donderdag 30 januari 2014

Vrouwenparkeervak

Ik was keurig op tijd voor mijn lunchafspraak. Ik hoefde alleen nog maar mijn auto te parkeren en het wegrestaurant in te lopen. Ik stuurde het parkeerterrein op en zag voor de ingang van het restaurant nog een paar lege vakken. Maar toen ik daar aankwam, viel mijn oog op een bord. Een blauw bord met een witte P, met daaronder een zeer geabstraheerde afbeelding van een vrouw. Ja, duidelijk een vrouw: de benen zedig tegen elkaar aan en een wijd uitwaaierende rok. Een deel van mij moest glimlachen en wilde het vak inrijden, omdat ze zich tot de doelgroep rekende. Maar een ander deel trapte op de rem. Vandaag was een Man-ik-dag. Vandaag behoorden we niet tot de doelgroep. En trouwens, ongeacht Man-ik-dag of Lisa-dag ben ik zeer goed in inparkeren. Nou ja, eerlijk gezegd gaat het op Lisa-dagen gemiddeld genomen wel wat minder soepel. Vraag me niet hoe het kan, maar om een of andere reden speelt de ingebakken vrouwelijke motoriek die op Lisa-dagen automatisch geactiveerd wordt mij toch ook parten. Dit is één van de verbijsterende wonderen die je ontdekt wanneer je als zowel man als vrouw leeft. Heren heb compassie, we kunnen er écht niks aan doen!

Een extra breed vrouwenparkeervak dicht bij de altijd goed verlichte ingang is natuurlijk een aardige service. Maar ook een bevestiging van een stereotypering die mannen maar al te graag vrouwen opleggen. Een stereotype waar ik met verlangen en jaloezie naar kijk. Niet dat ik mezelf ten volle identificeer met dat stereotype, maar wat is het heerlijk als de mannen speciaal voor jou deuren openhouden, je jas aannemen en parkeervakken aanleggen.

Terwijl ik mijn auto helemaal naar de uiterste rand van het parkeerterrein reed om een van de laatste neutrale vrije parkeervakken te bemachtigen, zag ik een vrouw met een zwierige tred langslopen. Ik keek naar haar leuke elegante jas met een mooie brede band om de taille. En naar haar zwarte rokje met daaronder een zwarte panty. En de leuke laarsjes aan haar voeten. En naar de sierlijke tas om haar schouder. Zich zeer bewust van haar vrouwelijkheid en zich vaag bewust van de blikken die ze ving, liep ze doelgericht op haar bestemming af. Ik voelde boosheid op komen. Was ik boos op haar? Nee, ik was jaloers. Jaloers op deze vrouw en boos op het lot dat mij een mannenlichaam had gegeven. Boos op de dysforie die ik daardoor met me meedraag. Vaak als ik wordt geconfronteerd met vrouwen voel ik verdriet en boosheid. Ik Wil Ook! Ik Wil Ook! Zo ploeter ik door het leven als een alcoholist die in elke kamer van zijn huis een ontkurkte fles wijn heeft staan. Probeer je verlangen dan maar eens te beheersen…

Zou mijn genderdysforie hebben bestaan als er alleen maar mannen op de wereld waren geweest? Als het concept ‘vrouw’ in mijn hoofd niet zou hebben bestaan? De sociale constructie met stereotyperingen en kledingconventies zou ik dan helemaal niet kennen. Zou dat makkelijker zijn? Of zou het nog moeilijker zijn het onbehagen met mijn lichaam thuis te brengen? Een onbehagen waar geen naam, laat staan een behandeling voor zou zijn. Een onbehagen dat daardoor misschien wel veel makkelijker te accepteren was, omdat er immers geen keuze, geen opties voor transitie zouden zijn. Interessante gedachte. Maar natuurlijk niet zo’n relevante. Ik leef immers in een wereld vol met vrouwen. En vrouwenparkeervakken.

zondag 26 januari 2014

Loslaten

Met een speelse tik op mijn billen, gaf ze aan klaar te zijn om te vertrekken: “kom meisje, we gaan”. We gingen fietsen, M. en ik, in het groene buitengebied van de stad. Ik had een Lisa-dag en M. was er. Dat was de laatste maanden nog niet zo vaak gebeurd. Niet dat M. dat afwijst; nee, de drempels zitten in mij. Bij M. ontwaakt vaak de virele man die M.’s lichaam aantrekkelijk vindt. En hoewel Lisa M.’s lijf ook graag aanraakt, kan ze niet op tegen de drieste sexdrive van Man-ik. En met Lisa mokkend aan de zijlijn vrijt het voor Man-ik toch ook niet meer zo lekker. Daarnaast speelt in mij nog altijd de angst voor afwijzing van Lisa door M. Tijdens onze relatie heeft ze dat een aantal keer zeer venijnig gedaan en die momenten hebben me voorzichtig gemaakt. Bang voor haar reactie. Maar ik wil niet bang zijn. Ik wil in vrijheid leven, dus ook in de vrijheid voor een Lisa-dag te kunnen kiezen als het zo voelt. Dus dat deed ik vanochtend. Natuurlijk moest M. even omschakelen: ze werd wakker naast Man-ik, maar nog voor het ontbijt was hij al verdwenen achter borsten en een kanten hempje. M. moest even wennen, dat was duidelijk voelbaar. Maar al snel was M. ingesteld op Lisa en het tikje op mijn billen was daar het bewijs van.

Even later fietsten we langs de kronkelende rivier. En omdat denken en praten het beste gaat als je je lijf beweegt, kwam het gesprek op gang. Het gesprek over onze ‘vage status’: ex-en maar ook soulmates, maatjes en geliefden die elkaar nu veruit het vaakst zien van alle vrienden die ze hebben. We kunnen elkaar niet loslaten. Enerzijds omdat we zeker weten dat er nooit eerder iemand zo dichtbij was. En omdat we ons wel kunnen voorstellen dat er misschien ook nooit meer iemand zo dichtbij zal komen. Anderzijds omdat we elkaar gebruiken als afleiding. We maken plezier samen vanuit de intense vertrouwdheid die we hebben. En omdat we beiden een moeilijk proces doormaken waarin je telkens overrompeld kunt worden door eenzaamheid en depressie, is het fijn om iemand in de buurt te hebben die voor jou de demonen kan verjagen als je dat zelf even niet meer kan opbrengen. Die vage status ‘best friends with benefits’ is functioneel. Het houdt ons, naïef en romantisch, gevangen in hoop en illusie. En in stilzwijgen, omdat we de illusie niet willen verstoren. Tot vandaag. Tot tijdens onze fietstocht. Toen gebeurde het toch.

“Wat zou er gebeuren als ik nu met iemand een relatie zou krijgen?”, vroeg M. “Dat zou ons contact ingewikkeld maken. Jij zou je niet meer zo vrij voelen en ik verdrietig omdat dan de weg naar jou afgeslotener voelt”, antwoordde ik. “Maar ik wil wel dat mijn vriendje accepteert dat ik nog zo’n mooie relatie met mijn ex heb, jij bent mijn maatje, de enige bij wie ik me veilig voel”, reageerde ze moedig. Ze keek me aan en zag dat de tranen in mijn ogen stonden en ik mijn best deed ze weg te knipperen omdat ik mijn make-up niet wilde laten uitlopen. We pakten fietsend elkaars hand en keken elkaar lang aan. Kort genoeg om niet de berm in te rijden. Maar lang genoeg om te voelen dat M. op dat moment een stapje maakte in het loslaten. Het loslaten van de hoop op een toekomst samen. Het loslaten van mij als liefdespartner.

Ik had dat stapje al gemaakt. Dacht ik. Maar nu M. weer naar huis is, en ik achter mijn computer deze woorden schrijf, voel ik dat er in mijn hart pijn is. Een pijn die zich niet liet verdoven door die enorme berg chocolade koekjes die ik daarstraks heb gegeten. De pijn van het loslaten.

woensdag 22 januari 2014

Vloeken

Mijn computer en ik zijn elkaars beste vrienden. En zoals dat nu eenmaal gaat: je laat je naasten altijd het slechtste van jezelf zien. Soms lijkt het wel alsof mijn computer van Mars komt en ik van Venus; we begrijpen elkaar soms gewoon effe niet. Dan klik ik links en dan reageert hij alsof ik rechts klikte. Dan typ ik letters in de hoop ze op een bepaalde plek op het scherm te krijgen, maar dan verschijnen ze heel ergens anders. Of erger nog: ze verschijnen helemaal niet!

Als ik moe ben of haast heb (en vanwege een of andere sadistische natuurwet gaan die twee vaak samen) kan ik niet zoveel hebben van die computer van me. Het begint met een zucht. Een onnodig harde klik. Een ferme tik op de Enter-toets. Maar als het getreiter van dat stuk digitale vernuft aanhoudt, dan komt onvermijdelijk het gevloek. Met stemverheffing hoor ik mezelf dan tekeer gaan tegen een apparaat dat toch niet naar me luistert. Sterker nog, het gedoe was allemaal begonnen omdát het apparaat niet luisterde.

Vandaag was weer zo’n dag. Maar vandaag was ook een Lisa-dag. Dus daar zat ik dan: een elegant jurkje aan, leuke panty en prachtig in de make-up. Elegantie ten top. Maar tegelijkertijd zat ik te schuimbekken van blinde woede terwijl ik vanuit mijn onderbuik de meest vreselijke woorden uitschreeuwde (woorden met vooral veel k’s, t’s en r’ren, die doen het op de een of andere manier altijd het best. Waarom ‘kurkentrekker’ dan eigenlijk geen erkend scheldwoord is weet ik niet, het lijkt me zeer geschikt).

Toen mijn woede weer een beetje bedaarde, werd ik verdrietig. Hoe kan ik ooit een vrouw zijn als ik zo ontzettend lomp, grof en onbeschoft zit te vloeken? Met een stem die zo mee zou kunnen dingen in een grunting-contest? Ik realiseerde me dat ik – in mijn poging te voldoen aan de mannelijke norm die me als kind opgedrongen werd – misschien wel iets teveel mijn vader ben gaan imiteren. Met een irritant stukje gedragsrepertoire dat niet erg goed bij mijn vrouwelijke ambities past. Ik zou er wel boos om kunnen worden! Maar dat kan ik beter maar niet doen, want anders ga ik misschien wel vloeken…

dinsdag 21 januari 2014

Onvermijdelijke keuze

“Weet je nog, die vakantie in Steenwijk waar ik 's ochtends totaal overstuur keihard heb geroepen dat ik een meisje wilde zijn? Dit gevoel is er nog steeds en wordt alleen maar sterker. Duwt zich meer en meer op de voorgrond. De kracht om het weg te duwen en verder te gaan met mijn leven is weg. Ik kan het niet meer. Keer op keer de vraag waarom ik niet gelukkig ben. De ontkenning van 'ik weet het niet'. Ik weet het wél, maar ik was bang om er eerlijk voor uit te komen. Bang dat iedereen me voor gek verklaart en de mensen waar ik van hou me laten vallen. Is dat het wel waard? Eerst niet, maar nu wel, omdat mijn eigen leven niks meer waard is.”

Het zijn niet mijn woorden, maar die van Martin. Op één woord na dan. Want Martin wilde juist géén meisje zijn. Toen ik de moeder van Martin ze hoorde uitspreken, voorlezend uit de brief die Martin haar had gegeven, moest ik huilen. In een paar zinnen vatte Martin de essentie van het moeilijke pad van een transgender samen. Een pad van hoop, van kansen op een toekomst zoals je je die altijd had voorgesteld. Maar ook een pad van angst en eenzaamheid. Een pad van twijfel en verdriet.

Martin is één van de transgenders die geportretteerd worden in ‘Hij is een zij’. Vanavond zag ik de derde aflevering en ik ben weer onder de indruk. Het is een zeer integere en mooie serie over het leven en het proces van transgenders. Ik ben blij met de nuance. Blij dat het niet sensationeel is. Blij met de positieve, likeable transgenders. Dit helpt zeker het pad van acceptatie te effenen. Dankjewel Arie Boomsma dat je dit programma maakte. En dankjewel dat jullie je verhaal durfden te delen Freddie, Mick, Sophie, Arjon, Martin en Bo.

Het verhaal van Martin hierboven is kernachtig. Maar Bo vatte het vorige week nog kernachtiger samen: “Als het een keuze was, dan had ik hem niet gemaakt”. Tja. Mijn gevoel klampt zich nog zo vaak vast aan het idee dat ik een keuze heb. Terwijl mijn hoofd allang de conclusie ziet aankomen dat dit proces geen keuze bevat. Dit proces moet ik door of ik wil of niet. En dat wil ik ook. Maar mijn gevoel aarzelt ook en is ook bang.

Al een paar jaar stel ik mezelf vragen. Ik heb er al zo’n kleine 140.000 woorden aan gewijd op dit blog. Ik heb mijn gevoel kritisch onderzocht in de hoop het te ontmaskeren als een copingmechanisme, een vlucht. Maar tevergeefs. Ik heb gezocht naar objectieve verklaringen voor mijn gevoel. En hoewel de wetenschap naast een paar breed gedragen hypothesen eigenlijk geen echt sluitende verklaring heeft voor transgender-zijn, hoopte ik toch algemene verklaringen te vinden. Die verklaringen zouden immers de verantwoordelijkheid buiten mezelf leggen. Die zouden van mij een slachtoffer maken. Dat zou heerlijk zijn, dan hoefde ik zelf geen keuze te maken (deze wens is overduidelijk wél een copingmechanisme trouwens, maar dat terzijde…).
 
Maar nu langzaam maar zeker de onvermijdelijkheid zich aan me opdringt, realiseer ik me dat er hoe dan ook geen keuze is. Of de oorzaak nu wel of niet buiten mezelf ligt, of het nu wel of niet een vlucht is, het doet niet ter zake. Het enige dat telt is dat ik deze gevoelens een plek moet geven in mijn leven. Omdat – zo bungelend tussen verlangen en twijfel – mijn leven om met Martin te spreken “niks meer waard is” (Nee, schrik niet: ik ben niet suïcidaal. Lees deze post maar om te weten wat ik bedoel).

Voor iemand die graag invloed heeft op zijn leven is het zuur om te moeten zien dat dit proces zichzelf stuurt. Het komt uit waar het uitkomt. Het enige dat ik kan doen is er in voortgaan; stilstaan is geen optie. Keuzes hoef ik niet te maken, die zijn al gemaakt. Ik hoef ze alleen maar te ontdekken. Als ik durf.

Kijk hier de drie afleveringen van ‘Hij is een zij’ die al geweest zijn:
- http://www.uitzendinggemist.nl/afleveringen/1388177
- http://www.uitzendinggemist.nl/afleveringen/1389672
- http://www.uitzendinggemist.nl/afleveringen/1391629
 

maandag 20 januari 2014

Pirouette

Met elegante slagen duwen mijn benen me vooruit. Mijn gewicht deint van het ene been naar de andere en weer terug. Ik voel de wind met mijn haren spelen en ik snuif de frisse buitenlucht op. Mijn voeten zijn in prachtige witte kunstrijdschaatsen gestoken en mijn korte rokje wappert vrolijk achter mijn bewegingen aan. Ik voel me gelukkig. Zo gelukkig dat ik wel een pirouette zou willen maken. Maar dat lijkt me geen goed idee. En niet alleen omdat ik dan – wegens gebrek aan schaatstalent – waarschijnlijk keihard onderuit zou gaan.

De realiteit is immers dat ik geen witte kunstrijdschaatsen draag, maar lelijke blauwe ijshockeyschaatsen uit de verhuur. En ik draag geen rokje, maar een broek. Maar toch, deze extreem skinny broek oogt en voelt als een legging. Mijn dikke warme skisokken steken boven mijn schaatsen uit alsof het beenwarmers zijn. Mijn lichaam wil zwieren en schaatsen alsof ik Sjoukje Dijkstra ben. Ik voel me vrouw en wil schaatsen als een vrouw. Maar dat kan niet. Naast me schaatst S. En daarnaast zijn beste vriend N. die dit weekend is meegekomen om te logeren. We hebben een geweldige tijd samen. En iedere keer als N. aan de kant ‘een rondje overslaat omdat hij moe is’ schaatsen S. en ik in cadans ons rondje samen. Ik voel me heerlijk verbonden met hem.

Op dit soort momenten kan ik me niet voorstellen hoe vrouw worden onze band zou kunnen beschadigen. Maar die momenten duren helaas maar kort. De grote kloof tussen wat ik mijzelf zou gunnen en wat ik hem zou gunnen laat zich altijd voelen op zulke momenten van intens geluk.

Op de schaats verlang ik naar een pirouette. Maar de werkelijkheid is dat ik juist in mijn zoektocht rondjes maak. Een eindeloze pirouette die me uitput en duizelig maakt. En die zwierige elegantie ontbeert. Als twijfelen een stereotypische vrouweneigenschap is, dan ben ik met vlag en wimpel geslaagd…

dinsdag 14 januari 2014

Monocultuur

Ik keek naar het weidse landschap. Een rivier kronkelde langs een mistige beboste oever. Met wijde bogen meanderde ze tussen het laaggebergte door. Ik keek naar dit stilleven van de eeuwige natuur en moest huilen. Niet vanwege de grootsheid van de aanblik. Niet vanwege het respect voor de tijdloosheid van de natuur. Maar vanwege een diepe heimwee. Heimwee naar de vele reizen en trektochten die ik gedaan had om onderdeel te worden van dit soort landschappen. In plaats van er naar te kijken op foto's in dit wandelmagazine.

Mijn genderzoektocht heeft me de laatste jaren steeds meer in beslag genomen. Eén voor één zijn al mijn andere levensgebieden langzaamaan afgestorven. Ik maak geen mooie reizen meer. Ik maak geen lange wandeltochten meer. Ik zing niet meer. Ik speel niet meer in het theater. Ik ga nauwelijks uit. Ik heb mijn Chi Kung training opgegeven. En de laatste anderhalf jaar werk ik ook maar mondjesmaat. Net voldoende om financieel niet helemaal kopje onder te gaan. Niet omdat ik dat allemaal zo wil, maar omdat ik te weinig energie (en inmiddels ook te weinig geld) heb om dit allemaal te doen. Vrijwel alle energie die ik heb gaat op aan mijn genderzoektocht. En net als in de landbouw monocultuur slecht is voor de bodemgesteldheid, is mijn mentale monocultuur slecht voor mijn mentale gesteldheid. Ik voel me moe, afgestompt en dor. Ik wil mijn leven terug. Mijn leven is meer dan genderdysfoor zijn!

“Is het geen obsessie?”, vroeg iemand me laatst. Ja dat is het. Natuurlijk, zou ik haast zeggen. Als ik het gemakkelijk kon laten rusten dan was er geen sprake van serieuze dysforie. Eén van de criteria in de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM) is nu juist dat het verlangen langdurig moet zijn. En een ander criterium stelt dat het normaal dagelijks functioneren moet belemmeren. Wanneer is iets een obsessie? Als het langdurig zoveel aandacht krijgt dat je er niet meer normaal door kunt functioneren. Ergo: als het geen obsessie is, dan is het geen stoornis.

De klachten moeten aanhoudend zijn en het normale functioneren belemmeren. Die twee criteria uit de DSM zijn niet uniek voor de genderidentiteitsstoornis. Sterker nog, ze gelden voor praktisch elke andere stoornis uit het psychiaters-handboek. Maar voor heel veel andere stoornissen geldt dat met gedragstherapie en/of medicatie de klachten verminderd kunnen worden. Voor genderdysforie geldt dit niet. Daarvoor geldt maar één therapie: geslachtsaanpassing.

Eén van mijn angsten voor de transitie is dat ik als vrouw niet zo snel meer in het openbaar zal durven zingen en dat ik niet meer op het podium durf te staan om te acteren. Ik ben bang die mooie dingen van mijn leven kwijt te raken. Maar eigenlijk ben ik ze nu al kwijt. Dankzij de monocultuur. Hoe meer mijn leven nu verschraalt, hoe makkelijker de balans van een geslachtsaanpassing positief wordt. Dat is het zelfreinigend vermogen van de monocultuur.

maandag 13 januari 2014

De deurbel

Daar stond ik, midden in de kamer. Ik hield mijn adem in. Ik keek schuin omhoog in het niets, mijn ogen gefocust op een onzichtbare plek buiten deze kamer, in de ijdele hoop iets te zien. Mijn oren gespitst elk geluid op te vangen dat iets zou verraden. Maar ik hoorde alleen mijn eigen hartslag, als een pneumatische hamer mijn oor in dreunend. Als een konijntje verstijfd in het felle schijnsel van opdoemende koplampen deed ik mijn best om niet te zijn waar ik was. En ik hoopte maar dat het zich niet herhaalde. Dat er niet nog een keer op de deurbel gedrukt zou worden.

Verstijfd van angst herkende ik het gevoel. Een totale paniek. Angst voor ontdekking, voor onbegrip, voor afwijzing. Bijna gelijk aan dood neervallen. Ik had het regelmatig meegemaakt, jaren geleden toen H. nog mijn schoonvader was. Met de gordijnen dicht had ik mezelf verkleed. Als vrouw. Althans, als de onbeholpen, karikaturale vrouw waarvan ik dacht dat die me dichter bij mezelf zou brengen. Aanvankelijk zonder dat I. het wist, maar al vrij snel met haar medeweten en voor een deel met haar kleding, aangevuld met de glimmende carnavalsjurkjes die je voor weinig geld makkelijk op internet kon kopen. Een onstuitbaar verlangen dat zo vol schaamte zat, dat het met de gordijnen dicht beleefd moest worden en waarbij het onmogelijk was de deur te openen voor een collectant, een buurvrouw die een kopje suiker wilde lenen of een vriend die onverwacht op bezoek wilde komen. Ditzelfde gevoel was me vanavond opnieuw overvallen.

Ik ben als Lisa een behoorlijk passabele vrouw. Okee, geen fijne trekken in mijn gezicht en handen, maar wanneer ik mezelf netjes heb opgemaakt en aangekleed staat er toch een echte vrouw. Een vrouw die inmiddels (meestal) wel de deur open durft te doen voor de collectant. Of om een pakketje aan te nemen voor de buren. Of een pizza-koerier in de ogen te kijken (hmm, pizza, dat is lang geleden!). Maar de laatste tijd zweef ik thuis regelmatig in het tussengebied tussen Man-ik en Lisa. Wel borsten, wel een rokje of andere vrouwenkleding, maar geen make-up en geen pruik. Soms (meestal ’s ochtends) zelfs met een ongeschoren kaak. Deze tussenvorm vraagt weinig voorbereidingstijd en weinig nabereidingstijd. Dus kan ik makkelijk heen en weer switchen op dagen met Man-ik afspraken. Maar in dit tussengebied durf ik niet naar buiten. Durf ik niet de deur open te doen. En sta ik te bibberen in mijn eigen huis als de deurbel gaat. Net als nu.

Heel langzaam, om elk geluid te vermijden, haalde ik adem. Ik hoorde stemmen. Voetstappen. Wie was het? Zijn ze weg? Toen de geluiden in het trappenhuis verstomden, kwam mijn trillende lijf langzaam in beweging. Ik zette een stap, en nog een. Na een halve minuut kreeg ik een beetje vertrouwen dat er niet nog een keer gebeld zou worden. Als een bibberende zebra die aan een langssluipend jachtluipaard is ontsnapt, haalde ik adem... pffff, overleefd! Tranen van opluchting en tranen van onmacht begonnen over mijn wangen te stromen. Als je je moet verkleden om jezelf te zijn ben je gevangen in een illusie. Dan ben je afhankelijk van voorwaarden, van omstandigheden. Dan ben je nooit vrij. Nooit vrij om zomaar de deur open te doen als de deurbel gaat.

zondag 12 januari 2014

Schoonvader

Het was wel een beetje vreemd; ik was er al jaren niet meer geweest, maar nu belde ik weer aan bij het huis van H. Een huis dat sowieso niet vertrouwd voelde, omdat ik er al nauwelijks geweest was: H. verhuisde hierheen toen hij al niet meer mijn schoonvader was. Ik was er ooit eerder geweest om S. naar hem toe te brengen voor een familiebijeenkomst van de familie waar ik toen zelf al niet meer bij hoorde.

H. deed open en begroette mij hartelijk. Bij de vluchtige contacten tijdens de verjaardagen van S. (die we sinds de scheiding nog telkens gezamenlijk vierden) was nooit ruimte om écht bij te praten en dat wilden we allebei maar eens goedmaken. In onze schoonvader-schoonzoon relatie was altijd veel wederzijds respect en waardering en de laatste tien jaar had hij zich in spiritualiteit verdiept op een manier waar ik mij in herkende. Maar veel meer dan een korte uitwisseling hadden we daarover nooit gehad. Tot dit moment.

H. vertelde uitgebreid over zijn recente reis naar India en zijn ervaringen in het vrijwilligerswerk in een hospitaal en de retraite in een meditatiecentrum. Wat we allebei al voelden, bleek ook: we kijken allebei vrij boeddhistisch naar de wereld om ons heen. Dus hij begreep ook de impact van mijn innerlijk dilemma tussen het dragen van mijn lot én de wens het lot naar mijn verlangen te richten. Op een bepaald moment vroeg ik hem: “Mijn lot accepteren en er niet tegen vechten klinkt als een heldere aanbeveling, maar ik weet niet wat dat betekent. Ik accepteer inmiddels dat ik een vrouw in een mannenlichaam ben. Blijft het daar dan bij of accepteer ik dan ook de consequenties die tot mijn beschikking staan? Welk doel dient het om elke pijn passief te blijven ondergaan?” Hij keek me lang aan en ik zag zijn gedachten een lange reis maken. “Dat is een moeilijke vraag”, zei hij met een zucht, en ik zag in zijn ogen dat hij de diepe betekenis van mijn proces had ingezien.

Maar dit was natuurlijk geen hypothetische dialoog, geen academisch debat. Hier stond iets op het spel, want ons allebei aan het hart ging. Of beter gezegd: iemand die ons allebei aan het hart ging: S. Dat bleek ook uit de kritische vragen die H. stelde; hij maakte zich duidelijk zorgen. Over de aanstaande pubertijd van S. Over het risico dat we contact verliezen. Over het wegvallen van een vaderfiguur. Het waren allemaal voor de hand liggende angsten en bezwaren. Bezwaren die niet zo groot zijn als je dogma’s en stereotypen kunt loslaten. Maar ook bezwaren die groot en heftig voelen in het hart. Dat weet ik als geen ander, want ik leef er elke dag mee. Veel hangt af van de manier waarop ik een transitie zou aanpakken en qua zelfbewustzijn, inlevingsvermogen en aanpassingsvermogen geef ik mezelf een goede kans. Ik ken de verhalen van verongelijkte olifanten die door de familie-porseleinkast denderden… dat zou mij niet gebeuren. Maar zeker zo belangrijk is de omgeving van S. In hoeverre zou S. de kans krijgen om naar zijn gevoel te luisteren? In hoeverre zou hij de ruimte voelen om zich niet automatisch te conformeren aan de vooroordelen van zijn omgeving? Hier zat ik tegenover een weldenkend, genuanceerd en sensitief persoon en ik zag hem worstelen met vooroordelen en stereotypen. Hij deed zijn best, gelukkig. En wie het probeert, die leert iets nieuws en groeit. Maar is één opa voldoende om S. de veiligheid te geven die hij nodig heeft om hierin zijn hart te volgen?

vrijdag 10 januari 2014

Westwaarts

De vriendelijke jongeman pakte mijn rijbewijs aan en keek. Eerst naar het roze kaartje, vervolgens naar mijn roze gezichtje. Een flits van paniek schoot door zijn ogen. In zijn handen had hij het rijbewijs van een man, terwijl hij toch écht een vrouw voor zich zag. Okee, hij kon nu wel zien dat die vrouw in een mannenlichaam zat, maar het gezicht zag er met die make-up en dat haar zo anders uit als op de foto. Zo kon hij de identiteitscontrole waar hij voor was opgeleid niet goed uitvoeren. Hij besloot zichzelf (en mij) een gênante situatie te besparen en gaf haastig het rijbewijs terug: “Goed hoor, u mag uw fiets weer meenemen”. Opgelucht stapte ik op de fiets. Opgelucht dat ik niets hoefde uit te leggen over de foto op mijn rijbewijs. En opgelucht dat ik mijn fiets weer terug had, die gisteren onder mijn neus door de afdeling Handhaving werd opgeladen en weggevoerd omdat hij niet in een fietsenrek geparkeerd stond (tja, die was vol…). Ik hoefde alleen maar een tientje administratiekosten te betalen. Een schappelijk bedrag, vermoedelijk omdat de gemeente ook wel inziet dat je eigenlijk al voldoende gestraft bent als je naar het fietsendepot moet reizen om je fiets weer op te halen. Het zit helemaal aan de rand van de stad op het meest westelijke industrieterrein dat de gemeente kon vinden.

De test met de foto op mijn rijbewijs was een aardige generale repetitie voor mijn volgende reis westwaarts. Begin februari vlieg ik naar Engeland en voor het eerst in mijn leven ga ik als Lisa naar het buitenland. Natuurlijk, ik was als Lisa in Bali, maar deze keer reis ik ook als Lisa en ga ik als Lisa door de paspoortcontrole. Met mijn paspoort waar nog gewoon M in staat. Van de VU krijg ik een briefje mee waarin mijn situatie wordt uitgelegd, maar dat maakt het niet minder spannend!

Ik ga in Engeland op bezoek bij Persia West. Ik ontmoette haar een jaar geleden en ze maakte indruk op mij. Het voelde alsof ze me iets belangrijks te leren had (en gek genoeg was dat voor haar wederzijds). Wie weet is dat moment aanstaande. Vorige week zocht ik contact met haar omdat ik gek werd van de cirkeltjes die ik in mijn proces loop. Eén van de cirkels is een innerlijk conflict dat naar mijn idee door maar weinig mensen begrepen wordt: een dilemma tussen mijn genderverlangen en mijn spiritualiteit. Ik ken mensen met een vergelijkbaar genderverlangen (of –verleden) en ik ken mensen met wie ik op één lijn zit qua spiritualiteit. Maar Persia is de enige die ik ken die net als ik deze beide werelden in zich draagt. Soul sisters, zo noemde ze ons al in de mails die we uitwisselden. En met een ongekende liefdevolle warmte nodigde ze me uit bij haar te komen, om samen in mijn dilemma te duiken.

Mijn spirituele identiteit streeft naar groei, naar verdieping. Loskomen van je ego. Sublimatie van alle pijn in de liefde voor jezelf en voor anderen. En de onvermijdelijke frustraties van het leven doorleven, accepteren en loslaten. Een leven in het nu. En van daaruit iets in de wereld zetten dat groter is dan jijzelf... Ik geef toe, nu ik het zo opschrijf vind ik het zelf ook een beetje vaag en hoogdravend klinken, maar zo gaat dat soms met subtiliteiten van het zieleleven: de diepe wijsheid is het tweelingzusje van de holle platitude.

Een aantal jaar heb ik geleefd met mijn spirituele identiteit als leidraad. Dat was een periode van groei en verandering; niet altijd makkelijk, maar wel vervullend. Die periode voelt als een schim uit het verleden. Een uitdempende rimpel op een plas water. Das war einmal. Nu leef ik in de houtgreep van mijn vrouwelijke genderidentiteit, waarin alles draait om mijn fysieke en sociale expressie. En ja, lotgenoten weten dat een genderidentiteitsvraagstuk het meest fundamentele identiteitsvraagstuk is dat bestaat. Maar vanuit mijn genderloze spirituele essentie is gender een volkomen irrelevant gegeven. Er gonst in mij een spiritueel verlangen om die genderverwarring te ontstijgen. Ik ben veel meer dan mijn gender. Ik ben veel meer dan mijn genderdysforie. Het voelt als een relevanter levensdoel om dat alles te ontstijgen in plaats van al mijn energie te richten op zo iets banaals als mijn geslacht (“Nee! Zo iets fundamenteels!” roept mijn genderidentiteit).

Als ik haar boek The Choice lees, dan lijkt het alsof Persia die spanning tussen haar spirituele en genderidentiteit helemaal niet meer heeft. Alsof ze die twee strijdige doelen heeft verenigd. Sterker nog, ze zei tegen me dat haar gendertransitie juist een van haar belangrijkste spirituele groeistappen is geweest: “it doesn't make sense, but it’s true”. Ik kan die twee invalshoeken in mijn hoofd en in mijn hart nog niet verenigen. Ik hoop dat Persia het mij kan laten zien. Daarvoor reis ik graag westwaarts. Als vrouw met een mannenpaspoort.

woensdag 8 januari 2014

Beschuiten

Toen ik zondagavond thuiskwam, nadat ik S. weer naar zijn moeder had gebracht, deed ik meteen mijn borsten om. Of aan... gek, na al die tijd weet ik nog steeds niet goed hoe ik dat moet noemen… In ieder geval legde ik die avond mijn handen eindelijk weer eens troostend op mijn borsten. Bijna twee weken lang had mijn afneembare vrouwelijkheid in de kast gelegen. Ik had genoten van de tijd met S., maar mijn mooie borsten erg gemist.

Maar net als één zwaluw nog geen zomer maakt, maakt een avondje met borsten van mijn dag nog geen Lisa-dag. Die Lisa-dag kon vandaag pas, na twee door werkafspraken afgedwongen Man-ik dagen. Dit zou een superdag worden, zou je denken. Smachtend naar vrouwelijke expressie zou ik mijn nagels lakken, mijn hoogste hakken aantrekken en de hele dag buiten paraderen om mezelf door verbaasde en jaloerse blikken te laten aanschouwen. Nou, een superdag werd het niet. Ik ben niet eens buiten geweest.

Naakt in de badkamer bruuskeerde mijn naakte spiegelbeeld mij vanochtend. Alsof het mij smalend en sarcastisch toeriep: “kijk hiermee moet je je Lisa-dag maken. Veel succes!”. Ik keek naar het naakte mannenlijf en zag het hele ritueel op me af komen: baard goed en grondig scheren (met desondanks nog steeds een baardschaduw); beard-cover, foundation, poeder; een dikke laag make-up om de mannelijkheid een beetje van mijn gezicht te poetsen; mijn geslachtsdeel wegmoffelen: de ballen in de buikholte en die piemel naar achteren; mijn billenbroekje aan om het zaakje op zijn plaats te houden en meteen een mooi kontje te krijgen; mijn borsten om (aan… of wat dan ook) en mijn pruik op. En dat allemaal om mijn lijf een beetje te boetseren in de vorm die het eigenlijk van nature had moeten hebben. De gedachte aan het hele ritueel deed me huilen. Een verkleedpartij was het. Nep. Ik had er geen zin in. Ik wilde gewoon een echte vrouw zijn. Zonder al dit gedoe.

Maar werktuiglijk deed ik het ritueel. Dit was het pijnlijke proces dat ik nu eenmaal door moest om mijn ideaal te benaderen. Ik wilde dolgraag een Lisa-dag. Ik wilde alleen geen verkleedpartijtje. Maar helaas gaan die twee dingen nu nog samen. En het lijkt wel alsof mijn weerstand tegen het nep steeds groter begint te worden.

Eenmaal aangekleed zou ik naar buiten gaan om brood te kopen. Dat was het plan althans. Bij de voordeur keek ik in de spiegel. Ik had mijn jas al aan. Ik keek naar mezelf en zag een man. Een verklede man. Een verdrietige, kwetsbare vrouw in het lichaam van een verklede, kwetsbare man. Ik keek naar het spiegelbeeld en wist dat ik het was die daar in de spiegel reflecteerde. Ik wist het. Maar ik voelde het niet. Ik voelde me leeg. Verslagen door mijn biologie. Ik wilde niet naar buiten. Ik wilde niet naar de bakker. Ik wilde niet gezien worden. In de blikken van anderen zou mijn eigen verdriet over al dit nep gaan doorschemeren, dat kon ik inmiddels wel zien aankomen. Dat wilde ik mezelf niet aandoen. Niet vandaag. Vandaag was ik niet sterk genoeg om de realiteit van vrouw-zijn in een mannenlichaam te dragen. In een vlaag van mildheid en zelfcompassie trok ik mijn jas uit en hing hem aan de kapstok. Ik stond mezelf toe in de veiligheid van mijn huis te blijven. Er waren vast nog wel ergens beschuiten.

maandag 6 januari 2014

IJsschots

De laatste weken slaap ik minder goed. Ik voel meer onrust, meer stress in mijn lichaam. Dit is een bijwerking van mijn antidepressiva. Van het stoppen met mijn antidepressiva wel te verstaan. Sinds twee weken ben ik clean. Het voelde goed om als sluitstuk van de afbouw-fase de laatste tablet in te nemen. Of eerlijk gezegd heb ik die laatste tablet niet eens ingenomen. Ik stopte al bij de een-na-laatste. Ik was er klaar mee voor ik er klaar mee was.

Door de antidepressiva was ik me steeds afgestompter gaan voelen. Waar de pillen aanvankelijk de heftigheid van mijn emoties dempten, leken ze op het laatst de emoties in het geheel te dempen. Ik voelde me sloom, suf en afwezig. En in die mist waren ook nog gewoon negatieve gedachten en gevoelens aanwezig, dus het was niet eens een prettige verdoving. De verdoving leek die in de maanden dat ik de pillen gebruikte tot onaanvaardbare proportie uitgegroeid. De diepe depressie van begin vorig jaar was bezworen en daar hadden de pillen me bij geholpen. Maar ik wilde weer voelen. Zonder gevoelskompas leek het me onmogelijk om vooruit te komen in mijn proces.

Maar nu de mist is opgetrokken en ik naar de naald van mijn gevoelskompas kijk, blijkt hij weer net als voorheen rond te tollen alsof ik precies bovenop de noordpool sta. Richtingloos. Soms blijft de naald eventjes in een duidelijke richting hangen. Dan drijf ik op mijn ijsschots van de noordpool af in de richting die de naald aangeeft. Richting man of juist richting vrouw. En net op het moment dat ik vertrouwen begin te krijgen dat ik met mijn ijsschots een veilige haven kan bereiken, breekt hij in tweeën. Met de scheur precies tussen mijn voeten wordt ik in een pijnlijke spagaat getrokken terwijl de twee delen van de ijsschots zich langzaam uit elkaar bewegen. Om te voorkomen dat ik in het ijskoude water val, stap ik maar op één van beide ijsschotsen. Om vervolgens met mijn kompas vast te stellen dat deze ijsschots zich weer precies bovenop de noordpool bevindt.

Elke keer als ik hoop op een uitweg, lijkt deze verder weg dan ooit. Volgens de wetten van de logica komt de teleurstelling voort uit hoop. Maar het gaat me te ver om dan maar te stoppen met hopen. Zonder hoop is de depressie dichtbij. Hoop is het natuurlijke antidepressivum waar ik me aan vastklamp. Wachtend op het moment dat iets de uitzichtloze cyclus van de ijsschotsen onder mijn voeten doorbreekt.

zaterdag 4 januari 2014

Kurk van de champagne

Hoewel de afsluiting van het voorbije jaar traditiegetrouw met veel jaaroverzichten en (op het moment suprème) met veel geknal en lichteffecten gepaard ging, passeerde de overgang naar het nieuwe jaar op dit blog tamelijk geruisloos. Ik heb niet de balans opgemaakt, niet mijn leven op een rijtje gezet en geen goede voornemens gemaakt. Dat leek me beter. Bij de vorige jaarovergang had ik duidelijke verwachtingen over wat het nieuwe jaar zou brengen, maar ze zijn allemaal niet uitgekomen. Geen enkel leven laat zich binnen de lijnen der verwachting vangen, en een genderdysfoor leven al helemaal niet. Daarnaast is mijn hele zoektocht al in zekere zin een overgang. Alleen dan op het niveau van een half leven, in plaats van een heel jaar. Alles draait om de vraag of ik een periode van man-zijn nu afsluit en aarzelend begin aan een onzekere periode als vrouw. Geen overgang die je met een avondje lang opblijven voor elkaar hebt. Ik blijf krampachtig hangen in het schemergebied tussen oliebol en vuurwerk, waarbij het oude al definitief onbereikbaar achter me ligt en het nieuwe zo dichtbij is dat het niet meer te negeren is. Maar ik krijg de kurk niet van de champagne, de lont van de vuurpijlen niet aangestoken. En in dit vacuüm realiseer ik me maar al te goed dat het nooit meer zal zijn als vroeger. Die periode is al afgesloten, of ik nu wil of niet.

De afgelopen dagen was S. bij mij. En M. was er ook. Ik voelde me gekoesterd in de huiselijkheid van iets wat leek op een knus gezin, gevoed door de herinnering aan de tijd dat we dat ook echt probeerden te zijn. Een simpel leven met mensen om me heen waar ik van hou. Een paar ogenblikken voor de knallende start van het nieuwe jaar vroeg M. aan S. en mij waar we dankbaar voor waren. Ik greep hen beiden vast en zei: “dat jullie in mijn leven zijn”. Sentimenteel, cliché zelfs. Maar daarom niet minder waar (zoals dat nu eenmaal neigt te gaan met cliché’s). In mijn hoofd beoordeelde ik koortsachtig mijn genderzoektocht. Kon ik daar niet iets moois over zeggen? Mijn hele leven fantaseerde ik over hoe het zou zijn om bijzonder te zijn. En nu ben ik bijzonder. Ik ben anders dan de meeste anderen. Was dat niet iets om dankbaar voor te zijn? Maar in de warmte van het knusse moment met S. en M. wilde ik niets liever dan normaal zijn. Gewoon een man van middelbare leeftijd, met een schat van een zoon en een lieve vriendin. Maar ja, ik wist: ik ben niet normaal. Ik ben niet een gewone man. Ik ben een vrouw in een mannenlichaam. Mijn gender deed me pijn.

Ik ben als man niet permanent ongelukkig. Ik kan genieten van klein en groot geluk. Ook al staat dat genieten altijd naast de pijn van mijn lichaam, de pijn van mijn sociale rol, de pijn van de stomme kleding die ik als man ‘moet’ dragen. Deze pijn is zeker niet permanent voelbaar. Enerzijds omdat ik de laatste tien jaar veel van het vanuit een overlevingsstrategie aangeleerd stereotiep mannengedrag heb losgelaten en er meer eigenheid is ontstaan; eigenheid die in mijn geval vooral vrouwelijkheid betekent. En anderzijds omdat heel veel aspecten van man-zijn helemaal niet pijn doen. Aspecten die ook prima passen bij de manier waarop ik vrouw ben. Dat voel ik nu ik zoveel tijd met S. doorbreng. Toen we het vuurwerk afstaken voelde ik me heel erg met S. verbonden. Ik begeleidde hem en trainde hem veilig met vuurwerk om te gaan. Hij genoot van de ruimte en het vertrouwen dat hij kreeg. Voor omstanders zag het er waarschijnlijk uit als male-bonding: een vader-zoon-relatie die bloeit. Maar ik voelde me geen vader. Ik voelde me ook niet verbonden met het vuurwerk en het gevoel van macht dat het geeft om zoveel lawaai en licht te kunnen produceren. Geen testosterongedreven ego-kick voor mij, maar moederliefde. Ook al is het misschien geen oer-moederliefde (ik heb S. niet negen maanden in mij gedragen, ik heb hem niet gebaard), toch voelde ik me de afgelopen dagen vaker een moeder dan een vader voor hem.

In dit geluk van ons samenzijn zit een nare barst. Een scheur van de frustratie dat S. er nu is. Dwars door alle geluk loopt het verlangen hem zo snel mogelijk terug te brengen naar zijn moeder. Zodat ik eindelijk mijn vrouwelijkheid weer in mijn uiterlijk kan laten zien. Ik verlang naar Lisa, naar mezelf laten zien zoals ik dat het liefst zou willen. Maar ja, dat kan nu niet. Geen borsten, geen make-up. Geen hakjes of een rokje. Dat was de afspraak die ik met S. had gemaakt. Al zeker tien keer heb ik op het punt gestaan hem te vragen of hij niet een keer een foto van mij als Lisa zou willen zien, of hij niet een keer kleding van mij zou willen zien. En al zeker tien keer heb ik het niet gedaan. Uit angst. Angst de relatie tussen S. en mij te verstoren. Zo krijg ik de kurk natuurlijk nooit van de champagne.