zondag 31 augustus 2014

Pleister

De eerste week op de middelbare school. Een belangrijke week. Een keerpunt in het leven van een kind. De bescherming van de basisschool maakt in een oogwenk plaats voor onafhankelijkheid en verantwoordelijkheid. Snakkend naar die onafhankelijkheid en niet begrijpend wat die verantwoordelijkheid inhoudt, stappen ontluikende pubers met veel te zware tassen een nieuwe fase van hun leven in. De eerste dagen zullen allesbepalend zijn voor het verdere verloop, zo lijkt het. Een goede indruk maken. De juiste bondjes sluiten. De juiste reputatie opbouwen. Dat is belangrijk. Ook al hebben de pubers eigenlijk geen idee wat voor hen dan ‘juist’ is. De pubertijd was er toch voor bedoeld om daar achter te komen?

Afgelopen week was ook voor S. de eerste week op de middelbare school. Een week waar hij naar uitkeek en die – fingers crossed – goed verliep. Maar tijdens de zomervakantie wilde hij wel wat afspraken maken om deze week met vertrouwen tegemoet te kunnen zien. Afspraken over mij.

Sinds S. weet van mijn transitie naar vrouw is hij bang. Bang om gepest te worden. Niet dat hij panisch is of compleet verstijfd, maar er sluimert een voortdurende onrust in hem. Dat ze hem zullen afwijzen vanwege mijn keuze. Het was die angst die hem maanden geleden mij deed verzoeken om niet als vrouw op zijn basisschool te komen wanneer ik hem, eens in de twee weken, voor ons gezamenlijke weekend op kwam halen. Aan die afspraak hield ik me. Ik wilde het voor hem daar niet op de valreep nog lastig maken. En ik leefde toch nog parttime als semi-man, dus omschakelen moest ik toch nog regelmatig. Het leek me prima dat even zo te laten en mijn entree als vrouwelijke ouder pas op de middelbare school te gaan maken. Nu dus. Maar dat bleek voor S. nog te vroeg. Vorige maand spraken we af dat ik nog even niet als vrouw op zijn nieuwe school zou komen. En gezien de fase in mijn proces betekende dat dus dat ik voorlopig helemaal niet op zijn nieuwe school zou komen.

Nu heeft S. een geheim. Een geheim dat hij in zijn nieuwe vriendenkring alleen moet dragen. Een geheim dat hem kwetsbaar maakt. Kwetsbaar voor datgene dat hem bevreest: pesten. Vandaag sprak ik daar met hem over. Hij realiseert zich dat hij mij niet eeuwig verborgen kan houden. Dat wil hij ook niet. Hij aarzelt uit angst. Begrijpelijke, maar daarom niet minder irreële angst. Angst waarmee hij het voor zichzelf alleen maar lastiger maakt. Hij stelt steeds uit. Hij probeert de stap om mij als vrouw in zijn hele leven toe te laten steeds verder op te knippen in kleinere stapjes. Zodat het net lijkt alsof het proces stilstaat.

Hij schuifelt door dit proces alsof hij langzaam een nare pleister van zijn licht behaarde onderarm trekt. Millimeter voor millimeter en elke keer doet het vreselijk pijn. Bij elke millimeter vraagt hij zich af hoe pijnlijk de rest nog zal zijn. Bij elke millimeter wil hij opgeven en wordt hij geconfronteerd met de realiteit: opgeven is niet aan hem. Ik word vrouw. Hoe dan ook. Hij moet de pleister er af trekken. En ja, dat doet pijn. Zeker millimeter voor millimeter.

Toen ik hem vandaag deze metafoor voorhield, realiseerde hij zich dat het beter is de pleister er in één ruk af te trekken. Dat doet even heel erg pijn, maar daarna is het over en kun je opgelucht ademen. Ik zag hem in gedachten de optelsom maken van alle millimeter-voor-millimeter-pijn en deze vergelijken met de pijn van in-één-keer. Hij begreep het. Samen verkenden we de mogelijkheden. Hoe doe je dat? Hoe maak je zo’n ingrijpende en (voor hem) verdrietige gebeurtenis bekend in je leven? Vanuit kracht en niet vanuit schaamte? De gedachten zijn gezaaid, de opties besproken. S. is wijs. En dapper. Ik geef hem nog even de tijd. Nog even.

Vanavond, nu S. weer bij zijn moeder is, realiseer ik me waarom ik S. aan het stimuleren ben de volgende stap te zetten. Dat heeft met mijn eigen pleister te maken. Ik zit nu in de surrealistische fase dat de beslissing genomen is, er groen licht van de VU is, en mijn dagelijkse realiteit nog doordrenkt is van Man-ik. Ik leef al vier jaar in twee identiteiten. Maar niet eerder verscheurden die me zo dan nu. Dit is te ingewikkeld. Te pijnlijk. Te confronterend. Ik wil terug naar één identiteit. Mijn vrouwelijke. En het liefst zo snel mogelijk. Elke vertraging remt niet alleen mijn proces, maar ook mijn pleister. Vertragingen die anderen me opleggen en – eerlijk is eerlijk – vertragingen die ik mezelf aandoe. Want ja, ook ik aarzel. En zo trek ik millimeter voor millimeter de gemeenste pleister uit mijn leven van mijn arm. Elke millimeter doet het pijn. Vreselijk pijn. Bij elke millimeter raak ik in paniek van de gedachte aan al die millimeters die nog komen. Bij elke millimeter ben ik bang dat ik dit niet langer vol kan houden. Ik wil het vanaf hier in één ruk doen. Mag dat? Kan dat?

zaterdag 30 augustus 2014

Klimmen

Ik lig op mijn zij met mijn ogen dicht. Achter mijn oogleden draait alles zo hard dat mijn oren er van suizen. De duizeligheid komt niet van mijn testosteronblokkers. Het is geen duizeligheid van een lage bloeddruk, bijwerking van de Spironolacton die ik sinds een aantal weken slik. Deze duizeligheid is het gevolg van de vermoeidheid van alweer een te korte en onrustige nacht. Een nacht zoals die zich de afgelopen maanden in grote hoeveelheden aan elkaar hebben gehaakt, een ijzeren ketting vormend om mij mee te knevelen.

Onder het dekbed probeer ik me vast te klampen aan de warmte alsof deze me beschermt tegen alles wat me kwaad doet. De dromen van mijn slaap zijn naadloos overgegaan in de delirische beelden die nu in mijn half wakende toestand voor mijn geestesoog dansen.

Het houten staketsel steekt zeker tien meter onder me uit. Ik klim verder omhoog. Waarheen en waarom weet ik niet. Mijn handen grijpen zich vast aan onzichtbare grepen. Ik hoor mensen roepen maar ik kan niet onderscheiden of het aanmoedigingen zijn of dat ze me sommeren om weer naar beneden te komen vanwege het gevaar. En terwijl ik hoger en hoger kom, verandert het onduidelijke houten bouwsel dat ik beklim langzaam in een klimwand. De klimwand van Monte Cervino in Bergschenhoek. Ik klim. Verder omhoog. Maar ik kan niet meer. Mijn benen zijn slap en mijn onderarmen verzuurd. Toch klim ik door. Telkens als ik mijn vingers om de grepen heen knijp, blijkt hun kracht verdwenen. Op het moment dat mijn hand de geruststellend grote laatste greep van de klimroute vastpakt en mijn hoofd zich bijna stoot aan het plafond, adem ik diep uit. Ik heb het gehaald. Gelukkig. Ik ben kapot. Mijn ledematen kunnen me niet meer dragen en met een diepe zucht laat ik mijn gewicht in mijn klimgordel zakken. Het klimtouw waaraan ik vast zit rekt onder mijn gewicht iets uit en ik zak een stukje naar beneden. Zo’n 25 meter onder mij hoor ik mensen naar me roepen, maar ik versta ze niet. Het enige dat mijn aandacht heeft is het 11 millimeter dunne touw dat mij scheidt van de dood.

Mijn dekbed glijdt over mijn naakte lijf terwijl ik me in mijn bed omdraai, angstvallig de rand van het dekbed van binnenuit vasthoudend om de warmte niet door de beweging verloren te laten gaan. Terwijl het beeld van de klimhal vervaagt zie ik mezelf voor me. Mezelf in de tijd dat ik nog klom. Een gespierde man. Een stoere man. Een geloofwaardige man. Een échte man. Niets wees op de toekomst van nu. Alle vrouwelijkheid was ver weggestopt in pijnlijke herinneringen aan gevoelens die te ontregelend waren om ze mezelf toe te staan.

Ik draai opnieuw onder mijn dekbed en trek mijn benen nog hoger op. De gonzende duizeligheid in mijn hoofd is er nog. Ik voel hoe uitgeput ik ben. Uitgeput van alles wat ik de afgelopen jaren heb meegemaakt in mijn zoektocht naar wie ik ben. Uitgeput van maandenlang te kort slapen. Uitgeput van alles wat ik de komende maanden nog moet doen om mijn transitie écht te maken. En terwijl mijn lichaam in foetushouding zachtjes begint te schokken, wellen de tranen in mijn ogen op.

donderdag 28 augustus 2014

Verdubbeling

In de spiegel zie ik gladgeschoren benen. Ze steken uit witte sportschoenen met lichtgrijze sportsokken. Het ziet er zeer onelegant uit. Aan het andere eind van die benen zie ik een strak zwart broekje waar midden in het kruis een bobbel zit. Over onelegant gesproken. Een saai recht t-shirt boven het broekje maakt het geheel op passende wijze af. Het is geen best plaatje. De moed zakt me qua elegantie nu al in de schoenen. Maar het gaat nu even niet om elegantie. Dit is een test. Het is (op een enkele teleurstellende poging na) al zeker vijf maanden geleden dat ik heb hardgelopen. Mijn kortademigheid stond het me niet toe. Nu ik al zo’n drie weken geen Androcur meer heb geslikt omdat Spironolacton mijn testosteron er nu onder houdt, ben ik benieuwd hoe het ermee staat. Bij de dagelijkse dingen lijkt het een stuk beter te gaan, maar een echte objectieve test heb ik nog niet kunnen doen. Dat gaat nu gebeuren. Ik ga hardlopen.

De laatste poging liep teleurstellend af. Ik moest al na 300 meter afhaken, bij het speeltuintje aan het begin van het park. Wandelend naar huis voelde ik me verdrietig over de beperkingen van mijn lichaam. Beperkingen die opgeroepen werden door een behandeling omdat ik op een ándere manier ontevreden was met mijn lijf. Het voelde alsof ik onderweg was naar een vrouwenlichaam waarmee ik niet voluit kon leven.

Terwijl ik de trap af naar buiten loop voel ik het belang van de test van vandaag. Gaat het echt beter met mijn kortademigheid? Kwam deze echt van de Androcur en niet vanwege het gebrek aan testosteron? Ik open de deur, stap naar buiten en steek de straat over. Daar, aan de overkant, ligt een pleintje; het voorportaal van het park. Het moet. Het moet nu gebeuren. Mijn rechterbeen maakt een klein sprongetje en het is begonnen. Ik loop hard. Terwijl ik het pleintje oversteek let ik op mijn ademhaling en mijn hartslag. Ik adem hoog in mijn borst en probeer te ontspannen. Langzaam zakt de adem dieper. Ik hoor mijn longen met grote teugen lucht heen en weer bewegen door mijn keel en mond. Ik adem zwaar. Daar is de ingang van het park. De grote bomen links en rechts verwelkomen me als een lang gemiste vriend. Ja jongens, ik ben er weer. Terwijl mijn ene been zich telkens voor de andere zwaait en mijn ademhaling zwaar blijft, nader ik rennend het speeltuintje. Heel even zegt mijn hoofd dat ik het moet opgeven. Dat het ook nu te zwaar is. Dat ik het ook nu niet volhoud. Mijn beenspieren lijken die gedachte te geloven en voelen slapjes aan. Maar dan valt me op dat mijn hart relatief rustig is. Ik voel hem duidelijk sneller en harder kloppen maar het voelt niet alsof hij op klappen staat. Een hele vooruitgang ten opzichte van de vorige keren.

Door mijn hart gemotiveerd ren ik door. Ik maak de bocht bij de speeltuin en al hijgend ren ik langs de schommels, het klimrek, de glijbaan en de fantastische klimbomen. Ik ben er voorbij! Ik ben er voorbij! En ik ren nog! Mijn benen schuiven in cadans voortdurend langs elkaar. Het asfalt onder mijn voeten voelt als een uitnodigende rode loper, alsof ik de ster van de dag ben. Links en rechts doen de bomen paparazzi na die foto’s maken van dit memorabele moment. Ik heb de speeltuin geslecht! Ik ren langs de sloot, langs de hoek van de Joodse begraafplaats. 100 meter, 150 meter, 200 meter voorbij de speeltuin! De euforie maakt me blij en overmoedig. Ga ik vandaag gewoon mijn rondje van vijf kilometer lopen? Het zal toch niet waar zijn?

Nee. Het is niet waar. Langzaam voel ik mijn adem steeds ondieper worden. Mijn hart pompt harder om het tekort aan zuurstof in mijn lichaam te compenseren. Maar de longen verversen niet snel genoeg. Zwaar hijgend maak ik de bocht naar rechts. Ik ren langs de ingang van het zwembad. Ja, ik ben er voorbij. Ik hou vol! Nee ik kan niet meer! Kom op! Nee, echt! En terwijl ik het zwembad achter me laat en richting de dijk van het kanaal loop, begint het bloed in mijn hoofd zo hard te kloppen dat het pijn doet. Mijn longen gieren, mijn hart roffelt in overdrive. Dit is het. Ik moet stoppen. Ik kan niet meer. Mijn benen breken uit de strikte cadans waarin ze bewogen en mijn voeten kwakken al remmend op het asfalt. Ik stop. Ik ren niet meer. Zwaar hijgend en opgelucht dat de kwelling is afgelopen wandel ik door. Als ik zou stilstaan dan zou ik de pijn en het ongemak alleen maar fixeren, zo voelt het. En terwijl de dijk nadert begint mijn ademhaling weer wat meer zuurstof op te leveren. Mijn hoofd en mijn beenspieren jubelen met de komst van het zuurstof. Mijn hart kalmeert weer.

Terwijl mijn lijf zich normaliseert en ik weer bij zinnen kom, kijk ik achterom. Daar ligt het zwembad, met om de hoek het park, de speeltuin, het pleintje en mijn huis. Heel even lijkt de hele route zich als een rechte lijn voor mijn ogen af te tekenen en raak ik overweldigd door de afstand. Zeker 600 meter. Ik heb zeker 600 meter hardgelopen! Een verdubbeling! Het gaat echt beter met me! Lang leve de Spironolacton! Blij en opgelucht wandel ik de dijk op. Ik snuif de weidsheid van het kanaal op en voel me goed. Zo goed dat ik na vijf minuten wandelen weer ga hardlopen. Voor even. Misschien maar 400, 500 meter. En na een tweede wandelpauze nog eens 400 meter. En daarna nog eens 300. Objectief gezien is het een beroerde sportieve prestatie. Vijf kilometer meer wandelen dan rennen. Maar toch. Ik ren weer. Nu kan ik de totaal verdwenen conditie weer gaan opbouwen. Nu kan ik mijn hoofd zo nu en dan weer leeg rennen. Nu kan ik mijn lichaam weer gezonder maken. Nu kan ik mijn geest weer energieker maken. Ik begin bij nul. Maar ik begin. Ik begin weer. Ik ben begonnen.

maandag 25 augustus 2014

Rommellade

Hij kwam tevoorschijn tussen oude onderzetters, een tubetje lijm en een bakje met ongebruikte consumptiemuntjes van festivals van lang geleden. Mijn pasfoto. Althans, mijn pasfoto van een flink aantal jaren terug. Ik kende het gezicht. Ik wist dat ik het was. En tegelijk voelde het als het gezicht van een ver familielid. Een herinnering aan iemand die ooit een rol speelde in mijn leven.

Ik keek nog eens goed naar deze echo uit het verleden. Ik zag dat ik destijds iets meer vet op de botten had dan nu. En wenkbrauwen van een totaal ander kaliber dan nu het geval is. Mijn hoofdhaar was toen flink korter en mijn inhammen waren nog op het niveau dat ik nu ná mijn eerste haartransplantatie net weer terug had gekregen. Ik appte snel een fotootje naar M., met een jolige tekst erbij. Haha, moet je nou eens kijken!

Terwijl ik verder rommelde in de lade met spullen die enkel gemeen hadden dat er geen andere logische opbergplek voor ze was, begon het langzaam tot me door te dringen wat ik net gezien had. Ik had naar mezelf gekeken. Naar mezelf een flink aantal jaar geleden. Dat was geen mezelf die elke dag diep ongelukkig was. Dat was een mezelf die leefde in de inmiddels onbewust geworden berusting dat het leven was zoals het was. Een mezelf die het beste maakte van zijn leven als man. En dat lukte aardig geloof ik. Ik pakte de foto er weer even bij en keek opnieuw. Ik kon het zien. Ik kon zien dat dit een man was wiens leven aardig lukte. Het was ook een best aantrekkelijke man. Ik vond hem eigenlijk wel leuk!

Ik schrok van het besef dat ik zo ver van deze man vervreemd was geraakt dat ik hem beschouwde als iemand anders. Ik sloot mijn ogen en zuchtte diep. Langzaam realiseerde ik me dat ik vervreemd was geraakt van mijn historie. Die man was ik. Die man bén ik. Alles wat die man heeft meegemaakt, zit in mij. Alles wat die man heeft gevoeld en ervaren is een herinnering in mij. Die man bén ik. Ook.

Ik voelde een brok in mijn keel opkomen en mijn maag trok zich in een kramp. Met de rilling over mijn rug kwamen ook de tranen. Ik hoorde mezelf huilen. Ik huilde als een jongetje. Een klein kwetsbaar jongetje met veel verdriet. Dit was de huil van toen ik nog klein was, maar nu versterkt door de klankkast van een volwassen mannelijk torso. Met lange uithalen huilde het jongetje in mij. Verdriet van de paniek en de onmacht bij alle gevoelens die het jongetje in zich droeg stroomde naar buiten. In gedachten spreidde ik mijn armen en ging ik bij het jongetje zitten. Hij kroop bij mij op schoot. Toen ik mijn armen om hem heen sloot voelde ik een warme gloed door mijn lichaam stromen en begon ik ook te huilen. Het jongetje en ik huilden samen. In dit intense moment waren we één met ons verdriet.

Toen mijn lichaam zich eindelijk ontspande en het huilen langzaam stopte, deed ik de foto weer terug in de rommellade. Terwijl ik de lade sloot vroeg ik me af hoe vaak ik de komende jaren nog onverwacht geconfronteerd zal worden met vondsten uit mijn emotionele rommellade.

donderdag 14 augustus 2014

Chartres

Het duurde even voordat ik het me realiseerde. Pas toen ik op de kathedraal aan kwam lopen, viel het kwartje. Chartres. Een slaperig Frans stadje even ten westen van Parijs en even ten oosten van de camping waar ik met S., M. en N. aan het kamperen was. Een stadje dat weinig meer te bieden had dan een paar middeleeuwse straatjes, een glas-in-lood museum en de kathedraal. De kathedraal...? De kathedraal van Chartres! De kathedraal van het labyrint! Het labyrint dat, ingelegd in de stenen vloer van de kerk, symbool staat voor de reis van geestelijke transformatie. Dat was hier! Ik kon het labyrint nu echt gaan lopen! Misschien zou het voor mij eenzelfde transformatie teweeg brengen als de vele pelgrims rapporteerden die ooit voor het labyrint naar Chartres kwamen.

Juist voor mijn proces was deze kathedraal de ideale plek voor het labyrint. De kathedraal was namelijk door de eeuwen heen verbonden geweest met de verering van het vrouwelijke. Zelfs al voordat de kathedraal er stond, in voorchristelijke tijden, werd hier een heidense moedergodin met kind vereerd. En nu ligt in de kathedraal een reliek dat de sluier van Maria geweest zou zijn die ze droeg toen ze weende bij het kruis van haar Zoon. Dit was een epicentrum van vrouwelijke spirituele energie en dus de ideale plek voor een symbolische tocht door het labyrint van transformatie.

Maar toen ik de kathedraal betrad, voelde ik teleurstelling. Daar lag het labyrint. Zeker twintig meter in doorsnee. De twee kleuren natuursteen tekenden, zelfs in het schemerlicht van de kerk, zeer duidelijk de lijnen van het labyrint af. Maar desondanks was er van het labyrint weinig te zien. Het was vrijwel geheel bedekt met meer dan honderd houten stoeltjes. Stoeltjes die kerkgangers gemak zouden bieden bij het gebed. Stoeltjes voor toeristen, zodat deze comfortabel onderuitgezakt naar de prachtige gebrandschilderde ramen konden kijken die de kathedraal mooi gekleurd daglicht gaven. Stoeltjes die het onmogelijk maakten het labyrint in haar volle glorie te zien, laat staan te lopen. Ik voelde verontwaardiging opkomen over deze heiligschennis. En terwijl ik verbaasd over mijn eigen gevoel sussend tegen mezelf zei: “het is maar een symbool”, zette ik toch een paar stapjes in het begin van het labyrint dat vrij was gebleven door het gangpad tussen de stoeltjes. Maar al na vijf stapjes boog de route af en stootte ik met mijn knie tegen een houten stoelpoot. Het schrapende geluid dat het stoeltje op de kerkvloer veroorzaakte vond ik een passend subtiel protest en met gespeelde verbazing bleef ik even staan. Alsof ik niet had zien aankomen dat het labyrint onloopbaar was.

Met een mengeling van opwinding dat ik het labyrint had gezien en teleurstelling dat ik het niet had kunnen lopen verliet ik even later de kathedraal. Precies op dat moment ging mijn telefoon. Mijn hart verdubbelde haar snelheid. Want ik wist immers wie er zou bellen: de psycholoog van de VU. Deze ochtend hadden de psychologen vergaderd over mijn lot. Mijn psycholoog had mijn zaak bepleit en had de collegiale toetsing ondergaan waarmee de VU haar zorgvuldigheid wil borgen. Hoewel de uitkomst eigenlijk niet kon verrassen was ik doodsbang de conclusie te horen. Doodsbang dat ze me zouden afwijzen. Dat ze me op allerlei manieren gestoord zouden vinden, maar niet genderdysfoor. Dat ik niet verder zou mogen in het medische proces. En tegelijkertijd was ik doodsbang dat ze me juist niét zouden afwijzen. Dat ze me ‘groen licht’ gaven en me medisch zouden gaan helpen. Dat ik daadwerkelijk tot vrouw zou gaan transformeren. Bij die mogelijkheid had ik de afgelopen maanden veel angst en onrust gevoeld. Ik zag als een berg op tegen het proces, waarbij ik voor mijn gevoel bij elke stap wel over drie stoeltjes tegelijk zou gaan struikelen. Mijn transformatie tot vrouw voelde als een labyrint dat minstens zo onloopbaar was als dat op de kerkvloer achter mij.

Mijn psycholoog sprak zakelijk. Ik ook. Het gesprek duurde maar drie, hooguit vier minuten. Mijn emoties kwamen pas toen ik ophing. Groen licht... Ik word behandeld... Ik ga een vrouwenlichaam krijgen… Ik ga een vrouwenlichaam krijgen! Ik krijg hormonen!

Bibberend stopte ik mijn telefoon terug in mijn tas en wiebelend liep ik naar M. die met de kinderen een stukje verderop op me stond te wachten. Ze pakte me vast en ik liet mijn hoofd op haar schouder rusten. En huilde. Huilde tranen van geluk, tranen van angst, tranen van opluchting en tranen van pijn. Ik ga een vrouwenlichaam krijgen. Eindelijk! Maar ik ben bang. Doodsbang. Doodsbang mijn levenslange verlangen te realiseren.

zondag 10 augustus 2014

Mannendagen

Ik heb het met S. afgesproken: ik zal tijdens onze vakantie geen vrouw zijn. Hij wilde even een weekje ontsnappen aan de confrontatie met een toekomst waar hij niet om gevraagd had. Ik snap dat wel. En ik gun het hem ook. Nog steeds, ook nu het bijna zover is; morgen vertrekken we. Maar dat wil niet zeggen dat ik het leuk vind. Laat staan zinvol.

Gisteren was een all-the-way vrouwendag. Mijn laatste voor de komende acht dagen. Toen ik gisterenavond mijn borsten afdeed moest ik huilen. Tranen van weemoed. Tranen van heimwee. Het vooruitzicht een week lang geen borsten te hebben deed me pijn. De pijn van het ontbreken van borsten ken ik natuurlijk al mijn hele leven maar die wordt – nu het moment dat ik échte borsten ga krijgen dichterbij komt – steeds schrijnender. Maar goed, afspraak is afspraak. Even doorbijten. Of beter: even terugdenken aan wat Isaac Shapiro tegen me zei tijdens de retraite afgelopen mei: “You don’t need breasts to be a woman”. Inderdaad Isaac. Ik ben een vrouw, of ik mijn borstprotheses nu wel of niet aan heb. Ik barst van de vrouwelijke energie, vrouwelijke motoriek, vrouwelijke voorkeuren en vrouwelijke denkwijzen. Ik ben een vrouw. Ook als ik een Man-ik dag heb.

Eerder vandaag ging ik als Man-ik naar de winkel om nog gauw een handjevol boodschapjes te doen. Ik stond in de rij te wachten en toen ik aan de beurt was, zette ik mijn mandje naast de cassière die stoïcijns de paar artikelen scande en aan de andere kant van de kassa neerlegde. “Dat is drie vijfenveertig”, zei ze terwijl ze me ongeïnteresseerd aankeek. Ik pakte mijn portemonnee en zocht in mijn muntjesvakje of ik het bedrag zou kunnen passen. “Dit is een PIN-kassa mevrouw”, zei ze en ze keek me aan. Toen ik haar in de ogen keek zag ik verwarring in haar opkomen en sloeg ze snel haar blik neer. Ik voelde triomf. Ze zag een mevrouw in mij! Op een Man-ik dag! Okee, ik wist wel dat mijn mannelijke identiteit eigenlijk al zo vrouwelijk was geworden dat ik hem niet langer mannelijk kon noemen. Ik ben al duizend keer aangestaard door mensen die mijn Man-ik-gender maar moeilijk in een hokje konden plaatsen. In Israël had iemand zelfs onomwonden aan me gevraagd of ik nu eigenlijk een man of een vrouw was. Maar dit meisje achter de kassa was de eerste die me onbewust en zonder aarzeling in het hokje ‘vrouw’ indeelde. Dankjewel meisje, je hebt me een groot cadeau gegeven!

S. weet het ook. De vervrouwelijking van Man-ik is subtiel en langzaam gegaan en net als met de bekende kikker in de pan, duurde het nogal lang voordat S. de verandering opmerkte. Maar nu is tot hem doorgedrongen dat Man-ik eigenlijk niet meer bestaat. Dus gek genoeg gaat hij met onze afspraak niet de adempauze krijgen die hij wil. Wat hij wil kan helemaal niet. Hij kan helemaal niet negeren dat zijn vader een vrouw wordt. Want zijn vader is het al. Ook op mannendagen.

zaterdag 9 augustus 2014

Spironolacton

Hij smaakt naar pepermunt. Wat een beetje onzinnig is, want de bedoeling is dat ik hem met een glas water in één keer doorslik. Maar ik vind het een goed teken. Deze pil is er duidelijk op uit om het voor mij aangenaam te maken. En dat is een hele verbetering ten opzichte van de Androcur. Dat gaf me vrijwel alle bijwerkingen die maar mogelijk waren. Behalve dan helaas de borstgroei; die had ik nu juist wél willen hebben. Maar helaas: mij was de kortademigheid, duizeligheid, spierzwakte, gewichtstoename en depressiviteit toebedeeld.

Het was natuurlijk al snel duidelijk dat de bijwerkingen van de Androcur kwamen, maar omdat ik bij de VU telkens een andere endocrinoloog te zien kreeg (die feitelijk allemaal stagiaires waren) schoot het niet echt op. Elke endocrinoloog had weer eigen ideeën over de beste dosis (zonder succes) en zo gingen maanden verloren. Pas toen ik daarover klaagde nam de professor zelf mij als patiënt. Dat was een stap waar ik – als ik de egards waarmee er over hem gesproken werd in ogenschouw nam – eeuwig dankbaar voor zou moeten zijn. Dat leek me wat overdreven. Ik was blij met de continuïteit en zijn kennis en ervaring. Dat paste wel in mijn situatie: dingen liepen immers niet zoals de bedoeling was.

Maar mijn assertiviteit kreeg nog een zwaardere test: de professor is een druk man. Toen hij vijf weken geleden bij ons eerste gesprek tegen me zei: “Laten we elkaar over vier weken weer zien”, bedoelde hij niet perse dat hij dan ook tijd voor me zou hebben. Ook niet terwijl ik bijna aan de bijwerkingen van de pillen bezweek. Het genderteam bleek niet bij machte om voor mij een heldere planning met de professor af te spreken en een afspraak af te dwingen. Een behoorlijk strenge interventie van mijn kant forceerde echter een nieuwe afspraak in vijf minuten. Gepikeerd belde het genderteam me op: “Kunt u morgen om half vier? U moet dit trouwens niet meer doen hoor mevrouw!”. Zal best, maar kennelijk hielp het wel om eens aan een ander touwtje te trekken binnen de VU…

Het consult kwam eindelijk, maar was weer in een oogwenk voorbij. Acht, negen minuten duurde het. Met prima resultaat, want de professor schreef me de pillen voor die, na het nodige research op internet, ook mijn voorkeur hadden: Spironolacton. Voor meer achtergrondinformatie was echter geen tijd. Mijn vragen wuifde de professor beleefd maar kordaat weg. Na mijn ervaringen met de bijwerkingen van de Androcur, wilde ik wel even stil staan bij de bijwerkingen van mijn nieuwe pil. Zeker na wat ik er over op internet had gelezen. Maar dat wilde de professor niet. Alsof hij bang was dat het verkleinen van het kennisverschil tussen arts en patiënt zijn positie zou aantasten, zo leek het. Positie is alles binnen het VU en met mijn interventie had ik geloof ik al het nodige gevraagd van deze en gene. Er werd een recept over de tafel geschoven en dat was het. Onthutst en twijfelend over de toegevoegde waarde van de arts boven het zelf op internet zoeken en bestellen van de pillen, verliet ik de spreekkamer. Tot over 6 weken. Als het lukt de afspraak te plannen.

Spironolacton is een middel dat eigenlijk bedoeld is om de bloeddruk te verlagen en het werkt vooral door het stimuleren van vocht- en zoutverlies. Door te plassen dus. Nu was mijn blaas zich de laatste jaren al steeds vrouwelijker gaan gedragen, maar mijn toiletfrequentie zou dus mogelijk nog hoger kunnen komen te liggen. De o zo gewenste testosterononderdrukking is een bijwerking van de Spironolacton. Zo gaat het met veel middelen die transgenders voorgeschreven krijgen als hormoonbehandeling: een bijwerking wordt als hoofdwerking ingezet. Gewoon een kwestie van de juiste hoge dosis en alles komt goed. Behalve dan natuurlijk dat de hoofdwerking van de pil je nog wel eens de nek om kan draaien. Maar ja, de markt is gewoon te klein om een deugdelijk middel te ontwikkelen voor transgenders. En tja, de huidige middelen werken. Min of meer. Ben alleen benieuwd of ik door de bloeddrukverlagende werking van Spironolacton niet opnieuw duizelig zal worden. Als ik alle andere bijwerkingen van de Androcur dan wél kwijt ben, dan is het hoe dan ook een hele vooruitgang. Zolang ik in de tram mijn plas maar kan ophouden...

zondag 3 augustus 2014

Vrijpartij

Ze raakt mijn tepel aan. Door mijn met kant afgezette hempje heen voel ik haar vingertop over het puntje van mijn tepel gaan. Ik voel een rilling en een warme gloed door mijn lijf gaan. Subtiel maar niet te missen. Zonder testosteron jaagt mijn chemie me niet meer op tot snelle resultaten. Ik hoef me niet te beheersen, maar geniet van het lichamelijke contact en de opwinding die ik in mijn lijf voel. Ik kus M. op haar blote lijf en trek snel het zojuist aangetrokken hempje weer uit. Opstaan moet maar even wachten. We strelen en kussen. Ik geniet van het fijne lichamelijke contact, maar toch kan ik me niet ontspannen. Bijna werktuiglijk voer ik seksuele handelingen uit. Bij elke beweging die ik doe vraagt mijn hoofd zich af of dat wel vrouwelijk is. En als het antwoord negatief is, dan schreeuwt een stem in mijn hoofd: “probeer eens wat vrouwelijker te vrijen! Anders leer je het nooit”.

Ik schud mijn hoofd om de gedachten te verjagen en ik zie dat M. zich ook niet kan ontspannen. Ineens vraagt ze: “Ik weet niet zo goed wat ik mag doen”. “Aan mijn tepels zitten, dat is fijn”, zeg ik ten overvloede, want ze weet dat ik dat altijd fijn vindt. “Ik bedoel hier beneden”, zegt ze terwijl haar hand naar mijn schaamstreek glijdt. “Ik weet het niet”. “Zeg je het als je het niet fijn vindt?” “Ja”, beloof ik haar. Maar ik heb geen idee. Ik ken mijn lichaam niet meer nu het tussen mannelijk en vrouwelijk bungelt. Althans in mijn hoofd bungelt het, want mijn lijf is nog gewoon mannelijk en mijn mannelijke seksuele gereedschap functioneert ook zonder testosteron nog prima, ook al houden de artsen dat voor onmogelijk. Mijn piemel is nu al tien minuten groot en hard. Ik kijk er naar terwijl M.’s mond zich erheen beweegt. Wanneer haar tong me beroert, voel ik een mengeling van genot en pijn. Fysiek genot en emotionele pijn. Ik wil dit niet. “Ik wil dit niet”, zeg ik. M. laat me abrupt los en draait zich om. Ik voel haar wanhoop. “Ik weet niet meer wanneer ik je daar wel of niet mag aanraken”. Ze zucht en ik voel de boosheid waarin ze probeert te ontspannen. “Ik weet het ook niet, lief”, zeg ik en ik knuffel haar.

Terwijl we tegen elkaar aan liggen en elkaar zachtjes strelen, zucht ik diep. Ik wil zo graag vrouw zijn. Ik wil oefenen in de dingen op een vrouwelijke manier doen. En bovenal wil ik het liefst zo weinig mogelijk geconfronteerd worden met mijn mannelijke gewoonten. Maar hoe doe je dat als je naakt in bed ligt met je vriendin en een knalharde erectie? Ik huil zachtjes en kus M. op haar schouder. Ik voel me verslagen. Alsof ik altijd ingehaald zal blijven worden door mijn mannelijke verleden. Ik weet niet hoe ik uit deze wurggreep van mijn biologie moet ontsnappen. Op het moment dat ik ook mijn gehuil maar opgeef, kust M. me weer en begint ze opnieuw mijn lijf uitgebreid te strelen. Ik kus en streel terug. Langzaam gaat ons gestreel en gekus over in vrijen. We vrijen alsof we onder invloed zijn, alsof we niet zelf al deze bewegingen maken. We genieten. We genieten van elkaars lijf en we genieten van de stilte in ons hoofd. De confrontatie met onze pijn en onzekerheid heeft ruimte gemaakt. Ruimte om te vrijen zonder het hoofd. Zonder ideeën van hoe het moet zijn. Zonder na te denken hoe het in de toekomst zal gaan. Zonder te oordelen over hoe het nu gaat. We gaan totaal in elkaar op en hebben de beste vrijpartij sinds lange tijd.


zaterdag 2 augustus 2014

Het proces van S.

Ik had er vreselijk tegenop gezien. Die nacht had ik maar vijf uurtjes geslapen wat zelfs in vergelijking tot mijn gemiddelde nachtduur van de laatste twee maanden vrij kort was. Dit was de dag waarop I., mijn ex en de moeder van S., naar mij toe zou komen om S. voor de vakantie hier te brengen. En we zouden samen naar Transvisie Zorg gaan. Volgens I. had S. therapie nodig en moest hij zijn emoties afreageren omdat hij helemaal in de knoop zou zitten. Niet vanwege zijn net flink op gang gekomen pubertijd. Niet omdat hij na deze zomer met zijn eerste dag op de middelbare school een van de grootste veranderingen in zijn leven tot nu toe zou gaan meemaken. Nee, S. zou niet goed in zijn vel zitten vanwege mijn proces. Vanwege wat ik hem aandeed. Voor mij was die analyse een grijsgedraaide plaat. Het was tot nu toe altijd ‘mijn schuld’ als het even niet zo goed ging met S. en dat hij daar uiteindelijk dan weer bovenop kwam was natuurlijk haar verdienste. Dat ik deze redeneertrant al tientallen keren eerder had gehoord, betekende niet dat ik me er niet aan ergerde. Dat ik er nu op mijn blog over schrijf, zegt genoeg lijkt me… ;-)

Natuurlijk was S. geraakt door mijn proces. Het liefste wilde hij dat alles bleef zoals hij dacht dat het was: dat hij voor altijd een liefdevolle, leuke en gelukkige vader zou houden. Dat die gelukkige vader nooit bestaan had en dat ik zijn toekomstbeeld voor hem verwoestte, deed hem verdriet en gaf hem angst. Maar zoals ik het ervaarde reageerde hij er heel volwassen op. S. had geen therapie nodig. Zijn emoties legden hem niet lam. Wat hij volgens mij nodig had was een vangnet; iemand die hem zou kunnen ondersteunen bij het proces. Iemand die hem kon helpen om te gaan met mensen in zijn eigen omgeving die vervelend op mijn proces zouden reageren. Dat was namelijk zijn grootste angst: dat ze hem op school zouden gaan pesten met mijn keuzes. Zijn andere onzekerheden waren naar mijn idee heel normaal voor een puber die op het punt staat zijn derde levensfase, de middelbare schooltijd, in te gaan.

Deze dag was spannend voor me om meerdere redenen. In de eerste plaats vanwege het belang van S. Ik wilde niet dat I. mijn situatie problematiseerde en S. het gevoel zou geven dat er iets mis was met de manier waarop hij ermee omging. Hij deed het volgens mij juist supergoed. Natuurlijk waren er hobbels, maar ik had het vertrouwen dat S. die hobbels kon nemen. Een klein professioneel steuntje in de rug was voldoende. Maar I. stelde zich nogal rigide op toen we het er eerder over hadden: er moest therapie komen en een flinke ook. Voor mij zou dit de dag zijn dat ik als een leeuwin voor mijn kind moest vechten. Maar tegelijk wilde ik alles in harmonie oplossen (je kent me inmiddels) en ik piekerde me suf over hoe ik die twee doelen moest verenigen.

Deze dag was ook spannend omdat I. mij voor het eerst als vrouw zou zien. Nou ja, ze had me tijdens ons huwelijk al heel vaak als vrouw gezien, maar dat was onbeholpen drag met de gordijnen dicht. Lichtjaren verwijderd van de vrouw die ik nu was. De manier waarop ik me vandaag zou manifesteren zou eindelijk haar vooroordeel over mij gaan keren, zo hoopte ik. Het moest en zou goed gaan. S. zou immers veel meer steun ervaren van een moeder die niet verstrikt zat in haar eigen onverwerkte frustraties en vooroordelen.

Toen die middag eenmaal de bel ging vulde mijn keel zich met stress en mijn hoofd zich met gedachten. Daar waren ze! Hoe zou I. op mijn vrouwelijke identiteit reageren? Hoe zou S. met me omgaan nu zijn moeder er bij was? Na een diepe uitademing om mijn spanning te laten afvloeien opende ik de deur. S. liep naar binnen, gaf me een lange knuffel en kuste me. Dat deed me verder ontspannen. Dit was gunstig. Het was gunstig dat S. dit in het bijzijn van zijn moeder deed. Voor hem was ik gewoon zijn papa ook als ik er als vrouw uit zag. Hij liet zich niet belemmeren door loyaliteit aan zijn moeders vooroordelen. Al knuffelend zag ik over mijn zoons schouder verbazing in I.’s ogen en ik zag dat die verbazing iets in haar oordeel deed verschuiven. Daar was ik blij om. Nu maakte ze tenminste zelf eindelijk ook stappen om mijn proces te accepteren.

Even later bij Transvisie Zorg klonk I. dan ook minder rigide dan ik had verwacht. Wel was ze nog stellig in haar idee dat het nu niet goed ging met S. zonder dat ze concreet kon aangeven wat het probleem nu precies was. Ruth van Transvisie Zorg was heel goed. Ze stelde S. zijn behoeften centraal. Nadat ze één op één met hem had gesproken zei ze tegen ons dat ze erg te spreken was over de volwassenheid waarmee S. dit proces deed. Volgens haar was er helemaal niks mis met S. en had hij geen ondersteuning nodig. Haar conclusie verbaasde me niet, maar deed me wel goed. Het was mij in mijn eentje nooit gelukt I. van haar standpunt te brengen.

In het gesprek stonden we verder stil bij wat S. nodig had en wat ik hem daarin kon geven. Mijn proces gaat nu snel en omdat ik S. heel lang de ruimte had gegeven zijn kop in het zand te steken, kreeg hij nu wel ineens veel voor zijn kiezen. Dat realiseerde ik me wel, maar door dit gesprek werd het me wel duidelijker dat ik daar nog wat meer rekening mee moest houden. Ik had me door de volwassen reactie van S. toch nog wat laten misleiden, hoe bedacht ik daar ook op was. Ik beloofde hem de eerste tijd niet als vrouw op zijn school te komen. Dat betekende dan dus dat ik helemaal niet op zijn school zal komen, want ik wil daar niet als man komen. Dat vind ik moeilijk want ik ben een betrokken ouder. Maar S. zijn behoefte om in relatieve rust een goede start te kunnen maken op zijn nieuwe school waren nu even belangrijker. Hoewel ik me wel realiseer dat alle krampachtige pogingen om mijn bestaan geheim te houden zinloos zijn. Het is nu al bekend in zijn huidige omgeving (mede door paniekreacties van I.), dus zal het ook snel bekend worden op zijn nieuwe school. Maar goed, het belangrijkste is dat deze afspraak S. een geruststellend gevoel geeft. Ik ben alleen bedacht op struisvogelpolitiek: het zal er toch echt van komen dat ik als vrouw op zijn school kom en ik verwacht dat ik degene zal moeten zijn die dat afdwingt. Van S. zal het initiatief niet komen.

Zijn tweede bezwaar was dat hij niet vanaf nu mij alleen nog maar als vrouw wilde zien. Het moest voor hem nog enorm wennen en af en toe een adempauze zou hij fijn vinden. Dus hebben we afgesproken dat ik volgende week, wanneer we gaan kamperen met M. en haar zoontje N., geen vrouw zal zijn. Net zoals toen ik op Tenerife voorstelde een foto van mij als vrouw te laten zien, wil hij op deze vakantie er ook zo weinig mogelijk mee geconfronteerd worden.

Het was fijn dat S. grenzen stelde. Het is voor mij natuurlijk niet fijn om in mijn ruimte beperkt te worden. Maar zijn grenzen maken mij wel duidelijk waar hij staat. Zonder grenzen kan ik geen rekening met hem houden. Ik ben zo ontzettend trots hoe hij omgaat met mijn proces en met de reactie van zijn moeder daarop. Hij blijft overeind staan en zijn eigen koers volgen. Hij is een grote kanjer. Ik hou zielsveel van hem.


vrijdag 1 augustus 2014

Overschreeuwen

“Ik ben er klaar voor”. Het staat er echt. En ik heb het zelf geschreven. Toen ik die slotzin van mijn blogpost van gisteren schreef, voelde ik al dat ik loog. Ik ben helemaal niet klaar voor de transitie. Okee, de beslissing is genomen, de meeste randvoorwaarden zijn ingevuld en ik heb gisteren nog de laatste stap gezet bij de VU om groen licht te krijgen voor behandeling. Niets houd me meer tegen. Behalve dan mijn twijfel.

De laatste paar weken voel ik me pessimistisch over mijn toekomst. Ik ben moe, prikkelbaar en voel me heel mannelijk. Mijn vrouwelijke energie is zo ver weg dat ik eigenlijk niet goed meer weet hoe het voelt om een vrouw te zijn. Vrouw worden? Wat is dat eigenlijk? In mijn buik roert zich een ongemakkelijk gevoel dat mijn hoofd ondertitelt met gedachten van twijfel. Ik twijfel of in transitie gaan wel de juiste stap is. Er is me in eerdere perioden van twijfel vaak gezegd: “Als je twijfelt moet je het niet doen”. Die platitude klinkt logisch, maar klopt alleen in situaties die zo overzichtelijk zijn dat je zo’n advies niet eens nodig hebt. Ik twijfel namelijk ook heel sterk of ik wel van transitie kan en wil afzien. Dus dat moet ik zeker ook niet doen. En zo valt het ogenschijnlijk heldere advies compleet in duigen.

Twijfel is vermomde angst. Nog zo’n platitude, maar wel eentje die in mijn ervaring waar is. Mijn twijfel van dit moment komt voort uit angst. Fundamentele existentiële angst. Ik sta op het punt mijn mannelijke identiteit los te laten; te transformeren in mijn nieuwe identiteit en in een nieuwe fase in mijn leven. Voor alles wat ik ooit dacht te zijn is dit extreem bedreigend. Die opleving van mannelijkheid is volgens mij een laatste poging van mijn systeem om mij te overtuigen van zijn bestaan: “Je kunt me niet wegdoen, want ik ben écht hoor!”. Ik wil mijn mannelijke identiteit ook niet wegdoen, maar transformeren. Maar ja, wat is dat dan, transformeren? En hoe doe je dat? Ik ben hard bezig alle uiterlijke aspecten van die entiteit zo goed mogelijk uit te wissen en mijn frustratie over het trage tempo en tegenvallend resultaat is groot. Niet echt een begripvolle, harmonieuze houding naar die mannelijke identiteit in mij. Geen wonder dat die zich verzet.

Daarnaast speelt mee dat nu mijn transitie is aangezwengeld mijn omgeving zich de impact pas echt gaat realiseren. Dat levert allerlei onzekerheid en kleine spanningen op waar ik als harmonie-junkie natuurlijk helemaal niet mee om kan gaan. Het gevolg is dat mijn systeem overloopt van angst, pijn en verdriet. Het innerlijke verzet tegen de verandering is zo groot dat deze zich inmiddels heeft vertaald in een fysiek afgedwongen stilstand: mijn onderrug is zo stijf en pijnlijk dat ik me amper kan bewegen.

“Ik ben er klaar voor”, haha. Helemaal niet. Tegelijk vraag ik me af of een mens ooit echt klaar kan zijn voor de stap die ik ga nemen. In het verleden heb ik wel eens schamper gedaan over lotgenoten die ik hun twijfels en emoties zag overschreeuwen om maar zo snel mogelijk op de operatietafel te komen. Je gevoel negeren is in mijn spirituele wereldbeeld immers zo ongeveer het slechtste wat je kunt doen. En nu ik in deze fase ben aangeland, begin ik iets meer van die houding te begrijpen. In het niemandsland waar ik sta is het leven moeilijk. Mijn oude identiteit is al zo ver losgelaten dat ik niet meer kan voelen dat ik dat ben of ooit was. Mijn nieuwe identiteit is nog zo wankel dat ik daar weinig stabiliteit aan kan ontlenen. En nu het voor het echie is, voelt mijn nieuwe identiteit nep. Hij is geconstrueerd en nog niet doorleefd. Dus vraag ik mezelf af of ik die nieuwe identiteit eigenlijk wel echt ben. Mijn hoofd weet wel dat identiteitsvorming een weerbarstig proces is. Pubers proberen ook van alles uit waarvan ze weten dat het nep is, dat ze het niet zijn. Mijn hoofd weet dat mijn identiteitsvormende proces is ook nog in volle gang is en ik het resultaat nog niet serieus op haar merites mag beoordelen. Ik ben gewoon nog niet klaar. Maar wat mijn hoofd zegt stelpt het bloeden van mijn hart niet. In dit nare niemandsland van deze overgangsfase doet alles pijn. Ik ben doodsbang en sta op het punt om totaal in te storten. Er is geen verlossing in rust en ontspanning, want die is niet meer te vinden. De onzekerheid is gewoon te groot, te existentieel. Kaken op elkaar houden en overschreeuwen lijkt de enige manier om dit te overleven. Dus mocht je het nog niet weten: ik ben er klaar voor!