donderdag 31 juli 2014

Uitgediagnosticeerd

Het genderteam van het VU werkt volgens een strak protocol. Dit protocol schijnt verregaand in overeenstemming te zijn met de internationale richtlijnen die alle genderteams van de wereld met elkaar gemaakt hebben. De werkwijze van de VU staat hierdoor vanuit een vakmatig perspectief buiten discussie. Dat is goed voor de kwaliteit en continuïteit van de zorg. Ik stel me echter voor dat er wél regelmatig ethische discussies opsteken binnen en rond de VU over de vraag of je wel moet ‘snijden in een gezond lichaam’. Die medische doodzonde staat dan weliswaar niet expliciet in de eed van Hippocrates maar wordt door veel artsen wel zo beleefd. En dat is precies wat het genderteam doet. Puur technisch gezien is het lichaam in orde; het probleem met genderdysforie zit tussen de oren. Alleen laat die ruimte tussen de oren zich niet behandelen, alle eerdere pogingen van psychiaters, natuurgenezers en exorcisten ten spijt. Helaas, want ondanks dat ik achter mijn keuze sta, zou ik mijn genderdysforie liever op een minder ingrijpende manier kwijt raken. Maar dat zit er dus niet in.

Mijn zoektocht heeft me een paar dingen glashelder gemaakt: ik ervaar ondraaglijke dysforie bij mijn biologische en sociale geslacht. En die dysforie is geen copingmechanisme om een of ander trauma te verhullen; de dysforie is het trauma zelf. En omdat de dysforie ondraaglijk is, rest mij geen andere keuze dan mijn biologische en sociale geslacht aan te passen. Dat is geen keuze die je voor je lol of voor de kick maakt. Dat weten ze bij de VU ook.

Toch gelooft de VU niet iedere cliënt die zich meldt op zijn of haar blauwe ogen wanneer die het verlangen uitspreekt een ander geslacht te willen hebben. De VU kijkt verder. Dat doen ze in een proces dat ze de Diagnosefase noemen. Daarin staan ze stil bij de vraag of er daadwerkelijk enkel sprake is van genderdysforie of dat er ook andere mentale stoornissen aan de orde zijn. Jawel, ik heb het hier over ‘andere mentale stoornissen’. Dat klinkt naar, want de meeste transgenders zien zichzelf niet als ‘ziek’ maar als ‘anders’. Dat lijkt me ook principieel terecht. Maar zo zit de maatschappij niet in elkaar. Iedereen die anders is, is ‘ziek’. Het heeft nog tot 1990 geduurd voordat de Wereldgezondheidsorganisatie homoseksualiteit officieel schrapte van de internationaal gestandaardiseerde lijst van ziekten. Er gaan stemmen op om met genderdysforie hetzelfde te doen maar daar ben ik niet voor. Want er is één cruciaal verschil tussen genderdysforie en homoseksualiteit: een homo heeft geen operatie nodig. Transgenders mogen zich in hun handjes knijpen dat ze ‘ziek’ zijn. Want daardoor biedt de medische wereld behandelingen aan en worden sommige onderdelen daarvan ook gewoon vergoed door de zorgverzekeraars. Als genderdysforie geen ziekte meer zou zijn, dan waren we weer overgeleverd aan de illegale praktijken van oncontroleerbare charlatans. Praat maar eens met hoogbejaarde transgenders over hún transitie en je weet genoeg.

Maar goed, terug naar de Diagnosefase van de VU. Als er geen sprake blijkt van andere stoornissen dan de genderdysforie dan doemt de vraag op wat de persoon in kwestie er mee wil. Volledige transitie? Gedeeltelijk medisch ingrijpen (de rechtlijnige houding van ‘je wordt óf een jongen óf een meisje en met alles daartussen gaan wij je niet helpen’ is bij de VU gelukkig wat aan het verzachten)? En tot slot wordt gekeken of de persoon in kwestie wel sterk en stabiel genoeg is om de gewenste transitie (sociaal en medisch) aan te kunnen.

Ik zit officieel nog steeds in de Diagnosefase. Niet omdat niet duidelijk is of ik wel genderdysfoor ben. Dat concludeerde mijn psycholoog na het eerste gesprek al. Ook was al snel duidelijk dat er geen andere mentale stoornissen of trauma’s verstopt zaten achter mijn gevoel een vrouw te zijn. Het enige dat een gezwinde behandeling in de weg stond was mijn eigen twijfel. Ik heb lang gepuzzeld op de vraag wat ik nu met mijn verlangen wilde. Wilde ik écht fulltime als vrouw gaan leven en mijn lichaam daarop laten aanpassen? Dit blog staat bol van verhalen over de twijfel, de angst, de kritische vragen, de pijn, de depressie en de blinde paniek die ik heb doorstaan om een antwoord op die vraag te vinden. En nu het antwoord er is, kan ik eindelijk ‘in behandeling’.

Vanochtend had ik een gesprek met mijn VU-psycholoog. De vorige keer had hij al aangegeven dat hij het genderteam wilde adviseren mij een behandeling aan te bieden, maar hij wilde in dit gesprek nog wat laatste kritische vragen stellen. Niet omdat hij nog twijfelt over zijn advies, maar om zijn betoog voor te bereiden. Want dat is hoe het gaat: de psycholoog gaat mij bespreken in het psychologen-team om zo een collegiale toetsing te krijgen van zijn beslissing mij te willen laten behandelen. Alle kritische vragen die zijn collega’s hem zouden kunnen stellen, heeft hij mij vanochtend gesteld. Een noodzakelijk ritueel dat ik braaf met hem mee heb gedaan. Maar van binnen hoorde ik steeds een stem die zei: “Ja ja, kom nou maar op met die vrouwelijke hormonen!”. Ik ben er klaar voor. Ik ben uitgediagnosticeerd. Ik ga in transitie.

maandag 28 juli 2014

Loslaten

“Kijk lief, ik heb je verwijderd”. Met haar duim bladert M. door de contact­personenlijst op haar telefoon. Bij de M aangekomen is er geen spoor meer te bekennen van Man-ik. Ze kijkt me semi-plagerig aan, maar ik heb allang door wat er gebeurd is. Wanneer haar duim weer over het scherm beweegt, blijkt dat ik het goed heb: bij de L doemen mijn telefoonnummer en mijn foto op. Lisa. Ik heet Lisa in M.’s telefoon. “Ik dacht, laat ik dat maar doen, dan kan ik er alvast aan wennen”, zegt M. bijna verontschuldigend. Ze voelt ook wat ik voel. Het is een bruuske daad richting Man-ik. Alsof hij niet meer bestaat.

Het is een onvermijdelijke consequentie van mijn keuze en er is eigenlijk geen beter moment om naar die keuze te gaan leven dan nu. Een natuurlijk moment komt toch niet. Het moet gewoon een keer. Ik bewonder M.’s moed om niet af te wachten. En tegelijk confronteert haar daad me met de pijn in mijn hart. Pijn van het verdwijnen van mijn identiteit. Een identiteit met wie ik zoveel mee heb gemaakt: decennia aan fijne en pijnlijke herinneringen. Een identiteit die altijd zijn best heeft gedaan zo goed mogelijk de man te zijn die zijn omgeving verwachtte omdat dat veiliger leek dan het uiten van mijn verlangen. Een identiteit die meestal de kracht kon opbrengen om mijn innerlijke pijn te dragen. Ook al was Man-ik niet de identiteit die ik wilde hebben, ik ben me toch vertrouwd gaan voelen met hem. Ik ben toch van hem gaan houden. Man-ik loslaten is misschien wel pijnlijker dan al mijn verbroken liefdesrelaties bij elkaar. De pleister op de wonde is dat ik daardoor tenminste voluit Lisa kan worden.

De laatste jaren van mijn zelfonderzoek – vrouw worden was nog slechts een mogelijkheid – was Man-ik er steeds nog om op terug te vallen. Als ik niet wist hoe ik iets in mijn nieuwe vrouwelijke identiteit moest doen, kon ik het altijd nog door Man-ik laten doen. En kon ik me altijd te rusten leggen in het comfort van de oude gewoonte. Maar nu volledige transitie van een mogelijkheid een feit is geworden ben ik mijn Man-ik vangnet kwijt. Uit angst zou ik mezelf aan Man-ik kunnen vastklampen, maar dat wil ik niet. Het gekke is dat juist het omgekeerde aan de hand lijkt te zijn. Man-ik klampt zich aan mij vast. Hij is de laatste weken zo sterk aanwezig dat ik me op sommige momenten afvraag of Lisa er nog wel is. Hij vult mijn hoofd met twijfel die ik gelukkig wel kan ontmaskeren als angst, maar toch is het is beangstigend en doodvermoeiend. Het is duidelijk dat Man-ik mij nog niet wil loslaten. Maar het moet. Het moet van Lisa. Nu is het haar beurt. De tweede helft van mijn leven wordt een leven als vrouw. Maar Man-ik verzet zich nu weer tegen haar. Hun wapenstilstand blijkt maar van korte duur.

In het rumoer van het verzet in mij verlies ik het overzicht. Ik weet niet meer wat het allemaal betekent. Alle vragen die ik mij eerder in dit proces heb gesteld, komen allemaal opnieuw langs. Alle onbevredigende antwoorden uit het verleden lossen ook nu niks op. In de paniek die dat oproept kan ik niet goed meer voelen wat mijn hart er van zegt. Een deel van mij houdt krampachtig het verleden vast. Een deel van mij grijpt naar de toekomst. Ik scheur in tweeën. Loslaten is moeilijk. Vreselijk moeilijk.

donderdag 24 juli 2014

Beslissing

De belangrijkste veranderingen in mijn leven zijn me overkomen. Dat klinkt passief en fatalistisch, maar dat is het niet. Mijn scheiding, mijn vaderschap, het overlijden van mijn vader en zo je wilt: mijn geboorte. Allemaal gebeurtenissen waarin ik geen expliciete beslissing heb genomen maar waarvan de impact op mijn leven (emotioneel en/of praktisch gezien) enorm groot is geweest. Daarom zeg ik ook wel eens tegen mensen die ik coach: “Hoe meer invloed je op een gebeurtenis hebt, hoe minder relevant die gebeurtenis is”.

Uit ons Westers taalgebruik blijkt duidelijk dat we onszelf graag voorhouden dat we veel invloed hebben op onze beslissingen. In het Engels heet het: ‘We make a decision’, alsof we zelfbewust de beslissing construeren die we willen hebben. Deze formulering is helaas ook al in onze taal doorgesijpeld. We hebben het dan over ‘een beslissing maken’. Jak! Traditioneel gezien spreken we in het Nederlands over ‘een beslissing nemen’. De beslissing was er kennelijk al; we hoefden hem alleen nog maar even uit de grote bak te graaien. Alsof we onszelf de beslissing toe-eigenen. Dat beeld is al iets meer richting de waarheid maar dicht ons veel te veel eigen initiatief toe. We nemen de beslissing niet, maar hij komt naar ons toe. Wanneer je in een besluitvormingsproces zit, komt (meestal onverwacht) het moment waarop je je realiseert dat het besluit er is. Dat merk je aan je gedrag (je ziet jezelf bijvoorbeeld ineens handelen conform de beslissing) en aan je emoties (je krijgt bijvoorbeeld ineens veel meer ergernis bij de bestaande situatie).

Zo is het ook met mijn proces. Jaren heb ik geprobeerd een beslissing te nemen, nee misschien zelfs wel te maken. Maar zonder succes. Ik bleef twijfelen. Ik bleef mezelf wijsmaken meer informatie nodig te hebben. Ik bleef mijn beslissing afhankelijk maken van gebeurtenissen in mijn omgeving. Totdat ik een aantal maanden geleden mezelf realiseerde dat de beslissing onmaakbaar en onneembaar was. Ik kon en ging niet beslissen vrouw te worden. Ik nam mezelf voor om vrouwelijker te worden tot het goed was. Daardoor veranderde alles. Het tempo van mijn interventies om vrouw te worden nam toe. Zo kwam er Androcur, een haartransplantatie, een volledige coming-out naar S. en nog veel meer kleine en grote stappen.

Aan mijn gedrag was dus al duidelijk dat de beslissing gekomen was door te stoppen hem te zoeken. En sinds een paar weken is mijn ergernis en frustratie over mijn genderdysforie zo groot dat het ook op emotioneel niveau duidelijk is dat de beslissing er is. De beslissing is naar me toegekomen en ik heb nu ontdekt dat hij er is. De beslissing om vrouw te worden.

Is het míjn beslissing? Ja, want ik heb hem omarmd. Heb ík hem gemaakt? Geen idee. Ik heb bewust geëxperimenteerd. Bewust ervaringen en informatie in mijn systeem geladen. Daarmee heeft mijn onbewuste haar werk gedaan. Maar is het daarmee míjn beslissing? Ben ik mijn onbewuste? Ben ik die grotere kosmische machten die zich in mijn onbewuste manifesteren? Ach, het is maar hoe je het wilt noemen. Het idee dat de beslissing is gemaakt door machten buiten mij en ik hem slechts ontdekt heb geeft enerzijds een geruststellend gevoel. Als ik de beslissing niet zelf nam, dan draag ik ook minder verantwoordelijkheid. Zo voelt het althans in het deel van mijn systeem dat het eng vind om groots te zijn en verantwoordelijkheid te nemen. Aan de andere kant is de controleur in mijn systeem erg blij met de gedachte dat ik die beslissing toch echt zelf genomen heb.

Hoe het ook zij: er is een beslissing. Een beslissing dat ik de vrouw ga worden die ik al mijn hele leven wilde zijn. En nu de beslissing er is, is het onderzoek voorbij. Het proces echter niet. Tot nu toe waren alle experimenten, alle investeringen in een vrouwelijke identiteit in zekere zin vrijblijvend. Maar de spek-en-bonen zijn er nu wel van af. Nu het voor het echie is, ben ik ongeduldig en bang. Maar in elk geval niet meer zonder bestemming.

woensdag 23 juli 2014

Hulpstukken

De laatste weken is mijn genderdysforie op haar top. Mijn onbehagen bij mijn biologie is nog nooit zo groot geweest. Het komt vast omdat ik een beslissing heb genomen. De beslissing roept natuurlijk de nodige angst op (‘Wat ben ik toch in hemelsnaam aan het doen? Komt dit wel goed?’), soms ronduit paniek (‘Help, ik weet het allemaal eventjes niet meer!’) en vaak flink wat onzekerheid (‘Ben ik wel passabel genoeg als vrouw?’, ‘Steunt mijn omgeving me nog wel?’). Maar bovenal roept de beslissing een explosieve dosis ongeduld op. I want it all and I want it now…

Ongeduld is mijn katalysator voor ergernis. Ongeduld maakt me kritischer en cynischer over alles dat me tegenhoudt nu al te hebben wat ik wil. Ik erger me aan de VU, die traag reageert op mijn Androcur bijwerkingen. Ik erger me aan mijn baardschaduw, die na anderhalf jaar IPL nog steeds niet verdwenen is (en door de schommelingen in mijn testosteronniveau zelfs toegenomen lijkt te zijn) waardoor ik nog altijd zwaar in de make-up moet om mijn mannelijke historie een beetje te verbergen. En ik erger me aan mijn hulpstukken.

Dit mannenlijf heb ik in de afgelopen jaren aardig onder de duim weten te krijgen met diverse hulpstukken. Daarmee is mijn vrouwelijke identiteit behoorlijk presentabel. Ik ben op die hulpstukken gaan rekenen en vertrouwen:

  • De pruik. De laatste tijd een vaak besproken item op dit blog. Althans, het ging dan vooral over de aanleiding voor de pruik: mijn haar. Of eerder gezegd: het gebrek eraan in het gebied boven mijn voorhoofd.
  • De borstprotheses. Twee mooie siliconenborsten met tepel de me een bescheiden cup C geven.
  • Het billenbroekje. Een onderbroekje dat op subtiele wijze aan elke kant (zijkant, achterkant en zijkant) een halve centimeter toevoegt aan mijn silhouet. Een halve centimeter lijkt niet veel (en dat is het ook niet), maar het effect op de totale uitstraling is groot. 
  • De beardcover en de foundation. Plamuur. Een betere naam is er niet voor het licht oranje goedje dat ik op mijn baardschaduw smeer om hem te maskeren. Om vervolgens weer een laag foundation te moeten gebruiken om de beardcover te maskeren. Met een min of meer acceptabele verdwijning van de baardschaduw tot gevolg, maar ten koste van een natuurlijke uitstraling en de mogelijkheid gedurende de dag mijn gezicht aan te raken. Of aan te láten raken, for that matter (sorry M.).
  • De tape. Een gevuld scrotum belemmert de vrouwelijke motoriek. En erger nog: veroorzaakt een gênante bobbel in een strak rokje. De oplossing is tucken. Maar tucken vraagt het gebruik van tape. En scrotumhuid is niet gemaakt om vast te tapen.
Maar nu ik daadwerkelijk gekozen heb om mijn mannenlichaam te laten aanpassen tot een vrouwenlichaam, komen de hulpstukken in een ander daglicht te staan. Waren het eerst enablers die het voor me mogelijk maakten mezelf als vrouw te manifesteren; nu begin ik ze vooral te ervaren als party-poopers die me confronteren met het feit dat mijn lijf écht niet klopt. En dat het nog wel even zal duren voordat het allemaal wel klopt. Tot die tijd zal ik met de hulpstukken moeten leven, maar het houtje-touwtje geknutsel aan mijn lichaam begint me steeds meer tegen te staan. Ik baal er van! Ik wil een écht vrouwenlijf! Tenminste, zo echt als de VU het maken kan… Want ik realiseer me dat mijn lichaam nooit perfect vrouwelijk zal zijn. Ja ja, dat is het lichaam van een biologische vrouw ook niet, maar die heeft geen mannelijke fysieke erfenis mee te dragen. Ik ben me er van bewust dat me op dat vlak nog wel een mentaal-emotioneel procesje staat te wachten. Het liefst zou ik daar nu al mee beginnen, maar de levertijd op dat vrouwelijke lichaam is nogal lang…

De getroubleerde relatie tussen mij en mijn hulpstukken is trouwens wederzijds. Mijn hulpstukken zijn mij ook zat. Eén voor een zijn ze de laatste tijd kapot aan het gaan:
  • Mijn pruik is pluizig geworden en het elastiek dat helpt de pruik op mijn hoofd te fixeren is uitgelubberd. De pruik is bruikbaar, maar draagt minder comfortabel en is minder mooi. Vervangen is prijzig en dat geld stop ik liever in de volgende ronde van mijn haartransplantatie die de pruik over een half jaar overbodig moet maken.
  • Eén van mijn borstprothesen is op diverse plekken opengebarsten. Maar met echte groeiende borsten in het verschiet is het zonde om te investeren in nieuwe prothesen, die over een half jaar te groot zullen zijn. Dus heb ik mijn borst opgelapt met Leukotape. Het ziet er niet uit en het zelfklevende effect van de prothese is weg maar het is een oplossing.
  • De rek is uit mijn billenbroekje. De silhouet-oppepper is er nog wel, maar het draagcomfort is afgenomen.
  • En o ja: mijn duct-tape is bijna op…
Het is duidelijk: de relatie tussen mij en mijn hulpstukken is eindig. Maar voorlopig zullen we nog even bij elkaar moeten blijven. Nog even. Nog heel even. Bah, wat duurt dat lang!
 

zondag 20 juli 2014

Zonder vangnet

“Misschien wil Man-ik nog wat drinken”, zei N., het zoontje van M. “Vraag het maar even aan haar”, antwoordde M. Puur semantisch gezien lijken M. en haar zoontje naar twee verschillende mensen te verwijzen. Maar in de wereld van een transgender is alles mogelijk. M. en N. verwezen allebei naar mij. Voor de een was ik een hij, voor de ander een zij. N. heeft me inmiddels al vaak als vrouw gezien en hij weet dat mijn vrouwennaam Lisa is. Maar voor hem blijf ik toch de Man-ik die vier jaar geleden in zijn leven kwam, zijn luiers verschoonde en hem troostte als hij verdriet had. Kennelijk ook als ik een rokje draag, borsten heb en mooi opgemaakt ben zoals vandaag.

Dat M. me zo resoluut Lisa noemt en met ‘haar’ en ‘zij’ naar me verwijst, is nieuw. Dat hebben we vorige week afgesproken omdat het voor haar te ingewikkeld aan het worden was. Ik was al lang niet meer haar vriendje die af en toe vrouw was, maar ik was haar vriendin geworden die af en toe nog man was. Maar oude gewoontes slijten moeilijk en in haar omgeving noemde ze me nog steeds Man-ik. Dat werd voor haar steeds verwarrender. Ik belemmerde, zonder stabiele genderexpressie, haar proces om onze relatie te herijken van een heteroseksuele relatie naar een lesbische relatie. Ze moest zich immers gaan instellen op een relatie met een vrouw en dat lukt niet echt als je die vrouw steeds Man-ik blijft noemen. Daarom besloten we vorige week dat ze me vanaf dat moment altijd Lisa zou gaan noemen. Ongeacht mijn genderexpressie.

Makkelijker gezegd dan gedaan zou je denken. Maar het ging dit weekend verbazingwekkend goed. Dapper en gedisciplineerd verwees M. telkens met vrouwelijke persoonlijke voornaamwoorden naar me. Ook al hield N. stug vol me Man-ik te noemen. Ik hoorde het aan en voelde me een vreemde. Een vreemde in deze twee liefdevolle relaties. Ik was niet de Man-ik die N. voor zich zag. Ik was niet de Lisa die M. probeerde te bekrachtigen. Ik was een vreemde. Een vreemde voor mezelf.

Ik kan me nauwelijks nog vereenzelvigen met de term ‘man’ en de naam Man-ik begint ook steeds verder van me af te staan. Ik weet dat ik het ben, maar ik voel het niet. Ik voel alleen een stuwmeer aan herinneringen aan die naam kleven en ook nog de nodige emoties bij het loslaten ervan. Maar de naam Lisa voelde dit weekend ook raar. Raar omdat die vrouwennaam niet zo paste bij mijn extreem hoge testosteron (en mannelijke energie) van deze week (dankzij de gehalveerde dosis Androcur vanwege bijwerkingen). Raar ook omdat M. heel erg haar best deed op de ‘Lisa’s’ en de ‘zij’-en waardoor die een ietsiepietsie geforceerd voelden. Alsof ze het over iemand had die niet echt bestond. Diep in haar hart is dat volgens mij ook zo. Haar mentaal-emotionele luikje naar de diepe gevoelens voor mij is nu nog gelabeld met ‘Man-ik’. Omlabelen naar ‘Lisa’ zal wel even duren. Knap van haar dat ze daar nu zo nadrukkelijk mee begonnen is.

Ik ben een mens onderweg naar een vrouwelijke identiteit. Een identiteit die al een tijdje bestaat, maar die nu het serieus begint te worden pas echt begint in te dalen in de diepte van mijn wezen. Daar in die diepte staat echter een nog een mannelijke identiteit. Een fundamenteel ongewenste identiteit, maar wel eentje die in de praktijk van mijn zoektocht steeds een veilige vluchtheuvel bood. Een veilige haven om even te schuilen in het comfort van de gewoonte als de experimenten met de nieuwe vrouwelijke identiteit even iets te spannend werden. En die veilige plek verdwijnt wanneer ik fulltime als vrouw ga leven. Die stap zal me veel onzekerheden, angsten en praktische ongemakken gaan geven. Om juist in zo’n situatie niet meer te kunnen terugvallen op het comfort van een decennialang geoefende identiteit is als het lopen op een evenwichtskoord zonder vangnet. Dat is doodeng.

vrijdag 18 juli 2014

The Exorcist

Sinds ik uit bed ben voel ik me naar. Er broeit iets van binnen en zoals dat gaat met nare dingen die van binnen zitten, probeer ik onbewust die gevoelens weg te drukken als onwelkome visite. Dat het wegdrukken onbewust in gang is gezet, betekent echter niet dat ik het niet opmerk. Maar ik wil het niet zien. Het wegdrukken zien betekent ook dat ik dan eigenlijk moet kijken naar wát er dan weggedrukt wordt. Het is bizar dat ik dit hele mechanisme zie en er toch niet aan kan (wil?) ontsnappen. De platitude van de ‘inconvenient truth’ is hier wel op zijn plaats.

Inmiddels ben ik – mijn onrustige gemoed achter me aan slepend – in mijn ochtendritueel aangekomen in de badkamer. Ik ga voor de wastafel staan. Ik durf niet in de spiegel te kijken en zoek troost in het patroon van zwarte gaatjes in het putje van de wastafel. Mijn armen bewegen naar voren en pakken de rand van de wastafel vast. Mijn knokkels worden wit en mijn armen beginnen te trillen. Ik weet zeker dat ik die klotewastafel in één ruk van de muur kan trekken! Ik weet zeker dat ik die klotewastafel vervolgens in duizend stukken kan laten spatten wanneer ik hem op de tegelvloer van de badkamer smijt! Ik weet zeker dat het me zou opluchten!

Van de schrik kijk in de spiegel en ik zie een man. Een woedende man. Een agressieve man. Een man die alles wil vernielen. Even schieten beelden van The Exorcist aan mijn geestesoog voorbij. Ik voel me bezeten. Bezeten door een macht die mij niet toebehoort. Deze macht houdt me al een week in haar greep. De macht van de testosterongedreven agressie. Sinds ik een week geleden op advies van de VU mijn dosis Androcur halveerde vanwege bijwerkingen voel ik veel agressie in mij. Ik heb deze week een ontzagwekkend spoor nèt niet vernielde dingen achter mij gelaten. Telkens wist ik me nèt te beheersen. Al mijn energie ging op aan het kanaliseren van mijn agressie. Dagelijks even afreageren op kussens gaf maar heel even rust. De vorige week weer geactiveerde, niet aflatende stroom van opfokkende testosteron in mijn lijf maakt ontladen een tamelijk zinloze bezigheid. De halve dosis testosteronblokker lijkt in mijn lichaam de testosteron alle ruimte te geven.

Ik kijk naar het woedende wezen in de spiegel. Ik zie de pijn, de frustratie en het onvermogen er aan te kunnen ontsnappen. Tranen wellen op in mijn ogen en ineens haal ik een grote teug adem en breng een jammerend geluid voort. Intens huilend worden mijn benen slap en ik laat me glijdend langs de tegelmuur naar de koude badkamervloer zakken. Mijn benen dragen me niet meer. Ik draag dit proces niet meer. Ik ben moe en verslagen en wil even vastgehouden worden. Gelukkig is M. bij me en ze troost me.

En dan verschuift er iets in me. Ineens gaat de agressie collaboreren. In plaats van mijn vrouwelijkheid te saboteren, komt de agressie mij ineens helpen. In een vlaag van boosheid sta ik op, grijp naar de netjes in kwartjes gesneden Androcur tabletten, stop er een in mijn mond en slik hem door. “Fuck it!”, roep ik nog en denkbeeldig steek ik mijn middelvinger op naar de endocrinoloog die het een goed idee vond de dosis te halveren. Vanaf nu ga ik driekwart tablet slikken. En als dat niet genoeg is om de testosteron er onder te krijgen, dan ga ik gewoon weer terug naar één tablet per dag. Van die dosis weet ik dat het voldoende is om de testosteronduivel uit mijn lichaam te drijven. Dat ik dan weer duizelig wordt en misschien wel opnieuw om ga vallen en met mijn hoofd tegen de kast aan ga knallen neem ik dan maar voor lief. Ik haat testosteron!

dinsdag 15 juli 2014

Grrrrrr!

Ik ben boos. Grrrrrr! Grommen helpt om mijn boosheid te voelen, maar vooralsnog helpt het niet om hem kwijt te raken. Wanneer ik mijn boosheid toelaat en hem helemaal probeer te voelen dan wordt het meestal niet helder op wie of wat ik op dat moment boos ben. Er is gewoon boosheid. Geen idee waar die op dat moment mee te maken heeft. De andere kant op redenerend (reverse engineering heet dat in mijn oude vak) kom ik er prima achter of iets me boos maakt. Ik hoef maar aan specifieke dingen te denken die me op dit moment bezig houden en ik merk het meteen. Een kleine greep uit de dingen waar ik boos van word:
  1. De endocrinologen van de VU hebben geen idee wat ze met mijn Androcur bijwerkingen aan moeten (naast het hijgen is er inmiddels ook duizeligheid en spierzwakte bijgekomen). Het enige dat ze kunnen bedenken is: stoppen. Of in een subassertievere vorm: de dosis verminderen. Dit laatste ben ik nu aan het doen en tadaaa, de bijwerkingen worden minder. Maar mijn frustratie over de testosteron-achtergrond ruis neemt weer toe. Weer die voortdurende onrust die alleen weggenomen kan worden door dagelijks vier beren te doden en drie vrouwen aan hun haren mijn grot in te slepen. Grrrrrr! En dat moet ik dan natuurlijk minimaal vier weken volhouden voordat we een volgende afspraak bij de endocrinoloog hebben… Grrrrrr!
  2. De aangroei van mijn getransplanteerde haren gaat tergend langzaam. Twee gapende gaten op mijn voorhoofd lachen me in mijn gezicht uit als ik ook maar even overweeg om nu al zonder pruik als vrouw over straat te gaan. Grrrrrr! En de volgende transplantatieronde mag pas op zijn vroegst eind januari 2015. Grrrrrr!
  3. Mijn energieniveau is structureel laag. En daardoor werk ik te weinig en verdien ik te weinig. Mijn financiële reserves die voor mijn transitie hard nodig zijn, ben ik nu gewoon aan het opeten. Grrrrrr!
  4. Mijn coming out in mijn werk wil ik zorgvuldig voorbereiden. Naast mijn persoonlijke identiteit ben ik ook bezig de identiteit van mijn bedrijf te vernieuwen. Zodat die beter bij mij past. Propositie, logo-ontwerp, huisstijl, website. Jeeetje wat duurt dat lang! Grrrrrr! 
  5. De mate waarin ik mij als vrouw in het dagelijks leven van S. kan manifesteren is afhankelijk van hoe snel hij dat aan kan. Nu kan ik nog niet als op en top vrouw in zijn leven verschijnen. Hij heeft inmiddels wel zijn beste vriend verteld waar ik mee bezig ben, maar er is nog schaamte en angst dat ze hem op school gaan pesten. Mijn ex en ik zoeken ondersteuning voor hem (eind deze maand intake bij Transvisie Zorg), maar dat duurt allemaal vreselijk lang. Grrrrrr! Zeker ook omdat mijn ex en ik het niet echt eens zijn over wat het probleem is en wat S. daarvoor nodig heeft. Grrrrrr!
  6. Tot op dit moment laveer ik nog steeds tussen mijn twee identiteiten. Ik ben een vrouw. Ik wil geen man zijn, en ook niet die androgyne man of halve vrouw die ik nu vaak ben. Mijn genderdysforie is ernstig aan het toenemen: mijn tolerantie naar momenten waarop ik niet op en top vrouw kan zijn neemt af. Grrrrrr! Alles wat me tegenhoudt om op en top vrouw te zijn haat ik. En het ergste is: ik werp alle drempels zelf op. Omdat ik het ‘goed’ wil doen moeten er eerst allerlei voorwaarden ingevuld zijn voordat ik fulltime als vrouw ga leven. Dat is vast heel verstandig. En heel erg harmonieus. Maar ik haat het! Grrrrrr!
  7. En ik zal in mijn verblindende boosheid nu vast nog wel wat ergernissen vergeten zijn… Grrrrrr!
Maakt testosteron je agressief? Hoe kom je daar nou bij?
 

vrijdag 11 juli 2014

Fashion Fail

Het is de spreekwoordelijke nachtmerrie van elke vrouw. Je bent uitgenodigd voor een leuk feest en je bent al weken bezig je outfit voor te bereiden. Je bent al een paar keer gaan shoppen op zoek naar net dat ideale jurkje voor de gelegenheid. Naast die drie jurkjes die thuis voor de spiegel toch nét anders blijken te vallen dan in de winkel, heb je ook Die Ene gekocht. Dat geweldige jurkje waarmee je helemaal de show gaat stelen. Sexy maar niet ordinair. Stijlvol zonder stijf te zijn. Origineel maar niet extravagant. Bescheiden en toch karaktervol. Terwijl je Die Ene aantrekt krijg je complimentjes van je partner (die hij echt meent, want hij kijkt deze keer écht naar je als je vraagt: “schat, wat vind je er van?”). Terwijl je over straat naar de tramhalte loopt voel je dat iedereen zijn hoofd naar je omdraait om je te zien. Dressed to impress. Je voelt je uniek. Hier ben ik.

De eerste momenten op het feest gaat het nog goed. Je krijgt complimentjes over je jurk, over hoe je er uit ziet, over wie je bent. De jurk waardeert je hele wezen op en je hebt het gevoel dat je iets boven de grond zweeft. Totdat je in je roes iets verder de ruimte in zweeft en haar ineens ziet staan. Je innerlijke beschermengel fluistert je troostend in dat het een spiegel is, maar nee: het is een andere vrouw. Met precies dezelfde jurk… Heel even nog denk je dat die jurk jou veel mooier staat, maar het is al te laat. De kiem is gelegd: de rest van de avond vreet een knagende onzekerheid je geluk op. Als je thuiskomt wil je niets liever dan die jurk meteen weggooien. Je partner houdt je tegen met complimentjes die toch niet aankomen. Voor hem doe je de jurk in de wasmand. Maar je weet dat die jurk eenmaal gewassen toch nooit meer de kast uit zal komen.

Dit is ongeveer wat mij gisteren overkwam. Okee, het was niet op een feest, maar in de wachtkamer van het genderteam bij de VU. Maar dat is evengoed een plek waar de vrouwelijke gasten elkaar stilzwijgend de maat nemen (“jeetje, die ziet er niet uit!”, “Maak er toch eens wat van als je zo graag vrouw wil zijn, je maakt ons allemaal tot schande”, “Aanstellerige lellebel”, “Als je niet op die hakken kan lopen dan moet je ze niet aandoen”) alleen maar om het eigen onzekere egootje een oppepper te geven. Daar zat ik – te wachten op de alwéér uitgelopen endocrinoloog – en ik keek om me heen. En toen kwam ze binnengelopen. Het was niet mijn jurk die ze aan had. Nee, het was misschien nog wel erger. Ze had dezelfde pruik als ik. Exact dezelfde. Ik kon bij wijze van spreken het prijskaartje van Mariposa er nog op zien zitten. Auw.

Mijn pruik is sowieso een gevoelig punt. Ik ben die pruik inmiddels meer dan zat. Niet omdat hij me niet goed staat (veel beter dan bij haar!). Maar de pruik staat voor mij voor een andere manier van niet mezelf kunnen zijn. Een nieuw masker. Ik wil graag een vrouw zijn met mijn eigen haar, waar ik gewoon af en toe mijn hand doorheen kan halen, liefst zo sensueel mogelijk. Ik wil gewoon ’s avonds op de bank gewoon mijn hoofd te rusten kunnen leggen tegen de kussens zonder bang te zijn dat mijn pruik verschuift of vol met klitten komt te zitten. Ik wil niet aan het eind van elke dag de deceptie voor de spiegel als de pruik af gaat en het platgedrukte, bijna verstikte haar eronder tevoorschijn komt. Ik wil niet de broeierige warmte op mijn hoofd op dagen dat het buiten meer dan 18 graden is.

Mijn pruik heeft mogelijkheden voor me geopend. De mogelijkheid om me als vrouw te manifesteren. De mogelijkheid om te ervaren hoe het is om vrouw te zijn. Ook toen Man-ik nog kort haar had. Dus ik ben de pruik dankbaar. Maar de vriendschap is tanende. De weerstand om de pruik te dragen groeit. Ook al weet ik dat ik hem nog wel eventjes nodig heb, want mijn eerste haartransplantatie heeft mijn enorme inhammen bij lange na niet voldoende terug gedrongen en ik moet nog wel een half jaar wachten tot de volgende behandeling mogelijk is. Maar ik wil geen pruik meer. Het moment dat ik fulltime als vrouw zal leven komt dichterbij. Met de verstrekking van de vrouwelijke hormonen (in september, hoop ik) vraagt de VU ook om snel volledig ‘in het wensgeslacht’ te gaan leven. En ik wil het ook. Ik ben er klaar voor. Ik ben een vrouw. Een vrouw zonder pruik.

Ik ben die dame in de wachtkamer bij de VU dankbaar dat ze mijn pruik droeg. Ze gaf me nét dat laatste zetje om me binnenkort eens te laten adviseren op het gebied van extensions. Het wordt tijd om mijn pruik, eenmaal gewassen, nooit meer uit de kast te laten komen.

woensdag 9 juli 2014

Be and be



Ik ben iemand die gericht is op harmonie. Dat is op zich een fijne eigenschap. Maar zoals elke fijne eigenschap heeft deze ook een schaduwkant: ik kan in mijn streven naar harmonie wel eens mijn eigen grenzen vergeten. Dan is er wel harmonie met mijn omgeving, maar die gaat ten koste van de harmonie in mezelf. Deze schaduwkant is door mijn toegenomen bewustzijn de laatste jaren al een stuk minder groot geworden. En dat is fijn. Met die verdwijnende schaduw is mijn eigenschap steeds nuttiger aan het worden. In principe vind iedereen harmonie fijn en laat ik nu nét effe een paar decennia geoefend hebben in het tot stand brengen van harmonie. Daar kom je ver mee…

In mijn proces naar vrouw worden heeft mijn harmonie-fetish natuurlijk ook een rol gespeeld. Toonde ik mezelf voor het eerst als vrouw aan een vriend die het wat lastig vond, dan deed ik bewust een broek aan en bescheiden make-up op. Mijn coming-out naar S. deed ik heel geleidelijk, stap voor stap, waarbij ik vaker uitging van wat hij aankon dan van wat ik wilde. En nog belangrijker: ik gaf heel geduldig ruimte aan mijn eigen angsten en twijfels om de harmonie met mijn mannelijke identiteit niet te verspelen. En de harmonie met mezelf ook niet. Dit alles heeft er voor gezorgd dat mijn proces soms ronduit traag verliep. Veel lotgenoten die ik drie jaar geleden leerde kennen zijn inmiddels geopereerd en al door het hele medische proces heen. En ik sta pas aan het begin daarvan. Maar het fijne is dat ik tot nu toe niemand in mijn omgeving heb verloren. Iedereen reist met me mee mijn nieuwe leven in. Harmonie!

Ondanks de kleiner wordende schaduwkant, speelt in mijn dagelijkse leven harmonie en ‘rekening houden met de ander’ nog een grote rol. Ik word voortdurend uitgedaagd om in de balans tussen ‘rekening houden met de ander’ en ‘rekening houden met mezelf’ écht in een middenpositie te gaan zitten. En mezelf dus niet weg te cijferen. Ik merk dat bijvoorbeeld heel sterk bij mijn Airbnb experiment. Hoewel ik inmiddels mijn geslachtsaanduiding heb verwijderd uit mijn profiel, heet ik daar nog steeds Man-ik en staat er een min of meer mannelijke foto van mezelf op (nou ja, de foto is behoorlijk androgyn want de mannelijke Man-ik bestaat nauwelijks nog). Mijn gasten verwachten dus een gastheer aan te treffen. En die krijgen ze vaak ook. Maar soms ontvang ik mijn gasten als gastvrouw. En dat is telkens een innerlijke strijd: “Zal ik het wel doen? Wat zullen ze er wel niet van vinden? Misschien schrik ik mijn gasten wel af?”. Een strijd die nog steeds niet is uitgedoofd ook al is hij door de ervaring inmiddels tamelijk irrelevant geworden. Mijn gasten reageren namelijk allemaal heel ontspannen op mijn uitleg dat ik transgender ben en aan het begin van mijn transitie sta. Ze vinden het heel normaal dat ik in twee identiteiten leef en die ook aan hen toon. Alsof ze allemaal al minimaal drie transgenders in hun kennissenkring hebben. Wat statistisch gezien nogal onwaarschijnlijk is.

Mijn innerlijke discussie verstomt echter nog niet. Mijn streven naar harmonie zit zo diep en mijn (bewust opgezochte) kwetsbaarheid door onbekenden in mijn huis en mijn genderproces toe te laten is zo groot, dat het me niet lukt om dit allemaal maar ontspannen te laten gebeuren. Met een glimlach en compassie voor mijn conditionering denk ik dan wel eens aan een uitspraak van mijn grote inspiratiebron Isaac Shapiro: “You’re afraid to lose control? How can you lose something you never had?”. Intussen probeer ik te zijn wie ik ben. Airbnb? Just Be and be.

zaterdag 5 juli 2014

Doorgezaagd weesmeisje

Ik lig op bed en kijk naar mijn voeten. Ik zie ze zitten, helemaal aan het onderste uiteinde van mijn lichaam. Als ik probeer mijn tenen te wiebelen, dan bewegen ze inderdaad heen en weer. Het is duidelijk: het zijn écht mijn voeten. Maar waarom voelt het dan alsof ze niet van mij zijn? Alsof ze niet aan me vast zitten? Met de verbijstering van een doorgezaagd weesmeisje vraag ik me af welke truc het leven nu weer met me uithaalt.

Het is sinds ik de Androcur slik: kortademigheid. Ik ben supersnel buiten adem en dat komt vooral omdat ik per ademhaling te weinig zuurstof naar binnen zuig. Ik adem namelijk heel oppervlakkig. Heel hoog in mijn borst. Het gaat gewoon niet dieper. Alsof er onder mijn middenrif geen lichaam meer is om naar toe te ademen. Alleen als ik me volledig concentreer dan lukt het me één of twee keer om diep te ademen. Ik kan dan de aandacht en de energie via mijn onderrug in mijn bekken krijgen. Dan voel ik de luchtstroom eindelijk weer eens helemaal de bodem van mijn longen bereiken. En tegelijk voel ik een grote spierspanning in mijn bekken zich verzetten tegen deze beweging. Ondanks mijn Chi Kung oefening blijft mijn rug stijf en mijn lichaam moe. Mijn benen zijn krachteloos en ik heb voortdurend spierpijn. De flow is geblokkeerd. De flow van mijn adem, de flow van mijn energie, de flow van mijn leven.

Het komt echt van de pillen. In de periode dat ik even gestopt was ging het veel beter. Mijn kortademigheid verdween en ik kreeg mijn onderlichaam weer terug. Maar ook heel veel vreselijke dingen die ik niet wilde. Opnieuw gaan slikken was de enige oplossing. Maar daardoor reduceerde mijn lichaam zichzelf weer tot de bovenste helft. De mannelijkste helft, gek genoeg. Want mijn sterkste vrouwelijke energie huist in mijn bekken. En dus voelt op dit moment mijn mannelijke energie heel dominant. Ik voel me in mijn hart nog steeds een vrouw, zelfs sterker dan voorheen, maar in mijn lichaam voel ik het minder sterk dan een tijd geleden. Dat is heel frustrerend. Ik vertrouw erop dat het allemaal goed komt, maar ik heb eerlijk gezegd geen idee wanneer en waardoor dat dan zou moeten gebeuren.

Misschien is dit gewoon een laatste oprisping van verzet van Man-ik. Een laatste kramp om niet los te willen laten. Soms stel ik me voor dat ik Man-ik over zijn aangespannen rugspieren streel. Dat ik hem masseer. Dan ontspant hij. En ik ook. Dan worden we weer een. En voel ik me meer vrouw. Arme Man-ik. Mijn hele leven heeft hij voor me gewerkt. Om me te beschermen weerde hij alles af dat mijn bestaan zou kunnen verraden. Om niet door de mand te vallen heeft hij keihard gewerkt om zo goed mogelijk de man te zijn die de omgeving verwachtte. En nu ik eindelijk groot genoeg gegroeid ben om het leven als meisje zelfstandig aan te kunnen, lukt het hem niet om de gewoonte los te laten. De gewoonte mij af te schermen. Toe maar Man-ik, laat maar los. Het is goed. Ik ben trots op je. Ik hou van je.

Ik adem diep en mijn lichaam schokt. Aan de andere kant van het bed zie ik mijn voeten. Als ik probeer mijn tenen te wiebelen, dan bewegen ze inderdaad heen en weer. Het is duidelijk: het zijn écht mijn voeten. Maar wanneer krijg ik ze weer terug?