zondag 23 februari 2014

The pill of no return

Krak. Met een droog geluid barst de strip open en glijdt de witte pil naar buiten. Ik laat het schijfje chemicaliën over mijn vingers glijden en kijk er naar. ‘CY 50’ staat er op. Dat is vast geheimtaal voor Cyproteronacetaat 50 mg. En dat is weer geheimtaal voor testosterononderdrukkers. En dat is iets waar ik al een tijdje naar uit kijk. Maar toen ik afgelopen week van de endocrinoloog van het VU het recept voor de tabletten mee kreeg, schrok ik toch. Dit ging wel heel makkelijk.

De arts-assistent van dienst deed alleen een korte anamnese, hoorde daarin geen contra-indicaties, schreef het receptje uit en schoof het naar mijn kant van de tafel, samen met een formuliertje voor bloedonderzoek (de nulmeting). Als ik haar zelf niet had verteld dat ik de testosterononderdrukkers krijg in het kader van de diagnosefase dan had ik ook al meteen vrouwelijke hormonen meegekregen. Multidisciplinair werken blijkt voor ziekenhuizen toch heel lastig of misschien had deze arts-assistent (een van de geneugten van een academisch ziekenhuis) net nut van het lezen van een patiëntendossier nog wat onderschat… “Ga jij zo’n transgender maar even hormonen geven”, was misschien wel de instructie die ze van haar begeleider had gekregen. Het ging allemaal zo snel, dat ik bijna te overdonderd was om vragen te stellen. Gelukkig voor haar had ze na het consult met mij wel weer wat goedgemaakt op haar uitgelopen planning.

Thuisgekomen las ik de bijsluiter en toen voelde ik me toch erg ongemakkelijk. Met de informatie op internet werd het er natuurlijk niet beter op. In het Farmacotherapeutisch kompas las ik allerlei voorzorgen die de arts-assistent niet in acht had genomen. Had ze niet eerst mijn bloed moeten onderzoeken en pas daarna de tabletten moeten voorschrijven in plaats van andersom? En is de voorgeschreven dosis niet veel te laag? Of gaan we die nog opbouwen? Maar de vervolgafspraak is pas over drie maanden… Allemaal vragen die een telefonisch consult de komende week wel zullen gaan verhelderen.

Maar mijn ergste aarzeling komt niet voort uit deze medisch-technische aspecten. Mijn ergste aarzeling is dat ik na het nemen van de eerste pil misschien niet meer terug kan. Misschien is de beslissing dan al wel onomkeerbaar. Okee, stiekem weet ik ook wel dat die weg terug er eigenlijk allang niet meer is. De beslissing is allang genomen. Alleen confronteert elke actie die ik neem om dichter bij het einddoel te komen me met angst en onzekerheid, waardoor ik telkens in de weerstand kom.

Ik kijk opnieuw naar de pil in mijn hand. Het is een dingetje van niks. Paracetamol is lastiger door te slikken. Maar het tabletje voelt loodzwaar, alsof de 50 milligram werkzame stof 50 kilogram weegt. Het is mijn hoofd die met me aan de haal gaat, ik weet het. Deze pil staat symbool voor een magische en ongrijpbare ingreep in mijn fysieke lichaam. Op het laseren van mijn baardharen na is het de eerste échte technische ingreep in dit lichaam dat me zo vertrouwd en tegelijk zo’n last is. “Het is ter diagnose; niet ter behandeling”, sus ik mijn tobberige gedachtenfabriek. Maar terwijl ik de pil op mijn tong leg, een flinke slok water neem en de pil onvoelbaar in de koele vochtstroom doorslik voel ik diep van binnen dat de behandeling nu is begonnen. Eindelijk.

zaterdag 15 februari 2014

Regenboogvlag

Samen keken we in de krant, S. en ik. Het was heerlijk om weer samen te zijn. Het voelde alsof we elkaar al heel lang niet meer hadden gezien, maar het was gewoon twee weken geleden, zoals altijd. Het zal wel door mijn avontuur in Londen komen, dat het veel langer leek. Ik had hem gemist en ik genoot van het knusse samenzijn op deze ochtend. “Hee, dat is een vlag voor homo’s, toch?”, zei hij ineens, terwijl hij wijst op een regenboogvlag op een foto van een anti-Poetin manifestatie. Geen idee waar hij die kennis had opgepikt, maar hij had gelijk. Min of meer. En ik legde hem uit dat de kleuren van de regenboogvlag symbool zijn voor de diversiteit van mensen en dat de vlag niet alleen voor homo’s staat, maar ook voor lesbo’s en bi’s. En toen moest ik eerst een brok wegslikken: “…en voor transgenders”. “Wat is transgender?”, vroeg hij. “Dat je het gevoel hebt van het andere geslacht te zijn dan je lijf eigenlijk is”, doceerde ik, waarna ik hem een semantische analyse van het woord gaf. En vervolgens, voor zover het niet al duidelijk voor hem was, voegde ik er aan toe: “Dat is datgene waar ik al een tijdje op aan het puzzelen ben. Weet je nog dat ik je daar vorig jaar over vertelde?”. Hij knikte, amper zichtbaar uit angst daarmee een ongemakkelijke confrontatie met de realiteit over zich af te roepen. Ik ademde diep in en uit om moed te verzamelen door te pakken. “Heb je daar nog wel eens over nagedacht?”, vroeg ik. “Nee”, antwoordde hij, geheel tegenstrijdig direct gevolgd door de vraag: “Ben je steeds vaker vrouw?”. Ik hoorde in zijn stem het ongemak van een doordringend besef. Op de een of andere manier werd ik daar heel kalm en helder van. “Dat wisselt”, antwoordde ik eerlijk, “maar wel altijd meerdere dagen per week”.

Vervolgens vertelde ik dat ik als vrouw naar Engeland was en hoe de paspoort­controle verliep. Ik vertelde het feitelijk en met een luchtige toon alsof het vanzelfsprekend was dat zijn vader als vrouw naar Engeland reisde. En dat was het eigenlijk ook. Hij veroordeelde me niet, hij vond me niet raar (nauwelijks raarder dan een donut eten), maar hij vond het vooral vreemd dat niemand bij al die controlepunten op Schiphol er iets over had gezegd. Toen zei ik dat ik dat op straat ook zelden ervaar. De impuls welde in mij op om een foto van mezelf als Lisa te laten zien, maar mijn angst won het. Ik wilde de luchtige toon van ons gesprek niet verpesten door te snel te gaan. Gelukkig was Just be Kind – het laatste boek van Persia West – in de buurt. Ik pakte het en liet het portret van Persia op de achterflap zien. “Je kunt het wel zien”, zei hij. “Ja, een beetje”, gaf ik toe, “maar dat is ook omdat je het weet”.

De werkelijkheid drong verder door in S. toen ik vertelde dat Persia mij alleen als vrouw kende. Dat B. van de Albert Heijn hier om de hoek mij wel herkent als Lisa (omdat haar man in een vergelijkbaar proces zit en we elkaar bij Transvisie al een aantal keer ontmoet hebben), maar me nooit groet als ik als Man-ik boodschappen ga doen. En dat ik mijn vrijwilligerswerk voor Vier het Leven ook als vrouw doe. Vervolgens vertelde ik hem dat ik er als vrouw ook écht vrouwelijk uit zie. Dat ik nep-borsten heb omdat het een raar gezicht is om een jurk te dragen zonder borsten. Het beeld van overtollig, flubberend textiel op borsthoogte deed hem glimlachen en hij vroeg: “Maar plak je die borsten dan gewoon op?”. “Nou, ze plakken wel een beetje, maar ik draag gewoon een bh”, probeerde ik het zo nuchter mogelijk concreet te maken. “Maar Persia heeft wel échte borsten”, zei ik nog. En vervolgens spraken we over hormoonbehandeling en operaties, zonder de concrete vraag te behandelen of ik dat ook zou gaan doen (hé, één stap tegelijk ja!). Hij bleef het steevast ‘ombouwen’ noemen en dat was voor mij okee. Het paste bij de luchtige toon van ons gesprek en het laatste wat ik wilde was om mijn situatie voor hem te problematiseren. Al het moeilijke, zware gedoe bewaar ik wel voor mezelf. Ik wilde hem meenemen in mijn wereld zonder dat hij het gevoel zou krijgen dat zijn beeld van hoe hij mij kende daar niet meer in zou passen. Ik wilde mijn proces geen bedreiging laten zijn voor hem. En de nuchtere manier waarop ons gesprek liep, en de abrupte manier waarop S. ineens van onderwerp veranderde, gaf me vertrouwen. Vertrouwen dat we er over kunnen praten en dat we als we willen het ook kunnen loslaten om ons weer over te geven aan alles wat onze relatie mooi maakt. De relatie waar niet gender maar liefde het primaire gegeven is.

donderdag 13 februari 2014

Nog eventjes...

In mijn hotelbed wordt ik wakker. Het is de dag van de terugreis. Maar ik vlieg pas laat in de middag, dus heb ik nog gelegenheid om als vrouw door Londen te struinen. Na de Man-ik dag van gisteren kijk ik uit naar deze Lisa-dag! Ik kleed mij aan, maak me op en ga naar buiten. Omdat ik te lang heb uitgeslapen (en getut voor de spiegel) kan ik geen ontbijt in het hotel meer krijgen dus loop ik de stad in voor fresh juice, tea and toast. Terwijl ik loop merk ik dat mijn vrouwelijke motoriek nog niet helemaal wakker is. Dit heb ik al zo vaak meegemaakt met al mijn geschakel tussen man en vrouw zijn: soms ‘val’ ik er naadloos in, soms duurt het even voordat ik de slag te pakken heb. Net alsof je in een nieuwe auto stapt en nog even moet wennen aan het aangrijpingspunt van de koppeling. De eerste paar kilometer gaan dan nog wat aarzelend en schokkerig. Als Lisa nog wat na-echoot op een Man-ik dag vind ik dat niet erg, maar vandaag staat Man-ik op mijn hakjes en dat vind ik toch vervelender. Ik probeer te ontspannen en mijn gewicht in mijn heupen te laten zakken. Ik weet inmiddels dat ik door even vrouwelijk te doen vanzelf en snel weer vrouwelijk ben, maar het voelt toch raar om jezelf zo kwijt te zijn. Zou dit blijven na de transitie?

Na mijn ontbijt neem ik de metro richting Shoreditch. Ik wandel door de creatieve, alternatieve hippe wijk en geniet van de ‘vibe’ en de heerlijke linzensoep. Ook neem ik nog even de Spitalfield Market mee: een gezellige uitdragerij met English Vintage: kleding, servies, meubels en sieraden. Een mooi kettinkje rijker verlaat ik na een uurtje de markt en ga terug naar Victoria Station. Daar wacht mijn koffer in een locker en mijn trein richting Gatwick Airport.

Onderweg in de trein, met de zon op mijn gezicht, voel ik me opgetogen en verdrietig tegelijk. Morgen zie ik S. weer (hoera!) en dat betekent dat ik het weer even zonder Lisa moet doen (bleeeh!). Die realiteit kan niet verhullen dat ik blijdschap voel over mijn pad naar vrouw-zijn: Ik ga het doen! Ik ga permanent als vrouw leven! Desondanks is er Man-ik’s aarzeling; diep van binnen voelt het als een afscheid. Of-of in plaats van en-en. Het blijft lastig...

Ik sluit mijn ogen. Man-ik en Lisa staan voor me. Lisa, een klein meisje nog, staat links; Man-ik, een volwassen man, staat rechts en ik kijk ze op de rug. Zo is het altijd als ik naar ze kijk. Ik hoor Lisa zeggen: “Ik heb je nodig Man-ik”. “Ik wil zo graag hier blijven”, antwoord Man-ik haar. De kleine moedige Lisa pakt de hand van de grote Man-ik en trekt hem mee: “Kom, alsjeblieft. Ik wil dat je er bij bent. Ik wil je niet achterlaten. Ik hou van jou. Van je moed. Van de ruimte die je me gegeven hebt. Van je wijsheid en ervaring die ik graag wil hergebruiken in deze vreemde wereld. Kom alsjeblieft!”. Man-ik’s schouders beginnen te schokken. Hij huilt. Hij huilt en blijft staan. “Nog eventjes”, mompelt hij naar Lisa. “Nog eventjes…”.



woensdag 12 februari 2014

Moedig?

Ze keken. Allemaal. Zo voelde het althans. Ik liep op het St. Pancras station in mijn androgyne skinny broek met een Lisa-hempje onder mijn shirt en mijn Lisa-jas er overheen. Ik voelde me vandaag heel erg vrouwelijk en ik had geen zin meer de bijbehorende motoriek te verbergen onder een mannelijke façade, ook al was het een Man-ik dag vandaag. Ja, kijken jullie allemaal maar. Dit ben ik. Een vrouw in wording.

Vandaag ging ik mijn oude zangjuf R. opzoeken, die een tijd geleden naar Londen emigreerde. Ze wist nog niks van Lisa en het leek me voor haar prettiger als ik haar er niet mee zou overvallen. Speciaal voor deze dag had ik Man-ik’s skinny jeans, een longsleeve shirt en zijn schoenen in de koffer gedaan. Maar na twee zulke intense Lisa-dagen was de vrouwelijkheid niet van me af te schudden. En dat was helemaal prima. Ik hoefde niet anders te zijn dan ik was.

Eenmaal bij R. aangekomen kletsten we heerlijk over van alles en nog wat. Een uur lang zat ik met haar pas geboren dochtertje op schoot. Mijn moederhart bloeide op en soms moest ik het besef wegslikken dat ik zelf nooit een kind zal baren. Gek hoe die fundamentele drang zich laat voelen terwijl ik als man nooit een oersterke kinderwens heb gevoeld en terwijl ik al een kind heb waar ik dolgelukkig mee ben. Maar de nesteldrang welde in mij op als een fundamentele vrouwelijke energie die er gewoon is als je haar toelaat, ongeacht je hormonale situatie. Hoe dan ook, ik genoot van de lieve baby en de gezelligheid met R. Toen ik haar vertelde over mijn proces was ze geraakt. Geraakt door mijn openhartigheid en geraakt door mijn moed. Tja, ik snapte het wel, van die moed. Maar het voelt voor mij niet als een moedige daad. Het voelt alsof ik niet anders kan. En met mijn uiterlijk als vrouw (waar ik steevast complimenten over krijg) is het een stuk minder moedig dan voor sommige lotgenoten met een minder gunstige fysieke erfenis. En zie wat een probleem ik er al van maak!

’s Middags had ik met T. afgesproken. T. komt uit India maar woont voor studie in Londen. Ik heb haar voor het eerst ontmoet tijdens de stilte-retraite die ik vorig jaar deed en daar voelden we een heel sterke aantrekkingskracht. Ik was benieuwd (en zenuwachtig) over wat er vandaag zou gebeuren. Vandaag zou ik haar ontmoeten in haar natuurlijke habitat.

Terwijl ik een slok nam van mijn thee en opkeek uit het boek dat ik las kwam ze het café inlopen. Mijn blik werd meteen gevangen door haar prachtige diepbruine ogen. Een verlangen deed mijn lichaam tintelen. Maar onze lichamen knuffelden slechts, ter begroeting. Terwijl we gingen zitten en ons gesprek van start ging, maakte ik de balans op: T. is lief en zacht, stevig en eigengereid, zeer sensitief en spiritueel en zeer sensueel. En uit alles wat ze tijdens de thee over haar leven vertelde (daar kom je tijdens een stilte-retraite toch niet zo toe) maakte ik op dat ze moeite heeft het aardse leven van alledag het hoofd te bieden en dat ze graag iemand om zich heen heeft die haar op de grond houdt. En ineens drong het tot me door met wie ik aan het praten was. Het was M. Ineens zag ik de overeenkomst tussen T. en M. Het drong tot me door dat ik een zwak heb voor vrouwen die mijn bestaan legitimiteit geven doordat ze me nodig hebben, totdat ik mezelf zo heb uitgeput door te veel te geven dat ik niet anders kan dan ze los te laten, uit lijfsbehoud. Dit besef deed alle fantasieën over de avonturen die ik hier in Londen met T. zou beleven in één klap vervagen. Desondanks (of misschien wel daardoor) werd het een heel gezellige middag en avond.

Met T. sprak ik ook over Lisa. Ze had Lisa ontmoet tijdens een vrouwenweekend maar pas nu drong het tot haar door dat ik afsteven op volledige transformatie tot vrouw. En toen kwamen de vragen. Vragen die ik al vaak gehoord en beantwoord heb. Maar toen T. ze zo achter elkaar stelde gaf het mij de gelegenheid voor mezelf te toetsen of het allemaal nog wel klopte:
  • Is het geen fase? Nee. Niet in de zin dat het vanzelf overgaat. Wel in de zin dat ik nog even ergens doorheen moet.
  • Kan je niet én man én vrouw zijn? Nee, dat androgyne midden is geen oplossing gebleken. Sterker nog, mijn mannelijke identiteit is juist verschoven naar dat androgyne midden, dat daarmee natuurlijk geen midden meer is.
  • Wil je dan je piemel kwijt? Ik hecht niet aan het ding, behalve dan dat je als man er seksueel gezien veel plezier aan kunt beleven. Gelukkig voel ik ook niet elke dag grote weerzin bij het ding, hoewel dat mijn proces waarschijnlijk wel flink bespoedigd zou hebben.
  • Denk je dat al je problemen straks over zijn? Nee, alleen mijn genderdysforie. Ik realiseer me dat ik er dan een aantal nieuwe problemen bij krijg en dat veel problemen die samenhangen met conditioneringen en ervaringen als kind gewoon blijven bestaan. Ook die problemen die zijn voortgekomen uit mijn kinderlijke overlevingsstrategieën in een poging om te gaan met mijn genderdysforie. Helaas verdwijnen die niet met een geslachtsaanpassende operatie.
  • Krijg je geen spijt? Ik denk het niet, maar eerlijk gezegd: dat weet je nooit. Daarom probeer ik zoveel mogelijk nu al te ervaren hoe het straks zal zijn. Maar je weet het pas echt als het zover is. Ik beloof dat ik dan niet te trots zal zijn om het toe te geven.
  • Ben je dan nu lesbisch? Ik val nog steeds op vrouwen, dus ja. Maar ik heb ook ontluikende interesse in mannen. De toekomst zal het uitwijzen. Op dit moment ben ik er niet zoveel mee bezig.
  • Is het niet de bedoeling om alle kanten van jezelf te laten samengaan? Ja, dat is de bedoeling. En mijn transitie gaat me daar bij helpen. Man-ik en de Lisa die ik nu ben zullen samensmelten in een volwassen Lisa. Een volwassen Lisa met een mannelijk verleden.
’s Avonds laat, bij de ingang van de metrolijn die ons elk een andere kant op zou brengen namen T. en ik afscheid met een uitgebreide knuffel en een kus. En toen ik even later richting mijn hotel liep, voelde ik de mensen naar me kijken. Naar dit mens dat niet in een hokje past. Dit mens dat onderweg is naar een nieuw hokje dat ook niet helemaal naadloos past, maar wel een stuk beter. En terwijl ik de blikken trotseerde dacht ik aan de twee vriendinnen aan wie ik mezelf vandaag kwetsbaar heb laten zien. Twee schatten van mensen die me steunden en me moedig vonden. Tja, moedig? Ik kan niet anders.

dinsdag 11 februari 2014

Ik en ik

Ik zit op mijn bed en kijk om me heen. Een kleine douchecabine met toilet in de hoek, mini-flatscreen aan de muur en een constructie die de naam ‘kast’ niet eens verdient tegenover het bed. Het is geen chique hotelkamer. Maar het is míjn kamer. Voor het eerst sinds twee dagen is het stil om mij heen en ben ik alleen. Ik denk na over wat er gisteren en vandaag allemaal gebeurd is tijdens mijn verblijf bij Persia. We hebben veel besproken en het meeste kan ik niet eens meer reproduceren. Maar dat is ook niet nodig. Ik voel dat er iets in mij is verschoven.

Het is alsof ik iets ben gaan begrijpen dat volkomen logisch is, maar dat op een dieper niveau tot me is doorgedrongen. Ik ben gaan begrijpen in welk proces ik mij bevindt. Mijn proces gaat niet over vrouw worden. Dat kan niet, hoe graag ik ook wil. Als ik dat als doel voor ogen houd, dan kan het alleen maar tegenvallen. Ik heb een mannelijke geschiedenis, van binnen en van buiten. Dat is mijn lot als secundaire transgender. (Een secundaire transgender is een transgender die óók de biologische geslachtsidentiteit heeft ontwikkeld in een poging aan te sluiten bij de verwachtingen van de omgeving en vaak pas zo laat in transitie gaat dat er onuitwisbare sporen nagelaten zijn.) Wat ik ook doe, mijn mannelijke geschiedenis zal altijd zichtbaar blijven hoeveel ik ook oefen in ‘vrouwelijk’ gedrag, hoeveel ik ook aan mijn lichaam laat veranderen en hoe hard ik mezelf ‘vrouw’ noem. Het zou nooit genoeg zijn. Ik zou een gevangene worden van mijn eigen streven naar een onhaalbaar ideaalbeeld en ik zou alsnog ongelukkig worden. Dat is niet de weg die ik moet volgen. Dankzij deze dagen met Persia weet ik dat mijn opdracht is om te accepteren dat ik een mannelijke erfenis in me draag. Mijn mannelijke fysiek en motoriek, mijn mannelijke conditionering in denken en doen, mijn mannelijke stem, ze zullen tot in lengte van dagen bij vlagen zichtbaar zijn en blijven. Net als bij Persia die – in tegenstelling tot veel andere transvrouwen – het zelfbewustzijn en de eerlijkheid heeft om dit gewoon toe te geven.

Mijn proces gaat dus niet over vrouw worden. Mijn proces gaat over transvrouw zijn. Een vrouw met een mannelijke achtergrond. Een tweedekansvrouw. En transvrouw is niet iets wat ik kan worden, want ik ben het al. Daarmee is er ook geen beslissing meer te nemen; de keuze ligt al opgesloten in mij. Ik ben een transvrouw en het enige dat ik te doen heb is met liefde en aandacht mezelf door het proces te loodsen.

Vrouw zijn is niet mijn essentie. Ik heb al eerder geschreven dat mijn essentie iets is dat mijn gender overstijgt. Vrouw zijn is een vorm, een expressie. Het is een vorm die beter bij mij past dan man zijn. Het is een vorm die gedrag bij me losmaakt waar ik positiever, liefdevoller en gelukkiger van wordt. Ik wil mijn leven als vrouw leven omdat ik met die levensvorm beter mijn essentie kan laten zien.

Mijn weerstand tegen mijn mannelijk verleden maakt het moeilijker om tot bloei te komen als vrouw. We moeten dit samen doen, Man-ik en ik. Dat is de enige manier om de verschillende kanten die onderdeel zijn van wie ik ben, met elkaar te verenigen. De enige manier om de scheuren in mijn ziel te helen, om het wat pathetisch te zeggen. Man-ik en Lisa zijn beiden delen van mij. En net zoals ik ongelukkig was toen ik het Lisa-deel ontkende, zou ik ongelukkig blijven als ik het Man-ik-deel zou ontkennen.

Mijn proces gaat dus niet over vrouw worden. Mijn proces gaat over heelworden. Over het verbinden van de innerlijke scheiding tussen mijn mannelijke verleden en mijn vrouwelijke toekomst. Zij zijn geen afzonderlijke entiteiten, zij zijn beiden onderdeel van wie ik ben. Zij leven beiden in de ruimte van mijn essentie. Mijn proces gaat over de erkenning van de wonderlijke dynamiek die in mij leeft en de totale overgave daaraan.

Ik weet dat al deze nuances voor veel mensen ongrijpbaar zullen zijn. Als ik heel eerlijk ben, zijn ze dat voor mij ook nog steeds een beetje. Het is gewoon te abstract en te subtiel om goed te bevatten. Daarom zal ik blijven zeggen dat ik vrouw ga worden. Dat is een grove versimpeling van de werkelijkheid, maar voor velen is die al moeilijk genoeg te bevatten. “People can’t handle the truth”, zou Persia denk ik zeggen. Daarom moet ik het verhaal makkelijker maken: ik wil er vrouwelijk uitzien, ik wil als vrouw behandeld worden, ik wil een vrouwelijke naam en een vrouwelijk lichaam… waarom zou ik dan niet zeggen: ik ben een vrouw?

Terwijl de gedachten in mijn hoofd wat kalmeren, merk ik dat ik nog steeds op het kleine maar comfortabele bed zit, mijn rug leunend tegen het hoofdeind. Ik kijk om me heen naar de kale hotelkamer en kan maar half geloven dat ik hier ben. In Londen. Als vrouw. Maar het is echt waar. Voor me, op het bed, liggen twee mooie benen, elegant gekleed in een zwarte panty. Die benen zitten vast aan een mooi getailleerd lichaam met twee mooie borsten. Ik kijk naar dit lichaam. Mijn lichaam. Mijn vrouwenlichaam. “Ik ben een transvrouw”, zeg ik tegen mezelf terwijl ik mijn ogen sluit. Voor me zie ik een man en een vrouw. Ze sluiten vrede met een omhelzing. Vanaf nu staan ze niet meer tegenover elkaar. Vanaf nu staan ze naast elkaar. Man-ik en Lisa. Ik en ik.

No! Really?

Ik word wakker in de woonkamer van Persia, waar ze gisterenavond een comfortabel bed voor me gemaakt heeft. Dit is de tweede dag dat ik onderdeel ben van haar leven. Een dag die op de meest kwetsbare manier begint die maar bestaat: ik word wakker als man. Nou ja, zo voel ik me niet, maar zo zie ik wel uit. Gisterenavond deed ik nadat Persia de woonkamer had verlaten mijn pruik af, mijn borsten af en poetste ik in de keuken de make-up van mijn gezicht. Bij die overgang kon ik eenvoudig voorkomen dat Persia mij ‘naakt’ zou zien. Maar deze ochtend? Ik was vergeten een handdoek te vragen, dus snel de douche in schieten en me opsluiten tot ik weer een toonbare vrouw ben zit er niet in. Of zal ik er op hopen dat ze een handdoek voor me heeft klaargelegd? “Lisa, are you awake?”, verstoort een stem achter de kamerdeur mijn gedachten. “Yes”, roep ik en de deur zwaait open. Daar staat Persia en ik begroet haar. Dit is niet hoe ik had gehoopt de dag te beginnen, maar nu Persia mij zonder pruik en zonder borsten ziet, met een venijnige baardschaduw rond mijn kin, voel ik dat het okee is. Kwetsbaar en naakt, maar met een lotgenote die begrijpt hoe het leven van een transgender is. Het is goed zo. Als ultieme blijk van dankbaarheid dat Persia haar huis en leven voor me openstelt, geef ik me nu bloot. Bloter kan een transgender haast niet zijn.

Nu ik zo’n lange tijd met Persia doorbreng, ga ik haar scherper zien. Steeds vaker zie ik subtiele toefjes mannelijkheid voorbij komen. In haar motoriek, in haar stem, in haar humor, in haar fysiek. De mannelijke historie is er en hij is zichtbaar. Alleen vergt het de training van een archeoloog om hem goed te kunnen herkennen. Ik heb mezelf uitgebreid getraind deze signalen bij mezelf waar te nemen. Zo veel zelfs, dat het me niet meer lukt om mezelf als 100% vrouw te zien. Altijd toont Man-ik zich weer even. In mijn motoriek, in mijn stem, in mijn humor, in mijn fysiek. Ik vraag Persia of zij de man in haarzelf nog ziet. “I regard myself as mostly female”, is haar duidelijke antwoord. De man is en blijft zichtbaar en onderdeel van het proces is om dat te accepteren.

Later deze dag gaan we samen naar Londen. Persia is uitgenodigd door de City University om deel te nemen aan een paneldiscussie over LGBT op de werkvloer. Ik mag mee in haar gevolg en het levert me een inspirerende avond op. In de eerste plaats zet Persia met een interessante uitspraak mijn idee dat de T’s niet zo heel erg thuis horen bij de LGB’s in een nieuw perspectief: “We belong together. We are the groups that get thrown bottles at their heads because of the same thing: other people’s fear”. En panellid Ian Dodds maakte in één klap duidelijk waarom dat diversiteitsbeleid in organisaties vaak niet werkt: “Diversity policies focus on LGBT’s, muslims, women, racial variety, etc. In these policies no attention is paid to the white educated males that in most cases run these companies. Better talk about inclusiveness!”. Mooi. Iedereen mag meedoen, ook de witte hoogopgeleide mannen die onbewust hun wereld normeren naar hun evenbeeld.

Nadat ik op de afsluitende borrel veel complimentjes heb gekregen over mijn beheersing van de Engelse taal (“Why did you move to the Netherlands?” “I was born there.” “No! Really?”), gaan Persia en ik naar het station. Daar nemen we veel te haastig afscheid zodat zij haar late trein terug naar Brighton nog haalt en ik in één klap een alleen reizende vrouw in het avondleven van de Londense metro ben geworden. De overgang van te gast zijn bij Persia (en werkelijk nergens over te hoeven nadenken) naar de zelfstandige vrouw die met haar rolkoffertje op zoek gaat naar haar hotel midden in een miljoenenstad, is groot. Maar wanneer ik de metro verlaat om de laatste paar straten naar mijn hotel te lopen – mijn rolkoffertje trouw de stilte in de inmiddels verlaten straten verstorend – voel ik me trots. Hier loop ik: Lisa, de transvrouw, op weg naar de volgende stap in het avontuur dat het leven is. Met in mijn hart dankbaarheid naar Persia, mijn zuster, mijn leraar, mijn vriendin.

maandag 10 februari 2014

Persia

Ik stap de trein uit en voel druppels. De miezerende regen zorgt ervoor dat ik niet licht vergeet in welk land ik ben: het cliché bewijst zijn herkomst. Aan het eind van het perron van het stationnetje aan de rand van Brighton staat ze onder een kleine paraplu te wachten: Persia. Ze lacht naar me en ik steek mijn hand omhoog en wiebel wat met mijn vingers. De gedachte om de komende twee dagen door te brengen met een vrouw die ik amper ken voelt nog wat onwennig. Bij totaal gebrek aan basis voor een verwachting kan ik niets anders doen dan me over te geven. Overgeven aan de regen in Engeland en overgeven aan de gastvrijheid van Persia. Voor ik het weet wandelen we gezusterlijk onder haar paraplu naar haar huis.

“This is my inspiration”, zegt ze wanneer ze me het uitzicht toont vanuit haar woonkamer. “On this very chair you sit on I wrote my books”. Ik denk aan de boeken die ik van haar heb: The Choice en Just Be Kind. Heel even voel ik de impuls om op te staan, alsof het heiligschennis is dat ik op de stoel zit van deze inspirerende schrijfster. Maar de thee, de zelf meegebrachte chocolaatjes en de glimlach aan de andere kant van de tafel houden mijn billen op de stoel. Ik voel dat het goed is dat ik hier zit. Dat ik eventjes onderdeel ben van Persia’s privéleven; een intieme uitzondering. Ze stelt haar huis voor me open, haar leven en haar zielenroerselen.

De rest van de dag brengen we samen door, wandelend door Brighton, genietend van de plotselinge opklaring en warme zon, feiten uitwisselend over elkaars leven, pratend over trans-zijn en pratend over de grotere vragen van het leven. Steeds meer begin ik te snappen waarom Persia zich over mij ontfermt: we lijken erg op elkaar en ze herkent in mijn aarzelingen zichzelf, twintig jaar geleden. Haar beslissing om als vrouw te gaan leven is een spiritueel geschenk geweest, zegt ze. Het bleek een krachtige manier om de scheuren in haar ziel te helen die al haar hele leven haar verschillende kanten van elkaar scheidden. Een heelwording was het. Precies zo’n heelwording waar ik naar op zoek ben. In haar woorden voel ik de kracht van haar beslissing, maar ze geven me nog niet helemaal het vertrouwen dat vrouw-worden ook mij zal helen. Maar ik geef me over aan haar woorden en laat ze binnendringen. Ik weet dat ze gehoord zullen worden op een belangrijker niveau dan in mijn hoofd. En misschien wel sneller dan ik vermoed.

’s Avonds bij de thee leest ze me voor uit haar roman Alessia die binnenkort zal verschijnen. Ze schreef hem al twintig jaar geleden toen de storm rond haar transitie op zijn heftigst was. Niet eerder was de tijd rijp voor publicatie. Niet eerder was de tijd rijp om iets uit het boek aan iemand voor te lezen. Tot nu. Tot mijn komst. Alsof ze twintig jaar op mijn luisterend oor heeft gewacht, leest Persia het laatste hoofdstuk aan me voor; de apotheose van het spannende verhaal. En elk woord dringt mijn hart binnen. Elk woord kleurt door de wetenschap dat ze het schreef tijdens haar transitie. Elk woord krijgt betekenis in mijn eigen zoektocht naar mijn genderidentiteit. En al die woorden samen vertellen me: stop de strijd, laat de controle los en geef je over aan je lotsbestemming: gelukkig worden… “Throw away the knife”. En op de cadans van Persia’s stem en de diepte van de woorden uit haar verhaal huil ik de mascara van mijn ogen.

Drie keer niks

Ik ben al wakker. Een half uur voor de wekker. Eerlijk gezegd vraag ik me af of ik wel geslapen heb. Ik ging er om half elf in. Zag het half twaalf worden. En half een. En twee uur. En drie uur. Nu is het vijf uur in de ochtend en een fikse vermoeidheid suist door mijn hoofd. Ik rochel mijn sluimerende verkoudheid weg en sta op. De douche is weldadig en de make-up maskeert mijn gebrek aan slaap. Voor ik het weet loop ik in de vroege ochtend naar het station. Mijn hand trekt aan het rolkoffertje dat ik van M. geleend heb, omdat ik deze reis – mijn eerste reis als vrouw – graag elegant wilde doen. De rugzak waar Man-ik altijd mee reist vond ik daar niet bij passen. Het rolkoffertje rolt kittig achter me aan en maakt in de nog stille straten van de stad een herrie van jewelste.

Eenmaal op Schiphol aangekomen loop ik naar Terminal 3. Met alleen maar handbagage en mijn via internet opgehaalde boardingpass is de paspoortcontrole daar mijn eerste stop. En wat voor een! In mijn zwetende hand heb ik mijn Man-ik-paspoort en mijn boardingpass. In mijn tas de brief van de VU om lastige vragen mee te kunnen beantwoorden. In mijn hoofd de mantra “er is niks om me zorgen om te maken” waarmee ik mezelf tot kalmte probeer te verleiden, wat maar ten dele lukt. Maar met aarzelen kom ik niet in Engeland. Kom op meisje, gaan! Ik haal diep adem en loop op het loketje met de medewerker van de marechaussee af. Het is rustig dus hij ziet me al van ver aankomen. Heel even zie ik een zweem van een lach op zijn gezicht, gevolgd door wat geduw en getrek om zijn mimiek weer in de professionele plooi te krijgen. Het is duidelijk dat hij mijn situatie al geraden heeft. Monter zeg ik: “goeiemorgen” en ik geef hem mijn paspoort. Hij opent hem, kijkt erin en precies wanneer ik denk dat hij een opmerking gaat maken over de M in mijn paspoort, haalt hij mijn reisdocument door een scanner om vervolgens tevreden vast te stellen dat ik geen openstaande boetes of andere kerfjes op mijn stok heb. Hij kijkt me aan, checkt nog even de foto van Man-ik en klapt mijn paspoort dicht. “Prettige reis”, zegt hij terwijl hij mijn paspoort teruggeeft. Ik pak het aan en loop door terwijl mijn hart een sprongetje maakt. Mijn wiebelige benen hervinden zich en vol trots loop ik in de richting van de bling bling etalages van de taxfree shops. Geen strenge blikken, geen vragen, geen VU-brief. Drie keer niks.

De tweede hobbel is de security controle. Keurig had ik volgens het ridicule protocol de vloeistoffen uit mijn toilettas in een aparte transparante zak apart gehouden: deo-roller, gezichtscreme, foundation, make-up primer, make-up remover en mijn scheergel. In mijn koffer zaten nog wel de oogmake-up, poeder en lippenstift, want dat leken mij geen vloeistoffen. Terwijl ik mijn koffer op de rollerbaan richting röntgenscanner leg met mijn vloeistoffenzakje er los bovenop hoor ik een andere reiziger iets over mascara zeggen. O shit! Die zit nog in de koffer. Moest die apart? Jeetje, weet ik veel, het is mijn eerste keer! Maar nog voordat ik me zorgen kan maken verbreekt de security officer de stilte: “Mevrouw, wilt u uw laarzen uit doen?”. Als man ergerde ik me altijd al aan die overspannen controles, maar nu voel ik me extra ongemakkelijk. Ik wil niet opvallen. Ik wil hier gewoon zo snel mogelijk doorheen. Mijn hand leg ik even op mijn tas om de VU-brief te voelen die daar in zit om mij uit een eventuele penibele situatie te bevrijden.

Op panty-voeten ga ik door de bodyscan. Op het scherm verschijnt een verdachte vlek rond mijn borstgebied. “Mevrouw, mag ik u even fouilleren”, vraagt een vriendelijke dame alsof er überhaupt een mogelijkheid is om “nee” te antwoorden op die vraag. Gedwee steek ik mijn armen uit. Ik voel me een veroordeelde die zich –heel bewust van wat komen gaat– door de beul de strop laat omleggen. Voorzichtig tasten handen over mijn rug, mijn armen en mijn borst. Laverend tussen het vermijden van intiem contact en het controleren van de verdachte plek raken de handen ook het gebied rondom mijn borsten aan. “Dank u wel. Prettige reis”, zegt de vrouw. Verbijsterd door deze afloop schuifel ik op kousenvoeten naar de rollerbaan waar mijn gescande koffer op mij ligt wachten. Geen strenge blikken, geen vragen, geen VU-brief. Drie keer niks.

Bij de gate herhaalt zich dit. Of eigenlijk zeg ik dat niet goed, want je kunt niet iets herhalen dat zich niet heeft voorgedaan. Hoe dan ook, ik kom probleemloos het vliegtuig in. Tijdens de vlucht val ik zittend in een welkom hazenslaapje maar helaas is de reis te kort om mijn grote slaaptekort in te halen.

Op Gatwick Airport loop ik monter naar de uitgang. Maar tussen mij en de weg naar buiten staat opnieuw een paspoortcontrole. “Nu gaat het dan toch gebeuren”, fluistert de stem in mijn hoofd die me de hele nacht uit mijn slaap had gehouden vanwege alle problemen die het verwachtte. Ik steek mijn arm uit en overhandig mijn paspoort aan de douanebeambte. Voor ik mijn arm goed en wel weer langs mijn lichaam heb kan ik hem alweer omhoog doen om mijn paspoort weer in ontvangst te nemen. “Enjoy your stay”, zegt de man. Opgelucht en trots loop ik naar buiten en zoek mijn trein. Geen strenge blikken, geen vragen, geen VU-brief. Drie keer niks.

zaterdag 8 februari 2014

Activiste

Een groot gejoel steeg op uit de menigte. Gejoel uit onvrede, nee verontwaardiging over de Nederlandse regeringsdelegatie in Sotsji. Bij het homomonument aan de Keizersgracht had zich een grote groep lesbo’s, homo’s, bi’s en transgenders verzameld om te protesteren tegen de impliciete steunbetuiging van onze regering aan het Russische bewind en meer specifiek: de Russische anti-homowet. En ik stond er middenin. Samen met een lesbische vriendin van mij. We voelden allebei solidariteit met Russische LGBT’s en begrepen het gevoel van de Nederlandse LGBT’s zich niet vertegenwoordigd te voelen door onze regering. Maar toch voelde ik me misplaatst. In de eerste plaats omdat ik het idee had dat het vooral een LGB-feestje was. De verontwaardiging die ook in de toespraken uitgesproken werd ging vooral over de wens te kunnen houden van wie je wilde houden. Maar dat is niet waar het mij om draait – of het moet de liefde voor mezelf zijn. LGB’s gaat het om de vrijheid om van een ander te houden ongeacht geslacht. Bij mij gaat het om de vrijheid het geslacht te hebben dat bij me past. De complexe vraag welke seksuele oriëntatie daar dan bij hoort volgt pas daarna (een vraag die bij mij zeker nog niet beantwoord is overigens).

Maar er was nog een reden dat ik me daar in die menigte niet helemaal op mijn plek voelde. Een protestactie is een soort zelfversterkend ritueel waarin je vooral de onderlinge solidariteit vergroot door je af te zetten tegen een gemeenschappelijke vijand. Dat vind ik een belangrijk democratisch recht, begrijp me goed. Maar ik kan nooit zo uit de voeten met de eenzijdigheid van het betoog tijdens een protestactie, of-tie nu over Zwarte Piet gaat of over de anti-homowet in Rusland. Ik heb helaas vaak last van genuanceerde standpunten. En zo’n manifestatie is daar gewoon niet de plek voor. Okee, de Russische anti-homowet is fout, daar waren we het wel allemaal over eens. Maar is de keuze van de regering fout? Is minister Bussemaker die de protestactie met haar aanwezigheid wilde steunen fout? Welkom was ze in elk geval niet, volgens velen.

Maar ook ik, de o zo gewenste nuance ontberend, liet me meeslepen. De energie die de groep bij het homomonument met haar gejoel in beweging bracht, liet ook mij niet onberoerd. En ja, bij de vierde keer joelde ik mee. Het is geen vrije keuze om homo, lesbo, bi of transgender te zijn. Het is geen hobby. Het is een lotsbestemming en bittere ernst. En toen de alternatieve Olympische Vlam werd ontstoken – een prachtig brandend hart dat helaas door de harde wind snel een waakvlammetje werd – voelde ik me onderdeel van iets moois. Kennelijk zit er toch iets van een activiste in mij.

dinsdag 4 februari 2014

Wij verklaren dat...

“Hierbij verklaren wij dat L. onder behandeling is van het genderteam i.v.m. transseksualiteit van man naar vrouw. Geboren als man kan deze persoon zich presenteren in de vrouwelijke geslachtsrol”. Het staat er echt. Ik wist dat ik woorden van deze strekking uit de envelop zou halen, maar nu ik het lees – zwart op wit – sta ik te trillen op mijn benen en lopen er traantjes over mijn wangen. Deze brief is niet alleen een formaliteitje dat ik nodig heb om volgende week als Lisa naar Engeland te vliegen. Deze brief voelt ook als erkenning van een realiteit waar ik al lang naar verlang. En waar ik me ook al lang tegen verzet. Maar ondanks dat verzet, zet ik stappen. Stappen om als Lisa naar Engeland te vliegen. En meer…

In de brief staat dat ik onder behandeling ben, maar formeel ben ik nog in de diagnostische fase. Het is geen vraag meer of ik genderdysforie heb; daaraan twijfelt niemand. Maar de cruciale vraag die nog open staat is of ik ook een ‘duurzame wens heb als vrouw te leven’. Tja, ik wil wel. Maar doe ik het ook?

Maar ondanks de diagnostische fase heb ik over een paar weken toch al een afspraak met een endocrinoloog (een hormoonarts) van het genderteam. We gaan het gebruik van testosterononderdrukkers bespreken. Ik schrijf hier bewust ‘gebruik’, want van ‘behandeling’ mag ik formeel niet spreken. Het genderteam wil me ondersteunen in het maken van een keuze door me te laten ervaren hoe het zal zijn als de man in mij chemisch gezien wordt uitgeschakeld. Weg mannelijke biologie, weg mannelijk libido. Weg met die viriele Man-ik die zich voortdurend met seksuele verlangens in mijn vrouwelijke beleving mengt. Ik hunker naar deze nieuwe fase waarin ik mezelf beter zal leren kennen. Ik hoop dat het verschil gaat maken, dat de balans duidelijker naar één kant zal overhellen. Dat ik zal merken dat ik het zelf ben die blij wordt van Lisa-zijn en dat het gevoel niet afkomstig is van Man-ik die zich tot Lisa aangetrokken voelt. Of eerlijk gezegd maakt het me niet uit welke conclusie er komt, áls er maar eentje komt. Als het me maar duidelijk wordt wat ik te doen heb. Dit leven met twee geslachten is namelijk behoorlijk ingewikkeld en vermoeiend. Het is precies zoals de VU het formuleerde: “deze persoon kán zich presenteren in de vrouwelijke geslachtsrol”. Soms zie je een man en soms zie je een vrouw. Maar volgende week zal deze persoon zich aan Engeland presenteren in de vrouwelijke geslachtsrol. Als vrouw de grens over! Jippie!! London here I come!