zondag 28 december 2014

Opgesloten

Het is sterker dan ik. Ik kan het niet stoppen, althans niet voor heel lang. Ik huil. Lang en heftig. Al vanaf het moment dat ik vanochtend mijn dikke ogen open deed. Ik voel aan het gebons in mijn hoofd dat de zes uurtjes tussen mijn eerste huilbui van vandaag en de laatste van gisteren me een onrustige, oppervlakkige slaap hebben gegeven. Mijn gedachten zwerven; onrustig en tevergeefs op zoek naar vaste grond. Alleen gedachten aan M. lijken te beklijven. Ik voer gesprekken met haar, fantaseer toevallige ontmoetingen en bedenk wat ik haar dan zou zeggen. Liefdevolle woorden, verwijtende woorden, woorden om mijn gram te halen. In mijn hoofd zijn er woorden, terwijl ik weet dat de realiteit waarschijnlijk anders zou zijn: een ongemakkelijke aarzeling om haar vast te pakken, onzeker of zij dat ook wil en of we daar wel goed aan doen; een gestameld “o, liefje”; tranen. Ik mis haar. Ik wil haar zo graag vasthouden, haar voelen, haar ruiken. Maar ze is er niet.

In dit verdriet zou ik graag mijn handje laten vasthouden. Iemand die eventjes voor me zorgt. Iemand die eventjes de verantwoordelijkheid van me overneemt. Iemand die tegen me zegt: “laat maar meisje, ik regel het wel”. Ik voel me een meisje van vier dat opgesloten is in het complexe leven van een veertigjarige. Moedeloos leg ik mijn hoofd in mijn handen. De prikkende stoppelbaard herinnert me genadeloos aan mijn situatie en herinneringen aan gisteren en de blikken van de mensen in de supermarkt komen boven. Ik voel me opgesloten in het sadistische regime van de baardepilatiebehandelingen.

Mijn turbulente gedachtenstroom brengt me bij het verlangen – de fantasie – me als vrouw aan een man te geven. Seksueel, dat zeker, maar niet alleen dat. Ik zie mezelf flirten, daten en samen zijn met een man. Ik voel me supervrouwelijk en ik verlang ernaar om dat deel van wie ik ben, dat deel van mijn leven, te gaan ontdekken. Maar voorlopig kan ik dat niet. Voorlopig ben ik een vrouw met een baard. Een vrouw zonder borsten. Een vrouw zonder kut. Ik voel me opgesloten in dit mannenlijf en ik vraag me af of ik ooit echt vrij mijn vrouwelijkheid zal kunnen vieren. Mijn geboorte als vrouw vindt plaats halverwege mijn leven. Mijn mannelijke biologie en mijn gebrek aan moed om deze stap eerder te zetten hebben me mijn jeugd als meisje afgenomen. Mijn geschiedenis van me afgesneden. Ik word niet geboren als meisje, maar als een vrouw. Geboren in het leven van een man van middelbare leeftijd. Een leeftijd waarbij het lastig wordt om nog alle fases te doorleven waar een opgroeiend meisje doorheen gaat om een stabiele en complete identiteit als vrouw te ontwikkelen. Ik ben een meisje dat opgesloten is in een cynische speling van het lot. Ik ben een meisje van vier met een mannenlijf en een gebroken hart. Een meisje met een niet te stelpen verdriet.

zaterdag 27 december 2014

Kut

Een ijzingwekkende schreeuw galmt om me heen. Het angstaanjagende geluid lijkt van alle kanten te komen. Ik ben meteen bij zinnen. Ik richt me langzaam op, snelle bewegingen vermijdend, alsof die me wel eens fataal zouden kunnen worden. Ik richt mijn blik naar voren. Voor me doemt een gezicht op. Bloeddoorlopen ogen. Een ruige stoppelbaard. Een lange sliert snot uit de neus. Zwarte vlekken rond de ogen; het lijkt op uitgelopen mascara. De wangen rood en nat. Ik schrik van het gezicht; ik herken het amper. Toch weet ik dat het mijn eigen gezicht is, gereflecteerd in de spiegel boven de wastafel. Wanneer het tot me doordringt dat ik de schreeuw van zojuist zelf heb voortgebracht, begin ik te trillen. Mijn mondhoeken trekken naar beneden en mijn ogen worden spleetjes. Spleetjes die zich meteen vullen met tranen. Ik huil. Opnieuw. Mijn hele lijf trilt en ik vertrouw de steun van mijn aan de rand van de wastafel vastgeklampte handen niet meer. Mijn benen zijn zo slap dat ik me op de grond moet laten zakken. Ik voel mijn rug tegen de koude radiator aan vallen. Het deert me niet. Mijn pijn zit van binnen. Ik huil lange tranen. “Liefje, kom je bij me terug?”, hoor ik mezelf fluisteren. “Alsjeblieft?”. “Ik mis je zo”. Mijn slappe lijf zit ineengezakt op de vloer van de badkamer en kan niks anders meer doen dan schokken, huilen en zachtjes jammeren.

Na een tijdje probeer ik me op te richten. Ik trek mezelf aan de rand van het bad wat omhoog, maar verder dan gehurkt kom ik niet. Ik hou me met twee handen vast aan het bad en laat mijn voorhoofd vermoeid op de badrand rusten. Het gesnotter is opgehouden. Ik kijk in de holte die ik tussen mijn in elkaar gedoken lichaam en het bad heb gemaakt. Ik kan onder mijn eigen rokje kijken en ik zie het kruis van mijn maillot. Hij is een beetje pluizig daar. Ik snuif een ingehouden lach en probeer mezelf op te peppen: “Jeetje ik heb wel veel haar op mijn kut”. Meteen voel ik een brok in mijn keel en ik mompel: “ik héb niet eens een kut”. Moedeloos laat ik mijn hoofd weer op de rand van het bad vallen: “Dat duurt nog anderhalf jaar. Nog anderhalf jaar…”. Mijn lijf begint weer te schokken. Ik voel een dikke traan van mijn wang glijden.

vrijdag 26 december 2014

Vader

“Nu begint het proces van loslaten van je kind”, zei G. Ik begreep waar ze op doelde. We spraken immers over S. en zijn pubertijd, die zichtbaar begonnen was. G. kende S. nauwelijks. In de korte tijd dat G. en ik, jaren geleden, een relatie hadden gehad, had ik S. voor haar onzichtbaar gehouden en vice versa. Ze wisten van elkaars bestaan, maar ze waren niet meer dan een abstractie voor elkaar. Ik wilde mijn kind niet te snel blootstellen aan elke prille liefde van zijn zoekende vader. Hechting was toch al een precair onderwerp bij een kind van zo jong gescheiden ouders. G. en ik hadden, na onze korte relatie, jarenlang geen contact gehad, maar sinds dit jaar waren we weer in elkaars leven. Een paar maanden geleden zagen S. en G. elkaar dan eindelijk ook eens, en kort geleden weer.

Ik keek G. aan. “Ik geloof dat het loslaten voor zijn moeder veel ingewikkelder zal zijn dan voor mij. Ik heb dat loslaten eigenlijk al gedaan. Tien jaar geleden, toen zijn moeder en ik gingen scheiden en toen door haar beslissing met haar nieuwe partner ver van me vandaan te gaan wonen S. grotendeels uit mijn dagelijkse leven verdween”. G. knikte en leek te beseffen dat haar algemene notie over het loslaten van pubers in mijn geval niet zo van toepassing was. “Vanaf dat moment verzorgde ik hem nog maar af en toe, had ik nauwelijks nog invloed op zijn vorming en opvoeding en was ik niet langer het enige mannelijke rolmodel in zijn leven”, vervolgde ik. Ik moest glimlachen om mijn woordkeus: was ik wel ooit een mannelijk rolmodel geweest? De glimlach werd snel overschaduwd door de herinnering aan het verdrietige gevoel dat mijn rol als vader al zo vroeg zo klein was geworden.

Tegelijk realiseerde ik me dat mijn band met S. daar in het geheel niet onder geleden leek te hebben. We hielden zielsveel van elkaar en onze verbondenheid strekte zich moeiteloos uit over de honderd kilometer die onze levens van elkaar scheidde. Ik speelde in praktisch opzicht dan wel nauwelijks een rol in zijn leven, maar voor hem was ik zijn vader; zonder twijfel. Vaderschap is geen functie die enkel bestaat wanneer die op een stereotype manier tot uitdrukking wordt gebracht, wanneer die volgens het boekje geleefd wordt. Vaderschap is een gevoel.

Dit besef ontroerde me. Ineens zag ik een nieuw, recent bewijs van deze stelling. S. was niet alleen tien jaar geleden zijn praktiserende vader kwijtgeraakt, maar recent ook de mannelijkheid die zijn vader in zijn ogen altijd had gehad. Zijn vader was een vrouw geworden. Niet alleen was daarmee de mannelijke uitstraling van mijn rol voor de toekomst verdwenen, ook plaatste dit het ‘mannelijke’ voorbeeldgedrag dat S. de afgelopen jaren gezien had in een nieuw daglicht. Hoe mannelijk was zijn vader eigenlijk geweest? Wat hield mannelijk zijn dan eigenlijk in? Wat betekende dit dan voor zijn eigen mannelijkheid? Ik voelde verdriet over de verwarring waarin ik S. in één klap had gebracht. Ik voelde verdriet dat ik zijn geschiedenis had vervalst. Maar ik herinnerde me ook de omhelzing die S. me gaf tijdens ons vorige weekend samen. Ik voelde zijn liefde voor mij en mijn liefde voor hem. En hoe die liefde er de afgelopen paar jaar, tijdens mijn verwarrende zoektocht, toch altijd geweest was. Ik voelde mijn bijdrage aan zijn ontwikkeling als mens, aan zijn pad in dit leven. Ik voelde mijn rol naar hem. Ik voelde me een leraar, een inspiratiebron, een spiegel en een veilige haven voor hem. Ook al waren onze dagelijkse, praktische levens sterk van elkaar gescheiden; ook al leefde ik inmiddels als vrouw: ik was zijn vader. En ik zou dat altijd blijven.

donderdag 25 december 2014

Snoepjespot

Een klein meisje tuurt in de snoepjespot. Haar handje zweeft er boven, klaar om te grijpen. Maar ja, welk snoepje kiest ze? Het zijn er zo veel. Allemaal lijken ze lekker, maar toch voelt het alsof ze een verkeerde keuze kan maken. Ze aarzelt en aarzelt, totdat haar moeder uit ongeduld dreigt de snoepjespot te sluiten. Snel schiet de hand van het meisje naar het eerste het beste snoepje. Dat is het. Daar zal ze het mee moeten doen.

Ik voel me nu als het meisje. In plaats van een snoepjespot is er een veelheid aan gebeurtenissen waarover ik zou kunnen schrijven. Er is de laatste weken veel gebeurd. Ik zou kunnen schrijven over problemen met acceptatie door mijn omgeving, want ondanks de positieve verhalen op dit blog, zijn er ook mensen die het er moeilijk mee hebben en afstand houden. Vooral in mijn familie en ex-familie. Ik zou kunnen schrijven over de mooie ontmoeting die ik gisteren had met B., mijn zus, die ondanks haar aanvankelijke schrik me als enige uit mijn gezin wèl eens wilde ontmoeten als vrouw. Ik zou kunnen schrijven over mijn frustratie over mijn borstgroei die, telkens als ik me eventjes tevreden voel over de voortgang, weer terug lijkt te trekken tot het niveau van kort na de eerste groeispurt. Ik kan niet kiezen. Maar nu dreigt er weer een dag voorbij te gaan zonder dat ik iets geschreven heb. En nu de ondergaande zon de deksel op deze dag dreigt te doen, kies ik in een impuls toch maar iets. Ik kies de terugblik. Niet omdat het jaar bijna voorbij is; een kunstmatige mijlpaal in een kalender had ik niet nodig. Ik blik terug omdat ik een belangrijke mijlpaal gepasseerd ben in mijn proces en ik me de laatste weken regelmatig heb afgevraagd hoe ik hier in hemelsnaam terechtgekomen ben. Gelukkig is er dit blog. De afgelopen twee dagen heb ik het integraal, van begin 2012 naar nu, doorgelezen. Ik moest vandaag zo ongeveer de hele dag met mijn tablet in een ongemakkelijke positie in bed blijven liggen om het uit te kunnen lezen maar het is gelukt. Ik heb mijn beddengoed zo onder gesnotterd van emotie, dat het nu rondjes draait in de wasmachine.

Ik startte dit blog in de eerste fase van mijn zoekproces. Lisa was toen een blijmoedige, licht naïeve persoon die overweldigd was door de ruimte die ze kreeg en graag alles wilde onderzoeken. Hoewel ze toen al sprak over een leven als vrouw, hing er veel vrijblijvendheid rond het onderzoek. Het was leuk en belangrijk (ook moeilijk trouwens), maar het hoefde nog niet ergens heen te gaan. Door die ervaringen kreeg Lisa vorm en de lege huls die ze was groeide uit tot het begin van een eigenstandige identiteit naast Man-ik. Daarmee ontstond ook het conflict: Lisa en Man-ik vochtten om de tijd en energie die beschikbaar was. De noodzaak van een keuze was geboren. Een keuze die ik onmogelijk kon maken. Ik raakte gefrustreerd en somber. Toen mijn relatie met M. begin vorig jaar strandde, werd mijn somberheid een depressie. Ik werd zelfs suïcidaal. Mijn proces ging een tijdje niet meer over mijn proces, maar over in leven blijven. Krampachtig probeerde ik mijn onderzoek voort te zetten, maar het leidde maandenlang tot niets. Inmiddels hadden M. en ik weer contact en een ‘vage status’. Hadden we nu een relatie of niet? Het maakte niet uit. We genoten van elkaar en fantaseerden over onze toekomst. Ik begon me te realiseren dat ik geen keuze kon maken omdat ik Lisa en Man-ik inmiddels tot twee sterk gescheiden identiteiten had laten uitgroeien. Kiezen voor de een zou loslaten van de ander betekenen. In een poging mijn twee identiteiten samen te laten vallen begon ik te experimenteren met het androgyne midden. Die middenpositie werd de nieuwe punt op de horizon. Maar onbewust wist ik wel dat het proces daar niet zou uitkomen. Alle halfslachtige pogingen om dit nieuwe perspectief te onderzoeken strandden in teleurstelling en hernieuwde strijd tussen Man-ik en Lisa.

De doorbraak kwam pas dit jaar. Ik realiseerde me ineens dat ik zo’n ingrijpende keuze niet kon maken omdat deze over een abstracte toekomst ging. Ik was de grens genaderd van wat ik van vrouw-zijn kon ‘uitproberen’ zonder er vol voor te gaan. Ik kon de eventuele toekomst als vrouw niet meer verder naar het hier en nu halen. Ik moest een andere strategie volgen. Ik liet het idee los om een keuze tussen alternatieven te maken. Ik concentreerde me op datgene wat ik elke dag in het hier en nu kon ervaren: was ik al vrouwelijk genoeg of niet? Zonder resultaat voor ogen. Zonder labels als ‘in transitie’ en ‘vrouw zijn’. Ik wilde vrouwelijker zijn. En ik merkte dat elke stap die ik zette het verlangen sterker maakte als een magneet die harder aan het metaal trekt naarmate het dichterbij komt. En toen ik deze zomer over mijn schouder keek, wist ik dat ik de keuze gemaakt had. Ik zou helemaal als vrouw gaan leven. Met de resultaatgerichtheid van de mannelijke projectmanager die ik ooit was werkte ik mezelf naar de mijlpaal van mijn totale coming-out. Met als bijvangst het geluk van acceptatie door S. en het verdriet van het definitieve verlies van M. En nu sta ik aarzelend in mijn transitiefase en realiseer me elke dag opnieuw dat de transitie niet klaar is op het moment dat je fulltime als vrouw gaat leven, maar dat deze dan eigenlijk pas begint.

Door mijn eigen dagboek eens te lezen vallen me veel dingen op. Mijn relaas is mooi, helder en met humor en gevoel opgeschreven. Ik kan écht schrijven; dat mag ik toch wel van mezelf zeggen. Er zit zelfs zowaar een verhaallijn in die losse posts. Toch maar eens op zoek naar een uitgever.

Dit verhaal gaat over mijn zoektocht naar vrouw-zijn, maar niet altijd in letterlijke zin. Mijn verhaal ging ook (heel) veel over M. en mijn liefde voor haar, over mijn seksuele ervaringen en fantasieën en over mijn relatie met mijn moeder en de effecten van de onveilige hechting die ik als kind had. Genderdysforie los je niet op door enkel je geslacht fysiek en sociaal aan te passen. Het gaat om de innerlijke heling van alles wat beschadigd is geraakt doordat je een gemankeerde identiteitsontwikkeling hebt gehad.

Ook valt me op dat ik soms met veel tromgeroffel een inzicht beschrijf dat ik eerder ook al had beschreven. Het blijkt moeilijk om dit weerbarstige proces van gevoeligheden en subtiliteiten te kunnen overzien als je er midden in zit. Ik ben blij dat ik dit logboek heb bijgehouden. Het was goed dat ik het eens teruglas.

Het deed me veel verdriet om te lezen over M. Bij elk woord voelde ik mijn liefde voor haar en mijn verlangen om met haar mijn leven te delen. Al teruglezend bekruipt me wel het gevoel dat mijn liefde voor haar me meer verblindde dan ik door had. Terwijl ik het afgelopen jaar leefde in het idee dat we voorzichtigjes probeerden een gezamenlijke toekomst op te bouwen, was zij bezig een manier te vinden om me los te laten. Ze had het daarvoor nodig dat ik dichtbij haar stond. Ik had haar dit eerder zien doen met een ex en nu had ze dat ook met mij gedaan: eerst op emotioneel niveau loslaten en daarna pas op feitelijk niveau. Onze breuk drie maanden geleden kwam voor haar emotionele onthechting dan wel iets te vroeg, maar nu ik mijn blog teruglees, krijg ik de indruk dat ze al een half jaar op die uitkomst afkoerste. Ik was met al mijn verlangen en verliefdheid blind. Of misschien gewoon teveel met mijn eigen proces bezig om het te kunnen zien. Een bizarre herhaling van de geschiedenis, want I., de moeder van S., had onze scheiding op precies dezelfde manier aangepakt toen ik in de diepe put van mijn burn-out zat. Een pijnlijke les voor mij.

Het is niet dat M. was gestopt met van me te houden. Dat doet ze denk ik nog steeds. Ze heeft me in de laatste maanden van onze relatie ook nog enorm gesteund. Ze was er voor S. en mij toen ik mezelf voor het eerst als vrouw aan S. liet zien, ze steunde me in mijn zoektocht naar een pruikloos bestaan en ze was er voor me toen ik groen licht kreeg. Ik dacht dat ze daarmee investeerde in onze gezamenlijke toekomst. Maar ze investeerde daarmee in haar nalatenschap. Ze was afscheid aan het nemen. Vandaag herinnerde ik me dat ik bij onze breuk iets verwijtend had gezegd over hoe ze het ex-vriendje dat mij voor was gegaan zo lang had vastgehouden in een onduidelijke vriendschap omdat ze hem niet los kon laten, terwijl ze eigenlijk die vriendschap niet meer wilde. Ik had dit inzicht verbannen naar mijn onbewuste, maar stiekem wist ik dus al lang wat me vandaag duidelijk werd. Het besef is bitter dat mijn drang naar onvoorwaardelijke liefde me zo blind maakte. Door die blindheid was de klap van het verlies bijna ondraaglijk groot.

Er kwamen veel emoties bij me los tijdens het lezen van dit openbare dagboek. De emoties die te maken hadden met mijn genderdysforie kwamen in alle heftigheid weer boven. Ik kon ze intens voelen en ze vervolgens met een diepe zucht en een rilling van mijn lichaam weer loslaten. De emoties die te maken hadden met M. bleven echter telkens hangen om zich op te stapelen tot een potpourri van boosheid, verlangen en heel veel verdriet. Ik weet zeker dat ik vandaag niet mijn laatste tranen om M. heb gehuild. Ik hou nog steeds heel veel van haar. Maar de realiteit is dat ze uit mijn leven is verdwenen. Het zal nog wel even duren voor ze ook niet meer op dit blog verschijnt.

zondag 21 december 2014

Siddharta

“Ik heb inderdaad een wonderlijk leven gehad, zo dacht hij, wonderlijke omwegen heb ik soms bewandeld. Als knaap heb ik alleen met goden en offers te maken gehad. Als jongeling heb ik me alleen beziggehouden met de ascese, met meditatie en contemplatie, Brahma zocht ik, ik vereerde het eeuwige in Atman. Maar als jongeman koos ik het pad van de boeteling, leefde in het woud, doorstond hitte en kou, leerde de honger overwinnen, leerde mijn lichaam versterven. Op wonderlijke wijze kwam ik vervolgens in aanraking met de leer van de grote Boeddha, mijn inzicht werd verdiept en ik voelde hoe de idee dat de wereld één geheel vormde, me als mijn eigen bloed geheel doorstroomde. Maar ook Boeddha en deze grootse visie moest ik weer opgeven. Vandaar kwam ik bij Kamala, waar ik de zinnelijke liefde leerde kennen, bij Kamaswami, die mij leerde wat handel was, ik verdiende bergen geld, verkwistte geld, leerde van mijn maag houden, leerde mijn zinnen strelen. Het heeft me heel wat jaren gekost om mijn verstandelijk inzicht te verliezen, om het denken weer te verleren, de eenheidsgedachte te vergeten. Zo is het toch gegaan, langzaam en via grote omwegen ben ik toch van man tot kind geworden, van denker tot kindmens? En toch is dit een goede weg geweest, en toch is de vogel in mijn borst niet gestorven. Maar het is me een weg geweest! Ik heb zoveel domheden moeten begaan, zoveel zonden, zoveel dwaasheden, ik heb zoveel walging zoveel ontgoochelingen, zoveel verdriet moeten doorstaan, alleen maar om weer een kind te worden en opnieuw te kunnen beginnen. Maar het is goed zo, mijn hart stemt ermee in, mijn ogen lachen ertegen. Ik heb moeten ervaren wat wanhoop is, ik heb diep moeten zinken, tot de meest dwaze van alle gedachten, tot de gedachte aan zelfmoord, voor ik genade deelachtig kon worden, voor ik weer in staat was om het Om te verstaan, voor ik weer goed kon slapen en verkwikt kon ontwaken. Ik heb een dwaas moeten worden, om Atman weer in mijn binnenste terug te vinden. Ik heb moeten zondigen om weer te kunnen leven. Waarheen zal mijn levensweg mij nog voeren? Een krankzinnige weg is het, een kronkelpad, misschien ook wel een kringloop. Maar hoe het ook zij, volgen zal ik hem.”

Uit: Siddharta, Herman Hesse, Bezige Bij, 1969

zaterdag 20 december 2014

Ouders

Hij zag me al van ver aan komen lopen. Ik zwaaide en S. zwaaide terug. Zijn klasgenootje W. was druk bezig de lekkernijen van hun stalletje aan de man te brengen bij voorbijgangers. Met een door school opgelegde kerstgedachte stonden ze hier met hun zelf geïmproviseerde koek-en-zopie; geld inzamelend voor een goed doel. S. en ik hebben de afspraak dat ik niet op school kom omdat hij bang is gepest te worden met zijn ‘vader in een jurk’. Ik weet dat hij al aan twee klasgenootjes over mij verteld heeft, maar hij vind de gedachte dat het algemeen bekend wordt toch nog beangstigend. Ik voelde aanvankelijk dan ook geen ruimte om bij zijn kraampje langs te komen om bij te dragen aan de opbrengst, maar ik wilde het eigenlijk wel. Toen ik dat onlangs met hem besprak, zei hij: “o je kan wel komen hoor. W. weet het toch al”. Verbaasd en blij met zijn laconieke houding beloofde ik langs te komen.

Toen ik bij het kraampje was aangekomen knuffelden we elkaar en ik gaf hem een kus. Hij vertelde over de verkoop en liet het handjevol lekkernijen zien dat nog over was. Ze waren bijna uitverkocht. Ik besloot het restant op te kopen, zodat de koek-en-zopie een zopie geworden was: er was alleen nog warme chocolademelk. W. kwam bij S. staan en keek me aan. Ik stak mijn hand uit en automatisch pakte hij die van mij. “Ik ben Lisa”, zei ik. “Ik ben W.”, antwoordde hij. “Leuk je eens te ontmoeten, S. vertelt regelmatig over jou”, vervolgde ik. W. keek me twee seconden niet begrijpend aan en toen klaarde zijn blik op. “O… Ooh! Ooh…”. Het was duidelijk dat hij de vork en de steel aan elkaar had geplakt. Hij begreep dat ik de vader van S. was die een vrouw geworden was. Maar omdat dat een eng onderwerp is, durfde W. niet te zeggen dat S. hem ook het een en ander over mij verteld had. Het bleef bij die “O”-s.

Om de stilte maar te verdrijven begon ik over hun omzet en hoe het gegaan was met de belangstelling van het passerende winkelende publiek. Toen vertelde S. over wie er allemaal was langsgekomen die ik ook kende: zijn basisschool-vriend N., zijn ouders. Hij zei het zo nonchalant dat ik heel even in verwarring was. Zijn ouders? Daar was ik er toch één van? Hij hoefde mij toch niet te vertellen dat ik langsgekomen was? Bedoelde hij zijn moeder en haar partner? De flow van het gesprek voerde me weg van deze vertwijfelende gedachten en ik liet het maar zo.

Later die dag nam ik S. mee naar mijn huis om samen het weekend door te brengen. Toen hij ’s middags met zijn basisschool-vriend N. aan het Skypen was, hoorde ik hem het opnieuw over ‘mijn ouders’ hebben. Uit de context was het duidelijk dat hij daar inderdaad zijn moeder en haar partner mee bedoelde. Ik voelde een steek in mijn hart.

Ik besloot het die avond te bespreken. “Ik hoorde je vanmiddag tegen N. praten over ‘je ouders’ toen je mama en F. bedoelde. Dat klopt toch niet?”. Hij keek me glazig aan. “O daar ben ik me niet van bewust”, zei hij. Maar aan zijn blik was duidelijk te zien dat hij wel wist waar ik op doelde. Bewustzijn is niet binair: natuurlijk wist hij dat hij die woorden gebruikte, alleen waren er allerlei filters in zijn hoofd die het een beetje mistig maakten, zodat hij dit ongemakkelijke feit kon negeren. Zonder kwade bedoelingen; zo gaat het brein om met dingen die moeilijk zijn. Zijn brein had een uitweg gevonden om met de schaamte over mij om te gaan. Hij zou gewoon doen alsof mama en F. zijn ouders waren. Geheel volgens het stereotiep, man en vrouw gelukkig getrouwd in één huis wonend. Meteen het onhandigheidje opgelost dat zijn echte ouders eigenlijk gescheiden waren. Zijn brein doorzag niet de kortzichtigheid van deze kronkel: mijn bestaan kon niet verzwegen worden. Diverse mensen in zijn omgeving kenden mij en het zou uiteindelijk toch breed bekend worden. Tot die tijd zou hij zichzelf alleen maar telkens ongemakkelijker voelen bij de angst zich te verspreken. En juist die angst is de vruchtbaarste bodem voor pesterijen. Geheimen maken nu eenmaal kwetsbaarder dan openheid. Gek genoeg lijkt het brein zich dit inzicht alleen eigen te kunnen maken door pijnlijke ervaringen. In het moment van ons gesprek voelde ik me onmachtig al deze complexe inzichten over te brengen aan S. Gelukkig kun je als ouder altijd nog de loyaliteitstroefkaart spelen: “Ik vind het raar als je F. en mama je ouders noemt”. S. knikte. Het signaal dat zijn brein een verkeerde route had gekozen, was aangekomen.

Nu dringen consequenties van mijn transitie tot me door die ik me niet eerder heb gerealiseerd. Ik begrijp wel dat ik met mijn transitie S. het begrip ‘vader’ uit zijn handen heb geslagen. Daarmee kan hij niet meer aan me refereren en dat doet hij dan ook niet meer. Ik hoor hem mij regelmatig ‘mijn moeder’ noemen. Maar daarmee is natuurlijk voor hem ook de mogelijkheid weggevallen om zijn beide ouders van elkaar te onderscheiden. Wie bedoelt hij nu als hij het over ‘mijn moeder’ heeft? Mijn stap maakt S. dus niet alleen aan het twijfelen over de term waarmee hij mij aanduidt, maar ook die van zijn eerste moeder. In de zoektocht naar nieuwe termen stuitte hij op de vaste grond van het gegeven dat ‘ouders’ een vader en een moeder zijn, waardoor hij impliciet besloot de labels te gaan verhangen. En nu ben ik wel zijn moeder, maar niet zijn ouder. De puzzel is duidelijk nog niet af voor hem.

vrijdag 19 december 2014

Testo-Turbo

Het duurde even voor ik het door had. Ik voelde al twee weken een onrust in me. Nu was onrust al tijden mijn permanente levensgezel, maar deze onrust had iets specifieks. Iets dat ik wel kende, maar wat ik toch moeilijk goed kon herkennen. Als ik dat probeerde, voelde ik vaak M. Ik miste haar. Ja natuurlijk, dat gemis was vaak bij me. Maar nu miste ik iets specifieks van haar. Maar wat? Miste ik haar gezelschap? Haar humor? Haar sprankelende ogen? Miste ik de huiselijkheid van samen koken, eten en slapen? Miste ik haar knuffels? Ik kreeg er de vinger maar niet achter. Eigenlijk wist ik niet eens zeker of het gemis nu wel of niet met M. te maken had. Ik associeerde het met haar, dat was duidelijk. Maar ging het me nu ook echt om haar? Het werd me maar niet helder.

Tot ik gisterenavond op de bank lag, lui naar de tv kijkend. Mijn linkerhand rustte ontspannen op mijn buik. Ik had mijn vest open en mijn hand gleed gedachteloos heen en weer over de gladde stof van het zwarte hempje dat ik onder het vest droeg. Er roerde zich iets in mijn buik en mijn gedachten waren ineens terug bij de onduidbare onrust van de afgelopen twee weken. Ik keek naar de beweging van mijn hand die teder over mijn eigen buik streelde. Ineens wist ik het. Een hunkering ontwaakte in mijn lichaam om het me te vertellen: ik was geil. Al twee weken. Niet permanent, maar af en aan. Telkens opnieuw roerde zich een verlangen in mij dat me onrustig maakte, om vervolgens te luwen, naar de achtergrond te verdwijnen, om me daarna steeds opnieuw weer af te leiden en mijn nachten onrustig te maken. Ik was geil. Door de afwezigheid van testosteron in mijn lichaam was deze sensatie zo subtiel geworden, dat het me twee weken gekost had om hem te herkennen.

Ik zette de tv uit. Mijn linkerhand bleef over mijn buik wrijven en mijn rechterhand pakte mijn borst vast. De knedende druk van rechterhand werd door mijn borstprothese doorgegeven aan mijn huid en het weefsel van het ontluikende borstje eronder. Mijn borst was gevoelig van de oestrogenen, maar desondanks genoot ik van de aanraking. Ik begon te hijgen. Ik sloot mijn ogen en meteen sperde ik mijn benen wijdopen. Ik zag een man begeerlijk naar me kijken en op me af komen lopen. Hij trok mijn broek van mijn billen en gewillig liet ik hem zijn gang gaan. Ik kantelde mijn bekken bij wijze van uitnodiging. Ik voelde hoe mijn linkerhand van mijn buik naar beneden gleed en mijn vagina zocht. Heel even ontwaakte ik uit mijn roes toen ik merkte dat mijn broek inderdaad uit was. Van schrik opende ik mijn ogen, ervan overtuigd dat ik de man uit mijn fantasie zou zien, ervan overtuigd dat het geen fantasie was. Hoe kon anders mijn broek ineens uit zijn? Maar er was geen man. Mijn broek lag opgefrommeld op de vloer, dat wel. Mijn onderbroek lag er bij. Ik had mijn kleren kennelijk toch zelf uitgetrokken.

Ik sloot mijn ogen weer en mijn linkerhand vervolgde zijn weg naar mijn vagina. Mijn gezicht vertrok toen de hand een penis voelde. Oh nee! Snel stuurde ik mijn hand met een glijdende beweging om mijn mannelijk geslacht heen. Mijn vingertoppen vonden mijn vagina. Althans, de plek waar ooit de opening van mijn vagina zou zijn, nu nog afgesloten door de huid en het spierweefsel van mijn bekkenbodem. Ik voelde de rand in mijn bekken die de bovenkant van mijn neovagina zou vormen en mijn vingertoppen gleden langs de rand naar binnen; zo ver als de zachtheid van mijn weefsel toeliet. Het was niet meer dan een vingertop, maar het voelde alsof mijn hele vinger naar binnen gleed. Ik kreunde. Ik bewoog een paar keer heen en weer en als een donderslag bij heldere hemel voelde ik een siddering door mijn lijf gaan. Mijn buik trok zich samen, mijn benen trilden. De warmte van de golf vrijgekomen oxytocine brandde door mijn hals en vulde mijn hersenen. Ik slaakte een lange, diepe zucht en mijn lijf ontspande. Ik was klaargekomen. Puur op intentie. Er was nauwelijks fysiek genot aan te pas gekomen. Mijn mannelijke geslachtsdeel had zich totaal niet geroerd. Dat had alleen maar de hele tijd letterlijk en figuurlijk als een slappe lul in de weg gelegen.

Ik zuchtte opnieuw diep. Ik voelde geluk. Ik voelde ook nog de onrust waarmee ik al twee weken rondliep. Hij was wel verzacht, maar niet verdwenen. Was er zojuist, zoals een mannelijk lichaam betaamt, ook dopamine vrijgekomen en had dat mijn verlangen naar seks juist alleen maar aangewakkerd? Ik had dan inmiddels wel de geslachtshormonen van een vrouw, maar daarmee was mijn totale hormoonhuishouding niet ineens veranderd, toch? Of wel? Mijn brein maakte een ‘mental note’ dat ik dat eens aan mijn endo-crinoloog moest vragen. Mijn lichaam voelde er niets voor om deze mental note ook daadwerkelijk op te schrijven. Mijn lichaam wilde maar één ding: klaarkomen. Na het zoete metafysische vrouwelijke orgasme van zojuist wilde mijn mannenlichaam ook ontladen.

Zonder aarzelen greep mijn linkerhand mijn piemel. Slap en levenloos bleef deze in mijn hand liggen. Met mijn andere hand haalde ik mijn borstprothesen uit mijn bh en begon over mijn tepels te wrijven. Dat was fijn, ondanks de gevoeligheid door de oestrogenen. Mijn tepels waren altijd al mijn belangrijkste erogene zone geweest en ze verzaakten ook nu niet. Mijn piemel groeide, maar echt hard werd hij niet. Zo zou ik niet klaarkomen. Ik sloot mijn ogen en fantaseerde hoe M. me vastbond. Totaal hulpeloos was ik aan haar wil overgeleverd. Mijn piemel groeide en uiteindelijk kon ik mezelf ook op lichamelijk niveau gerieven. Ik voelde hoe ik ejaculeerde, hoewel minder duidelijk voelbaar dan voorheen, voelde ik dat ik – ondanks de testosteronblokkers – nog steeds kon spuiten. Nou ja, spuiten was inmiddels wel een groot woord geworden, want toen ik mijn ogen opende zag ik dat de opbrengst niet meer dan twee druppels heldere vloeistof was. Dit was, zonder de primitieve kracht van de mannelijke geslachtshormonen, zonder de Testo-Turbo, het maximaal haalbare. Het was voldoende. Mijn hele lichaam slaakte een zucht en ontspande.

Terwijl ik langzaam bedaarde in de roes van genot, dacht ik na over wat er zojuist gebeurd was. Ik had me vanuit mijn vrouwelijke intentie en met intrinsiek genot op een energetische, metafysische manier laten klaarkomen. Bij gebrek aan een vrouwelijk lichaam kon ik de apotheose niet op alle niveaus laten plaatsvinden. Met mannelijke, blinde resultaatgerichtheid hielp ik vervolgens mijn lichaam ook over de streep. Niet met intrinsiek genot, maar met een mind-fuck. Lichaam en geest leefden nog in twee werelden. Ik was onderweg om die werelden bij elkaar te brengen. Tot die tijd bleef het behelpen. Met de herkenning van mijn vrouwelijke geilheid, onherkenbaar geworden zonder de Testo-Turbo, had ik deze avond weer een stap in de toekomst gezet.

maandag 15 december 2014

Lang genoeg

Het was net vijf uur. Het was nog donker buiten. Mijn hoofd was al wakker. Onrustig woelend probeerde ik de slaap vast te grijpen, maar Klaas Vaak glipte tussen mijn vingers door. Het eerste bewuste besef van deze dag was mijn angst. Ik voelde me bang. Er moest een groot onheil worden afgeweerd en mijn gedachten rolden over elkaar heen in een poging een oplossing te vinden. Goeiemorgen piekeraar, daar ben je weer. De verdoving van de slaappillen die ik dit weekend nam, had me duidelijk verlaten. Deze nacht was ik ‘clean’ naar bed gegaan om de eerste werkdag van deze week niet als een zombie door te brengen, maar nu hunkerde ik naar de zoete koestering van de stille mist in mijn hoofd.

Drie millimeter. Drie millimeter. Drie millimeter. Als een mantra hamerde mijn innerlijke piekeraar het er in, terwijl hij en ik allebei wisten dat het hooguit één millimeter was. Na het tandenpoetsen gisterenavond had ik de opbrengst van vier dagen baardgroei bekeken. Eén millimeter, hooguit twee op sommige plekken. Maar voor de elektrische epilatiebehandeling moest het eigenlijk drie millimeter lang zijn. Een lengte waar mijn mannenkaak voorheen geen moeite mee had. Dat was destijds in twee daagjes gepiept. Maar na bijna twee jaar IPL, een half jaar testosteron­blokkers en twee maanden oestrogeenpleisters was het groeitempo van mijn baardharen behoorlijk ingekakt. Daar was ik aanvankelijk blij mee, omdat de hoeveelheid baardgroei die aan het eind van de dag door mijn beardcover heen stak eindelijk te verwaarlozen was geworden. Maar nu zorgde dit trage tempo ervoor dat vier dagen niet scheren onvoldoende was voor een epilatiebehandeling. Dat zouden er minimaal vijf, zelfs zes moeten zijn. Elke twee weken. Conchita eat your heart out! :-(

Ik voelde boosheid op de VU, die dit cynische protocol had bedacht. Frustratie over het gebrek aan begeleiding, waardoor ik dit soort hobbels allemaal proefondervindelijk moest ontdekken en zelf zien op te lossen. Ik zag voor me hoe ik het genderteam streng toesprak om verhaal te halen. Maar ja, wat konden ze me nu nog bieden?

Ik zag voor me hoe ik weer, net als een paar maanden geleden, parttime als man door het leven zou gaan. Dat zou me ruimte geven mijn baard te laten staan. Terugkijkend had ik mijn totale coming-out liever nog even uitgesteld. Maar nu die achter de rug is, wil ik niet meer terug. Niet meer terug naar een leven met twee identiteiten. Niet meer terug in een leven als man.

Een andere optie was om tijdelijk te stoppen met de hormoonbehandeling. Dan zou mijn baardgroei weer versnellen en hoefde ik me maar twee, hooguit drie dagen niet te scheren voor elke epilatiebehandeling. Stoppen met hormonen? Net nu mijn borsten beginnen te groeien? Weer terug naar een leven met testosteron? De herinneringen aan mijn tijdelijke Androcur-pauze stonden me nog helder voor de geest en gaven me een zure smaak in de mond. Ik wilde mijn dagen niet opnieuw vullen met agressie en onstuitbare seksuele lust.

Ik herinnerde me hoe ik gisterenavond was thuisgekomen. In een vlaag van naïeve kracht was ik S. naar huis gaan brengen mét borsten én baard. Maar eenmaal bij S. zijn huis aangekomen, bleef ik buiten. Voor het eerst in de tien jaar dat de moeder van S. en ik uit elkaar waren, ging ik niet met S. mee naar binnen voor een kort praatje en om S. een geleidelijker overgang te bieden. Ik wilde onzichtbaar zijn. En toen ik eenmaal weer thuis het trappenhuis in liep en stemmen en voetstappen van buren hoorde, schoot ik snel en schichtig met mijn hoofd in mijn sjaal verstopt mijn huis weer binnen. Ik ben geen Conchita, dat is duidelijk.

De piekerende gedachten kolkten over elkaar heen. Ik wist niet meer hoe ik dit het hoofd moest bieden. Vond mijn transitie in de baardepilatie dan zijn Waterloo? Uitgeput van de paniek en de onmacht kromp mijn lichaam ineen in foetushouding. Het kleine kind in mij kon niets anders meer dan wanhopig en lang huilen.

Eenmaal uitgesnotterd en brak van de onrustige nacht stapte ik vroeg uit bed. En zoals dat nu eenmaal gaat als je alle tijd hebt, moest ik me uiteindelijk haasten om op tijd bij de huidtherapeut te zijn voor de elektrische epilatie. Onzeker mompelde ik mijn twijfels over de lengte van mijn haargroei. De huidtherapeut gaf het verlossende oordeel: “Het is lang genoeg zo, dat zie ik vanaf hier”. Pfff, lang genoeg. Lang genoeg. Lang genoeg!! Vier dagen niet scheren is lang genoeg. Verdoofd door de euforie van de opluchting onderging ik mijn eerste epilatiebehandeling. Pijnlijk. Zeker. Zeer pijnlijk zelfs. Maar ik had weer een hobbel genomen. De laatste fase in de strijd met mijn baard was begonnen. Mijn vastberadenheid die strijd te winnen maakte dat ik dat paniekerige meisje in mezelf kon vergeven dat ze vannacht weer bijna uit de bocht vloog. Het waren vast de hormonen geweest.

zondag 14 december 2014

Prikkelbaard

Het is vier dagen geleden dat ik mijn baardharen afschoor. Het is zeker maanden geleden dat ik me een dag niet schoor en het moet jaren geleden zijn geweest dat ik dat zo lang achter elkaar niet deed. Vroeger scheerde ik me wel eens niet omdat ik er geen zin in had en het niet hoefde in mijn mannelijke identiteit. Nu scheer ik me niet omdat het niet mag. En ik vind het vreselijk. Morgen staat mijn eerste elektrische epilatie-behandeling gepland en daarvoor moeten mijn baardharen minimaal twee millimeter lang zijn.

Twee millimeter baardgroei was vroeger een kwestie van twee dagen niet scheren. Maar nu, met door IPL al behoorlijk aangedane baardharen en een flinke dosis oestrogeen in mijn lijf, duurt het langer. Veel langer. De vier dagen die ik er voor had uitgetrokken lijken niet eens voldoende. Uit angst dat de groei te weinig is voor behandeling heb ik vanochtend mijn oestrogeenpleister er maar afgetrokken. Dat is in elk geval één remmende factor minder. Hopelijk gaan de haartjes vandaag nog een sprintje trekken. De haartjes zijn trouwens voor het grootste deel licht van kleur. Waarschijnlijk van ouderdom, maar ik zie natuurlijk liever pigmentverschuiving door IPL als reden. Dat er relatief weinig donkere haartjes tussen groeien is geen meevaller. Er zitten niet minder donkere haartjes dan ik had verwacht. Er zitten alleen veel meer lichte haartjes dan ik hoopte.

Vrijdag durfde ik nog over straat met mijn stoppeltjes, De donkere stipjes konden nog min of meer verzacht worden met beardcover en foundation en de lichte stipjes vielen amper op. Maar inmiddels is dat anders. Mijn kaak en bovenlip herbergen een duidelijk zichtbaar tapijtje van mannelijke pesterigheid. Gisteren ben ik niet buiten geweest. Maar vandaag moet ik. Vandaag moet ik S. terug naar zijn moeder brengen.

Toen ik vanochtend onder de douche vandaan kwam en mezelf in de spiegel bekeek, moest ik huilen. Ik had een duidelijk zichtbare tweedagenbaard, waar ik vier dagen over had gedaan. Zo kon ik toch niet over straat?? Eenmaal uitgesnotterd zag ik twee mogelijkheden:
  1. Ik kleed me supervrouwelijk aan en maak me (dik) op, om de aandacht zoveel mogelijk van de baard af te leiden
  2. Ik kleed me zo mannelijk mogelijk aan om net te doen alsof ik geen vrouw ben

Optie 1 leek me niet echt haalbaar, qua geloofwaardigheid. En ik wist vrij zeker dat ik me dan voortdurend heel ongemakkelijk zou voelen. Optie 2 was praktisch gezien nog redelijk haalbaar, ondanks dat ik mijn mannenkleding al had opgeruimd. De laatste maanden voor mijn totale coming-out had ik op Man-ik-dagen vrijwel uitsluitend neutrale dameskleding gedragen (spijkerbroeken en niet al te geprononceerde tops) en dat zou nu ook kunnen. Maar bij die optie zag ik niet alleen het vermanende vingertje van de VU voor me (“full-time vrouw is ook écht full-time vrouw”), maar hoorde ik ook een stemmetje in mij dat heel angstig piepte: “ik wil geen man zijn”. Ik wilde mijn borsten dragen. Heel even zakte mijn moed naar een depressief dieptepunt. Maar dankzij twee keer een goede nachtrust achter elkaar (dank u slaappillen!) kon ik de teleurstelling aan. Ik voelde een kracht in mij opveren. Ik zou gewoon met ongeschoren baard én mijn borsten om naar buiten gaan. In elegante damesbroek. En met hakjes. Mijn haar vrouwelijk bijeengeklemd op mijn achterhoofd. Met mascara op mijn wimpers. En met een baard op mijn kin. Zonder dikke laag make-up om die tevergeefs te proberen te verbergen. Fuck it. Dan maar met een baard. Ik ben geen Conchita, ik ben een transvrouw op weg naar een baardepilatie.

Mijn kracht was niet zo groot dat ik in deze verschijning mezelf aan iedereen zou durven tonen, maar hey: het ging hier toch alleen maar over het naar huis brengen van S.? Dit weekend hoorde ik hem bellen met een vriend van hem en hij noemde me toen ‘mijn moeder’. Mijn grote held accepteert me als zijn tweede moeder. Zelfs met een baard…

donderdag 4 december 2014

Sound of Music

Pling ploing. Mijn telefoon bliepte het vertrouwde teken dat hij een berichtje voor me had ontvangen. Ik stond op van de bank en pakte mijn telefoon. Een berichtje van L. Dat ze, net als ik, blij was dat we vriendinnen waren. Ik glimlachte tevreden en legde mijn telefoon terug op tafel. Ik deed een stap terug richting de bank, maar verder dan dat kwam ik niet. Midden in de woonkamer leek het alsof een warme hand me tegen de borst duwde. Blijf even stil staan, was de boodschap. Ik stond stil. En op dat moment condenseerde de liefde uit het berichtje van L. in een aarzelende druppel geluk. De druppel bleef angstvallig op een richel in mijn hart liggen.

De luchtledigheid van de milliseconde die volgde leek wel een minuut te duren. En in die minuut voegde zich één voor één andere druppels bij die eerste. Een druppel voor mijn nieuwe paspoort. Een druppel voor de subtiel zachter wordende trekken in mijn gezicht. Een druppel voor het heerlijke eten dat vriend M. me kwam brengen zodat ik niet hoefde te koken. Druppels voor mijn ontluikende borstjes, voor elk borstje één. Een druppel voor elk van de succesvolle gesprekken die ik de afgelopen weken met zakenrelaties had. Een druppel voor de knuffel die ik laatst van S. kreeg. Een druppel voor die man die ik onlangs ontmoette en die stilviel van verbazing toen ik vertelde dat ik als man geboren was. Een druppel voor de bestuurstaken van de theatergroep die ik tijdelijk had overgedragen om mezelf meer rust te geven. Een druppel voor elke knuffel die ik de laatste paar weken van vrienden had gekregen. Al deze druppels samen vormden een flinke plas. Een plas die te groot was geworden om stil op het richeltje in mijn hart te blijven liggen. Een plas die als een warme gloed van geluk over me heen plensde.

Mijn gezicht maakte een brede glimlach en ik kreeg de neiging om mijn armen wijd uit te spreiden. Een neiging die ik, in mijn eentje midden in de woonkamer, niet onderdrukte. In mijn hoofd hoorde ik de muziek van The Sound Of Music en ik stond niet meer in mijn woonkamer, maar ik drentelde vrolijk een frisgroene alpenweide af. Ik draaide rondjes en mijn wijde rok zwierde naar buiten. Ik ademde frisse berglucht in en zuchtte ontspannen mijn adem weer uit. Ik voelde me volmaakt gelukkig.

Ik schrok ervan. In één klap was ik weer terug in mijn woonkamer. Het was tot me doorgedrongen dat het misschien wel meer dan een jaar, of nee: anderhalf jaar geleden was geweest dat ik me op die manier gelukkig voelde. Gelukkig met waar ik op dat moment stond in mijn leven. Intens geluk voelde ik sindsdien alleen nog wanneer ik met M. was. Maar nu, in een leven zonder M. en ploeterend met mijn transitie, voelde ik me tegen de verwachting in heel even intens gelukkig met wat ik nu had.

woensdag 3 december 2014

Mention the war

Hij was een archetypische gemeenteambtenaar: ouder dan 50, tikje morsig, tikje norsige uitstraling. Schijn bedriegt, wist ik inmiddels. Ik had vorige week bij deze man mijn nieuwe paspoort en rijbewijs aangevraagd en hij bleek heel vriendelijk. En leek toen totaal niet van zijn stuk gebracht door de ongebruikelijke aanleiding om mijn identiteitspapieren te vervangen. Hij herkende mij nu ook, want L. (voor emotionele support meegegaan) en ik stonden nog maar net bij de balie om mijn nieuwe paspoort en rijbewijs op te halen toen hij zei: “U heeft de aanvraag vorige week bij mij gedaan, toch?”. Ik overhandigde het aanvraagbewijs en hij toverde behendig mijn nieuwe paspoort en rijbewijs uit een elektronische kluis omhoog. Hij bleek minder behendig in de social talk: “Ja, laatst had ik hier ook al zo…eh… iemand… aan de balie”. Tja. Hoe noem je zo iemand? Gewoon: transgender. Dat is wat ik ben. Zullen we met zijn allen afspreken dat we het onderwerp niet proberen te vermijden? Je hoeft maar naar Fawlty Towers te kijken om te zien hoe het anders mis kan gaan: “Don’t mention the war”.

“Zometeen kunt u zich weer legitimeren hoor. Want tja, die andere persoon die bestaat niet meer he?”, vervolgde de ambtenaar zijn onhandigheid. Ik vulde zachtjes stotterend aan: “…niet meer in die oude vorm”. Maar de opmerking verdween in leegte van de routine van de handelingen van de ambtenaar. Ik liet het maar. Emoties vroegen mijn aandacht. Vanuit mijn onderbuik roerde zich tranen. Een hete stoom die langs mijn hart omhoog walmde om zich via mijn traanbuisjes naar buiten te dringen, om daar meteen tot druppels te condenseren vanwege het temperatuurverschil. L. stond naast me en zag me mijn verdriet kanaliseren om niet in dramatisch gejank aan de balie uit te barsten. Ik voelde haar ene hand op mijn onderrug en met de andere pakte ze mijn licht trillende onderarm vast.

“Ik neem u even mee naar die collega aan die andere balie. Omdat u bij mij de aanvraag gedaan heeft, mag ik u de documenten niet geven”. De gezagsgetrouwheid van deze man was al even archetypisch als zijn voorkomen. De collega in kwestie, Ambtenaar Twee, nam niet alleen de klant van zijn collega over, maar ook de onhandigheid. “Goedemorgen, MEVROUW”. Hij zei het met zoveel nadruk dat het duidelijk was dat hij extra zijn best aan het doen was zich niet te vergissen. Dat was de goden verzoeken. Terwijl hij de benodigde formulieren afstempelde vroeg ik me af of ik niet vergeten was me te scheren vanochtend? Ik zag er toch gewoon geloofwaardig als vrouw uit vandaag? Ambtenaar Twee legde twee formuliertjes voor me neer die ik moest tekenen als bevestiging van ontvangst van mijn nieuwe rijbewijs en paspoort. “Wilt u hier even tekenen meneer… eh, mevrouw?”. Ai. Ik reageerde maar niet. Mijn stoïcijnse buitenkant had zich losgemaakt van mijn binnenkant, waar de emoties tevergeefs een uitweg zochten.

Ik nam de documenten in ontvangt, zonder er in te kijken. Ik schatte in dat ik bij de aanblik van mijn nieuwe namen, mijn pasfoto en de letters V/F in mijn paspoort van pure emotie als een natte dweil de glimmende granieten vloer van dit stadskantoor kletsnat zou druppelen. Mijn stoïcijnse buitenkant zei tegen L.: “We kijken straks wel even. Eerst naar buiten”. L. is een goed verstaander. Ze pakte me stevig vast en min of meer knuffelend liepen we samen naar de uitgang. Ik zuchtte een paar keer diep. De kolkende emoties werden langzaam iets kalmer.

Een paar minuten later, achter een kop thee en een heerlijke chocoladetruffeltaart, kwamen de emoties. Niet overweldigend, maar gedoseerd. Ik had intussen al zo veel keer zo diep gezucht dat de ergste druk wel van de ketel was. Tijdens onze kleine afterparty keek ik wel tien keer even in mijn paspoort. Het stond er echt: Lisa Mianti. Vrouw. De grootsheid van deze mijlpaal an sich voelde ik niet zo. Een reisdocument was toch iets te abstract ten opzichte van de pijn die ik voelde. De pijn van het proces naar deze mijlpaal toe. Pffff, het was een zware reis. Maar hier sta ik. Ik ben een vrouw. Niet eentje die dat per biologisch toeval geworden is, maar eentje die daar zelf voor gekozen heeft. Een vrouw die ooit man was. Een transgender. Die een moeilijke strijd levert om te leven in het geslacht dat het beste past. Laten we dat maar gewoon benoemen. Please, do mention the war.

zondag 30 november 2014

Gezinnetje

De kou snijdt in mijn neus. Mijn stevige pas kan me nog maar ternauwernood warm houden. Toch is het goed dat ik hier loop. Al drie dagen voel ik me heel verdrietig. Ik huil al meer dan twee maanden om M., maar de laatste dagen is de intensiteit en frequentie van mijn huilbuien net zo groot als in het begin. Ik sta tot aan mijn middel in de drek van een depressie en ploeter om er niet in kopje onder te gaan. Naar buiten, bewegen. Ik weet dat het goed is. Daarom loop ik hier in het Amsterdamse Bos, de kou en het gebrek aan geld om een écht goede winterjas te kopen trotserend.

Plots schrik ik op. Een stem schreeuwt een naam. Het is de naam van N. Ik kijk om me heen om M.’s kleine jongen te zien rennen. Ik voel blijdschap door mijn lichaam stromen. Ik zie een man, hij is degene die roept. Ik ken hem niet, maar in mijn fantasie is het P., de nieuwe partner van M. Ik weet zeker dat M. vlak achter hem loopt. Zo meteen komt ze achter die bomen vandaan. Dan zie ik links van mij een klein jongetje richting de man rennen. Mooie Noorse muts op en warme sjaal om zijn nek geknoopt. Het is N. niet. Althans, het is een andere N. want het is duidelijk het jongetje dat de man riep. Ik zie inmiddels ook de moeder van het kind. Het ziet er uit als een gelukkig gezinnetje. Teleurgesteld draai ik mijn hoofd weer terug.

Terwijl ik doorloop, zweven mijn gedachten voor me uit. Mijn gedachten zijn bij de volgende kruising in het pad. Ik weet zeker dat daar zometeen M.’s N. van rechts aan komt rennen. Hij zal opkijken, mij herkennen en heel hard “Man-ik!” roepen. Aan mijn nieuwe naam was hij nog niet zo heel erg gewend geraakt en die is hij vast inmiddels vergeten. Maar dat maakt mij niks uit. Ik zie in gedachten hoe ik hem tegemoet ren met mijn armen gespreid. Wanneer we bij elkaar gekomen zijn, pak ik hem op en geef hem de meest intense knuffel die ik in huis heb. Huilend zeg ik tegen hem dat ik hem gemist heb. Met mijn betraande ogen kijk ik op en zie M. staan.

Hoe deze fantasie afloopt weet ik niet. Ik ben inmiddels bij de kruising aangekomen en ontwaak uit mijn gedachten. N. is er niet. Er is niemand. De druppel die van mijn neus afglijdt is niet van de kou. Niet van het koude weer althans. Het is de kou in mijn hart die me weer aan het huilen heeft gemaakt. Is het de vierde of de vijfde keer dat ik vandaag huil om het verlies van mijn eigen gezinnetje? Ik weet het niet. Ik ben zo uitgeput van alle emoties van de laatste maanden dat ik niet eens meer tot vijf kan tellen.

donderdag 27 november 2014

Epilatie

Ik probeerde onzichtbaar te zijn. Ik fietste met flink tempo door de stad, op weg naar de intake voor elektrische epilatie van mijn baardgroei. Om de intake te kunnen doen, moest er wel baardgroei zichtbaar zijn. Dus moest ik ongeschoren en zonder make-up op weg. Ik voelde me lelijk. Ik moest hard fietsen om die denkbeeldige grote knipperende pijl met opschrift “moet je hier eens kijken!” die boven mij hing te snel af te zijn. Alleen zo kon ik voorkomen dat iedereen mij zou zien. De volgende keer zou ik met de auto gaan, dat was al meteen duidelijk.

De ontvangst bij de kliniek was allerhartelijkst. Heel ontspannen vroeg de huidtherapeut naar mijn wensen en mijn situatie. Ze had ervaring met transgenders, dat was wel duidelijk. Ik voelde me in goede handen en was blij dat die stomme baardgroei nu eindelijk eens goed aangepakt zou worden. De grens van de mogelijkheden van IPL was allang bereikt. Nog elke ochtend lachte (ná het scheren) de blauwe waas op mijn bovenlip en rond mijn kin me uit. Mijn twee grootste zorgen in mijn lichamelijke transitie waren het teveel aan haar rond mijn mond en het tekort aan haar bovenop mijn hoofd. Om gek van te worden. Frustraties die niet ín mijn hoofd zaten, maar áán mijn hoofd.

Voorafgaand aan deze intake had ik me al zorgen gemaakt. Ik wist dat voor behandeling de baard ongeschoren moest zijn. Mijn hoofd had dit feit al maanden geblokkeerd en er geen vragen over opgeworpen. Maar het beeld van de transvrouw die ik als kind in een tv-documentaire hartverscheurend zag huilen omdat ze haar baard moest laten staan voor de epilatie, stond me nog helder voor de geest.

Tijdens de intake werd het concreet: ik zou aanvankelijk elke twee weken behandeld worden en voor elke behandeling zou ik me drie, misschien wel vier dagen niet mogen scheren. Drie à vier dagen. Ik was niet verbaasd, maar het voelde alsof een mes in mijn buik werd gestoken en vervolgens nog eens flink rondgedraaid om de wond zo rafelig mogelijk te maken. De struisvogel in mij had in een ruk haar hoofd uit het zand getrokken en keek angstig om zich heen. Net nu ik mijn totale coming-out had gehad zou ik meer dan een jaar lang een derde van de tijd ongeschoren moeten rondlopen. Terwijl ik nu net volop de boer op moest gaan om mezelf aan mijn zakenrelaties te presenteren, zodat ik misschien nog eens een broodnodige klus zou krijgen en mijn financiële zorgen minder zouden worden. Ik kon wel janken, ware het niet dat ik het intakegesprek graag nog enigszins toerekeningsvatbaar wilde volbrengen.

Onderweg naar huis voelde ik boosheid en verdriet. Boosheid op die stomme kutbaard en boosheid op het systeem; het protocol. De kostbare epilatiebehandelingen worden door de zorgverzekeraar pas (deels) vergoed als er een officiële diagnose is. Op zich niet heel raar. Maar welke cynische gevoelloze boekhouder bij de VU had bedacht dat je pas een diagnose krijgt als je ook tot behandeling over gaat? Die behandeling vereist immers dat je fulltime in ‘het wensgeslacht’ leeft om werkelijk te ervaren wat het is. Behalve voor de allerrijksten (die de epilatie nog wel zelf kunnen betalen en dus niet op de diagnose hoeven te wachten) betekent deze werkwijze dus dat je als vrouw een derde van de tijd met een baard moet rondlopen. Veel succes met je Real Life Experience. Maar doe je op die manier ervaring op als vrouw of als Conchita?

Toen ik thuis de trap op liep gierde de paniek door mijn lijf. Mijn hoofd kreeg de puzzel niet gemaakt: er was niet te ontsnappen aan deze pijnlijke consequentie. Tegelijk met het achter mij dichtslaan van mijn voordeur klonk mijn eerste lange huil. Wankelend redde ik het om – met mijn jas nog aan – op de bank in de woonkamer neer te vallen. Met tranen die onstelpbaar over mijn wangen liepen.

dinsdag 25 november 2014

Verdriet-dag

Ze keek me begripvol aan. “Dat noem ik een verdriet-dag”, zei ze. “Soms duurt zo’n dag wel een week. En het is vaak onduidelijk waardoor het verdriet getriggerd wordt; het is er gewoon ineens”. Ik keek haar aan. Ik had de laatste tien jaar al een aantal keer met C. samengewerkt, maar dit had ik nooit aan haar gemerkt. Ik kende haar aanvankelijk als een op de inhoud gerichte, ietwat afstandelijke vrouw. Vriendelijk, dat wel, maar altijd op enige afstand. Dat veranderde een aantal jaar geleden toen haar man overleed. Ze had decennialang haar leven met hem gedeeld, en het greep haar destijds nogal aan hem kwijt te zijn. Ik luisterde toen naar haar en gaf haar steun. Het was het moment dat onze functionele zakelijke verstandhouding veel persoonlijker werd. Maar ik had nooit gemerkt dat ze tot op de dag van vandaag nog zo overdonderd kon worden door het verdriet om hem.

Haar beschrijving was precies hoe ik deze dag ervaarde. Ik had, in haar woorden, een verdriet-dag. Ik moest de hele dag huilen. Soms als direct gevolg van een gedachte, een herinnering. Maar even zo vaak gebeurde het gewoon zomaar. Ik was zelfs huilend wakker geworden. Ik had verdriet om M. Al een paar dagen, maar vandaag was het heel intens. Ik had ’s ochtends al in bed en op de bank gehangen met tissues in de aanslag. Met de krant, Facebook en de tv als bliksemafleiders; om monter net te kunnen doen alsof ik lekker aan het ontspannen was, terwijl ik vluchtte. Ik vluchtte voor het gevoel dat me telkens in de nek sprong: het intense verdriet om M. Ik miste haar. En deze dag kon ik niets anders doen dan huilen. Het montere gevoel van de afgelopen week was helemaal verdwenen. Ik voelde me depressief en intens verdrietig.

Ik kon me met de nodige inspanning best eventjes over dat verdriet heen zetten. Ik was, uiteindelijk, toch gaan douchen en aankleden en ik was naar café-restaurant Dauphine gefietst om daar C. te ontmoeten. Om van haar te horen dat zij zulke dagen kende. En zelfs nu nog wel eens had. Een verdriet-dag. Een verdriet-dag omdat degene met wie je een intens en vervullend hartscontact had, ineens uit je leven is verdwenen. Bij C. omdat hij door de dood gehaald werd, bij mij omdat ze niet langer voor me wilde gaan. De drama-queen in mij constateert fijntjes dat mijn situatie schrijnender is dan die van C. De dood trekt een streep die niet overschreden kan worden, maar M. is nog hier. Het besef dat ik M. gewoon nog kan tegenkomen en ze nu een leven opbouwt met iemand anders, doet pijn. De gedachte dat zij tegen haar P. aan kruipt als ze zich verdrietig en alleen voelt, vergroot mijn verdriet en eenzaamheid. Dat ze haar liefde nu niet meer aan mij geeft voelt als een lange neus naar mij. Het lijkt me makkelijker om boosheid op de dood te relativeren dan boosheid op iemand van vlees en bloed met wie je geen contact meer hebt. Een overledene valt niks te verwijten. In gedachte heb ik steeds stevige gesprekken met M.; het is een uitlaatklep die mijn boosheid in zekere zin alleen maar cultiveert. Maar het is niet helemaal zinloos. Mijn boosheid is een voorportaal van mijn verdriet. Het verdriet dat zich om de haverklap manifesteert. Soms zo onverwacht en zo frequent dat C. zou spreken van een verdriet-dag. Een dag als vandaag.

maandag 24 november 2014

Zullen we het eens niet over mij hebben?

Ik zat aan de thee toen hij binnen kwam lopen. Ik voelde zijn blik nog voordat ik zijn voetstappen kon horen en ik keek op. Daar was R., een oud-collega. Ik draaide mijn onderlijf zo elegant mogelijk onder het tafeltje uit en stond op om hem te begroeten. Ik stak mijn hand uit. Niet te ver van mijn lijf want dat zou het signaal geven dat ik R. op afstand wilde houden en dat wilde ik niet. In die positie wachtte ik een fractie van een seconde af. R. was een man en toen we collega’s waren, was ik dat ook. Destijds schudden we elkaar de hand ter begroeting. Ik wilde het nu aan hem overlaten om te bepalen hoe hij me zou begroeten.

R. negeerde mijn hand en pakte me bij mijn beide bovenarmen vast. Ik zag het al aan de inzet van de beweging: hij ging me zoenen. En ja hoor: zijn hoofd bewoog naar mijn linkerkant. Ik bewoog snel mee naar rechts en onze wangen raakten elkaar. Ik voelde de stoppels op zijn wang me prikken. Hup, naar rechts en weer naar links. Drie zoenen. Een bizarre confrontatie met de kracht van sociale conventies. R. zag een vrouw en begroette een vrouw. Punt. En zo ging het tot nu toe heel vaak. Zo vaak dat het zelfs opvalt als een man me níet zoent ter begroeting. Inmiddels heb ik de baardharen van al zoveel oud-collega’s van dichtbij mogen leren kennen; wie had dat ooit gedacht.

De laatste twee weken (en de komende twee) stonden in het teken van de ‘hernieuwde kennismaking’ waartoe ik in mijn coming-out mail had opgeroepen. Sommige relaties nodigden me daartoe meteen uit. Uit belangstelling. En uit nieuwsgierigheid. Een enkeling was ook zo eerlijk dat laatste ruiterlijk toe te geven. Daar hou ik van, als mensen eerlijk zijn over dingen die ik toch al meen te voelen. Daar wordt mijn wereld overzichtelijker van.

In het kader van mijn ‘hernieuwde kennismaking’-roadshow zat ik nu met R. aan een lunchtafel op een prachtige plek aan het water. Een winters zonnetje verwarmde mijn rug door het raam heen. Ik had me voorgenomen nu eens zo weinig mogelijk uit mezelf te vertellen over mijn proces. Na twee weken (wat zeg ik, twee jaar) alleen maar over jezelf praten raak je het wel even zat. Ik stelde vooral vragen aan R. die, net gescheiden, ook in een transformerende fase in zijn leven zat. R. vertelde honderduit, tot ik na een half uur een ongemakkelijke kriebel van binnen voelde. Waarom heeft hij nog niks aan mij gevraagd? Ik wil toch ook wel iets over mezelf kwijt, ook al heb ik de verhalen inmiddels al vaak verteld. Subtiel creëerde ik een haakje in mijn reactie op zijn verhaal. Maar hij hapte niet. Met vallen en opstaan had ik de afgelopen weken geleerd om voor zakelijke afspraken 50% meer tijd in te plannen dan strikt gezien nodig was, omdat mijn relaties me eerst het hemd van het lijf wilden vragen voordat we naar de inhoud konden gaan. Het was een verademing en tegelijkertijd vreemd dat dat nu niet gebeurde. Aan het eind van onze lunch was mijn verhaal toch nog wel aan de orde geweest, maar duidelijk minder dan ik gewend was geraakt de afgelopen weken. Zou deze afspraak het begin markeren van de fase waarin het even níet over mijn transitie hoeft te gaan?

zaterdag 22 november 2014

Geluksgetal

In mijn huis hangen slingers. S. is jarig. Hij is dertien jaar geworden. Al enige tijd probeer ik mezelf te corrigeren als ik het tegen anderen over ‘mijn zoontje’ heb. Die aanduiding was jarenlang erg toepasselijk, maar past niet bij deze puber met donker dons op zijn bovenlip en een evenzeer ontluikende donkerte in zijn stem. S. is op dit moment misschien zelfs al wel dichter bij de man die hij zal zijn dan bij het kind dat hij was. Nog maar een centimeter of vijftien en zijn lichaam piept boven het mijne uit. Een ontwikkeling die hij door mijn transitie gesaboteerd ziet. Met een knipoog zei hij een paar maanden geleden tegen me: “Ik vind het wel flauw dat je, nét nu ik bijna net zo lang ben als jij, ineens hakken gaat dragen!”. Ontwapenende humor waar hij goed in is. Het was voor mij een geruststellend signaal van zijn acceptatie. Sindsdien voel ik meer ontspanning bij hem als het gaat om mijn proces. Niet dat hij juichend op tafel staat, maar hij durft alle veranderingen wel in de ogen aan te kijken.

Als ik S. naar bed breng, kletsen we traditiegetrouw nog een uur voordat hij gaat slapen. Vroeger markeerde dat intieme moment van samenzijn de overgang van een dag met hem naar een avond voor mij alleen. Tegenwoordig moet ik vechten tegen mijn slaap terwijl hij best nog wel op zou kunnen blijven. Nog even en de rollen zijn omgedraaid: dan brengt hij mij naar bed. Ons klets-uurtje is intact gebleven, ondanks dat hij ouder werd. Gelukkig. Het zijn onze intiemste momenten. Zo ook gisterenavond.

Met onze buik nog vol van twee stukken van de heerlijke chocoladetaart die ik voor zijn verjaardag had gemaakt, gingen we naar bed. Meestal kletsen we op mijn bed, maar deze keer kroop hij in zijn hoogslaper en ging ik op het trapje bij hem staan. En we kletsten. Een uur lang, mijn tegen het laddertje protesterende voeten en kuiten ten spijt. Natuurlijk kwam mijn transitie ter sprake; dat was zo ongeveer een vast agendapunt geworden. Toen ik terloops mijn oude naam noemde zei hij: “Gek, het voelt nu al raar als je die naam noemt”. Ook al wist hij nog niet hoe hij me nu moest gaan noemen was ‘Man-ik’ in elk geval echt niet meer geschikt. Het voelde voor hem – zo bleek – net als voor mij als een naam uit het verleden. Een naam die nog wel vertrouwd was, maar waarvan de lading en glans was overgedragen op een nieuwe naam. De nieuwe situatie was dan nog wel niet vertrouwd, maar inmiddels wel als realiteit aanvaard.

Tijdens ons gesprek graaide ik ineens in mijn decolleté. Ik had jeuk. Jeuk aan mijn ontluikende borstjes. Ik wilde krabben en in de sfeer van vertrouwdheid van het moment kwam het niet in me op dat even buiten S. zijn zicht te doen. “Heb je jeuk?”, vroeg hij retorisch. “Ja, mijn borstjes jeuken vreselijk”, antwoordde ik. “Kun je er al iets van zien?”. “Ja een beetje. Het is millimeterwerk, maar ze beginnen echt te groeien. Wil je ze zien?”. “Ja ik ben wel nieuwsgierig”. Een heel gewoon gesprek tussen vader en zoon dus eigenlijk.

Ik trok mijn bovenkleding en mijn bh met prothesen uit. Daar waren ze. Mijn borstjes. Naar voren priemende tepels op een kleine vetophoping onder mijn huid. Niet veel groter dan een gedroogde abrikoos, maar wel zo hard als een kiezel. Samen met de door testosterongebrek slap geworden borstspieren leek het al heel wat. “Jeetje, je ziet het al!”, stelde S. vast. Geen spoortje van afgrijzen klonk in zijn stem door. Enkel verbazing. Trots op mijn cup AAAAAAA- duwde ik met mijn hand mijn rechterborstje van onder omhoog, waardoor al het weefsel op mijn borst begon te bewegen. Mijn huid welfde in zachte rondingen heen en weer. Tevreden zag ik daarin de belofte van een mooie boezem. “Gek dat je lijf dat gewoon doet met hormonen”, onderstreepte S. zijn verbazing. “Ja het is bizar”, reageerde ik met een toon van blijdschap. Mijn blik verschoof van mijn mini-borstje naar S. en ik keek hem aan. In zijn blik zag ik een zweem van tevredenheid. Ik voelde dat hij blij was dat de kwelling waarin hij wist dat zijn vader zat, nu langzaam aan het verdwijnen was. Dat gevoel maakte me wakker. Ineens werd ik me bewust van de vreemde situatie: een vader is als een kind zo blij met zijn borstjes en de zoon kijkt tevreden toe. Een gek moment van rol-omkering zoals dat onvermijdelijk is in een proces als het onze. Maar de vader in mij stond weer snel op, toen ik de trots voelde. Trots op hoe mijn grote jongen van dertien jaar met de hele situatie omgaat. Wat een bijzonder kind is hij. En wat hou ik veel van hem. Al dertien jaar. Vanaf vandaag is dertien mijn geluksgetal.

zondag 16 november 2014

Ik danste!

Er stond niemand voor de ingang. De deur was dicht. Een onwerkelijke stilte. Heel even schoot het door mijn hoofd dat ik me misschien wel in de dag had vergist. Misschien was Club Lite vanavond toch niet open. Opluchting nam me even in bezit. Want iets in mij zag op tegen deze avond. Ik zou voor het eerst gaan dansen als vrouw. Voor het eerst mét mijn borsten dansen in het openbaar. Beelden van rondvliegende borstprothesen waren de afgelopen week al een paar keer over mijn mentale netvlies getrokken. Maar grimmiger waren de emoties die ik had gevoeld bij gedachten aan een mogelijke ontmoeting met M. Misschien was zij er ook vanavond. Om haar verjaardag al dansend in te luiden.

Gelukkig was L. bij me voor afleiding en voor emotionele bijstand in geval van nood. We trokken aan de deur van de ingang en die zwaaide gewoon open. Natuurlijk toch niet vergist in de dag. We liepen samen de club binnen. Daar bleek de stilte voor de deur geen voorbode: het was er al lekker druk. Na het eerste drankje en een half uurtje kletsen op de loungekussens, gingen L. en ik de dansvloer op.

Onwennig bewoog mijn lijf heen en weer. Ik merkte dat ik de rem er op hield. Als ik mijn lijf de vrije loop zou laten, dan zou het meteen zijn weg vinden naar de mannelijke motoriek die ik zo lang geoefend had. En dat wilde ik niet. Ik was nu een vrouw, dus wilde ik dansen als een vrouw. Ik keek om me heen naar andere vrouwen en zag bewegingen die ik al eerder had gezien. Die ik zelfs al eens had geoefend, thuis in de woonkamer. Maar nu kwamen ze er niet echt lekker uit. Ik observeerde mezelf met de nauwkeurigheid van een moleculair laborant. Maar die klinische sfeer van witte jassen en petrischaaltjes in mijn hoofd stond haaks op de sfeer in de club en wat ik hier wilde beleven.

Ik sloot mijn ogen en draaide met mijn bekken om te ontspannen en om mijn aandacht uit mijn hoofd en in de onderste helft van mijn lijf te krijgen. Ik ademde uit en ik voelde een holte in mijn bekkenbodem ontstaan. Ik voelde mijn vagina. Fysiek nog niet aanwezig, maar energetisch duidelijk ontwikkeld. Dit gevoel maakte mijn vrouwelijke sensualiteit wakker. Mijn bekken begon intenser te bewegen en ik ontspande. Ik voelde mijn benen heen en weer gaan, mijn armen op en neer. Ik was me bewust van mijn borsten, maar het leek alsof de prothesen echte borsten waren geworden die daar altijd al hadden gezeten. En echte borsten vliegen niet zomaar over de dansvloer dus kon ik verder ontspannen. Ik bewoog op het ritme van de beat en de sfeer van de muziek. Zacht en sensueel, energiek en intens. Was het vrouwelijk? Soms. Was het mannelijk? Ja soms ook. Maar het was een dans. Ik danste. Voor het eerst als vrouw. Voor het eerst met acceptatie van mijn vrouwelijkheid met inbegrip van mijn mannelijke danshistorie.

Mensen keken, dat voelde ik wel. Nu kon ik mezelf inbeelden dat ze naar me keken omdat ik gewoon retegoed aan het dansen was. Maar ik was realistisch genoeg om te begrijpen dat ze naar me keken omdat ze een vrouw zagen met een mannelijke historie. Een historie die zichtbaar was op de dansvloer. Natuurlijk observeerde ik ook mezelf gewoon nog, ondanks de ontspanning. Natuurlijk corrigeerde ik mijn mannelijkheid af en toe en kopieerde ik soms de vrouwelijke bewegingen van L. en andere vrouwen om me heen. Als je overal schijt aan hebt dan leer je immers niks. Dan worden dingen nooit anders dan ze zijn. Maar de krampachtigheid waarmee de avond begon, was verdwenen. Van totale overgave was nog geen sprake, maar hey: ik danste. Ik danste!

vrijdag 14 november 2014

Wow!

Het is twee weken geleden dat ik de coming-out mails rondstuurde. Sindsdien kreeg ik veel reacties. Niet alleen op de mail, maar ook via LinkedIn en Facebook, waar ik mijn Man-ik profiel diezelfde avond nog om had gekat naar Lisa. Doodsbang voor afwijzing, voerde ik al die stappen werktuiglijk uit volgens het stappenplan dat ik had voorbereid. Mijn emoties uitgeschakeld, want die zouden alleen maar tot twijfel leiden. Verstand op nul, blik op oneindig. De dood of de gladiolen. Of zoiets.

Met een onveilige hechting als kind in je rugzak is een coming-out als transgender wel zo ongeveer het allerengste wat je kunt doen. Zonder basic trust is je latere gedrag en emotie gekleurd door je angst voor afwijzing en de hunkering naar verbinding. Tegelijk kun je onbewust telkens zelfsaboterend gedrag vertonen waarmee je je omgeving een aanleiding geeft om je af te wijzen. Zoals een mail versturen dat je als vrouw gaat leven bijvoorbeeld.

Maar de afwijzing kwam natuurlijk niet. Tot mijn eigen verbijstering heb ik de afgelopen jaren nooit de afwijzing gekregen waar mijn bange ikje hem verwachtte. Ook niet waar ik hem niet verwachtte. Dus ook niet naar aanleiding van mijn mail. Sterker nog, ik kreeg prachtige reacties. Zo ongeveer een derde van de mails die mensen terugstuurden begon letterlijk met: Wow! Mijn zakenrelaties en kennissen (mijn vrienden wisten het natuurlijk al lang) waren onder de indruk van mijn moed, mijn eerlijkheid en mijn openheid. Respect was nog zo’n woord dat vaak opdook. Ik moest de mails de afgelopen weken een paar keer lezen om de lovende woorden tot me te laten doordringen. Ja ik had iets groots gedaan. Inderdaad, ik zou het bijna vergeten. Door de ogen van anderen kon ik dat zelf ook weer zien.

Ontroerend waren die paar reacties die nadrukkelijk eerst een vaarwel en bedankt schreven aan Man-ik om vervolgens mij als Lisa weer te begroeten. Soms zelfs in twee aparte mailtjes; de eerste naar mijn oude Man-ik adres en de tweede naar mijn nieuwe Lisa adres. Wow, dacht ik dan telkens. En natuurlijk kwamen er dan traantjes.

Veel mensen schreven ook dat ze wel erg aan mijn nieuwe naam moesten wennen en dat ze bang waren zich te vergissen. Hoezeer ik dat ook begreep, merkte ik dat het me toch stoorde dat ze aandacht vroegen voor een ongemakje dat zo onbetekenend is in vergelijking tot het heftige proces dat ik doormaak. Eén iemand had dat zelf ook door. Hij schreef erbij dat hij zich door zijn eigen onwennigheid over mijn andere naam realiseerde hoe heftig het voor mij al die jaren geweest moest zijn om te leven met een naam die niet de mijne was. Weer traantjes, natuurlijk…

Een aantal keer reageerde iemand spontaan op mijn mail, om vervolgens na een half uur, een uur of zelfs een halve dag opnieuw een mail te sturen waaruit bleek dat de impact van mijn stap in de tussentijd echt was doorgedrongen. Daar moest ik meestal wel om lachen. Het had mij een paar decennia gekost om de impact van mijn genderdysforie volledig binnen te laten komen, dus eigenlijk waren ze er nog snel bij.

Zo’n stortvloed aan fijne, lieve, positieve en betrokken reacties zette mijn emotionele systeem natuurlijk op tilt. Zoveel liefde kon ik haast niet aan. Ik heb heel wat gehuild. Van blijdschap, van opluchting en van verdriet over alle pijn uit het verleden. Het gekwetste, afgewezen kind in mij is zeer onder de indruk geraakt van al die liefdevolle mensen in mijn leven. Wow!

donderdag 13 november 2014

Lisa Mianti

Alsof het niet echt was. Alsof iemand had geprobeerd het decor van mijn jeugd na te bouwen, maar daar nét niet helemaal in geslaagd was. Ik herkende de plekken, de straten, de gebouwen. Ik herkende winkels die de afgelopen 25 jaar gewoon op hun oude stekkie hadden doorgebracht en nog steeds klandizie bleken te hebben. Maar er was ook veel veranderd in mijn geboorteplaats. Ik voelde een rare mengeling van vertrouwdheid en ongemak. Dit was niet de plek waar ik opgegroeid was. Dit was een kopie, maar niet gemaakt door een meestervervalser. De verschillen waren te groot. En misschien zat het grootste verschil niet eens in de stad zelf, maar in mij. Het voelde alsof ik dit verleden kende uit geschiedenisboeken. Alsof ik het niet zelf beleefd had. Dit was een andere tijd, een andere wereld, een ander leven. Een andere ik. Ik voelde me een vreemde op mijn geboortegrond. En toch moest ik hier zijn. Ik was hier niet alleen. Y. was bij me. Omdat ik bij de bizarre mijlpaal die ik zo ging slechten, graag gezelschap wilde van iemand die dicht bij me staat.

We liepen het gemeentehuis in. Het was er stil. De aanwijzingen van de receptioniste leidde ons door de grote hal naar een spreekkamertje. Terwijl we door de hal liepen, keek ik rond. Ergens in de archieven van dit gebouw stond een groot zwart dik boek. Met op de rug een jaartal, in gekalligrafeerde letters. Mijn geboortejaar. In dit boek was akte gedaan van mijn geboorte. Daarin waren de gegevens vastgelegd die mijn vader destijds had gemeld bij de dienstdoende ambtenaar van burgerzaken: “Geslacht?” “Man” “Namen?” “Man-ik Jacob Nelis”. Keurige vernoemingen naar mijn beide opa’s, zoals dat in de Brabantse katholieke traditie paste. Het dikke boek zou vandaag afgestoft worden. Mijn geboorteakte zou gewijzigd worden. Vandaag zou ik officieel een meisje worden.

De ambtenaar van vandaag kwam binnen met een paar velletjes papier in haar hand. Geen dik zwart boek. Jammer. Ik wist dat het bestond, want ik had het gezien toen ik ooit voor mijn huwelijk met de moeder van S. een kopie van mijn geboorteakte nodig had. Maar vandaag moesten we het doen met een A4-tje waarop de relevante bladzijde uit het boek gekopieerd was. De ambtenaar rommelde onrustig met haar papieren. Ze leek wel gespannen. Het bleek de tweede keer in haar (zo te zien al best lange) carrière dat ze een geslachtswijziging registreerde. Waarom ze dan zo zenuwachtig was, begreep ik niet, want ze had hier hoe dan ook meer ervaring mee dan ik. Ze vroeg me een deskundigenverklaring te overleggen en me te legitimeren. Ik schoof de brief die de VU had opgesteld om te verklaren dat ik niet gek maar een vrouw ben, naar de overkant van de tafel. Daarna pakte ik mijn paspoort, opende het en keek mezelf aan. In gedachten zei ik tegen de foto in mijn paspoort: “Daar ga je jongen. Dankjewel voor alles. Vaarwel”. Om de opwellende emoties te stoppen, klapte ik het paspoort dicht en gaf het aan de ambtenaar.

“Wat worden je namen?”, vroeg de ambtenaar met haar pen in de aanslag. “Lisa Mianti”, antwoordde ik. Bij het uitspreken van die tweede naam kwam er een brok in mijn keel. Mianti. Een vernoeming, net als bij mijn oude namen. Maar niet naar mijn oma, of mijn moeder. Een vernoeming naar M. Anderhalf jaar geleden besloot ik het al, maar ik hield het geheim. Pas twee maanden geleden vertelde ik het M., alsof ik onbewust wist dat ze het moment suprême niet zou gaan meemaken. Ik wilde dat ze het wist. Dat ze wist dat ik mijn tweede naam naar haar zou vernoemen. Om haar te eren. Uit dankbaarheid en uit liefde. Zij was zo ontzettend belangrijk voor mij en voor mijn proces. Ze steunde me, stimuleerde me, hielp me en bovenal bleef ze ondanks alles van me houden. Ze was mijn veilige haven, mijn inspiratie en mijn troost. Toen we onze relatie en ons contact verbraken, realiseerde ik me dat het dragen van haar naam het proces van loslaten niet echt zou versnellen. Maar toch twijfelde ik niet. Ze verdiende dit eerbetoon. Meer dan wie ook.

Toen de ambtenaar het formulier naar me toe schoof ter ondertekening, gleden mijn ogen snel langs mijn nieuwe namen. Ik moest ze natuurlijk wel op juistheid controleren, maar ik wilde er ook weer niet te lang bij stil staan. Mijn tweede naam mocht even niet te diep tot me door dringen. Want Mianti was hier niet en dat deed pijn. Hoe blij ik ook was met Y. aan mijn zijde; ik miste M. Dat zij er niet was, maakte deze hele administratieve handeling nog onwerkelijker dan hij al was. Alsof het niet kón kloppen omdat zij er niet bij was. Alsof het dan wel een droom móest zijn. Ik zette snel mijn nieuwe handtekening en keek naar Y. Het was geen droom. Ik was hier echt. Ik had zojuist mijn juridische geslacht gewijzigd en mezelf officieel mijn nieuwe namen gegeven. Lisa Mianti.

Even later liep ik met Y. het gemeentehuis uit en centrum van mijn geboorteplaats in. We gingen dit vieren met een gezellige lunch op een terras in de ons gunstig gezinde zon. Ik kon nog niet helemaal bevatten wat ik zojuist gedaan had. In haar vorm was het een handeling van niks, in haar consequenties was het een grote stap. Ik probeerde de impact daarvan niet te voelen. Het was te veel en te groot. Te veel en te groot om zonder M. te dragen. Wat had ik me nu graag door haar laten omhelzen. Om te kunnen ontspannen in alle blijdschap en verdriet van dit moment. Maar ja. Mijn liefste lief was niet meer in mijn leven. In mijn hart droeg ik haar nog met me mee. En vanaf vandaag zou ik dat ook in mijn naam doen. Lieve Mianti, ik hou van jou. Dankjewel dat je in mijn leven was.

maandag 10 november 2014

Achtergelaten

Je had misschien verwacht dat ik na mijn totale coming-out elke dag op dit blog jubelverhalen zou schrijven. Eindelijk elke dag een vrouw! Jaren over getwijfeld, maanden naar toegeleefd. Eindelijk klopt het leven weer, eindelijk rust. Nou… nee. Natuurlijk was deze coming-out niet het einde van het proces, maar het einde van een fase. Het echte werk begint nu pas.

De afgelopen week heb ik me niet gedragen gevoeld door de euforie van mijn grote stap. Integendeel. De afgelopen week ben ik me langzaam maar zeker steeds depressiever gaan voelen. Zo depressief dat ik niet de puf had om op mijn blog te schrijven. Ook niet over de mooie en positieve reacties die ik kreeg. Ze waren hartverwarmend, daar niet van. Maar ze beklijfden maar even. Een groot donker gevoel trok voortdurend aan me. En doet dat nu nog steeds. Een donker gevoel van pijn. Pijn om het loslaten. Pijn om wat ik moet achterlaten in de fase die ik nu formeel heb afgesloten.

Deze stap brengt oude pijn naar boven. Pijn van een leven lang leven in het verkeerde lichaam en in de verkeerde rol. Pijn waarvan ik weet dat die niet oplost door een vrouw te worden. De transitie zorgt er enkel voor dat er geen nieuwe gender-pijn meer bij komt. De pijn van vroeger heeft littekens achtergelaten die altijd gevoelig blijven. En in perioden van emotionele instabiliteit opspelen als jicht in de herfst.

De pijn die me de laatste dagen het sterkste kwelt is de pijn om M. Van alles wat ik achter me laat in ‘mijn vorige leven’, is zij me het meest dierbaar. Ik wil haar niet achterlaten, ik wil haar bij me. Nu. Hier. Zodat ze me een knuffel kan geven en ik haar kan kussen en kan zeggen hoeveel ik van haar hou. Het verscheurt mijn hart om haar te moeten loslaten. Ik weet niet hoe ik dat moet doen. Elke vezel in mijn lijf schreeuwt om haar. En mijn stem heeft dat ook al vaak gedaan de laatste dagen, ik ben er schor van. We zijn zo intens en diep samengesmolten geraakt in de tijd die we samen deelden, dat het losmaken voelt als zelfmoord. Onze liefde was intens en goddelijk maar bleek onmogelijk. En dat doet pijn. Heel veel pijn.

Ik voel me alleen. Niet alleen omdat M. niet hier is. Ook omdat ik het niet meer kan opbrengen om telkens hulp te vragen bij vrienden. Ze bieden me aan om te komen eten. Ze bellen me op om met me te praten. Ze sturen me berichtjes dat ze aan me denken. Het zijn schatten en ik weet dat ik in hun plaats hetzelfde gedaan zou hebben. Het is alleen niet wat ik nodig heb. Ik wil letterlijk bij iemand op schoot kunnen kruipen die me zachtjes door mijn haren streelt terwijl ik mijn tranen huil. Iemand die zonder enige concrete oplossing me geruststelt met woorden als “het komt goed, lieverd”. Emotioneel gezien ben ik door mijn proces een meisje van vier jaar oud geworden. En meisjes van vier hebben knuffels nodig en een aai over hun bol. Daar heb je geen moeilijke telefoongesprekken mee. Die laat je niet met al hun verdriet en radeloosheid ’s avonds laat door de stad fietsen om bij je te komen eten. Die neem je op schoot en die knuffel je.

Ik weet dat ik het mijn vrienden moeilijk maak. Mijn emoties zijn op dit moment zo groot dat zelfs ik, met een reputatie van openheid en kwetsbaarheid, ze niet meer durf te tonen. Bang om mijn vrienden weg te jagen. Bang dat ze bezwijken aan mijn emoties. Het is te veel. Te heftig. En zo kruip ik in mijn schulp. Ik weet dat ik dat niet moet doen. Maar ik kan mezelf niet meer in het licht van de aandacht zetten. Ik kan het niet meer. Ik mis mijn soulmate. Ik mis M. Lieve M., waar ben je nou? Waarom heb ik je achtergelaten?

dinsdag 4 november 2014

Omhoog

Ik stap uit mijn auto en loop naar de deur van het kantoorgebouw. Ik bereid me voor op verwarring. Ik had me al twee weken geleden aangemeld voor deze afscheidsreceptie. Met mijn Man-ik naam. Want dat was de naam waarop mijn zakenrelatie me had uitgenodigd voor haar afscheidsreceptie. En ik had toen nog geen idee wanneer mijn grote coming-out zou zijn. Maar vandaag blijkt dat dat al weer een paar dagen geleden is. Ik ga dus voor het eerst in mijn nieuwe leven naar een afscheidsreceptie. Een netwerk-evenement pur sang, waar niet alleen onbekenden maar ook bekenden van mij zullen rondlopen. Een pittige confrontatie. In letterlijke zin met deze mensen. Maar in figuurlijke zin nog veel enger: een confrontatie mijn eigen angst afgewezen te worden. Een angst die dan wel deels irreëel is maar daardoor zeker niet minder diep verankerd.

Terwijl ik op de receptiebalie afloop in zo ongeveer het hoogste kantoorgebouw van Utrecht, probeer ik een keuze te maken in wat ik ga zeggen: “Ik ben Lisa, ik kom in Man-ik’s plaats”. Of: “He wat raar, hoe komt die naam daar nou?”. Of: “Ja, dat was toen. Sinds een paar dagen heet ik Lisa. Ik ben transgender”. Alle opties lijken me even belachelijk. “Goedemiddag mevrouw, wat is uw naam?”, haalt de vriendelijke receptioniste me uit mijn gedachten. Met geveinsde ontspanning noem ik mijn achternaam. “Lisa”, leest ze van haar lijst op terwijl ze me mijn bezoekersbadge overhandigt. Lisa. Wat fijn. Mijn zakenrelatie heeft naar aanleiding van mijn mail mijn naam op de aanmeldingslijst laten aanpassen. Wat ongelofelijk attent. Ik stel me zo voor dat je de twee dagen voor je afscheidsreceptie wel wat anders te doen hebt. Ik voel me gezien en heel serieus genomen. Blij neem ik de badge in ontvangst en ik glimlach naar de zwarte letters die op het kaartje mijn naam vormen.

In de lift kijk ik even in de spiegel terwijl ik geruisloos omhoog naar de 21e verdieping wordt gebracht. Onhandig pruts ik met het klemmetje van de bezoekersbadge die ik geacht word te dragen. Een voor mij vertrouwd fenomeen en tot dit weekend klikte ik het altijd routineus aan het borstzakje van mijn colbert of overhemd. Maar nu schuif ik het klemmetje op verschillende posities langs de zoom van de diepe hals van mijn jurk. Overal leidt het tot een onelegant op mijn borst hangend naamplaatje. Hmmm, ineens beginnen mij banale oorzaken van het glazen plafond voor vrouwen in het bedrijfsleven te dagen. Als mannelijke gesprekspartners tijdens netwerkborrels zo ongeveer letterlijk hun neus in je decolleté moeten steken om je naambadge te kunnen lezen, kan ik me voorstellen dat ze je sterker met vleselijke lusten gaan associëren dan met daadkrachtig en visionair management. Naar je verhaal luisteren ze in elk geval niet meer. Ik besluit de badge in mijn tas te stoppen en stap de lift uit.

Mijn zakenrelatie is duidelijk verheugd me te zien. We zoenen ter begroeting. Iets wat we nooit eerder gedaan hebben. We praten wat over haar afscheid. Ze noemt mijn stappen dapper en we spreken af elkaar snel onder vier ogen te spreken om bij te praten. Daarna begeef ik me in het rumoer van de borrel. Een bekend rumoer. Het is de sfeer waarin het draait om de juiste mensen te spreken krijgen, in tien seconden de juiste indruk wekken en na een minuut of twee het visitekaartje weten te bemachtigen. De plek bij uitstek dus voor het vierjarig meisje dat afgelopen weekend de totale verantwoordelijkheid voor het leven van een veertig jaar oude man heeft overgenomen. Ik adem diep (althans, dat probeer ik) en ik spreek een oud-opdrachtgever aan die er ook is. Hij heeft mijn coming-out-mailing ook gekregen dus wordt ons een ongemakkelijke introductie bespaard. Geheel tegen mijn verwachting in praat hij hartelijk, belangstellend (okee ook gewoon nieuwsgierig) en nodigt hij me uit weer eens langs te komen. Een groot contrast met hoe we vorig jaar afscheid namen bij het eind van mijn opdracht. Mijn coaching van het managementteam was erg confronterend gebleken en door een taxatiefout mijnerzijds was de opdracht bijna ontspoord. Ik kon de zaak nog net redden, maar de relatie was verloren, zo dacht ik. Maar nu staat hier die opdrachtgever me vriendelijk aan te kijken en me uit te nodigen voor een kop koffie. Niet concreet, met alle ruimte om de uitnodiging niet na te komen, maar toch. Ik voel me geaccepteerd. De zweem van nieuwsgierigheid neem ik daarbij op de koop toe. Daar ben ik inmiddels wel aan gewend. Transgenders zijn nu eenmaal fascinerend.

Zo loop ik van genodigde naar genodigde en ontmoet ik nieuwe gezichten en enkele oude bekenden. Het contact is allerhartelijkst. Ik doe mijn best, dus echt ontspannen word ik niet. Misschien is dat ook wel veel gevraagd voor zo’n eerste keer. Tevreden loop ik na anderhalf uur terug naar de lift. Ik voel pijn in mijn keel. Anderhalf uur op mijn vrouwelijkst praten op luide toon om boven het rumoer van de anderen uit te komen heeft zijn tol geëist. Daar zal ik met mijn pratende beroep nog heel vaak tegenaan lopen. Ik kijk uit naar de logopedie, die me gaat leren vrouwelijk te praten zónder mijn stem te forceren. Het voorafgaande onderzoek door een KNO-arts is al snel. In VU-tijd dan. Het is de tweede week van december. Ruim twee maanden nadat ik om zo’n afspraak had gevraagd. Maar goed. Terwijl de lift me van de 21e verdieping terug naar de aarde brengt, realiseer ik me dat ik daarnet boven mezelf uitgestegen was. Ik stond tijdens de borrel daarboven mijn angsten en onzekerheden te confronteren en ik heb het overleefd. Ik heb het gedaan. De lijn van mijn leven lijkt zich weer omhoog te bewegen. Yeah!

Slak op een tak

Je ligt in het gras te genieten van een heerlijke zomerdag. Blauwe lucht, verlevendigd met hier en daar een plukje wit. Vlak naast je groeien struiken en terwijl je er dromerig je blik langs laat gaan, zie je ineens een slak. Het bruingrijze beestje zit op een tak in een van de struiken. Je bekijkt hem eens goed: een licht glimmend lichaam torst bovenop zijn rug een huisje. Van de zijkant ziet het huisje er uit als een mooie ronde schijf die in een sierlijke krul uitkomt in een klein puntje, precies in het midden. Het puntje glimt een beetje. Rechts onder het huisje zie je twee kleine voelsprietjes uit het lichaam steken waaruit je concludeert welke richting de slak heen gaat. Een subtiel slijmspoortje aan de achterkant bevestigt de aanname. Dat indirecte bewijs is nodig, want de slak lijkt niet te bewegen. Hoe secuur je ook tuurt, je ziet geen enkele beweging in het lijfje. Het huisje blijft roerloos op zijn plek. Het lijkt wel of de slak dood is. Een minuut lang staar je naar het beestje in de hoop iets van vooruitgang te zien. Tevergeefs. De traagheid van de natuur laat zich hier in haar beste vorm zien.

Tevreden richt je je aandacht weer op de wolkjes in de lucht en even sluit je je ogen om intenser van het moment te genieten. Wanneer je je ogen weer open doet en met je blik de slak weer opzoekt, blijkt het beestje verschoven te zijn. Hij is nu ietsje verder, een heel klein beetje maar, hoogstens een paar millimeter, maar hij is onmiskenbaar opgeschoven. Opnieuw observeer je het beestje een minuut lang in de hoop een glimp van zijn beweging op te vangen. Maar de slak lijkt roerloos. Alsof hij weet dat je kijkt. Alsof hij weet dat je graag zou zien hoe hij aan het eind van de tak aankomt.

Zo kijk ik in de spiegel. Al vier weken. Ik weet dat ik pas na drie maanden zichtbare vooruitgang mag verwachten, maar toch. Toen ik net begonnen was met mijn hormoonpleisters keek ik elke dag wel twee keer of ik al borstgroei zag. Het enige zichtbare effect was de rode zwelling in de puntjes van mijn tepels. Dat was hoopgevend, maar borstgroei mocht dat niet heten. Elke dag keek ik opnieuw, maar er leek verder niks te gebeuren. Telkens zei ik tegen mezelf: “laat nou maar, voorlopig is er toch niks te zien”, maar het duurde wel drie weken voordat ik er ook daadwerkelijk in slaagde om de fixatie op mijn borstgroei los te laten.

Tot ik gisteren ineens mezelf weer met ontbloot bovenlijf voor de spiegel vond. Ik draaide mijn lichaam en zag het profiel van mijn tepels opdoemen. Ze waren boller geworden. Niet alleen het tepelpuntje, maar de hele tepelhof was nu opgezwollen. Met mijn vinger drukte ik er zachtjes op en ik slaakte een kreet. Dat deed behoorlijk pijn. Liefdevol draaide ik mijn lijf voor de spiegel heen en weer. Ja, ze waren echt gegroeid. Een millimeter misschien. Maar duidelijk gegroeid. Een minuut lang staarde ik naar mijn tepels in de hoop een glimp op te vangen van het groeiproces. Tevergeefs. De traagheid van de natuur liet zich hier duidelijk zien. Traag, maar onmiskenbaar in beweging. Mijn borsten waren aan het groeien. Joepie!