zondag 22 september 2013

Hem zijn haar

De afgelopen week was een duidelijke vrouwenweek. Nee, de officiële internationale vrouwendag is pas over een half jaar (op 8 maart 2014 om precies te zijn). Maar in mij was de afgelopen week veel vrouwelijkheid. Alle dagen hadden best Lisa-dagen kunnen zijn. Maar helaas, ik heb de hele week hard gewerkt. Nou ja, helaas… het is natuurlijk fijn dat ik na een ruim jaar met een crisis in het kwadraat (economische crisis x persoonlijke crisis) eindelijk weer eens flink geld aan het verdienen ben. Zodat de bodem van mijn schatkistje weer wat onzichtbaarder wordt. Maar dat betekende ook dat er deze week weinig ruimte was voor Lisa om zich te laten zien. Met de nodige onvrede als gevolg.

Die dagen dat ik niet ’s ochtends vroeg een werkafspraak had, deed ik direct nadat ik uit bed opstond mijn borsten om. Zo voelde mijn lichaam compleet. Ik trok er dan Lisa haar ochtendkloffie bij aan, maar helemaal opmaken en mijn pruik opzetten deed ik dan niet. Teveel werk voor die korte tijd dat ik het zou dragen. Het zou er toch weer af moeten als ik later als Man-ik naar buiten ging voor een werk-afspraak.

Maar ja, dat gold natuurlijk ook voor mijn borsten. En hoewel dat veel minder werk is, is het emotioneel eigenlijk ook een grote stap. Een pijnlijke stap. Niet omdat de zelfklevende laag zijn taak iets te serieus opvat, maar omdat het emotioneel voelt als een amputatie. Twee amputaties. Wanneer ik mijn borsten afdoe, heb ik het idee een glimp te voelen van wat een vrouw doormaakt die vanwege borstkanker haar borst moet laten weghalen. Het doet pijn. Het maakt me lelijk. Het haalt een essentieel onderdeel weg van mijn fysieke vrouw-zijn. Gek eigenlijk dat je wel hoort praten over ‘ontmannen’ als het gaat over castratie (van de kat meestal), maar nooit hoort praten over ‘ontvrouwen’ bij een borstamputatie. Zoals ik het beleef mag je dat best zo noemen.

De hele week heb ik veel troost gevonden bij mijn borsten. Ook al zijn ze van siliconen en zitten ze aan de buitenkant opgeplakt, als ik ze eventjes droeg kregen ze de temperatuur van mijn lichaam en de zachtheid van mijn eigen weefsel. ’s Avonds op de bank (ja dan had ik ze weer aan) legde ik er vaak een hand op. Ik voelde tevredenheid. Een soort thuiskomen. Op de achtergrond (en soms op de voorgrond) sluimerde het verdriet van de wetenschap dat ze niet echt zijn. En dat ik een hele grote stap moet zetten om ze echt te krijgen. Een stap die ik niet durf te zetten, maar die toch blijft lonken. Alsof er voortdurend een grote groep vrouwen voor me staat die naar me wenkt en fluistert: “Kom. Kom Lisa. Je hoort bij ons”.

Soms vraag ik me af (en ik weet het antwoord eigenlijk wel) of ik sneller voor volledige transformatie naar vrouw gekozen zou hebben als ik dit proces twintig jaar geleden gedaan zou hebben. Toen ik nog geen kind had. Toen ik nog geen carrière had. Toen ik nog een flinke bos haar op mijn hoofd had. Tja, mijn haar… Niet dat ik kaal ben, gelukkig niet. Maar bovenop is het haar erg dun. Aan de voorkant zijn er twee riante parkeervakken aangelegd en mijn kruin begint – om maar in de metafoor te blijven – langzaam maar zeker een helikopterlandingsplaats te worden. Zonder pruik durf ik mezelf geen Lisa te noemen, of althans niet als Lisa op straat te verschijnen. Ik denk de laatste tijd weer vaak aan transplantatie. Maar ja, als het testosteron door mijn lijf blijft gieren, dan blijft het bestaande haar uitvallen. Totdat er op mijn achterhoofd niks meer te oogsten is voor nieuwe aanplant in de kale plekken. Zouden ze al hoofdhaar kunnen kweken uit stamcellen? Dat lijkt me een doorbraak in de stamcelwetenschap; eentje die commercieel wel eens zo succesvol zou kunnen zijn dat alle andere toepassingen van stamcel-technologie ermee betaald zouden kunnen worden. Want reken maar dat er heel veel ijdele mannen op deze wereld graag hun haardos zouden willen laten herstellen. En wij transvrouwen profiteren hier dan fijn van mee. Voorlopig doe ik het maar met Finasteride...

Vanochtend stond ik op en weer deed ik mijn borsten om en trok ik Lisa-kleren aan. Het werd vandaag geen Lisa-dag omdat ik in de middag als Man-ik zou gaan shoppen voor een meer androgyn uiterlijk. Dus ik deed geen make-up op en liet mijn pruik op de standaard staan. Maar toen ik langs de spiegel liep, zag ik Lisa. Lisa die naar de kapper was geweest. Mijn gezicht oogde heel zacht en rond. Vrouwelijk. Het haar van Man-ik, dat hij de laatste weken al voorbij de gebruikelijke lengte liet groeien, was door het gedraai vannacht op mijn kussen in een vrouwelijke coupe terecht gekomen. De dunne plukjes bedekten de parkeerplaatsen, het haar viel zijwaarts langs mijn gezicht. Met mijn handen modelleerde ik het verder. Een beetje zoals het model van mijn pruik, maar dan helaas wat dunner en korter. En toen zag ik het. Toen zag ik Lisa met korter haar. Met vrouwelijk haar. En ineens kon ik de mogelijkheid zien van een Lisa zonder pruik. Gewoon met het haar van Man-ik. Met hem z’n haar. Hij mag het dan niet meer laten knippen, natuurlijk!

vrijdag 20 september 2013

Hinken op twee geslachten

Vandaag realiseerde ik me iets. Nu gebeurt dat wel vaker, maar deze keer ging het om iets belangrijks. Het onderzoek naar mijn gender is weer in een nieuwe fase gekomen. Of het nu komt door de grote stap die ik maakte in de acceptatie van het feit dat ik genderdysfoor ben of door mijn coming-out naar S. weet ik niet. Of het samenhangt met het verlangen van de laatste paar weken even niet zoveel met mijn gender bezig te zijn weet ik ook niet. Ik heb geen keuze gemaakt tussen man of vrouw. Geen afscheid genomen van Lisa of Man-ik. Officieel beschouw ik mezelf nog als simultaan hermafrodiet. In normaal Nederlands zou je kunnen zeggen: ik hink nog steeds op twee geslachten. En toch zijn Man-ik en Lisa dichter bij elkaar gekomen. Niet zo zeer in expressie: Lisa houdt nog steeds van rokjes, hakjes en kleur en Man-ik is ondanks de wens meer androgyn te worden daar nog niet echt in opgeschoten.

Maar vandaag, in gesprek met mijn psycholoog hoorde ik mezelf ineens zeggen: “Er is minder strijd tussen Lisa en Man-ik. Er is meer verbondenheid. Verbondenheid in het niet weten. Het niet weten waar het heen gaat met mijn gender”. Ik schrok er zelf van. Lisa en Man-ik verbonden? Ja het klopt. Ooit stonden ze lijnrecht tegenover elkaar. Twee wederzijds uitgesloten identiteiten. Een strijd op leven en dood. Toen kwamen Lisa en Man-ik naast elkaar te staan. Toen kwam er vrede. En nu hoor ik mezelf zeggen dat er meer is dan een neutraal staakt-het-vuren. Er is verbondenheid. Een diep besef van een gemeenschappelijk lot. Het lot op twee geslachten te hinken. En geen idee te hebben hoe lang dat nog moet doorgaan.

De psycholoog van de VU vroeg me laatst hypothetisch, in het kader van het diagnostisch onderzoek, hoe ik het zou vinden om anti-androgenen (testosteron-onderdrukkers) te slikken. Grappig dat hij het ter sprake bracht, want die gedachte was bij mij de afgelopen paar weken ook al een paar keer langsgekomen. Ik had er dus ook al wat over nagedacht. Testosteron-onderdrukkers lijken me een fijne, welkome pauze. Een pauze in mannelijkheid. Niet om Man-ik weg te drukken, maar om mijn libido op pauze te zetten. Zodat ik beter kan voelen wat er in mij te voelen is. Zodat ik de subtiele symfonie van mijn hart beter kan horen, zonder dat mijn testosteron-gedreven hoge libido er voortdurend als een heavy metal plaat doorheen dendert. Seksualiteit hangt natuurlijk wel samen met je genderidentiteit, maar het is een apart onderdeel. Het is niet de kern van je gender. En ik denk dat ik mijn gender veel beter te zien krijg als mijn seksualiteit me niet voortdurend voor de voeten loopt. Misschien zie ik dan glashelder hoe het zit, met die man en die vrouw in mij. Misschien zie ik dan welk pad ik te volgen heb. Want ik word bang bij de gedachte eeuwig te moeten blijven hinken op twee geslachten.

zaterdag 14 september 2013

Laat maar...

Het is 14 september. En dit is mijn derde blogpost van deze maand. En dat terwijl de maand al zo ongeveer half voorbij is. Al extrapolerend kom ik dan uit op 6 blogposts deze maand. Een trendbreuk. En een flinke ook.

Misschien komt het omdat ik de afgelopen twee weken mijn zoektocht niet echt blijmoedig heb doorstaan. Ik baalde. Stevig. Mijn emoties wilden heftig heen en weer gaan, maar iets in mij duwde het weg. Met mijn tanden op elkaar ploeterde ik door de dag, hopend dat een betere dag snel zou volgen. Als een soort achtergrondruis zweemde een groot gevoel van onbehagen, maar dat wilde ik met alle macht niet voelen. F*ck it met dat hele gedoe rondom mijn gender! Ik wilde gewoon gewoon zijn en niet meer de hele dag bezig zijn mezelf te observeren en te zien dat het niet was hoe ik wilde dat het was. Dus vertellen wat er in me omgaat was wel het laatste waar ik zin in had. Laat maar zitten, dat stomme blog… Gelukkig had ik (eindelijk weer) een hoop werk om in te vluchten…

Het was niet dat ik Lisa ontkende, nee er waren ook Lisa-dagen. Dat waren trouwens dagen waarin ik me helemaal niet zo vrouwelijk voelde. Ik voelde me meer – tja hoe zal ik het zeggen – gewoon. Ik was een vrouw, maar de vrouwelijkheid gierde niet door mijn lijf. Het verlangen om me übervrouwelijk te kleden (rokje, panty en serieuze hakken) was ook niet zo heel sterk. Ik wilde een vrouw zijn met gewoon een spijkerbroek aan. Dus dat was ik ook: gewoon.

Het fijne was dat mijn omgeving behoorlijk meehielp me gewoon te laten voelen. Zo zou ik een avond naar het theater gaan met S., een goede vriend. Hij had me wel al een keer eerder als Lisa gezien, maar ik voelde me bij hem altijd toch meer op mijn gemak als Man-ik. Als vrouw voelde het alsof ik de dynamiek van onze relatie helemaal op zijn kop zette. Wat ik misschien ook wel deed. Maar voor S. bleek het heel gewoon om mee te kleuren in die nieuwe dynamiek.

We hadden afgesproken elkaar ruim voor de voorstelling te ontmoeten in het theatercafé. Nog even wat drinken en kletsen voor we ons in het donker van de theaterzaal zouden begeven. Vanaf mijn strategisch gekozen plekje zag ik S. binnenkomen in het café. Hij keek zoekend rond (hoe zag Lisa er ook weer uit?) en toen zijn blik bij mij aankwam, ging ik staan. Hij kwam op me af, boog zich naar voren en gaf me een zoen op mijn linkerwang. Toen naar rechts en weer terug naar links. Drie zoenen. Heel gewoon: een vriend die een vriendin begroet. En zo voelde het ook: gewoon. Ik voelde me vrouw én bevriend met S. Maar ik realiseerde me dat ik ook overdonderd was. Overdonderd door de natuurlijke manier waarop S. fysiek contact met mij als vrouw maakte. Onze mannelijke relatie was altijd zeer platonisch. Hoewel Man-ik vrij makkelijk andere mannen met wie hij vertrouwd is aanraakt of een knuffel geeft, voelde dat met S. altijd wat ongemakkelijk. Pas sinds een jaar is S. daarin aan het ontspannen; vermoedelijk door de heftige gebeurtenis die toen in zijn leven optrad. Onze eerste mannelijke hug die ik toen aan hem gaf herinner ik me nog goed: zijn lijf voelde stijf en gespannen. Hij wilde deze verdieping in ons contact wel, maar het was duidelijk ver buiten zijn comfortzone.

Van een grens aan de comfortzone was in het theatercafé niks te merken. S. zoende Lisa alsof hij nooit anders gedaan had. Het is grappig om te zien hoe fundamenteel we geconditioneerd zijn in sociale codes: een vrouw zoen je ter begroeting; een man niet. S. was altijd al iemand die wist ‘hoe het hoort’, dus toen hij mij als vrouw zag, was het logisch dat hij me zoende. Maar desondanks voelde het nergens geforceerd; het voelde ontspannen en écht. Net als toen ik later zijn onderarm pakte om zijn aandacht te trekken. Man-ik zou hem, als er al sprake was geweest van aanraking, een tikje tegen de bovenarm gegeven hebben. Maar voor Lisa, in dit ontspannen contact met S., was het heel normaal om zijn onderarm even vast te pakken. Alsof onze jarenlange vriendschap altijd al een man-vrouw-vriendschap was geweest. En wie weet, misschien was het dat stiekem ook wel een beetje. Misschien voelde het daarom zo gewoon nu we als vriend en vriendin in het theater waren. Of misschien is mijn genderonzekerheid nu zo gewoon geworden dat alle sociale veranderingen die ermee gepaard gaan ook al heel gewoon zijn. Misschien zelfs wel zo gewoon dat het haast niet de moeite lijkt er iets op mijn blog over te schrijven. Laat maar...

maandag 9 september 2013

Burka

De inhoud van het Man-ik-deel van mijn kledingkast helpt niet echt bij het onderzoeken van een androgyne koers. De enorme hoeveelheid shop-momenten van de afgelopen paar jaar hebben alleen aan de rechterkant van de kledingkast iets opgeleverd: jurkjes, hempjes, rokjes en meer van dat moois. En niet te vergeten: veel (heel veel) schoenen. Waar Lisa er nog steeds te weinig van heeft overigens, maar dat terzijde… Wat ik bedoel te zeggen: de linkerhelft bevat totaal verouderde kleding van Man-ik. Het past natuurlijk niet bij de nieuwe Man-ik die ik probeer vorm te geven, maar zelfs voor de oude Man-ik zijn veel van de kledingstukken al hopeloos uit de mode. Sommige kledingstukken heb ik dan ook al tien jaar (of meer). Ik had nooit veel plezier in het kleding-shoppen in het mannensegment. Het resultaat viel toch altijd tegen. Saai, onpersoonlijk en onelegant. Wat ik ook aantrok, ik voelde me onzichtbaar gemaakt alsof ik een burka droeg.

Er is iets raars aan de hand met mannenkleding. Die lijkt er op gericht te zijn zo weinig mogelijk te laten zien van het mannenlichaam. T-shirts, hemden, broeken; alles sluit zo hoog mogelijk (nek) en is zo lang mogelijk (mouw of pijp). Zodat je maar niks te zien krijgt van de man ín deze kleding. Zelfs de suggestie van een mannenlichaam moet kennelijk vermeden worden, want de meeste mannenkleding is recht en vormloos. Tel daarbij op dat de meeste mannenkleding van saai, stug katoen is gemaakt en het is duidelijk: mannen moeten zo amorf en aseksueel mogelijk over straat gaan. En vooral zo weinig mogelijk opvallen en zo veel mogelijk op elkaar lijken. Een mannenkledingstuk van een mooi stretchy, licht glimmend en zacht stofje is een zeldzaamheid. Een printje met iets ánders dan een paar onduidelijke, stoer bedoelde Engelstalige kreten in ARMY letters is als de spreekwoordelijke speld in de hooiberg: haast niet te vinden. Of het moet een print zijn met een grappig bedoeld portret van een stripfiguur, een game-held (ANGRY word ik er van!), een besturingssyteem of een uit de mottenballen gehaalde terrorist (Tjee, daar heb je Ché)… Het enige stofvullende patroon dat je ooit in mannenkleding tegenkomt is het streepje. Keurig parallelle streepjes die overal even dik zijn en even ver uit elkaar staan. En als je écht eens uit de band wilt springen dan neem je streepjes die haaks op elkaar staan. Ook wel bekend als het ruitje. Jak!

Natuurlijk overdrijf ik hier wat. Maar tot mijn grote verdriet veel minder dan me lief is. Sla er maar eens een willekeurige folder of website van een mainstream kledingzaak op na: veel kleur, variatie en combinatiemogelijkheden bij de vrouwenkleding. En eenheidsworst bij de mannenkleding: allemaal burka’s op een rij. En het cliché zegt dan dat mannen nou eenmaal comfortabel boven mooi en elegant verkiezen: “Het moet gewoon lekker zitten”. Wat een onzin! Ik weet uit ervaring: een fladderend rokje zit écht veel – heel veel – comfortabeler dan een stugge hoge spijkerbroek. Geen wonder dat het in sommige subculturen hip is om je spijkerbroek ongeveer halverwege je kont te dragen…
 
Gelukkig is er langzaam een kleine kentering gaande. Ik zag laatst in een mainstream winkel écht stretchy shirts met een v-hals zodat de mooie vormen van het mannelijk torso ook eens getoond kunnen worden zónder Coca-Cola Light Break. En wat te denken van de originele (voor het conservatieve mannenmodesegment dan) en kleurrijke herenschoenen van Floris van Bommel. Wauw! Helaas nog niet echt mainstream, dus ben je als man veroordeeld tot prijzen uit het hogere segment. Maar het begin is er. Glimpjes hoop op een toekomst waarin mannen zich ook fantasierijk en elegant kunnen kleden zonder meteen een onbedoeld gay-statement te zijn. Maar toch, toen ik laatst samen met M. aan het shoppen was – op zoek naar mooie elegante mannenkleding – bleef mijn blik toch het langst hangen bij de jurkjes, tuniekjes en hempjes die aan de andere kant van de winkel hingen... Ik geef het nog niet op. Maar misschien komt de androgyne Man-ik toch dichter bij het vrouwelijke eind van het spectrum uit dan ik dacht…


vrijdag 6 september 2013

Trans-cendentie

Een lange zachte zucht ontsnapte aan mijn mond toen ik mijn ogen sloot en ontspande. Vrijwel meteen zag ik ze: Man-ik en Lisa. Alle twee voor me, net iets links van het midden. Lisa links van Man-ik. Ik zweefde want ik bekeek ze schuin van boven. Mijn aardse helper zei: “Open je ziel. Probeer naar beneden te zakken”, alsof dat een heel normale vraag is die niet ingewikkelder is dan het verzoek of je even opzij wilt gaan omdat iemand wil passeren. Ik had geen idee wat ik moest doen, maar ik wist ook dat ik het juist niet moest proberen, maar moest toelaten. Laissez-faire is niet aleen een managementstijl, maar ook een belangrijke vaardigheid op het spirituele pad. Dus voor ik het wist, zakte ik. Ik maakte contact met dezelfde bodem als waar Lisa en Man-ik op zaten. Ik was nog steeds achter hen, maar nu op gelijke hoogte; ik keek tegen hun ruggen aan. Ik volgde de uitnodigingen van mijn aardse helper. Ik plaatste mijn ziel voor me. Het voelde alsof ik uit een siliconen omhulsel stapte, dat heel even aan me bleef plakken, uitrekte en toen losschoot. Lisa en Man-ik waren uit beeld verdwenen. Nu zag ik voor me een wit-rood gemarmerde ovale vorm die me deed denken aan een lange kraal. Een kraal die, rechtop, een beetje boven het witte vierkanten voetstuk zweefde. Ik had geen idee of dit object groot of klein was, dichtbij of ver weg. Wel wist ik dat ik naar mijn ziel aan het kijken was. Een ziel die niet rond was, zoals mijn aardse helper verwachtte, maar ovaal. 
 
Tussen mijn ziel en de bodem lag een krans. Een soort corona. Geen mooie stralende energievolle krans, maar een zwarte platte krans met venijnige uitsteeksels. Het ding deed me aan het logo van RTL boulevard denken. Alleen leken deze uitsteeksels oneindig ver door te lopen, als een soort kabels die verbonden waren met iets buiten mijn gezichtsveld. Op advies van mijn aardse helper greep ik de uitsteeksels met twee handen vast en bundelde ze tot een dikke, zware kabel, die zo dik was dat ik hem met mijn beide armen moest omklemmen. Ik bond er een touwtje omheen zodat de bundel bij elkaar zou blijven en pakte mijn zaag. Deze dikke zwarte bundel zaagde ik door met langzame en kalme zaagbewegingen. Eén voor één vielen de kabeltjes los op de grond. Toen de hele bundel was losgemaakt van de cirkel om mijn ziel, trok ik er aan. Ik schrok. Rechts achter mij bleek een hele grote groep donkere gestalten te zijn die aan het eind van de bundel zat. Nee, wacht, er waren ook lichte gestalten. Nee er was één lichte gestalte, een soort engel, die ik goed kon zien, links naast deze grote groep onduidelijke donkere schimmen. Ik vond het maar een eng gezelschap en aarzelde. Dit voelde niet goed. Alsof je ’s avonds laat in een donker steegje loopt en wordt opgemerkt door een groep donker geklede mannen die zich langzaam in jouw richting draaien. “Ga naar de lichte gestalte toe”, zei mijn aardse helper. Ik zag een klein meisje huppelend, haar staartjes heen en weer zwaaiend, haar jurkje om haar heen wapperend, naar de engel gaan. Ik voelde me veilig. Deze helper uit de geesteswereld zorgde voor me. Hij hield de groep min of meer in bedwang en het voelde alsof hij dat al vaker gedaan had. Ik keek de groep aan en deed een stap in hun richting. De groep bleek te bestaan uit allemaal hetzelfde wezen, maar dan in honderdvoud, alsof dit monster per ongeluk op een kopieermachine was gevallen. Ineens veranderde alles. Voor mij zat het wezen. Alleen.Ineengedoken. Bang. Maar ook klaar om uit te halen met grote klauwen met scherpe nagels. Ik keek hem aan. Heel even zag ik op de voorgrond het gezicht van mijn vader. En toen zag ik het monster weer. Is dit monster mijn vader? Nee. Dit monster is ook verbonden met mijn vader.

Het monster keek me aan en ik voelde hoe hij energie uit me zoog. Via mijn buik. Mijn aardse helper zei dat ik dat niet moest toelaten en de engel links van me knikte. Ik hield mijn handen voor me en opende ze. Vanuit de hemel kwam een grote, gloeiende goudgele bal naar beneden. Toen de bal in mijn handen was, leek hij wel vloeibaar. Een vloeibare bal energie. Via mijn onderarmen liepen er twee stroompjes naar mijn buik. Ik voelde leven in me komen. Mijn buik leefde, werd vol en ik voelde me sterk. Ik strekte mijn armen en gaf de bal aan het monster. De energie die hij zo graag wilde hoefde hij niet langer bij mij en mijn vader te halen. Hij hoefde slechts, net als ik gedaan had, zijn handen uit te steken en de energie zou op hem neerdalen. Angstig en vol ongeloof zat het wezen voor me, ineengedoken over de bal energie die hij op zijn schoot had genomen.

De engel was trots op mijn moed. Ik zag mijn vader’s gezicht weer en hij was trots op me. Mijn aardse helper was trots op me. En ja eerlijk is eerlijk, ik was zelf ook wel een ietsiepietsie trots. Ik keek naar mijn ziel en zag dat de zwarte cirkel was verdwenen. Nu zag ik pas dat er een gat aan de onderkant zat. Wat het dan werkelijk een kraal? Als een soort stopverf gebruikte ik de gouden energie om zo goed en kwaad als het kon het gat aan de onderkant dicht te maken. Een gat dat in deze transcendente ervaring zo reëel was. Een gat waarvan ik niet wist welke betekenis het heeft in de fysieke wereld van de materie en het hier en nu.