie ben ik?” Vragen die nog nooit iemand heeft kunnen beantwoorden. En waarom wil ik dat dan proberen? Ik wil dat alles gewoon gewoon blijft. Ik wil M. terug. Ik wil het echte contact met S. terug. Ik wil mijn leven terug. Ik wil een leven waarin ik mezelf neem zoals ik ben. Een leven zonder Lisa en het vergiftigende, vernietigende proces om haar te worden. Ik ben er helemaal klaar mee.


zondag 10 februari 2013

IJs

Een eenzame eend dobbert in het nog niet bevroren water. Hij is ver weg, dus ik kan niet goed zien of het een mannetje of een vrouwtje is. Ik zou kunnen opstaan en naar de waterkant toelopen om het beter te zien. Maar ik blijf zitten. Ik heb al ruim een half uur gewandeld over glibberige stoepen en paden. En nu zit ik hier op dit bankje. Ik heb net gehuild. Voor zover ik me dat kon toestaan met mijn make-up en alle voorbijgangers in het park.

Ik denk aan M. Ik denk al de hele dag aan M. Vanochtend na mijn oefeningen wilde ik haar bellen, wilde ik bij haar zijn. Ik heb me kunnen beheersen en ben de stad in gegaan. Rondgelopen in de kou, een museum bezocht om op te warmen en met de tram weer naar huis. Ik was nog geen tien minuten thuis of ik voelde weer de drang om M. te bellen. En toen ben ik maar weer gaan wandelen. En hier zit ik nu. Het wordt bijna donker, ik moet naar huis. Daar waar de telefoon lonkt. De telefoon die me dichter bij M. kan brengen.

God, ik mis haar. Ik fantaseer wat we zouden kunnen doen om het tussen ons wél te laten werken. Alsof we niet al van alles geprobeerd hebben. Het is zo treurig om te zien dat twee mensen die zo ontzettend gek op elkaar zijn, niet bij elkaar kunnen zijn. Omdat ze alletwee een groot gat in hun identiteit hebben. En daar alletwee mee worstelen. En er daarom onvoldoende ruimte is voor de worsteling van de ander. Uit verlangen en uit hoop denk ik dan dat we misschien over een paar jaar wel samen zouden kunnen zijn. Als we alletwee een stap hebben gemaakt. Als we echt klaar zijn voor elkaar... God, wat ben ik naïef. Over een paar jaar? Dan ben ik waarschijnlijk een vrouw geworden, hoewel ik dat nu allemaal niet meer zo zeker weet. En dan heeft zij waarschijnlijk een relatie met een echte man, die haar nog een kind heeft geschonken. Zij is niet iemand om lang alleen te blijven. Het voelt oneerlijk. Wij horen bij elkaar te zijn. Maar toch gebeurt het niet. Me afvragen waarom helpt me niet. Het is zo. Het is verdrietig. Het doet pijn.

In de opkomende schemering loopt een man met een stok voorbij. Achter hem loopt een grote herdershond, voorzichtig glibberend over het pad. Het lijkt alsof hij bij elke stap zijn poot iets langer van de grond houdt dan normaal. Het ijs is koud aan zijn poten, denk ik. De man kijkt over zijn schouder naar de hond en roept zijn naam. De hond kijkt op en de man gooit de stok weg. De hond weet nog net zijn impuls te onderdrukken. Ik zie hem denken: “Ja dahag. Ik kan al amper overeind blijven als ik loop. Ik ga toch niet rénnen…”. Ik sta op en loop de andere kant op. Naar huis. Het ijs is glibberig onder mijn schoenen. Ik hoop dat ook ik straks mijn impuls kan onderdrukken. Ik kan al amper overeind blijven als ik loop…

Elf uur

Ik heb elf uur in bed gelegen. Het was lang geleden dat ik het zo lang heb volgehouden. Niet dat ik elf uur heb geslapen, nee de laatste uren waren heel onrustig. En ik kwam ook moeilijk in slaap. Ik ging naar bed met een verdrietig gevoel en werd er mee wakker. Gisterenavond heb ik naar een film op tv gekeken. Een luchtige niks-aan-de-hand film. En ik zat daar op de bank, met in mijn hand een kopje thee en in mijn mond een paar mini-stroopwafeltjes. En ik dacht aan M. Ik dacht aan hoe ze, als ze bij me was geweest, tegen me aan geleund op de bank had gezeten. En hoe ik haar had vastgehouden met mijn arm om haar heen geslagen, af en toe kusjes in haar nek gevend. Maar er leunde niemand tegen me, ik hield niemand vast. Ik was alleen. Natuurlijk wist ik al dat ik in mijn eentje was. Maar nu voelde ik me ook nog alleen.

En vanochtend werd ik woelend en onrustig wakker. Ik wilde mijn arm om M. heen slaan. Haar lichaam tegen dat van mij voelen. Maar ze was er niet. Ze was er niet om me even bij haar te laten schuilen. Om mijn verdriet te verzachten, zoals ze dat altijd deed. Jeetje wat mis ik haar.

Nu zit ik op de bank en kijk naar buiten. Alles is prachtig wit gesneeuwd. Een helder licht dringt zich aan mijn netvlies op. Mijn hersenen doen er pijn van. Zoveel helder licht zijn ze niet meer zo gewend de laatste weken. En ik weet dat ik mezelf help als ik dit licht toelaat. Dat het licht mijn verdriet verzacht. En het kopje Bright Mood thee in mijn hand helpt vast ook nog iets. En misschien doe ik zometeen nog even mijn Chi Kung oefeningen, om te aarden en in mijn lijf te komen. Hoe dan ook, dit is waar ik het mee moet doen; licht, thee en oefeningen. En vanuit hier maar weer verder.

zaterdag 9 februari 2013

De leegte met M.

Het diepste punt van het dal is achter de rug, lijkt het nu. Niet omdat ik nu op een stijgende lijn naar boven zit, maar omdat er in elk geval geen dalende lijn meer is. Ik schommel al een paar dagen heen en weer om een stabiel punt heen. Een punt waar ik nog regelmatig moet huilen. Een punt waar ik veel leegte in mezelf ervaar. Een punt waar ik M. ontzettend mis. Er is heel veel leegte zonder M. Leegte in mij, die zij vulde. Leegte in mijn leven die we samen met leuke dingen opvulden. Nu moet ik hard werken om leuke dingen in mijn leven te creëren om dat te vervangen. En ja, er zijn leuke dingen. Maar ze voelen niet als een gelijkwaardige vervanging. Ik blijf iets missen. Die sprankeling, dat hartscontact en de vertrouwdheid die er was tussen M. en mij.

Sombere gedachten zeggen me dan dat de leegte in mij nooit meer opgevuld zal raken zoals M. dat kon. Sombere gedachten zeggen me dan dat ik de rest van mijn leven alleen zal blijven. Sombere gedachten die ik ken. Die nog vertrouwder voor me zijn dan M. was. Ik moet er telkens mee aan de slag om ze te zien voor de onzin die ze zijn. Die gedachten halen me neer. Er is nu leegte. Dat is een feit. Dit gat was er al voordat M. er was. En ja, zij vulde het gat een beetje. Een beetje veel. Bij haar voelde ik me minder leeg. Maar eerlijk is eerlijk, zij was niet de eerste die dat effect op me had. Dus er is een reële kans dat er nog eens iemand zal zijn. Niet zoals M., zij is bijzonder en onze klik was dat ook. Uniek en bijzonder. Maar de gedachte dat zoiets nooit meer zal gebeuren, helpt me niet echt vooruit.

Gisteravond voelde ik me sterk. Geaard, helemaal in mijn kracht, helemaal aanwezig en verbonden met de wereld om me heen. Op die momenten fantaseer ik over hoe ik met die kracht een relatie met M. heb. Hoe ik vanuit die kracht met onze problemen kan omgaan, en hoe we dan heerlijk samen genieten. Heerlijk! Maar ja, een gevaarlijke fantasie. Die kracht blijft niet, dat hebben we gezien. Ook fantaseer ik dat M. en ik, zonder relatie, elkaar regelmatig zien om samen de leuke en maffe dingen te blijven doen die we met elkaar en elkaars lichaam deden. Ook deze fantasie is gevaarlijk, want het wakkert het verlangen naar haar aan. Maar ja, aan de andere kant geeft het me het troostrijke gevoel dat er nog iets mogelijk is. Dat ik haar nog niet helemaal kwijt ben. Dat maakt de leegte iets beter te dragen. De leegte zonder M.

De laatste maanden was er ook leegte mét M. Er was leegte in onze relatie. En die leegte was er omdat er onuitgesproken pijn was. Veel verschillende soorten onuitgesproken pijn. Eéntje zag ik vanmiddag. En het raakte me. Omdat ik M. op een bepaald aspect niet heb gezien in wie ze was en waar ze stond. Niet écht gezien. Wel met mijn hoofd, maar niet met mijn hart. M. probeerde ontzettend goed voor zichzelf een plek te zoeken in een lesbische relatie met mij. Dat ontroerde mij en gaf me vertrouwen dat we het wel zouden redden om samen te groeien naar een relatie tussen twee vrouwen. Het gaf me het fijne gevoel dat ik haar niet zou kwijtraken door mijn proces. En dat zei ik ook regelmatig tegen haar en dan bedankte ik haar voor haar commitment. Maar telkens als ik dat deed, stapte ik over iets fundamenteels heen. Iets dat altijd impliciet bleef. Ik benoemde het niet en zelf bracht ze het ook niet ter sprake. Maar het was zo pijnlijk dat het niet onbenoemd mocht blijven: het triviale feit dat zij eigenlijk niet wilde dat ik vrouw zou worden. Natuurlijk steunde ze me en probeerde ze er voor zichzelf een vorm voor te vinden. Maar in de kern was ik iets aan het doen, was zij iets aan het doen, waren we samen iets aan het doen dat haaks stond op wat zij wilde. Zij wilde dat ik man bleef.

Ik heb haar kracht geroemd, haar commitment aan mijn proces geroemd en haar daarvoor regelmatig bedankt. Maar ik heb nooit de diepe pijn erkend die daar onder lag. Okee, we hebben daar wel eens over gesproken, terloops haast. Maar een diepe pijn van een ander erken je niet door er over te spreken. Die erken je door hem ten diepste in je eigen hart te voelen, elkaar dan vast te houden en in stilte samen te zijn in die pijn. Vanmiddag voelde ik die pijn. Vanmiddag drong het écht tot me door welk verdriet er onder haar steun zat. Vanmiddag kwam die pijn in mijn hart. Helaas kon ik M. niet meer vasthouden, daarvoor is het nu te laat. Maar nu ik dit schrijf, houd ik haar in gedachten vast en ik ben stil. Stil, op één zinnetje na: “het spijt me M. Het spijt me dat ik hierin niet bij je was”.


vrijdag 8 februari 2013

Atlas

“Deze eyeliner blijft heel goed zitten. Die gaat er met normale make-up remover niet af. Alleen met onze speciale eyeliner remover”, zei het meisje van Superlooks in een poging nog wat omzet te genereren. Gisterenochtend nam hartsvriendin L. me mee naar een visagieworkshop. Make-up tips krijgen en werken met de mooie (echt waar!) producten van Superlooks. Het was heel gezellig en ik heb mijn visagie-vaardigheden nog wat verder opgepoetst. Ik heb er gisteren de hele dag perfect uitgezien! Ik werd helemaal blij van het gezellig samen zijn met L. en een beetje tutten voor de spiegel. Ik werd alleen minder blij toen ik gisterenavond de make-up eraf wilde halen en ontdekte dat die Superlooks eyeliner er inderdaad niet af gaat met normale oogmake-up remover :-( . Oeps… Vanochtend had ik een werkafspraak. En Man-ik met een eyeliner leek me niet zo’n goed idee. Dus het moest er af! Ik poetsen, poetsen en poetsen… Tien wattenstaafjes met acht verschillende oplosmiddeltjes verder was het resultaat min of meer acceptabel, op de rode en blauwe randen van het ruige poetsen na dan. Bang voor opmerkingen als “Zo Man-ik, slecht geslapen?” loodste ik Man-ik vanochtend door zijn afspraak heen.

Het gaat iets beter met me. Of het de sauna met Y. was, of het fijne gesprek met mijn kruidenvrouwtje, of het getut met L. of het geklets met Paris gisterenavond weet ik niet. Het lijkt erop dat de donkerste dagen achter me liggen. Niet dat ik me echt geweldig voel, maar ik hoef nu nog maar eens in de vijf à zes uur te huilen. Een hele vooruitgang kan ik je zeggen… Toch was ik wat teleurgesteld na mijn gesprekken met mijn huisarts en mijn psycholoog. Ik had gehoopt even te mogen rusten in de verdoving van antidepressiva. Maar ja, ze vinden mij te zelfredzaam en te sterk voor pillen. Heb ik weer: doe ik zo mijn best en als beloning mag ik doorgaan met zo mijn best te doen… Jammer, maar ik snap het wel. Ik was zelf ook al geen fan van antidepressiva, maar het verlangen even te mogen rusten was groot. Maar goed. Ik mag nu af en toe een Oxazepammetje nemen als ik even een vangnetje nodig heb. “Maar ik geef je er niet teveel tegelijk”, zei mijn huisarts. Zo zeker was ze kennelijk ook weer niet van haar diagnose.
 
Sterk en zelfredzaam. In normaal Nederlands: ik kan dit dragen. Tja. Ik sta nog overeind en de dagen worden lichter. Dus ja, blijkbaar kon ik dit dragen. Maar soms voel ik me net Atlas, de Griekse mythische figuur die niets minder dan het complete hemelgewelf op zijn schouders droeg. Een onmenselijke last, die toch te dragen was. Maar ja, Atlas stond tenminste met zijn beide voetjes stevig op de westelijke rand van Gaia. De afgelopen twee weken voelde het vaak alsof mijn voetjes in de leegte bungelden en ik niets had om me stevig tegen schrap te zetten. Maar goed, ik heb het overleefd. De last is iets lichter aan het worden. Maar er rust nog veel op mijn schouders. Heel veel. Ik zou nu ook wel eventjes, net als Atlas, gouden appels willen gaan plukken. Maar helaas, ik krijg geen Herakles-pilletjes om de last even van me over te nemen.

dinsdag 5 februari 2013

Ménage-à-trois

“Ga jij eerst jezelf maar vinden”. Dat was wat M. afgelopen zaterdag zei. Een zin die sindsdien nog door mijn hoofd echoot. Vooral door datgene wat ze niet uitsprak: “… en dan kunnen we daarna…”. Heeft ze hiermee nu een lijntje gecreëerd waarmee ze me vasthoudt? In elk geval wakkert het mijn hunkering naar haar aan. Tegen beter weten in. Maar ja, waarom zou ze dit anders zeggen, ik was toch al bezig eerst mezelf te vinden? Daarom was er de laatste maanden zo weinig ruimte voor haar in onze relatie. Was dit een aanbeveling als een open deur of toch een onbewuste boodschap? Blijft ingewikkeld, communicatie…

Mezelf vinden. Tja. Ik hoop dat het me ooit lukt. Ik hoop dat het me snel lukt, want zonder mezelf stommel ik als een zichzelf herhalende brokkenpiloot door mijn leven. Navrant: mijn relatie met M. eindigde onder dezelfde omstandigheden als mijn relatie met mijn ex-vrouw, de moeder van S.: tijdens de relatie komt mijn vrouw-verlangen naar boven, dit leidt tot spanning, ik raak mijn vaste grond kwijt, ik raak overspannen en depressief en precies op dat moment klapt de relatie uit elkaar. Twee vrouwen met wie ik dacht oud te worden op dezelfde manier kwijtgeraakt. Erg motiverend voor een nieuwe relatie… :-(

Mezelf vinden. Ik ervaar mezelf op drie manieren. Eén: ik ben een door instant behoeftebevrediging gedreven man die telkens weer valt voor vrouwen die over zijn grenzen heen gaan en die zichzelf graag straft door zich daaraan te onderwerpen. Twee: ik ben een vrouw die er naar hunkert om in haar eigen lichaam te leven en die graag zichzelf wil manifesteren, maar daar nog erg onzeker over is. Drie: ik ben een mens (m/v), die geen bodem in zichzelf voelt waarop hij kan terugvallen en die daardoor altijd maar meekleurt met zijn omgeving in een poging liefde te krijgen. Moet ik deze drie-eenheid ‘mezelf’ noemen? Of is mezelf vinden toch een keuze maken voor één uit deze ménage-à-trois? Okee, er is naast deze drie nog een vierde perspectief: mijn innerlijke boeddha. Die ervaar ik ook af en toe en ik weet hoe ik kan proberen deze op te zoeken. Die innerlijke boeddha is geslachtsloos, is stevig en groot en is met alles in verbinding. Vanuit mijn innerlijke boeddha overzie ik alles. Daar is het rustig. Maar op het niveau van mijn innerlijke boeddha speelt het aardse leven zich niet af. Mijn innerlijke boeddha zou zichzelf, volkomen tevreden met de ‘bliss’, op zijn meditatiekussentje verhongeren. Geen enkel verlangen, geen enkele hechting. Geen enkele reden om in beweging te komen om een boterham met pindakaas te smeren. Of om deel te nemen aan dit aardse leven. Spiritueel gezien ben ik mijn innerlijke boeddha. Spiritueel gezien heb ik geen problemen. Mijn problemen spelen zich af in mijn manifestatie hier op aarde. In mijn ongelooflijk vermoeiende ménage-à-trois. Het lijkt alsof er ergens in het overgangsproces van het spirituele naar het aardse niveau iets mis is gegaan. De medische wetenschap ziet een defect in het hormonale proces in de foetus tijdens de zwangerschap als plausibele verklarende hypothese voor transseksualiteit. De spirituele wijsheid zou als hypothese hebben dat er tijdens de zwangerschap iets is misgegaan met het neerdalen van mijn ziel in dit aardse lichaam. Verkeerde afslag genomen en in het verkeerde lichaam gekomen. Of er vielen per ongeluk twee zielen in dit lichaam. Vanmiddag bel ik met L., niet mijn hartsvriendin L., maar mijn kruidenvrouwtje zoals ik haar wel eens liefkozend noem. L. is in het verleden een spiritueel leraar voor me geweest, jeweetwel diegene van de Bali-reis. Ik weet niet waarom ik haar wel eens kruidenvrouwtje noem, want kruiden is zo ongeveer het enige perspectief op bewustzijnsontwikkeling waar ze zich niet zo mee bezig houdt. Maar goed. Ik hoop dat L. mij verder kan helpen.

Mezelf vinden. Veel mensen met wie ik er over spreek hebben een idee wat daar voor nodig is; wat er met mij aan de hand is. Dat is lief, want daar spreekt betrokkenheid uit. Het vervelende voor deze twijfelkont die makkelijk meekleurt is dat ze allemaal iets anders zeggen. Stil zijn, ontspannen en aarden. Dat helpt me dan om de balans op te maken. Even weg van het drama van het gekwetste kind in mij. Gisteren nam mijn lieve vriendin Y. me mee naar de sauna. En natuurlijk, ook zij had een idee over wat ik zou moeten doen. Maar het belangrijkste was dat ik haar betrokkenheid voelde en me kon ontspannen in haar liefdevolle knuffel. Ik besefte me dat mijn koortsachtige zoektocht naar mezelf me soms doet vergeten wat ik al heb.

zondag 3 februari 2013

Brullen

Ik trok de deur achter me dicht en zwaaide door het raam naar S. Die was weer thuis bij zijn moeder. Ik stapte in de auto met mijn complete depressie onder mijn arm. Ik voelde opluchting dat ik me niet meer voor S. hoefde in te houden. Ik startte de auto, reed de straat uit en de bocht om. En toen voelde ik een boosheid opborrelen vanuit mijn buik recht naar mijn hart. Ik voelde de aderen in mijn nek opzwellen. En zachtjes ontstond er een gerommel, diep in mij. Het gerommel kwam omhoog, mijn hart opende zich, bedekte mijn borst, mijn schouders en mijn nek. En toen schreeuwde ik. Een langgerekte primitieve brul van boosheid. En pas twee straten verder verstomde de brul. Ik zuchtte. En begon te huilen. Minutenlang huilde ik, het stopte pas toen ik op de snelweg was. 

En nu ben ik rustig vanbinnen. Ik voel geen depressie meer. Ik voel me moe. Maar niet meer depressief. Niet meer slachtoffer. Voel ik me sterk? Nou nee. Ik ben leeg en ik sta in de leegte. Om mij heen is niks. Nou, niks? Links van mij lonkt kinky seks. Het verlangen naar mezelf onderwerpen, even geen verantwoordelijkheid meer dragen, even mogen stoppen met werken. Het voelt aantrekkelijk om aan die verleiding toe te geven. In fantasie dan, want kinky seks in je eentje is nogal lastig. Ik ga er niet heen, maar het kost moeite. Ik weet dat kinky seks een prima verdoving is. Even stoppen met voelen. Je kunt ook roken, maar dat vind ik vies.

Rechts van mij lonkt een vrouw. Ooh, fijn. Een vrouw zijn! Dat wil ik! Lekker weg van die donkere depressieve Man-ik en naar het kleurrijke Lisa-licht. Maar ik doe het niet. Want ik twijfel. Is het misschien toch een vlucht? Of voelt het als een veilige haven omdat het mijn echte thuis is? Omdat ik dat werkelijk ben? Ik weet het niet. Ik weet het echt niet. Maandenlang leefde ik met het idee om helemaal vrouw te worden. En nu is er twijfel. Of nee, eigenlijk is er helemaal geen twijfel. Nu voelt het alsof ik dat niet moet doen. Alsof dat niet het goede spoor is. Ondanks het grote verlangen het toch te doen.

De pijn die ik voel bij het verlies van M. is niet alleen pijn vanwege het verlies van M. Dat verlies valt in een grote diepe leegte in mij. Een pijn van fundamentele afwijzing. Van fundamentele ontkenning van wie ik ben. Door mijn ouders? Ik denk het. Ik weet het. Maar soms voelt het alsof die ontkenning nog ouder is. Hoewel dat logischerwijs niet zou kunnen natuurlijk. Maar toch.

Ik voel me nu kalm. De lucht is opgeklaard. Niet omdat het probleem opgelost is, hoor. Daarover maak ik me geen illusies. Ik weet dat het komt omdat ik weer controle heb over de pijn. Er is weer een deksel gelegd op het beerputje van vroeger. Nu kan ik weer samenhangend denken en schrijven (hoewel me teruglezend opviel dat mijn twee eerdere posts van vandaag ook behoorlijk samenhangend zijn. Zo voelde het niet toen ik ze schreef). En nu realiseer ik me dat ik in het onderzoek naar mijn vrouw-zijn niet moet schromen om ook mijn vrouwelijke zelf ter discussie te stellen. Misschien is Lisa toch een slimme, onbewuste poging om pijn te vermijden. Niet dat ik wil terugnemen wat ik eerder over Lisa heb geschreven. Allemaal echt. Allemaal waar. Maar ik ken de enorme creërende kracht van de mind. En met de storm van de afgelopen twee weken (en de depressie van de afgelopen drie maanden) in mijn achterhoofd kan ik nu zien dat ik voorlopig niet verder moet op het pad naar vrouw-zijn. Okee, mijn afspraak bij de laserkliniek dinsdag laat ik gewoon doorgaan; een hekel aan scheren heb ik altijd al gehad. Maar ik moet echt eerst nog een keer opnieuw in mijn innerlijke leegte kijken. Om zeker te zijn of vrouw-zijn die leegte gaat opvullen. Of niet.

Facebook

Ping. Een berichtje op mijn telefoon. Een Facebook update: “M. heeft een bericht geplaatst op haar tijdlijn”. En net als al haar andere berichten van de afgelopen twee weken was het een blij bericht. Nu begrijp ik wel dat Facebook een schijnwerkelijkheid is, maar toch. Vorige week was ik bij M.'s moeder om afscheid te nemen en toen hoorde ik wat M. aan het doen was om haar leven nu eindelijk richting te geven. Gisteren was ik bij M. en ze voelde kalm en geaard, opgewekt en positief. En dat voelt zuur. Ik hoop van harte dat M. nu eindelijk de weg naar boven vindt, en dat ze eindelijk gelukkig wordt. Maar het is zuur om nu de actieve en positieve vrouw te zien waar ik drie jaar naar gesmacht heb. De vrouw die ik drie jaar geleden al in haar zag en die er kennelijk pas uit kon komen nu ik weg ben. En dan realiseer ik me dat toen we aan onze relatie begonnen M. depressief was en ik in mijn kracht stond en mijn leven lekker liep; en dat het nu precies andersom lijkt. Was ik dan toch gewoon de rebound-relatie die ze nodig had om los te komen van haar echtscheiding? Was ik dan toch gewoon de man op wie ze alle opgebouwde frustraties moest afreageren? Ik weet dat dat onzin is. Ik weet dat de diepe liefde oprecht en wederzijds was. Maar toch. Die nare gedachten komen toch in mijn hoofd op als Facebook piept. En al die nare gedachten maken van M. iemand die ik niet wil dat ze is. En maken van mij een slachtoffer en dat wil ik ook niet zijn.

Een ander plausibel verhaal zou kunnen zijn dat M. nu in de fase van opluchting is. En opluchting geeft energie. Helaas was mijn eigen fase van opluchting maar kort. En inmiddels al weer ruim een week achter de rug. Maar goed, ik ben dan ook knetterdepressief. Dat was ik eigenlijk al een paar maanden, maar ik ben een kei in doorgaan. Tegen alle kansen in ploeter ik door en probeer er wat van te maken. Totdat ik echt door mijn hoeven zak. En dat moment is nu aangebroken. Dat hoef ik hier eigenlijk niet eens te schrijven, want als je mijn laatste paar posts leest, dan weet je genoeg. Ik ga morgen de huisarts bellen. Ik trek dit niet meer op eigen kracht. Ik zwicht. Ik zwicht voor anti-depressiva. Ik wil ze liever niet. Ik heb gezien hoe die van mijn vader een zombie maakten en dat wil ik niet zijn. Maar ik heb tien jaar geleden tijdens mijn burn-out ook ervaren hoe heerlijk rustig je er vanbinnen van wordt. Het lijkt alsof het nu opnieuw de enige kans is om een uitweg te vinden uit deze crisis.

Nu ga ik eerst op Facebook instellen dat ik alle berichten van M. niet meer wil zien. Ik wil haar niet ontvrienden, want ze is en blijft altijd in mijn hart. Maar de confrontatie is te heftig nu. Sorry M., ik hou van jou...

Ik ben op

Het is nog donker. Mijn nacht is voorbij. Tenminste, ik kan niet meer slapen. Het is nog vroeg, S. ligt nog te slapen. Maar ik draai, ik woel en ik huil. Ik denk aan M. en voel een diepe pijn. Het voelt alsof ik een deel van mezelf kwijt ben. Een deel dat M. opvulde. En god, wie weet is dat ook zo. Ik weet niet wie ik ben. Ik heb geen bodem in mezelf, waarop ik kan rusten. En wie weet gaf M. mij nou juist dat beetje gevoel dat ik er mag zijn. Helemaal. En precies zoals ik ben. Hoe bizar, want tegelijkertijd kon ze me ontzettend afwijzen, afkeuren en wegduwen. En me het gevoel geven dat ik anders moest zijn en doen dan ik was en deed. We hadden een bipolaire relatie. En die heeft ons volkomen uitgeput. Onze relatie is niet stukgelopen op onwil of haat. Onze relatie is stukgelopen op onvermogen het nog langer vol te houden. We zijn op. We hebben de afgelopen drie jaar zoveel geleerd over onszelf in de relatie en zoveel gedaan om het beter te laten lopen. En eerlijk gezegd ging het ook beter. Alleen kon die groei het tempo van onze uitputting niet bijhouden. Het was op. Ik ben op. Ik ben te moe om te vechten. Te vechten voor een vrouw die me diep heeft geraakt, in mijn hart. Een vrouw die dichterbij is gekomen dat wie dan ook ooit daarvoor. En op het gevaar af dat ik nu de drama-queen ga uithangen: het voelt alsof ik nooit meer zo intens met iemand samen kan smelten als ik met haar deed. En gezien het resultaat is dat misschien maar goed ook.

En nu voelt het alsof ik alles kwijt ben. Mijn grootste liefde, mijn grootste steun in mijn zoektocht, mijn grootste afleiding. En nu voel ik in mezelf en ik voel niks. Ja, ik voel vertrouwde depressiviteit. Vertrouwd liefdesverdriet. Daar ben ik eerder geweest. Maar nooit eerder voelde ik mezelf zo leeg. Er is geen mezelf meer. Ik weet niet wie ik ben, ik voel niet waar ik sta en al helemaal niet waar ik heen ga. Ben ik een vrouw? Ha, dat is op dit moment de meest belachelijke gedachte die bestaat. Ik ben helemaal geen vrouw. Ik ben alleen maar pijn. Er zijn zoveel vragen die zonder antwoord in mijn hoofd tollen. Nou ja, antwoorden komen er wel, maar die verwerp ik net zo makkelijk als een politicus zijn standpunten.

Ik ben moe. Ik wil slapen en mijn ogen pas weer open doen als overal de zon schijnt. Om mij heen en vooral in mij. Ik kijk naar mezelf en ben bang. Bang dat ik vandaag of morgen echt helemaal op ben. Nu onderbreekt de gedachte aan S. telkens nog elke verleidelijke droom over opgeven, over niet meer hoeven knokken om op de been te blijven. Ik moet door. Voor S. Maar kennelijk voelt het niet meer alsof het ook voor mezelf moet. Al die jaren knokken... wat heeft het me opgeleverd? Ik knok al twintig jaar voor mijn bestaan, al wel veertig jaar als je het ruim ziet. Ik zou zo graag eens stoppen met knokken. Even ontspannen. Even alles loslaten. Maar zodra ik dat doe, dan wordt het zo verdomde donker. Dan voel ik me zo alleen. En het frustrerende is: al mijn geknok brengt me steeds hetzelfde. Precies datgene dat ik er mee probeer te vermijden: eenzaamheid.

Ik weet het niet meer. Ik ben op. Ik hoor S. langzaam wakker worden en ik denk aan zijn tranen bij het pijnlijke afscheid bij M. gisterenmiddag. Een laatste afscheid van vier mensen die van elkaar houden. Die drie jaar lang tegen de stroom in een bizar lappendeken-gezinnetje hebben gevormd. En die elkaar nu moeten loslaten. Godverdomme dit doet pijn!