woensdag 29 mei 2013

Mijn gouden medaille

In een poging mijn eigen gender te duiden heb ik de afgelopen twee jaar al heel wat artikelen gelezen over genderdysforie en gender in het algemeen. Ik weet van alles over chromosomen, hersenontwikkeling en hormoonspiegels. Het getal van mijn eigen testosteronniveau voelt nog net niet zo vertrouwd als mijn schoenmaat, maar veel scheelt het niet. Overigens is mijn testosteronwaarde: 30,1 nmol/l; dat is redelijk hoog voor een man van mijn leeftijd (referentiewaarden tussen de 10 en de 35). Mijn hoge libido waar ik wel eens over schreef op dit blog (zo ongeveer in elke blogpost in april), heeft dus een zeer aantoonbare chemische basis. Voor een man is de waarde hoog, voor een vrouw een regelrechte belemmering om mee te doen aan de strijd om een Olympische medaille.

In de weekendbijlage van de Volkskrant (wetenschapskatern) stond een artikel van Ellen de Visser naar aanleiding van de ophef over de ‘gedwongen’ castratie van vier vrouwelijke atleten (mocht je het gemist hebben: het nieuwsbericht is openbaar te lezen. Het achtergrondartikel helaas niet). Ellen schrijft over vergelijkbare gevallen in de geschiedenis van de sport en over de verschillende geslachtsvariaties die er aan ten grondslag kunnen liggen: 5-ARD, AOS en genetisch mozaïek. Deze variaties was ik al eens eerder tegengekomen bij het afstruinen van het internet op zoek naar verklaringen voor wat ik voel. En hoewel ik kort geleden besloot af te stappen van het vanzelfsprekende pad naar geslachtsaanpassing, riep het lezen van dit artikel toch het verlangen op contact op te nemen met de VU. Niet omdat ik dacht of hoopte dat er bij mij een van deze variaties aan de orde is. Maar omdat ik me besefte dat ik mijn proces steeds meer alleen aan het doen ben:
  • mijn plekje bij de VU (waar ik bijna een jaar voor op de wachtlijst had gestaan) heb ik onbenut gelaten
  • mijn beide psychologen stelden voor de frequentie van de gesprekken te verlagen, toen ik vertelde over mijn laatste inzichten
  • de vorige bijeenkomst van de Vrouwengroep heb ik aan me voorbij laten gaan omdat ik me steeds minder identificeer met de manier waarop deze vrouwen in hun proces staan

Er is een duidelijke terugtrekkende beweging gaande. Ik heb een stap gezet te erkennen dat mijn genderdysforie een geheel uniek, persoonlijk brouwsel is. Een brouwsel van chromosomale omstandigheden, hormonale verhoudingen, neurologische patronen en psychosociale trauma’s en conditioneringen. Deze factoren samen vormen de gouden medaille die ik als mijn genderidentiteit mag beschouwen. Een medaille waar het standaardrecept van de geslachtsaanpassing niet per se het beste bij past. Maar intussen gebeurt er wel van alles. Ik laat mijn baardgroei weglaseren. Ik gebruik medicatie om de haaruitval op mijn hoofd te stoppen. En ik heb steeds vaker de gedachte een neuscorrectie te laten doen om er ook zonder hormonale ondersteuning in het verschiet als vrouw geloofwaardiger uit te zien. Allemaal zelf te regelen en zelf te betalen.
 
De VU heeft de reputatie zich vooral te richten op het helpen van transgenders die ‘all-the-way’ willen gaan. Maar misschien helpt het mij om daar toch in gesprek te gaan. Toch de diagnose-fase te gaan doorlopen. Mijn huidige fase is geen eindstation. Het is het begin van iets nieuws. En misschien kan de VU me in dit stadium toch ook nog helpen. Al was het maar met een officiële diagnose genderdysforie om me te helpen een deel van de kosten die ik nu maak (laseren, haaruitvalbestrijding) vergoed te krijgen door de zorgverzekeraar. Want hoewel niemand twijfelt over die diagnose (lotgenoten niet, mijn psychologen niet, ikzelf niet) heb ik nooit een officiële diagnose op papier gekregen. Een diagnose die een algemeen etiketje plakt op mijn geheel unieke gouden medaille.
 

maandag 27 mei 2013

Het park

Ik ruik het gras. Ik ruik de bloemen. Om mij heen ruisen bomen op de maat van de wind. Ik voel hoe de wind mijn lichaam aanraakt, streelt. Ik hoor vogels, insecten en in de verte hoor ik mensen voorbij lopen. Het levensvocht van het gras waarop ik lig maakt mijn t-shirt klam; ik voel de kilte tegen mijn borst. Uitgestrekt lig ik in het gras. Mijn zintuigen doen het prima; ik neem alles waar wat om mij heen is. En toch ben ik afgesloten. Een vacuüm scheidt mij van de wereld om mij heen.

Zo ging het al de hele dag. Man-ik liet zich van zijn beste kant zien bij alle afspraken die hij vandaag voor zijn werk had. Hij werkte hard, maar het was oppervlakkig. Instrumenteel. Hij was er alleen van buiten. Vanbinnen niet. Vanbinnen was ik er. Een bange Lisa. Bang om me te manifesteren. Niet in staat me met Man-ik te verbinden en samen deze dag door te komen, hij aan de buitenkant, ik aan de binnenkant. Iets hield ons uit elkaar. Een leegte. Een leegte die me de hele dag eenzaam maakte. En dat nu nog steeds doet; daar verandert de terug-van-lang-weggeweeste zon niets aan.

Deze leegte is onderdeel van mijn leven. Van mijn dubbelleven. Van mijn buitenkant en binnenkant die soms zo ontzettend slecht op elkaar passen. Die leegte kan niemand voor me opvullen. Dat is mijn eigen levensopdracht; daar gaat mijn zoektocht over. Maar toch dobberen mijn gedachten naar M. Zij kon mijn leegte verzachten. Me troost bieden op deze momenten. En achter mijn gedachten aan M. dobbert ook de pijnlijke angst dat M. en ik het niet samen gaan redden. Dat we nog niet klaar zijn om onze draad weer op te pakken en dat onze laatste kans voorbij gaat. Zaterdag, wanneer ik haar weer zie.

Ik ben moe. Ik heb vannacht erg onrustig geslapen. Niet vreemd dat het vandaag ging zoals het ging. Dat ik me voelde zoals ik me voelde. Ik weet dat er een breder perspectief is. Een perspectief waarin ik meer ben dan een Lisa die eenzaam en onzichtbaar is. Meer dan een Man-ik die een farce is, een ploeterend hol masker. Dat bredere perspectief heb ik pas nog zo goed gevoeld. En ik weet ook dat ik nu te moe ben om dat perspectief op te zoeken en vast te houden. Innerlijke vrede vraagt discipline en een sterke hygiëne op je eigen gedachten. En ik merk dat ik dat vandaag even niet kan opbrengen.

Ik draai me op mijn rug. Ik voel de wind mijn klamme shirt droogblazen en mijn lichaamswarmte meenemen. Het gras prikt nu in mijn nek. Langzaam sta ik op en loop door het park terug naar huis. Ik loop, maar ik ben er niet. Mijn buitenkant is hol. Mijn binnenkant is eenzaam. Subtiel roert zich verdriet in mij. Verdriet dat te groot is om écht gevoeld te worden. Vandaag houdt dat verdriet mijn binnenwereld en buitenwereld ver uit elkaar.

donderdag 23 mei 2013

Iemand nog iets drinken?

“Hoi, ik ben Lisa, ik woon in Amsterdam-Oost, werk als coach en ben sinds een paar maanden gastvrouw”. De andere vrijwilligers op deze vrijwilligersavond van Vier het Leven (waarvoor ik sinds een paar maanden als vrijwilliger werk, weet je nog?) keken naar me. We waren bezig met het voorstelrondje. Vanmiddag dacht ik nog: wat zal ik gaan zeggen? Ga ik vertellen dat ik tussen man en vrouw in zit? Ga ik vertellen dat ik, toen ik solliciteerde voor dit werk, nog dacht snel bij de VU aan de slag te zijn om helemaal vrouw te worden? En dat ik daarin nu een andere koers aan het varen ben? Pfff, wat een gedoe. Ik wil gewoon gewoon zijn. Geen verhalen. Geen bijzondere situatie. Geen aandacht trekken. Ik ben gewoon Lisa. Punt uit. Dus dat was dan ook wat ik zei. En daarna nam Marcel naast me het over en maakte het voorstelrondje zijn voorspelbare beweging rond de tafel. Niemand die iets vroeg, hoewel sommigen eigenlijk wel wilden, maar niet durfden. Grappig hoe je dat kunt zien als je er op let: een blik die iets langer op mij blijft rusten dan in onze cultuur gangbaar is, een adem die hoog in de borst ingehouden wordt als voorbereiding op een vraag die bij nader inzien toch te eng is om te stellen; er gebeurde van alles bij de aanwezigen. Dat begon natuurlijk al toen ik binnenkwam en vond zijn hoogtepunt tijdens dit voorstelrondje.

De rest van de avond heeft er niemand iets over gezegd of gevraagd. Ook niet tijdens het informele borrelen na afloop. Nou ja, stiekem toch. Twee mede vrijwilligers zaten subtiel te polsen. Te testen of ik ‘uit mijn rol zou vallen’. De eerste heb ik al vaker voorbij horen komen: een compliment, met een niet uitgesproken ondertoon. Het compliment: “Goh, wat heb je je ogen mooi sprekend en subtiel opgemaakt…”. De niet uitgesproken ondertoon: “… voor een man/travestiet/watdanook”. Hahaha, ik heb er niet op gereageerd. Alleen dankbaar het compliment geïncasseerd en het daarbij gelaten. De tweede test was geraffineerder: “Goh, heb jij een broer? Je doet me aan iemand denken die ik wel eens via mijn werk heb ontmoet. Je hebt dezelfde mimiek en manier van praten”. En toen ging ik als een razende door Man-ik’s geheugen heen: Kennen we deze vrouw? Ooit via het werk ontmoet? Zal ik vragen waar ze werkt? Nee beter van niet… Heel even had ze me aan het wankelen. Een fractie van een seconde. Nee, nog sneller. Ik reageerde zo ongeveer direct: “Nee, bij mijn weten heb ik geen broer, ik zal het nog eens bij mijn moeder navragen”. Een lach. En nog een lach. Goed gedaan, Lisa! “Iemand nog iets drinken?”

woensdag 22 mei 2013

De vlagbaars

Het dierenrijk heeft een andere verhouding tot gender dan wij mensen. Het begint natuurlijk al met het grote fysieke verschil tussen mannetjes en vrouwtjes. Bij de meeste diersoorten zijn mannetjes groter, mooier en gekleurder dan de vrouwtjes. Bij de mens is dat eigenlijk niet zo. De fysieke verschillen tussen mannen en vrouwen zijn relatief klein. We zijn ongeveer net zo groot en hebben dezelfde kleur. Alleen hebben onze vrouwtjes er een gewoonte van gemaakt zichzelf met kleding en make-up mooier en gekleurder te maken dan de mannetjes. Vrouwtjes mooier dan mannetjes? Een zeldzaamheid in het dierenrijk.

Maar er zijn nog veel opmerkelijker verschillen. Bij zeepaardjes dragen de mannetjes de eitjes. Slakken en wormen zijn (net als de meeste planten trouwens) hermafrodiet: ze zijn zowel mannetje als vrouwtje tegelijk. Alleen schijnt het zo te zijn dat slakken en wormen niet met zichzelf kunnen paren, dus ze hebben altijd een ander exemplaar nodig voor de voortplanting. Ze hebben in elk geval geen glijmiddel nodig, lijkt me…

Ook zijn er vissensoorten waar de mannetjes hun huidskleur tijdelijk kunnen aanpassen om op een vrouwtje te lijken. Zo kunnen ze dicht bij een ander vrouwtje komen zonder haar argwaan (en dat van andere mannetjes) te wekken. Zo verhogen ze hun paringskans. Zwemmende travestie, het kan niet gekker worden.

Nou, toch wel. Althans, ik wist niet wat ik las toen ik een verhaal over de vlagbaars zag staan in het tijdschrift van Artis. Een vlagbaars wordt altijd als vrouwtje geboren. Wanneer een vlagbaars vrouwtje groot en sterk geworden is en ze blijkt de grootste en sterkste van haar vriendinnengroep dan wordt ze een mannetje. Ze verkleurt paars en haar geslachts­organen veranderen. Zij is een hij geworden en waakt over wat nu zijn harem geworden is. Een geheel natuurlijke geleidelijke geslachts­aanpassing. De droom van veel transgenders... Dit fenomeen schijnt bij meer vissoorten voor te komen en heet: sequentieel hermafroditisme. Staat niet in de DSM-IV denk ik, maar zou er best in kunnen staan. Een transvrouw ondergaat dan proterandrie, en een transman protogynie.
 
En waar zie ik mezelf dan in dit plaatje? Lisa is geen slinkse manier van Man-ik om zijn paringskansen te vergroten. Ik denk eerder dat Lisa Man-ik’s paringskansen enorm beperkt. En aangezien mijn plannen voor een geslachtsaanpassing vooralsnog in de ijskast staan, is er ook geen sprake van sequentieel hermafroditisme. De praktijk is dat ik wissel tussen man en vrouw, zonder paring als oogmerk te hebben. Ik ben die man en die vrouw allebei. En om ze allebei een plek in dit leven te geven, wissel ik af. Als een simultaan schaker schaak ik op twee borden. Misschien moet ik mijn conditie dan maar simultaan hermafroditisme noemen.

dinsdag 21 mei 2013

Snotteren bij kaarslicht

Met mijn knieën op de grond aan weerszijden van het poefje ga ik zitten. Lotus­houding gaat niet echt fijn met de kleding die ik nu aan heb. Maar dat maakt niet uit; zo heb ik ook goed contact met de grond. Ik steek een kaarsje aan en ook een wierrookstokje. Het licht van het kaarsje weerkaatst de kleur van de terracotta houder waar hij in staat. Een oranje gloeiend puntje aan het eind van het wierrookstokje dooft uit en een grijze lenige danseres kringelt er uit omhoog om een ontspannende geur in mijn huiskamer te verspreiden. Het licht van het kaarsje is net genoeg om mijn tempeltje te verlichten. Het tempeltje dat ik na mijn Bali-reis heb ingericht als anker voor oprechtheid en rust in de zoektocht naar mezelf. Sinds dit weekend staat er op dit tempeltje een foto van Isaac Shapiro en zijn vrouw Meike. Een concrete herinnering aan de vrede die ik vorige week in mezelf mocht vinden. De vrede die nu eventjes flink wankelt. Want ik huil. 
 
Ik zit op mijn poefje voor mijn tempeltje en ik huil. Tranen lopen over mijn wangen. In mijn hoofd is het druk… “Kijk je wel uit dat je er niet in blijft hangen?” “Volwassen mannen huilen niet” “Vrede, blijf bij de vrede. Je emotionele systeem huilt. Identificeer jezelf er niet mee” “O jee, zo meteen loopt mijn mascara uit” “Ontspan… Laat het stromen en ontspan…”
 
Ik huil om M. Haar naam kwam boven vanavond, toen ik met mijn zus aan het sms’en was. Ze was laatst bij M. langs geweest, omdat ze als schoonzussen het zo goed met elkaar konden vinden. Toen ik sms’te dat ik nog steeds verdrietig word als ik M.’s naam zie, schreef ze me terug dat dat wederzijds is. En toen liep mijn lichaam vol. Vol met verdriet. Het verdriet dat er nu uit komt.

In mijn hoofd komt de vraag op: “Hoe krijgen we onze relatie ooit werkend?”. Maar het onthutsende antwoord is dichtbij: “Geen idee. Werkelijk geen idee”. Over anderhalve week gaan we elkaar zien. Althans, dat hebben we drie maanden geleden afgesproken. We zouden elkaar gaan zien om te kijken waar we beiden zouden staan in ons proces. Omdat we elkaar niet los wilden laten. Omdat we allebei hoopten op een happy end. Maar nu ik hier bij kaarslicht zit te huilen komt de gedachte op dat het zinloos is M. te ontmoeten. Dat we onszelf enkel opnieuw confronteren met het diepe gemis, zonder perspectief op een oplossing. Want tja, wat heb ik nu te bieden? Ik krabbel net op uit een heel diep dal. Ik leef als man en als vrouw. Ik heb geen benul of mijn dubbelleven werkbaar zal zijn. Ik ben koersloos. Het enige lichtpuntje is dat ik vrede heb gevonden. Maar vanavond bewijs ik al snotterend hoe fragiel die vrede is. Vanavond is het net voldoende om mezelf niet te laten verdwalen in mijn emoties en mijn gedachten. Misschien blijkt het zelfs voldoende om mij vooruit te laten komen in mijn proces. Maar het is zeker niet genoeg voor twee. Welk wonder moet er de afgelopen maanden bij M. zijn gebeurd om het nu tussen ons wel te laten slagen?

Het wierrookstokje is opgebrand; de laatste pirouette van de grijze danseres vervaagt. Ik kijk nog een keer naar de foto van Isaac en Meike. Vrede. Ik voel dankbaarheid. Ik blaas het kaarsje uit. De lont gloeit nog kort na en dan dooft hij, mijn tempeltje in duisternis achterlatend.

maandag 20 mei 2013

Pudding

The proof of the pudding is in the eating. Likkebaardend denk ik aan dit Engelse spreekwoord. Yummie! Het Nederlandse equivalent is toch minder leuk: de praktijk zal het uitwijzen. Ik hou het maar bij pudding; pudding gemaakt van de vrede waar ik gisteren over schreef. Hoe smaakt deze nu in de praktijk? Tja, het is natuurlijk nog veel te vroeg om daar iets definitiefs over te zeggen. Maar ik heb al wel hapjes genomen van de pudding. En daar kan ik iets over zeggen.
 
Sinds ik thuis ben, ben ik min of meer Lisa. Dat klinkt gek: min of meer. Vandaag en eergisteren waren voluit Lisa-dagen. Maar gisteren was een soort tussenin-dag. Geen make-up, geen pruik, geen borsten. Maar wel Lisa-kleren. Min of meer Lisa dus. Natuurlijk is de vrede die ik op de retraite ervoer nu niet meer zo intens aanwezig. Op momenten zelfs afwezig. Maar ik ben me daar telkens van bewust en ik kan dan de weg naar de vrede telkens weer vinden. De vrede waarin alles goed is zoals het nu is. Inclusief mijn Lisa-verlangen, dat ik daarom al drie dagen volg. Het voelt alsof ik een dieper niveau van acceptatie heb bereikt. Acceptatie van mijn genderdysforie. Acceptatie van het bestaan van Lisa. Die acceptatie was er al wel, maar is nu gegroeid. Acceptatie is geen lamp met een aan-/uit-schakelaar: er is acceptatie of het is er niet. Het is eerder een lamp met een dimmer. De acceptatie kan afwezig zijn. Of aanwezig in verschillende gradaties. Afgelopen week heb ik weer een stukje aan de dimmer gedraaid.

Gisterenavond sprak ik hartsvriendin L. over wat ik had ervaren en geconcludeerd tijdens mijn retraite. Vandaag sprak ik er met een andere vriendin (ook L.) over. Een goede test: voelt het nog goed als ik er over praat? Twee keer Ja. Komt het op hen geloofwaardig en écht over? Twee keer Ja. En twee keer zeiden ze dat voelden dat mijn conclusies ruimte gaven. Of zoals L. het vanmiddag verwoordde: “Het is speelser”. Inderdaad. Zodra je jezelf niet identificeert met je genderdysforie is het speelser. Ik ben het niet zelf, het is een uiting van mijn systeem. En ik mag daar mee spelen, onderzoeken, experimenteren. Onderzoeken deed ik natuurlijk al. Zeer serieus en met een niet aflatende toewijding. Maar nu is er ook ontspanning gekomen. Speelsheid en zachtheid.

Maar dat is een precair nieuw evenwicht. Gisteren stond ik onder de douche en keek ik naar beneden. Ik zag een gezond, goed gevormd mannenlijf. En ik voelde verdriet. Ik miste mooie borsten. Ik miste een mooie vagina. Ik voelde pijn en verlangen. Maar desondanks stortte mijn innerlijke vrede niet als een pudding in elkaar. Ik keek naar dat deel in mij dat verlangt naar dat vrouwenlichaam en ik troostte het. Ik kon het geen perspectief bieden. Geen beloftes dat dat lichaam er ooit zou komen. Ook geen berisping dat dat lichaam er nooit zou komen. Alleen troost. Tranen liepen over mijn gezicht en toch was er vrede. Ik ben hier. Ik leef. Als vrouw. En als man. Als vredig mens die deze twee identiteiten omvat. Het is nog niet duidelijk hoe deze vrede-pudding mij op de lange duur gaat bevallen. Maar de eerste hapjes smaken goed.

zondag 19 mei 2013

Vrede

Dit is de tweede ochtend dat ik thuis wakker word na de stilte-retraite. Ik wil schrijven, maar weet niet wat. Er zoveel te vertellen. De stilte-retraite was bijzonder. Isaac Shapiro, de gastheer van de retraite, is bijzonder. Hij heeft iets in mij aangeraakt dat grenzeloos belangrijk is. Vrede. Vrede in mij. Vrede zonder daarvoor iets van een ander nodig te hebben. Vrede zonder daar hard voor te hoeven werken. Vrede door er simpelweg te zijn. Vrede door mezelf los te maken van alle dagelijkse beslommeringen waar ik me zo mee identificeer.
 
De afgelopen week heb ik me iets essentieels gerealiseerd: identificatie is iets wat je doet, al dan niet bewust, om een beleving te creëren waarop je je handelen baseert en rechtvaardigt: ‘dit ben ik, dus doe ik zo’. Identiteit is een vorm en niet de essentie. En de frustratie, het onbehagen dat ik voel over wie ik ben komt voort uit het besef dat er geen identiteit bestaat die mijn hele verhaal vertelt, mijn hele essentie weergeeft. Ik ben meer dan mijn identiteit. Ik ben een essentie die vele malen groter is dan alles wat ik ooit mijn identiteit heb genoemd. Die essentie is de ruimte, de stilte, de allesomvattende eenheid van waaruit ik mijn gedrag kan waarnemen. Van waaruit ik mijn identiteiten kan waarnemen. Waarin alles van het leven zich manifesteert. Sommigen noemen het God. Anderen noemen het de kosmos of de grote Ik of het Unieke Zelf. 

In deze essentie is er vrede. Wanneer ik contact heb met deze essentie, is alles goed zoals het is. Vanuit die vrede kan ik dan waarnemen welke conditioneringen, welke automatische patronen zich allemaal in mij afspelen. Geconditioneerd door het leven. Gemaakt door de psychosociale en biochemische erfenis die ik met me meedraag. Een systeem. Een systeem van ideeën, gedragingen, emoties en verlangens die het gevolg zijn van een samenloop van omstandigheden. Ik werd geboren met een (op kosmische schaal bezien) tamelijk willekeurige verzameling genen en kreeg een opvoeding die het gevolg was van grotendeels onbewust gedrag van de mensen om mij heen. Het is niet mijn essentie die mij pijn geeft, het is dit systeem. Dit systeem dat propvol gedragingen zit waar ik bij volle bewustzijn nooit voor zou kiezen, maar ik doe ze toch. Maar als ik nooit voor die gedragingen zou kiezen, wie doet ze dan eigenlijk? Niet ik dus. Het is mijn systeem. En zodra ik denk dat ik het zelf ben die dit alles doet, dan komt er pijn en frustratie. Wanneer ik dit alles niet persoonlijk neem dan komt er bewustzijn. Ruimte. Vrijheid. Vrede. De pijn die ik ervaar is er niet vanwege wie ik ben, maar omdat ik me identificeer met wat er in mijn leven gebeurt.

De afgelopen week heb ik dit spirituele inzicht dieper ervaren dan ooit daarvoor. Een gevolg van de combinatie van de sfeer, de omgeving en de teachings van Isaac Shapiro. En niet te vergeten deze belangrijke mentale katalysator: het boek ‘Identiteit’ van Paul Verhaeghe. Het boek onderbouwde het gevoel dat ik van Isaac kreeg dat identiteit een constructie is. En ook nog eens eentje waar je zelf vrij weinig over te zeggen hebt. Verhaeghe gaf me een inzicht dat tamelijk essentieel is. Een inzicht dat ik natuurlijk al wel wist, maar ik realiseerde me ineens dat mijn hele systeem zich al tijden niet als zodanig aan het gedragen was. Zo gaat het vaak met belangrijke inzichten: het zijn open deuren die op het juiste moment en in de juiste verpakking komen, zodat ze eindelijk gehoord en op een dieper niveau begrepen kunnen worden. Verhaeghe schreef over ADHD als voorbeeld van hoe omgegaan wordt met wat we tegenwoordig ‘mentale stoornissen’ noemen. Een stoornis, dus een afwijking van een norm. Een norm die er is omdat de anderen dit specifieke gedrag zo vervelend vinden. En iedereen die niet aan die norm voldoet, is ziek en moet behandeld worden. Met Ritalin, in geval van ADHD. Maar is ADHD het probleem? Nee, zegt Verhaeghe, iemand is druk en heeft concentratie-problemen. En het geheel van die symptomen zijn we ADHD gaan noemen. Maar die uniforme diagnose zegt helemaal niets over de oorzaken bij deze ene specifieke patiënt. En dus weet je niet welke behandeling het meest effectief is. De standaard geprotocolleerde behandeling is, zeker bij slecht begrepen ‘stoornissen’, in veel gevallen helemaal niet zo effectief. We weten dat dit zo is bij Ritalin en ook bij anti-depressiva. Maar zodra iemand wordt geïdentificeerd (of zichzelf identificeert) met een stoornis, dan volgt gedwee en kritiekloos tóch de standaard behandeling, bij gebrek aan tijd en lef om serieus maatwerk te leveren. En iedereen gelooft dat ze het beste aan het doen zijn, terwijl de statistieken de lage effectiviteit keer op keer bewijzen.

Ditzelfde geldt voor genderdysforie, die officieel genderidentiteitsstoornis of Gender Identity Disorder (GID) heet. Een stoornis waarvoor een (medische en sociale) geslachtsaanpassing het standaardrecept is. De beste oplossing, want je bent immers toch genderdysfoor? Terwijl de statistieken uitwijzen dat na afloop van een geslachtsaanpassing een groot deel van de transgenders nog kampt met psychosociale problemen, getuige de hoge scores in werkloosheid, eenzaamheid, depressie en suïcide. Vergelijk het post-operatieve cijfer voor suïcide maar eens met het landelijk gemiddelde: 3% tegen 0,1%. Een duidelijk signaal dat de behandeling niet per definitie effectief is. Van het complexe woud aan psychosociale en biochemische oorzaken dat ten grondslag ligt aan genderdysforie zal een deel vast goed behandeld kunnen worden met een geslachtsaanpassing. Maar een deel dus overduidelijk niet.

Toen ik me deze parallel realiseerde, werd mij in één klap duidelijk dat het helemaal niet vanzelfsprekend is dat ik een operatie moet ondergaan om mijn onbehagen weg te nemen. In één klap realiseerde ik me ook dat de weerstand en aarzeling die ik daarover al een tijdje voelde een teken was van een onbewuste grote intelligentie in mij, die ik wel voelde, maar niet helder kon zien. Tot nu. Nu realiseer ik me dat elke andere weg die ik kies om mijn genderdysforie te hanteren een even logische (of even onlogische) weg is. Elke weg kan mij gedoe, ongemak en pijn gaan opleveren.

Ik ben me gaan realiseren dat mijn genderdysforie iets is dat bij mij hoort. Let wel: ‘bij mij hoort’; mijn pijn wordt groter als ik me ermee identificeer: “ik ben genderdysfoor en er moet iets gebeuren anders kan ik niet gelukkig zijn”. Auw. Terwijl ik weet dat ik in het hier en nu heel goed geluk kan ervaren, ook met mijn genderdysforie. Ik schreef al eerder dat ik als fulltime man niet permanent ongelukkig was. “Pijn komt als je ideeën over de toekomst naar het heden haalt”, zei Isaac Shapiro deze week nog. Zeer juist gesproken, Isaac.

Mijn systeem is niet mijn essentie. Mijn genderdysforie hoort bij mij, maar ik bén het niet. Ik ben in de bijzondere omstandigheid een systeem te hebben met een tamelijk zeldzame eigenschap. Namelijk het vermogen een identificatie met het andere geslacht te hebben. En het verlangen deze identificatie ook te manifesteren. Dit is in de praktijk ontzettend ingewikkeld, daar heb ik al vaak genoeg over geschreven. Maar het is ook een wonder. Een wonder dat ik Man-ik ben én dat ik Lisa ben. En het besef dat ik ze alletwee niet ben. Ik ben iets groters dan dat. Ik ben de vrede van waaruit ik naar Man-ik en naar Lisa mag kijken. De vrede die ik de afgelopen week, tijdens de stilte-retraite, in alle schoonheid heb mogen ervaren. Het is die vrede waar ik mijn toewijding aan ga geven. Als man. Als vrouw. Als allebei en geen van beide.



vrijdag 10 mei 2013

Stilte na de storm

“Vroeger dacht ik dat slakken hun huis afwierpen als ze liever met een andere buitenkant leefden. Vandaag leerde ik dat de lege huisjes die ik vond eigenlijk dode slakken waren”. Een tekst die nog gonst in mijn hoofd. Een tekst uit de film ‘She Mail Snails’ die ik vanavond zag op het Transcreen Filmfestival. Een tekst die gaat over het contrast tussen je vrije keuze en je lot.

Deze tekst me deed me realiseren dat ik niet durf te kiezen. Ik durf niet te kiezen om M. los te laten. Ik durf niet te kiezen om vrouw te worden. Maar ik durf ook niet te kiezen om Lisa naar de achtergrond te laten verdwijnen. Ik kies niet. Ik loop rondjes en ik graaf. Ik graaf in de hoop duidelijke aanwijzingen te vinden wat ik moet doen. Aanwijzingen die zo objectief aanvoelen dat ik er de verantwoordelijkheid mee buiten mezelf mag leggen: het is zo, dus…

Ik ontwijk de verantwoordelijkheid voor de keuzes die nu voor me liggen. De verantwoordelijkheid voor hoe mijn leven er vanaf nu uit gaat zien. Ik wil alles: vrouw zijn, M. behouden, de liefde van S. veiligstellen, sociale acceptatie behouden, mooi haar zonder pruik. En omdat ik ook wel aanvoel dat kiezen betekent dat ik niet alles kan hebben wat ik wil, blijf ik maar dralen. Ik hoop nog steeds op een teken van het lot. Maar ja...“It is not my destiny, it is my choice”, zei Vika Kirchenbauer in de film ‘Like Rats Leaving a Sinking Ship’ die ik vanavond ook zag. Een keuze maken, ongeacht je lot.

Misschien vind ik de komende week het vertrouwen om die keuze te maken. De komende week ga ik luisteren naar wat de stilte laat horen op het subtiele zielsniveau in mij. Ik ga een week in retraite. Een stilte-retraite. Met niemand praten, behalve tijdens de driemaaldaagse satsang (een groepsbijeenkomst waarin we ‘samenzijn in de waarheid’). Toen ik mezelf inschreef voor deze retraite dacht ik dat het ‘t sluitstuk zou zijn van drie maanden aan mezelf werken. Met als doel om een conclusie te kunnen trekken over wat ik zou gaan doen met mijn verlangen een vrouw te zijn. En met de hoop dat ik een conclusie zou vinden waarmee ik M. perspectief kon bieden. Waarmee we samen weer de draad op zouden kunnen pakken. De draad die ons op een diep niveau met elkaar verbonden heeft. De draad waar we alletwee zo naar verlangen.

Ik kijk nu terug op drie stormachtige maanden. Maanden van heftige emoties en een diepe depressie. Maanden waarin ik de schaduwen uit mijn jeugd nog eens flink heb aangekeken. Maanden waarin ik op zoek ben gegaan naar het grijze gebied tussen man en vrouw. Maanden waarin ik mijn heteroseksualiteit als vrouw heb gevoeld. Het zijn allemaal bijzondere puzzelstukjes van de puzzel van mijn leven. Die puzzel laat me, stukje voor stukje, steeds meer van mezelf zien. Maar het voelt alsof ik nog niet voldoende puzzelstukjes heb verzameld om de komende week in stilte mezelf aan elkaar te leggen. En dan sta ik begin juni met lege handen. En dan heb ik M. niks te bieden. Mijn verlangen naar haar is zo groot, dat ik mijn hoop en verwachtingen van deze retraite onverantwoordelijk hoog heb gemaakt.

Morgen stap ik in de stilte. Een stilte waar ik pas volgende week vrijdag weer uit kom. Een week stilte na drie stormachtige maanden. Ik open mijn ziel en luister...


woensdag 8 mei 2013

Ambigu

Ik heb een ontwikkelingsachterstand, zoals veel transgenders. Omdat ik een lange tijd heb geprobeerd in de rol van mijn biologische geslacht te leven, heb ik mijn eigenlijke identiteit veronachtzaamd. Of zoals ik het op dit blog eerder al simpel verwoordde: Lisa is nog maar een meisje. En aangezien Lisa en Man-ik op een zeker niveau één zijn, heeft Man-ik dus ook een ontwikkelingsachterstand. Omdat Man-ik zo geoefend is in normaal en sociaal wenselijk gedrag valt het niet zo direct op, maar juist als Man-ik loop ik er regelmatig tegenaan. Gebeurtenissen in mijn omgeving ervaar ik snel als heftig en geven me innerlijke tweestrijd en spanning. Er zijn perioden geweest in mijn leven dat ik daar goed mee kon omgaan, maar de laatste paar jaar lukt me dat niet zo goed meer.

En laatst legde Laura van Transvisie er een woord op: mijn emotionele systeem heeft moeite met ambigue gevoelens. Gevoelens van en-en in plaats van of-of: ‘mama is boos én houdt van mij’ in plaats van ‘mama is boos en houdt dus niet van mij’. Een kind leert in een veilige omgeving om te gaan met deze gevoelens. Maar ja, die veilige omgeving was er voor mij niet met een moeder die me afwees en een lijf en een sociale rol waar ik me niet voluit mee kon identificeren. Dus van het leren omgaan met ambigue gevoelens is het helaas niet gekomen. En laten nu net die ambigue gevoelens volop aan de orde zijn in mijn leven: ik voel me vrouw en toch ook man, ik hou van M. en voel me bij haar niet veilig, ik wil vechten en ik wil schuilen.

Op dit moment heb ik een coach die met associaties mij laat doordringen in mijn intuïtieve emotionele systeem. Zo helpt hij mij de ballast te verlichten die ik met me mee sleep omdat ik als kind problemen van anderen opgedrongen heb gekregen of omdat ik me die teveel heb aangetrokken. Een paar dagen geleden was ik weer bij hem. De sessie was intens en heeft me veel ontdekkingen opgeleverd. De oorsprong van mijn neiging om gevoelens weg te drukken ligt bij mijn opa en oma en wat zij hebben meegemaakt in de Tweede Wereldoorlog. De belangrijkste bron van onvoorwaardelijke liefde in mijn jeugd was Sacha, onze hond. En ik heb een tegenstrijdigheid ontdekt die ik mezelf nog niet bewust was. Wat ik al wist van mezelf is dat ik de drijfveer heb om succesvol te zijn, om dingen te bereiken. Allemaal om in het gevlei te komen van wie dan ook, als substituut voor de gemiste aandacht van mijn moeder en erkenning van mijn vader. Ik werk daar hard voor en ben daarin streng voor mezelf. Dat doe ik omdat er altijd een tegenkracht in mij op de loer ligt. Een saboteur die me voortijdig doet opgeven of die me mezelf klein en onzichtbaar laat maken. En die saboteur moet ik altijd te snel af zijn. Dat vreet energie kan ik je zeggen...

Dankzij de sessie bij mijn coach weet ik nu waar die saboteur vandaan komt. Die saboteur is mijn medelijden met mijn zus. Mijn zus is geestelijk beperkt en mijn saboteur remt mij om haar te beschermen. Want hoe minder succesvol ik ben, hoe minder schrijnend haar achterstand is. Tijdens de sessie zag ik dat ikzelf als kind ooit de saboteur deze opdracht gaf, uit medelijden met mijn zus. Die opdracht heb ik nu ingetrokken. Ik mag slagen! Dingen mogen lukken! Ik mag groot zijn en stralen! Ik leef met mijn zus mee. Ik hou van haar en voel de zwaarte van haar lot. Maar het is haar lot en dat kan ik niet voor haar dragen. Sterker nog: als ik een deel van haar puzzel draag kan ze die nooit zelf oplossen. Ik heb mijn medelijden ingewisseld voor medeleven. Ik hou van mijn zus én ik mag zelf succesvol zijn. Een ambigu gevoel waar ik hoop ik nu beter mee kan omgaan.

En wie weet mag ik ooit het punt bereiken dat ik om kan gaan met het grootste ambigue gevoel in mij. Zodat ik de vraag of ik nu eigenlijk man ben of vrouw mag beantwoorden met: ik ben een man én een vrouw.

zondag 5 mei 2013

Inconvenient truth

Ik ben een aantrekkelijke vrouw. Twijfelkont als ik ben, mag ik dat inmiddels toch niet meer ontkennen. Ik krijg regelmatig complimentjes over mijn make-up, mijn kledingkeuze en niet te vergeten mijn figuur: mooie taille, superbenen. Eergisteren was zo’n dag. Terwijl ik me eigenlijk een beetje down voelde, straalde ik kennelijk toch iets anders uit. Drie keer in één uur tijd kreeg ik van willekeurige voorbijgangers te horen dat ze me mooi vonden. Een soort van Like, maar dan IRL (in real life; in het echte leven dus). Twee keer door een man en één keer door een vrouw. Dat is een fijne remedie tegen een dipje kan ik je zeggen.

Ook in de social media ervaar ik dit. Onlangs kreeg ik een bericht in mijn Facebookchat van een mij onbekende man: “Leuke foto's! Lijkt me leuk om contact te hebben”. Ik kende hem niet, maar we bleken een wederzijdse facebookvriend te hebben. Dus ik chat terug: “Dank je. Nou, bij deze. Contact dan”. Via social media zijn mensen altijd leuker dan in het echt, dus ik deed mijn best zo bijdehand mogelijk uit de hoek te komen. Living up to expectations… Hoe dan ook, er was een klik, dus de chat ging door. Ik mocht nog meer complimentjes incasseren en mijn ego kreeg een enorme boost. En al vrij snel was duidelijk dat deze man interesse had in seksueel contact met mij. Ik veerde op. Want tja, droom ik er niet al tijden af en toe van dat een man mij als vrouw begeert? Een man die mij kan laten ervaren waar ik seksueel gezien sta als vrouw? Om het beeld compleet te maken na die lesbische seksuele ervaringen met M.

Hier was hij. Op een presenteerblaadje. Heel elegant en toch recht voor zijn raap vroeg ik hem naar zijn verwachtingen. En omdat ik van openheid en eerlijkheid hou, vertelde ik hem vrij snel dat ik als man geboren was. “Ja dat wist ik”, zei hij. Heel even voelde ik me betrapt, maar toen drong het tot me door dat op mijn facebook profiel een verwijzing naar dit blog staat. Ik ben een open boek dus.

Voordat ik het wist hadden we foto’s uitgewisseld en zaten we te flirten. Ik genoot. Ik genoot van de aandacht van deze man. Ik genoot ervan dat hij mij begeerde. Als vrouw. Of nou ja, waarschijnlijk vooral als vrouw-met-een-mannenlijf, laat ik mezelf geen illusies maken. Maar ik merkte dat ik opgewonden werd. Opgewonden over de gedachte dat deze man mijn lichaam aanraakte. Mijn droom over seks met een man vlamde levensecht op. Het was in één klap duidelijk: als vrouw ben ik biseksueel. Ik genoot als vrouw (ook als man, maar dat doet hier nu even niet ter zake) altijd van seks met M. En ik genoot nu van de gedachte aan seks met deze man. Een confronterend besef. Misschien zelfs een inconvenient truth. Maar het is ook een besef dat me helpt te ontdekken wie ik ben.

Op een bepaald moment schreef hij: “Je bent hot… Ik kom zo, moet even wat doen”. En toen was het even stil aan de andere kant. Ik sloeg er geen acht op, maar later kwam de gedachte in me op dat de seksuele spanning in hem te hoog was opgelopen (of geef ik mezelf nu teveel eer?)… Toen viel het me in dat deze chat voor hem misschien wel het enige was waar hij op uit was. Zichzelf opgeilen met een fantasie. Een mindfuck, om het maar eens even onomwonden te zeggen. Ons gesprek liep namelijk al een tijdje in rondjes: ik stelde vragen om meer over hem te weten te komen en hij negeerde deze en gaf me seksuele toespelingen. Mijn open uitnodiging om elkaar te ontmoeten (dan weet je binnen een minuut wat je met elkaar wilt) negeerde hij een paar keer. Het bleef bij seksuele toespelingen. En toen doemde het beeld op van een man die met één hand aan het typen was. Met één hand omdat zijn andere hand op dat moment andere bezigheden had. Maar ja, ik weet hoe fnuikend aannames kunnen zijn, dus ik ging mijn idee checken. Ik schreef: “Ik heb het idee dat deze chat voor jou al voldoende is. Ik voel me een beetje aan het lijntje gehouden”. En toen gooide hij abrupt het bijltje er bij neer: “Nou als je dat nu al voelt dan houd het op”. En klaar waren we. Tja… Dergelijke reacties ken ik. Over het algemeen betekent het dat je confrontatie te pijnlijk was. Omdat je gelijk had. Een inconvenient truth.

zaterdag 4 mei 2013

Een eerste trede

Afgelopen woensdag bracht ik S. naar zijn moeder. Hij was zes dagen bij mij geweest; we hadden een heerlijke tijd samen! En toen kwam het. The day after. Ik was lusteloos, passief; misschien mag ik het wel depressief noemen. Ik schrok ervan. Ik bracht de hele dag binnenshuis achter de computer door. Een negatieve energie zoog me naar beneden en hield me de hele dag aan mijn lot gekluisterd. Ik kon alleen afwachten tot de beul met zijn bijl een einde zou maken aan mijn lijden. Maar die beul kwam niet. Gelukkig maar. Dit was een overgangsdag, zoals ik die vele heb in mijn leven. Een overgangsdag die er deze keer flink inhakte.

De moeder van S. en ik zijn al negen jaar gescheiden. En sindsdien heb ik overgangsdagen. Althans, sindsdien ben ik me van ze bewust. Telkens omschakelen tussen een leven met een kind en een leven zonder kind. Met meer verschillen dan alleen de aan- of afwezigheid van S. Ik werk niet als S. er is. En sociale contacten zijn er ook veel minder als hij er is. Ik wil met hem zijn. Samen met hem dingen ondernemen. Ik leid een dubbelleven, zou je kunnen zeggen. En daar is sinds een paar jaar een extra dubbelleven bij gekomen. Mijn leven zonder S. is geen uniforme eenheid. Ik leef dan als man en als vrouw. Ik werk als man, en de tijd die overblijft ben ik deels Man-ik en deels Lisa. Een omschakeling die niet alleen mentaal is, maar ook nog in uiterlijk. Wat een gedoe, telkens omschakelen. Ik schakel me suf.

En als S. dan weer komt, dan schakel ik naar mijn rol van liefhebbende vader. Dat betekent niet dat al mijn andere levensgebieden uitgeschakeld worden. Nee, ik spreek ook dan wel eens af met vrienden. Ook dan moet ik wel eens bellen of mailen voor mijn werk. Het enige dat ik echt uitschakel, is mijn leven als Lisa. S. weet van niks en voor mij voelt het alsof ik eerst moet weten wat ik met Lisa aan wil, voordat ik hem er over kan vertellen. Een kind wil duidelijkheid. Dus voordat S. komt, ruim ik mijn Lisa-kleren op, berg ik de make-up weer netjes op, stop ik de pruik terug in zijn doos onderin de kast. Dan haal ik haar jas van de kapstok en check ik of er niet ergens een handtas slingert. Als ik dan nog de was wil doen, dan schat ik in of de Lisa-kleding droog (en opgeruimd) zal zijn voordat S. er is. Zoniet, dan stel ik de was uit.

Toen ik deze procedure gisteren beschreef aan Bas, mijn psycholoog, schrok hij. Hij was zich niet bewust dat ik daar zo nauwgezet mee bezig was. Dat ik er zo veel energie in stop. In zijn analyse was het logisch dat ik zulke heftige overgangsdagen heb, als ik in de tijd met S. zoveel van mezelf moet verbergen. “Wat zou er gebeuren als S. het zou ontdekken?”, vroeg hij. Tja, stiekem hoopte ik daarop, dan had ik een opening om het hem allemaal te vertellen. Dat zou opluchten, dat voelde ik wel. Maar tegelijkertijd schaamde ik me. Ik schaamde me naar S. voor wat ik voel, wat ik wil, wie ik ben.

Bas vroeg me te overwegen S. iets te vertellen over Lisa. Nou ja, overwegen… hij spoorde me ronduit aan. Het zou me opluchten en voorkomen dat de schaamte nog groter zou worden. “Schaamte is een nutteloze emotie”, zei hij. “Nou, voor een soepel sociaal verkeer is een klein beetje schaamte in zijn algemeenheid wel handig”, dacht ik meteen. Maar ik begreep wat hij bedoelde. “Maar wat vertel ik S. dan? Ik weet niet eens wat ik met Lisa aanmoet, waar ik heen ga?”, zei ik met een licht hoorbare paniek in mijn stem. “Vertel hem niet waar deze trap heen gaat. Vertel alleen de eerste trede. Pas als hij vragen stelt, vertel je meer. En als hij iets vraagt dat je nog niet weet, zeg hem dat dan”. Tja, de eerste trede… “Papa vind het leuk om af en toe zich als vrouw te verkleden?” Of is dat al teveel? Maar ja, te subtiele verwijzingen zijn voor kinderen onduidelijk. Dan is het geen trede meer. “Ik ga er over nadenken”, zei ik. Want dat kan ik wel, nadenken. Nadenken is een geraffineerde vorm van uitstelgedrag. Je bent immers toch bezig? Ja, ja…

Als ik het S. zou vertellen, is dat dan niet egoïstisch? Om hem in verwarring te brengen, misschien wel verdriet te doen, omdat ik het moeilijk zou vinden om met het geheim om te gaan. En hoe moeilijk vind ik het eigenlijk om er mee om te gaan? Was het niet vooral Bas zijn schrik? Aan de andere kant: steeds meer mensen in mijn omgeving weten van mijn proces en kennen Lisa. Hoe zou ik het vinden als mijn vader iets dat zo belangrijk voor hem was pas als een van de laatsten aan mij zou vertellen?

woensdag 1 mei 2013

Hardlopen

“Ik was op het naaktstrand van het Paterswoldermeer. Ik ren nogal veel op een naaktstrand. Ja, want soms, als er een vrouw voorbij komt ben ik weleens bang dat ik een erectie zal krijgen en om haar en mezelf niet in verlegenheid te brengen, spring ik maar snel even het koude water in. Soms komt er iemand voorbij waarvan ik zeker weet dat ik géén erectie zal krijgen, maar om niet onbeleefd te lijken, spring ik toch maar snel even…”. Ik moest vandaag aan deze conference van Herman Finkers denken terwijl ik aan het hardlopen was. Nadat ik S. had teruggebracht naar zijn moeder had ik mijn hardloopkleren aangetrokken en ging ik mijn vertrouwde rondje langs het kanaal rennen (en nee, het kanaal is niet rond, maar mijn rondje wel). Ik ging hardlopen omdat het goed voor me is. Fysiek afreageren maakt mijn hoofd stil en helpt me ook mijn libido te ontladen. Okee, ik liep dan niet met een erectie, maar toch… Om mijn hoge libido van de laatste tijd een beetje in te dammen zou ik misschien wel drie keer per dag mijn rondje moeten rennen. Of vier keer, als er nét iemand langskomt waarvan ik zeker weet dat ik er géén erectie van zal krijgen. Ik zou misschien zelfs op tijd in vorm zijn om de marathon van Edinburgh te lopen.

Nu ik uitgehijgd en afgekoeld weer thuis ben is er iets meer rust in mijn lijf. Mijn hemel, waar komt die libido toch vandaan? Werd mijn verlangen naar M. aangewakkerd toen ze mij voorstelde een seks-date te hebben? Nou, mijn libido was daarvoor ook al hoog. Nee, M.’s voorstel had een heel ander effect. Het effect dat ik eigenlijk wilde vermijden door juist niet op haar voorstel in te gaan. Ik dacht dat mijn zoektocht naar mezelf overschaduwd zou worden door verlangen naar haar als we weer eenmaal seks gehad hadden. En dus bood ik weerstand aan de grote verleiding. Knap hoor. Ja, heel knap. Knap zinloos. Want ook zonder die seks is er sindsdien geen moment voorbijgegaan dat ik niet aan haar denk. Als je mijn blog een beetje volgt, dan weet je dat. De korte periode dat ik nauwelijks over haar schreef was voorbij vanaf het moment van haar verzoek.

Mijn verlangen naar M. is niet alleen fysiek. Ik mis het samen lachen, samen lekker eten, samen klussen, samen reizen en samen plannen maken voor lekker eten, klussen en reizen. Om zo maar wat te noemen. Ik mis haar kus, haar knuffel, haar stralende ogen waarmee ze zo verliefd naar me kon kijken. God, hoe is het mogelijk dat ik drie maanden na onze break-up nog zo naar haar hunker? Als ik elke keer als ik aan haar denk een uur zou gaan hardlopen, dan viel ik binnen een halve dag dood neer van uitputting…