vrijdag 31 oktober 2014

De rode knop

Symbolisch gezien is het vaak een grote ronde rode knop. Meestal ingedrukt door een of andere hoogwaardigheidsbekleder. Om een nieuwe start te markeren. In het bijzijn van publiek. En cameramensen. En met champagne. In mijn geval is het geen grote ronde rode knop. Het is niet eens maar één knop. Het zijn er heel veel. 

De afgelopen week had ik alles klaargezet. Mailteksten, adreslijsten. Voor privé en zakelijk. In het Engels en in het Nederlands. Een checklistje gemaakt: eerst mijn nieuwe website live zetten, dan de zakelijke mailing, dan mijn LinkedIn profiel aanpassen, dan de mailing naar mijn privé contacten, dan mijn Facebook profiel aanpassen. Nee, het bleek geen eenvoudige klus om een coming-out als vrouw én een wijziging van je bedrijfsnaam een beetje soepeltjes te organiseren. Geen simpele druk op de knop.

Nu staat alles in de startblokken en zit ik achter mijn computer. De stresshormonen gieren door mijn keel. Ik voel hoe hij dichtgeknepen zit. Ik voel hoe mijn schouders zo ongeveer boven mijn oren uitkomen van de spanning. Ik adem diep uit. Nou ja, wat voor diep moet doorgaan. Dit is eng. Ik ga het doen. Ik ga het echt doen. Mijn muisaanwijzer selecteert het adresbestand waarin ik alle emailadressen van mijn zakenrelaties had klaargezet. Klik. Vervolgens beweeg ik de pijl naar het bestand met de mailtekst. Een mooie tekst waarin ik vertel over mijn beslissing als vrouw te gaan leven en hoe mijn nieuwe bedrijfsnaam daar veel beter bij past. Klik. Schichtig schieten mijn ogen langs de tekst op het beeldscherm. Maar echt waarnemen doe ik niks. Ik zie een waas. Door angst verblind. Ik wist dat dit ging gebeuren. Ik kon niet anders dan vertrouwen op mijn zorgvuldige voorbereiding. Het is goed zo. Ik beweeg mijn muisaanwijzer naar de knop ‘Versturen’. Ik klik. Ik houd de knop van de muis ingedrukt alsof ik het leven heel even op pauze kan zetten. Maar dat is zinloos. Het mailprogramma is al begonnen de mails te versturen. Mijn boodschap gaat de wereld in. Mijn grote geheim wordt wereldkundig. Vanaf nu kan ik gewoon altijd de telefoon opnemen met ‘Hallo met Lisa’, zonder eerst te moeten kijken wie er belt. Ik voel de opluchting door mijn lijf heen stromen. Ik adem lang en zachtjes uit terwijl mijn lichaam zachtjes begint te schokken. Een brok in mijn keel probeert de verkramping die er zat uit te duwen. Op het moment dat mijn keel zich verwijdt begint mijn lijf heftiger te schokken en komen de tranen. 

Ik heb het gehaald. Met mijn laatste energie, bijna geknakt onder de last van de spanning van de laatste weken, heb ik het gehaald. Ik leef vanaf nu full-time als vrouw. En iedereen weet het. Het is een grootse mijlpaal. Een bijzonder moment. Maar ik voel weinig blijdschap. Wel opluchting, maar geen blijdschap. Omdat het zo leeg voelt. Ik voel een koude plek op mijn rug waar een hand had moeten liggen. Ik voel een ruwe plek op mijn wang waar een kus de huid had moeten verzachten. Ik voel spanning in mijn schouder waar een knuffel hem had moeten ontspannen. Ik voel de leegte. De leegte zonder M. Ze had bij deze apotheose moeten zijn. Net als bij alle andere grote stappen die ik de laatste weken in mijn proces heb gemaakt. Het was ook voor haar een beloning voor haar inzet geweest. Een beloning voor haar volharding. Maar helaas schoot de volharding net een paar weken te kort. Helaas is ze hier niet. Ik draag dit grootse moment alleen. Het symbolische moment van de rode knop. Geen publiek, geen cameramensen, geen hoogwaardigheidsbekleders. Laat staan champagne. Ik ben alleen met mijn rode knop.


maandag 27 oktober 2014

Eenzame geheimzinnigheid

Het is als de nacht voordat je op vakantie gaat. Je neemt je voor om op tijd naar bed te gaan, zodat je uitgerust aan je reis begint. Je moet immers vroeg op. Maar je kunt de slaap niet vatten en eenmaal in slaap, blijkt je onrust je in ondiepe slaap te houden. Moe sta je op. Het liefst zou je weer in bed kruipen, maar er wacht een reis. Een reis waar je naar uitgekeken hebt. Waar je al een tijdje opgetogen over bent. Maar naast het blije verheugen voel je ook onzekerheid. Wat zal je aantreffen? Heb je wel alle spullen die je nodig hebt ingepakt? Hoe zal de reis gaan? Ben je echt niks vergeten te regelen? Je hebt geen reële verwachtingen van wat er mis kan gaan, maar gek genoeg weerhoudt dat je hoofd niet van subtiel sluimerend malen. Je kunt al die gedachten prima opzij zetten. Maar de onrust sluimert door.

In die sfeer van pre-vakantiestress leef ik al maanden. Maar ik ga niet op vakantie. Mijn reis is geen uitstapje naar tijdelijk verpozen. Mijn reis kent geen retour. Ik blijf daar. In mijn nieuwe leven als vrouw. Het is een reis waar ik naar uitgekeken heb. Waar ik al een tijdje opgetogen over ben. Maar ik voel ook onzekerheid. Hoe zal het zijn? Zal ik daar rust kunnen vinden? Heb ik wel alles geregeld wat nodig is? Zie ik echt niks over het hoofd? Ik heb geen reële verwachtingen van wat er mis kan gaan. Ik heb er goed over nagedacht en ik heb het proces er naar toe heel zorgvuldig gedaan. Maar ja, mijn hoofd blijft subtiel sluimerend malen. Ik slaap er al maanden slecht van.

En zoals dat vaak gaat: opgebouwde stress komt er op vakantie uit. Je voelt het vaak al voordat je op je bestemming bent aangekomen. Ik voel mijn opgebouwde stress ook al aan de deur kloppen. De spanning sijpelt soms al door de kier onder de deur door mijn lichaam in. De opgebouwde spanning van een leven met een groot geheim. De opgebouwde spanning die ontladen zal worden wanneer ik mijn grote geheim volledig openbaar. Wanneer mijn volledige coming-out een feit is en ik mijn mannelijke identiteit definitief met pensioen stuur.

De afgelopen vier jaar heb ik geleefd met de angst voor ontdekking van mijn dubbelleven. Ontdekking van mijn vrouwelijke identiteit die ik voor het eerst in mijn leven écht en volledig naar buiten liet komen. Met alle stappen en stapjes die ik de afgelopen jaren zette zorgde ik dat steeds meer mensen in mijn omgeving van Lisa wisten of haar zelfs kenden. Dat verminderde mijn angst nauwelijks. Doordat ik mezelf als vrouw in de wereld zette, werd mijn angst voor ontdekking steeds reëler maar niet kleiner of groter. De fundamentele laag onder deze angst voor ontdekking droeg ik al mijn hele leven met me mee: angst dat iemand ooit te weten zou komen welk verlangen er in mijn hart leefde. Die angst was zo groot dat ik er alles aan deed om mijn verlangen geheim te houden. Waardoor ik me nooit volledig kon geven in vriendschappen en relaties. Er was altijd iets om achter te houden. Ik was altijd op mijn hoede. Dat moest. Omdat ik als kind had ervaren dat het niet veilig was om mezelf zo volledig te laten zien. De eenzaamheid was veiliger.

En nu is het bijna zover. Het moment waarop ik eindelijk mijn beschermende masker mag laten vallen. Het moment waarop ik eindelijk naar iedereen en altijd mag laten zien wie ik ben. Het moment waarop ik mag stoppen met verstoppen. Ik kijk uit naar de ontlading van spanning die zal komen. En tegelijk ben ik er bang voor. Hoe heftig gaat het worden? Veel heftigheid kan ik op dit moment namelijk niet aan. Maar zelfs als ik er bij wijze van spreken ter plekke dood bij neer val, dan heb ik in elk geval één moment in mijn leven gekend waarop de last van mijn geheim van mijn schouders was. Dat alleen al maakt het deze reis waard.



zondag 26 oktober 2014

Emotiedomino

Ik voelde me sterk. Misschien kwam het door gisterenavond. Geknuffeld door vriendin R. ontlaadde ik mijn emoties en ik ging opgelucht en gekoesterd weer naar huis. Misschien voelde ik me sterk vanwege mijn nachtrust. Na een aantal zeer korte nachten had ik deze nacht eindelijk weer eens ruim acht uur geslapen. Misschien voelde ik me sterk omdat mijn gedachten aan M., die eigenlijk voortdurend bij me waren als ik me niet afleidde door druk aan de gang te gaan met van alles en nog wat, deze ochtend niet meteen leidden tot een knoop in mijn maag en een brok in mijn keel. Hoe dan ook, ik voelde me sterk. Sterk genoeg om de confrontatie aan te gaan. De confrontatie met de beeltenis van M. Al vijf en een halve week lagen op mijn dressoir twee fotolijstjes met hun rug naar boven. De pootjes waarmee de lijstjes overeind gezet konden worden om de foto’s te tonen, had ik ingeklapt naar hun werkeloze positie. Foto’s van M. Verborgen voor mijn gemoed. Ter bescherming. Ik voelde het verdriet toch wel en ik wilde er niet voortdurend mee geconfronteerd worden.

Maar de kracht die ik deze ochtend voelde, lonkte me naar het dressoir. Met de zachtheid en tederheid waarmee mijn hand ooit M.’s huid streelde, pakte ik een fotolijstje op. Ik wilde niet aarzelen. Niet dralen. Dus in een vloeiende beweging draaide mijn pols om haar as en de foto van M. verscheen. Ik wist natuurlijk welke foto het zou zijn. Ik kende de pose. De eerste glimp op de liefdevolle blik waarmee ze in mijn camera had gekeken was voldoende. Het was het kleine tikje tegen het eerste steentje waarmee de emotiedomino van start ging. Mijn eerste huil zwol dramatisch en vastbesloten aan, als het maandelijks luchtalarm dat onafwendbaar harder gaat loeien om zich steeds verder in straten, huizen en kantoren te dringen. De tranen liepen meteen over mijn wangen. Zo snel, dat het leek alsof ze daar na de huilbui van gisterenavond waren blijven liggen, wachtend op het moment waarop ze weer konden doorrollen. Ik huilde en huilde maar met het fotolijstje in mijn hand. Ik keek er niet eens meer naar. Die ene glimp was voldoende geweest om de domino in gang te zetten. Ik huilde zo hard dat ik er duizelig van werd. Zwalkend door de kamer wist ik mijn bank te bereiken en liet me daar op neervallen. Mijn hele lijf schokte van verdriet en mijn ademhaling schoot tekort om het geloei van mijn gehuil te kunnen voorzien van een luchtstroom. Ik ademde sneller en sneller tussen het huilen en snikken door en begon te hyperventileren. Mijn hoofd draaide, mijn lijf schokte. Snot en kwijl liepen uit mijn neus en mond over mijn kleren en de bank. Het deerde me niks. In mijn hand voelde ik het reliëf van de fotolijst en ik wist welke foto het omsloot. En ik wist wie er op die foto stond. Een foto van kort geleden, toen het nog leek alsof we samen een fijne toekomst tegemoet gingen, ondanks de complexiteit van mijn transitie en haar borderline. Onze liefde was groter dan dat. Sterker dan dat. Zo voelde het althans.

En nu huilde ik als een krankzinnige. In zekere zin was ik dat ook. Door mijn transitieproces was ik mentaal-emotioneel in regressie geraakt. Ik was weer een kind van vier geworden. Onmachtig om emoties te kanaliseren. Onmachtig om behoeften op een andere manier ingevuld te krijgen dan er heel hard om te schreeuwen. Dus ik huilde als een kind van vier. Tel daar bij op dat door de hormoonbehandeling mijn emotionele huishouding net zo stabiel was geworden als nytroglycerine en mijn gedrag was verklaard. Het verdriet om het verlies van M. liet zich bijna niet dragen, ook niet op een moment dat ik me sterk voelde. Het was duidelijk dat ik er goed aan gedaan had het contact met haar helemaal te verbreken. Ik zou doodgegaan zijn bij de voortdurende confrontatie met onze onbereikbare liefde.

Nu, ruim vijf weken na de breuk, overleefde ik de confrontatie met een glimp van haar foto nog maar ternauwernood. Na ruim tien minuten onafgebroken gehuild te hebben bedaarde ik wat. Mijn ademhaling normaliseerde iets en het hyperventileren stopte. Tranen bleven over mijn wangen lopen en mijn keel produceerde nog steeds allerlei dierlijke geluiden, maar ik kon mijn ogen weer openen. Het daglicht zien. Mezelf zien. Mezelf zien in dit heftige moment van intens verdriet. Ik had pijn. Pijn om M. Ik miste haar. Ik wilde dat ze bij me was. Ze hoefde niks te doen. Me niet te knuffelen. Me niet te koesteren. Ze hoefde er alleen maar te zijn…

zaterdag 25 oktober 2014

Compliment

“Je ziet er goed uit”. Dat is meestal waar het op neer komt als ik een complimentje krijg wanneer mensen mij voor het eerst als vrouw zien. Tegenwoordig zijn het meestal kennissen (of kennissen van kennissen) die het tegen me zeggen, of mensen uit mijn werkomgeving. Vele anderen hebben me inmiddels toch wel al eens als vrouw gezien. Soms komt het complimentje van een wildvreemde op straat, of zoals laatst in de supermarkt. Gelukkig komt het maar zelden voor dat iemand het zegt omdat hij bijbedoelingen heeft waar ik niet op zit te wachten, zoals gisteren.

Als bekenden (die me ook als Man-ik kennen) me dit complimentje geven, dan hoor ik er vaak een zweem van geruststelling in, of zelfs ronduit opluchting. Iedereen heeft zich voor de eerste ontmoeting met mij als vrouw kennelijk toch afgevraagd hoe ik er dan uit zal zien. En onwillekeurig toch beelden in het hoofd gecreëerd. Die helaas onbewust gevoed lijken te zijn door beelden uit de media van malle travestieten. Uit betrokkenheid bij mij en uit de wens om zichzelf niet sociaal ongemakkelijk te voelen in mijn bijzijn, gunnen ze me iets beters. Wanneer ze me dan zien, dan valt het gelukkig mee. Sterker nog, ik blijk er dan heel naturel en écht vrouwelijk uit te zien. Tja. Daar werk ik ook hard aan. Mijn zorgen en frustraties over het zichtbaar zijn van mijn mannelijkheid heb ik ruimschoots beschreven op dit blog. De inspanning die ik lever om die mannelijkheid zo goed mogelijk te maskeren in mijn vrouw-zijn ook. Natuurlijk zie ik er goed uit. Dat vind ik belangrijk voor mijn zelfacceptatie en als ik heel eerlijk ben misschien nog wel belangrijker voor mijn sociale acceptatie. Ik werk er zo hard aan dat ik mezelf af en toe moet helpen herinneren dat ik met het loslaten van het mannelijke keurslijf niet een vrouwelijk keurslijf moet creëren; een nieuw streng stelsel van normen waar ik aan moet voldoen.

De positieve reacties uit mijn omgeving helpen me wel om daar in te ontspannen. Om de teugels wat te laten vieren. Deze week kreeg ik er weer een paar. Zo was er ene M. (nee niet die M., maar een oud-collega en opdrachtgever). Hij wist al heel lang van mijn proces, maar zag me deze week voor het eerst. En dat beviel wel. Ook was er het lid van een groot regionaal schoolbestuur in het oosten van ons land dat ik telefonisch moest interviewen voor mijn werk. Voor het eerst was het gelukt om niet alleen aan het begin van het gesprek voor vrouw door te gaan, maar dat ook aan het eind nog steeds te zijn, ondanks de mannelijke kleur van mijn stem. Ik was blij verrast toen deze man het gesprek afsloot met: “Dank u wel mevrouw. Nog een prettige dag”.

En tot slot was er S. (nee niet mijn S., maar de kapper bij mij om de hoek). Al zolang ik hier woonde, zwaaide hij naar me wanneer ik langs zijn zaak liep onderweg naar de supermarkt. “Hee, buurman”, riep hij dan wel eens naar buiten en dan liep ik even naar binnen om hem te begroeten. Maar natuurlijk alleen als ik als Man-ik voorbij kwam. Tot nu toe leek hij mij niet eens te herkennen als Lisa. Ik kwam nu al ruim anderhalf jaar niet meer bij hem in de stoel zitten omdat ik mijn haar aan het laten groeien ben. De puntjes bijknippen (afknippen?) in mijn nek deed ik zelf wel. Ik was blij verrast dat hij me eergisteren begroette toen ik als vrouw voorbij liep. Kennelijk had hij me na al die keren intussen toch herkend. Ik liep zijn winkel binnen en gaf hem een hand, net zoals in het verleden. Alleen was ik er voor het eerst in een jurkje en op hakjes. “Alles goed?”, vroeg hij met de voor zijn Marokkaanse afkomst zo kenmerkende ‘sch’-klank aan het eind van het eerste woord. “Ja”, antwoordde ik. “Er is veel aan het gebeuren zoals je ziet”, vulde ik aan terwijl ik een halfslachtige zwaaibeweging met mijn armen maakte alsof ik mezelf theatraal aan hem wilde presenteren maar dat niet goed durfde. “Je ziet er goed uit”, zei hij. “Mooi”, vulde hij aan terwijl hij goedkeurend knikkend mij nauwgezet bekeek. Ik voelde de oprechtheid door de opportunistische commerciële beleefdheid heen. Sterker nog, hij klonk eerlijker dan al die keren daarvoor waarop hij me joviaal en vriendelijk begroet had. Zijn gun-factor schoot omhoog, want ik begon me meteen te verontschuldigen dat ik al zo lang niet meer voor een knipbeurt was langsgekomen. Onderweg naar buiten nam ik me voor dat binnenkort toch maar eens te doen. Dan kon ik meteen nog wat meer complimentjes oogsten…

vrijdag 24 oktober 2014

Ssssss...

Met mijn maag gevuld met heerlijk eten van TrouwAmsterdam en mijn hart gevuld met de aandacht van lieve vriendinnen L. en Y., stap ik uit de bus. Het regent eventjes niet meer dus mijn paraplu kan ingeklapt blijven. Bijna thuis. Nog twee straten door en ik kan moe maar voldaan op mijn bank ploffen. Opgewekt steek ik de straat over en laat met de nodige flair de vertrekkende bus even voor me wachten. Heel even voelt het of de wereld aan mijn goed behakte voeten ligt. Ik ben trots op mezelf. Trots op hoever ik op mijn pad gekomen ben.

Op de stoep aangekomen sla ik rechtsaf. Aan de overkant zie ik een jongeman de andere kant op lopen. Ik voel dat hij naar me kijkt. Ik hoef niet terug te kijken om het zeker te weten. “Ssssss…”, hoor ik. “Ssssss…”. Volgens sommigen is dit gesis van Marokkaanse jongens naar vrouwen op straat als compliment bedoeld. Zo voelt het voor mij in elk geval niet. Ik negeer het geluid en loop door.

Even later voel ik dat ik gevolgd wordt. Vanuit mijn ooghoek kijk ik via de reflectie van passerende ramen achter me. Inderdaad. Hij is het. De jongen van zojuist. Bij elk volgend raam zie ik dat hij weer iets dichterbij is gekomen. Mijn vuist klemt zich stevig om mijn paraplu. Instinctief bereid ik me voor om er mee te meppen. De afgelopen jaren heb ik me als vrouw wel vaker onveilig gevoeld op straat, maar toen kon ik me nog geruststellen met mannelijke spierkracht onder mijn kekke jurkjes. Maar daar is dankzij de hormoonbehandeling nu niks meer van over. Ik voel me kwetsbaar.

De jongen haalt me in en loopt naast me. Niet precies, hij doet net alsof hij me ‘toevallig’ inhaalt. Maar ik voel dat dat niet zo is. “Word je nooit gek van dat geluid?”, zegt hij, terwijl hij naar mijn klakkende hakjes wijst. “Nee hoor, ik niet. Jij?”, antwoord ik monter. “Ja soms wel. Je ziet er goed uit”. Even lijkt het erop alsof daarmee de kous af is, maar hij vervolgt: “Woon je hier in de buurt?”. “Nee, ik ga op visite”, lieg ik terwijl ik kordaat doorloop, mijn paraplu nog steeds zo onopvallend mogelijk in de aanslag houdend. Mijn veilige huis lonkt om de hoek. “Gelukkig maar”, antwoord hij beledigend en ik vrees even dat dat een opmaat is voor agressie. Maar dat blijkt mee te vallen. Hij wil iets anders dan boosheid op me afreageren: “Kunnen we niet eerst even door het park lopen?”, vraagt hij. “Nee dank je”, probeer ik hem af te wimpelen met een geveinsde zelfverzekerde toon in mijn stem. “Mag ik niet mee op visite dan?”. Ik ben bij mijn voordeur. Eindelijk. De opwelling om snel mijn sleutels te pakken en naar de veiligheid van mijn trappenhuis te vluchten kan ik nog net weerstaan. Strijdig met mijn gevoel, maar in lijn met wat mijn verstand me zegt, loop ik door. Het is beter als hij niet weet waar ik woon. Op visite gaan en dan huissleutels hebben is een beetje ongeloofwaardig. Ik wandel langs mijn appartementengebouw naar de hoek van de straat en steek over, mijn veilige haven achter me latend. De jongen is inmiddels iets achter gebleven. Ik voel zijn hijgende adem niet meer in mijn nek, maar ik ben er niet gerust op. Twee huizenblokken verder sla ik linksaf. Tegelijk kijk ik nonchalant over mijn schouder en ik zie de jongen nog in de straat lopen. Recht op mij af. Rennen is zinloos, flitst het door mijn hoofd. Ik draag hakjes en het is nog een heel eind voor ik opnieuw om de hoek kan slaan. Ik besluit voor de deur van dit appartementencomplex te gaan staan. Terwijl ik veins dat ik de juiste bel zoek, loopt hij langs. “Ga je echt op visite?”. Ik reageer niet. “Kom je niet even mee dit portiek in? Ik wil je wat laten zien”. Ik reageer weer niet en pak mijn telefoon uit mijn tas alsof ik veins het huisnummer op te zoeken om intussen stiekem de politie te bellen. “Heb ik iets verkeerds gezegd?”, vraagt de jongen opnieuw.
Ik adem even diep in en uit en kijk hem aan. Hij staat een meter of drie à vier van me vandaan. Als hij me iets wil aandoen, dan heeft hij alle kans. Ik ben op hakjes, zonder spierkracht en er is verder niemand op straat. Het licht van de ingang van dit appartementencomplex zal hem vast niet weerhouden om mij het donker in te sleuren als hij dat wil. Mijn stem doet gelukkig nog wat ik wil. Ik klink heel kordaat wanneer ik tegen hem “Ik wil dat je doorloopt” zeg, terwijl ik hem strak en kalm aan blijf kijken. Hij kijkt verbouwereerd terug alsof hij dit antwoord echt niet had verwacht. Dan draait hij zich om en loopt weg, intussen verontwaardigd zijn laatste twee verzoeken herhalend. Ik beweeg mijn hand naar een van de bellen bij de deur, terwijl ik hem met mijn ogen blijf volgen. Wanneer hij eindelijk de hoek om gaat, draai ik me om en loop terug. In vlot tempo loop ik naar mijn eigen huis. Ik zie hem niet. Ik ben alleen. Trots op hoe ik dit koelbloedig heb afgehandeld, pak ik mijn sleutels en breng mezelf in de veiligheid van mijn trappenhuis. Eenmaal achter mijn eigen voordeur kan ik vrijuit en opgelucht adem halen. De kwetsbaarheid van het vrouw-zijn is als een opgerolde slang. Op de juiste klanken kan ze zich ineens oprichten. Ssssss…

donderdag 23 oktober 2014

Hercontractering

Afspraak is afspraak. Die zin is een cliché. En een gotspe. Als er één cliché is dat niet waar is, dan is het deze wel. Afspraak is helemaal geen afspraak. Dat is het nooit geweest en zal het nooit zijn. Een afspraak is bedoeld om een werkelijkheid te stroomlijnen, en wanneer die werkelijkheid erom vraagt, zal de afspraak herzien worden. In het gunstige geval door alle betrokkenen samen. Een afspraak is niet meer dan een werkhypothese. Dit zegt iemand die als zeer betrouwbaar te boek staat. Iemand die tot het uiterste gaat zich aan haar woord te houden. Maar ik heb door schade en schande geleerd dat het voor iedereen prettig is om een afspraak te hebben, maar nog veel prettiger is om er vanaf te kunnen. Een afspraak wordt vaak niet zomaar opgeheven. Meestal komt er een nieuwe afspraak voor in de plaats. Dan is er dus eigenlijk een soort hercontractering aan de gang. Dat gebeurde onlangs ook tussen S. en mij.

Afgelopen weekend was S. bij mij. Geheel in lijn met onze afspraak haalde ik hem als Man-ik op, maar zodra we thuis waren kleedde ik mij om en maakte ik me op. Lisa-tijd. Zo’n snelle transformatie was hij inmiddels wel gewend, want zo ging het de laatste paar keren dat hij bij mij was. Dat was voor hem prima. Om mij als vrouw te zien voelde voor hem al best vertrouwd. Het kostte hem vooral moeite om om te gaan met mijn heftige emoties. Zo strompelden we door ons gezamenlijke weekend: hij hield een beetje afstand om niet aangestoken te worden door mijn emoties en ik zonderde me af met het schuldgevoel dat ik er niet voor hem was.

Zo werd het zondag en zou ik S. weer naar huis brengen. Onze afspraak was dat ik dat als Man-ik zou doen. Die afspraak braken we al een paar weken geleden, toen S. bij wijze van uitzondering mij toestond hem als vrouw thuis te brengen. Zolang ik de auto maar op de oprit zou parkeren. Maar die uitzondering bleek ook tijdens ons vorige weekend van toepassing, dus hoopvol vroeg ik afgelopen zondag aan S. of het okee voor hem was als ik weer als vrouw zou gaan. Bijna nonchalant haalde hij zijn schouders op. Hij zei: “ja ik ging er vanuit dat je dat nu weer zou doen”. “Is dat dan ook voor jou echt okee? We hebben namelijk een andere afspraak”, probeerde ik nog de verantwoordelijke ouder uit te hangen. “Ja het is prima”, bevestigde hij. Ik drong niet verder aan en op mijn hakjes tippelde ik even later samen met S. naar de auto.

Onderweg vroeg ik aan hem: “Is dit dan onze nieuwe afspraak? Dat ik je als vrouw thuis breng?”. Zijn antwoord was kort: “Ja”. Ik voelde opluchting en trots. Trots op de stap die mijn zoon had gezet. Kennelijk was zijn werkelijkheid inmiddels zo veranderd dat onze oude afspraak niet meer paste. We hadden een nieuwe afspraak gemaakt.

Tevreden gingen mijn gedachten de vooruitgang analyseren. Wanneer S. al een heel weekend mij als vrouw had gezien was hij er al zo aan gewend, dat het minder gek leek om door mij als vrouw naar huis gebracht te worden. Dat leek me logisch. Maar hoe zat het dan met ophalen? Was dat dan nog een brug te ver of niet? Voorzichtig, om mijn hand niet te overspelen, vroeg ik het aan hem: “En het ophalen? Wil je dat ik dat nog steeds als man doe?”. Hij keek me even aan en zonk toen weg in zijn gedachten. Binnen twee seconden had hij het antwoord gevonden: “Nee hoor dat hoeft niet meer. Als je maar wel op de oprit parkeert” en hij lachte wat schaapachtig om die door hem bedachte veiligheidsmaatregel. Ik legde mijn hand op zijn knie en kneep er zachtjes in. “Ik ben trots op je”, zei ik. We hadden een nieuwe afspraak. Ik mocht nog niet als vrouw op zijn school komen en moest de afstand tussen auto en voordeur nog klein houden, maar er waren verder geen belemmeringen meer. Ik voelde opluchting. Het kwam goed. Ik zou gewoon mijn rol kunnen blijven spelen in het leven van S. Ook als vrouw. S. kwijt raken was in mijn hele proces een van mijn allergrootste angsten geweest. Inmiddels durfde ik wel te concluderen dat die angst niet was uitgekomen. Goddank. Deze laatste hercontractering had ons samen weer een stapje verder gebracht.


zondag 19 oktober 2014

In mijn ogen

10.000 keer. Zo vaak zie ik M. Elke dag opnieuw. Telkens wanneer ik mijn ogen sluit, is ze daar. Wanneer ik mijn ogen weer open, dooft haar beeld langzaam uit. En aangezien ik elke tien seconden knipper, staat haar beeld zo ongeveer permanent op mijn netvlies.

Het ergste is het moment dat ik moet gaan slapen. Dan blijven mijn ogen zo lang dicht dat M.’s beeld inbrandt in mijn oog. Bijna elke nacht begint voor mij dan ook met lang en intens huilen, terwijl ik me vastklamp aan het overbodige kussen dat normaal aan de andere kant van mijn bed ligt. Zo val ik al een maand lang in slaap.

Mijn pijn en verdriet om M. wordt niet minder maar juist meer. Alsof elke keer dat ik met mijn ogen knipper een Garra Rufa visje een hapje van het eelt op mijn ziel neemt. Met elk hapje wordt mijn ziel gevoeliger. Valt er weer een beetje natuurlijke bescherming weg. Gaat het weer een beetje meer pijn doen.

Ik mis M. Ik mis haar om wie ze is. Om het plezier dat ze me bracht. Om de sprankeling waarin we samen leefden. Om de koestering die we elkaar gaven. Elke nacht, wanneer ik met het kussen in mijn armen geklemd probeer te slapen, stel ik me voor dat het M. is die ik in mijn armen heb. Soms lijkt het zelfs even alsof ik haar fijne geur ruik. Maar als ik dan diep inadem, blijkt er niets anders te ruiken dan het wasmiddel van mijn kussensloop, of mijn eigen zweet van voorgaande nachten. Ik zou zo graag troost vinden bij haar. Troost voor mijn moeilijke pad. Ik heb fantastische vrienden die bij me staan. Die me afleiden met een leuk uitje of een gezellig avondje en een fijne knuffel. Maar ik blijf de koestering van M. missen. De intieme, huiselijke aanwezigheid van M. in mijn leven en ik in de hare. De korte aanraking in de keuken, tijdens het koken of de afwas. De onverwachte zoen terwijl je naast elkaar op de bank tv zit te kijken. De speelse pets op je billen terwijl je in de badkamer voor de spiegel staat. En de warme, veilige omhelzing waar je helemaal in kunt verdwijnen als je het allemaal even niet meer ziet zitten. Het is allemaal weg. Ik moet dat nu allemaal in mezelf vinden. Maar in mij is het dor en droog. Een woestijn. Een woestijn die me voortdurend zand in de ogen strooit. Waardoor ik niet meer helder kan kijken. Om dat zand te bestrijden zou ik vaker met mijn ogen willen knipperen. Maar dan verschijnt M. alleen nog maar vaker voor mijn ogen…

zaterdag 18 oktober 2014

To hell and back

De sporen zijn nog zichtbaar. Thee-spatters door mijn hele keuken, een gebroken theeglas, en klodders snot en tranen op de vloer. Ik heb nog niet in de spiegel gekeken, maar in mijn gezicht zal vast ook nog het een en ander te zien zijn. Van binnen heerst de betrekkelijke rust van een overleefde veldslag in het besef dat de oorlog nog niet over is. Een stilte, voor de volgende storm. Er lijkt meer licht in mijn ogen te komen en meer frisse lucht in mijn neusgaten. Buiten lijkt de zon zelfs sterker te zijn gaan schijnen. Waar was ik zojuist?

Ik weet waar ik was. Alleen begrijp ik het niet. Ik vind het niet onvoorstelbaar, dat is het niet. Maar ik snap niet hoe ik er terecht kwam en waarom ik er ineens weer weg ben. To hell and back. Gehuild heb ik. Gejammerd. Geschreeuwd. Stuiptrekkingen gehad. Gehyperventileerd. Verdronken in hopeloze gedachten dat ik de stap die voor me ligt nooit zou kunnen maken. Dat ik de consequenties niet kon dragen. Dat ik niet eens de energie had om te doen wat nodig was om er te komen. Dat vrouw worden voor mij onmogelijk zou blijken. Dat man blijven al lang onmogelijk was. Dat ik nooit zonder M. gelukkig zou kunnen zijn. Dat ik het allemaal niet meer aan kon. Het enige dat deze stroom verstikkende gedachten een beetje kon opfleuren was de gedachte aan het bevrijdende gevoel van de dood. Ik schrok er niet eens van.

Existentiële angst. Een pijn zo fundamenteel dat hij nauwelijks in woorden te bevriezen is. Een pijn die alles, maar dan ook alles overheerst. Met emoties die niet te stoppen zijn met ratio. Niet met ademhalingsoefeningen. Niet met lichaamswerk. Emoties waar je doorheen moet. Letterlijk. En dan hopen dat je nog leeft als het achter de rug is.

Ik kijk naar de brokstukken in mijn keuken. Brokstukken zoals die er de afgelopen maanden vaker geweest zijn. Al tijden probeer ik te balanceren op het dunne koord dat mijn leven geworden is. Ik probeer overeind te blijven. Terwijl heftige emoties voortdurend aan de vezels knagen van het touw waar ik op sta. En ik kan niks anders bedenken om ze te bedwingen dan te proberen stappen vooruit te zetten. Terwijl een donkere energie achter me voortdurend aan me trekt. Ik moet hard werken om er aan te ontsnappen. Heel hard. Ik boek resultaat. Althans in praktisch opzicht. In praktisch opzicht komt de vrouw die ik wil worden steeds dichterbij. De lijst met duizend dingen die ik daarvoor nog moest doen is de laatste weken behoorlijk geslonken. Maar dat is alleen het zichtbare stuk, aan de oppervlakte. Van binnen voelt het alsof ik er minder klaar voor ben dan ooit. De man in mij verzet zich zo hevig dat hij de vrouw overschreeuwt. Ik voel haar nauwelijks meer. De afgelopen week was er geen dag dat ik mijn borsten om had. Terwijl ik ze de weken ervoor zo ongeveer elke dag droeg.

Ik kan het niet meer. Ik kan geen tegenslag meer hebben. De aanleiding voor mijn uitbarsting van zojuist was zo futiel dat ik het niet eens durf te benoemen. De existentiële pijn in mij probeert alles aan te grijpen om zich te laten voelen. En ik heb de kracht niet meer om hem te snel af te zijn. Om sneller te zijn dan mijn schaduw. Het voelt alsof ik geen keus heb. Alsof ik me moet laten opslokken door het donker dat me achtervolgt. Ik ben bang. Ik ben bang dat ik daar niet meer uit kom. Wil iemand mij tegen het kwaad beschermen? Waar ben je, M.? Waar ben je, mama? Help, ik ben bang!

woensdag 15 oktober 2014

Bijwerkingen fase 2

De opstartfase van mijn hormoonbehandeling was hobbelig. Hoewel ik de testosteronblokkers toen nog formeel op proef kreeg om me te helpen een beslissing te nemen, beschouw ik maart van dit jaar als het begin van mijn hormoonbehandeling. Die ik heel kortstondig stopte in april vanwege bijwerkingen. Nare bijwerkingen. Extreme kortademigheid, duizeligheid, spierzwakte en later ook nog depressiviteit. Lekker spul, die Androcur. Na heel wat gejojo met mijn testosteronniveau gebruik ik sinds een paar weken spironolacton en dat geeft veel minder bijwerkingen. Eindelijk rust, zou je denken.

Niets is minder waar. Een week geleden startte ik met het tweede deel van de hormoonbehandeling: oestrogenen in de vorm van estradiol. En nu is het circus opnieuw begonnen. Na een dag had ik al gevoelige en opgezwollen tepels. Tegelijk is mijn libido, dat de afgelopen maanden zo netjes binnen de lijntjes bleef, irritant dwingend aanwezig. Daar is dus kennelijk geen testosteron voor nodig. Gaat ook prima met mijn estradiol-pleistertje.

Vannacht werd ik op een heel nare manier wakker. Deze keer was het eens een keertje geen nare droom over M. Maar prettiger was het zeker niet. Na een uurtje in bed werd ik wakker en voelde ik een vreselijke pijn. De spieren in mijn kuiten en ook langs mijn schenen waren strak verkrampt. In beide benen. Een vreselijk snijdende pijn deed me de stilte van de nacht doorbreken met een luid: “Auw, kut!”. Ik probeerde mijn benen te ontspannen door ze zachtjes te strekken. Maar daardoor werd het alleen maar erger. Overal voelde ik spieren verkrampen en pijnscheuten afvuren: mijn bovenbenen, mijn voeten, mijn tenen. Ik voelde dat de middelste teen van mijn linkervoet zelfs krom ging staan: “Auw, auw, auw, auw!”. Ik stapte uit bed in de hoop dat ik staand mijn spieren beter kon oprekken maar het hielp niks. Mijn hele onderlijf was verkrampt en wilde niet ontspannen. De pijn werd zo hevig dat ik me door het gejammer heen afvroeg of mijn spieren het wel hielden. Beelden van wekenlange fysiotherapie flitsen voorbij.

Ik kon niet rechtop blijven staan. Ik leunde tegen de deur van mijn kledingkast toen er ook nog een kramp in mijn rug schoot. “Auw godverdomme! K*tverdek*tk#*%@*&#!@!” (kun je nagaan wat ik zei, als ik godverdomme hier niet censureer, maar deze laatste woorden wel). Tranen van pijn rolden over mijn wangen, maar hielpen niet de spanning in mijn lijf te verlichten. Telkens als ik dacht dat mijn spieren zich gingen ontspannen, schoot de kramp er weer verder in. Het duurde wel tien minuten. Het voelde als een uur. Mijn nachtrust bleef de rest van de nacht op een afstandje staan kijken hoe ik telkens maar niet in slaap viel van de kramp.

En nu lees ik op internet over de menopauze. Veel van mijn klachten staan op de lijstjes. En mijn kramp? Tja. Zoals dat gaat met betrouwbare bronnen, noemt de ene site het wel en de ander weer niet. Wel lees ik veel over magnesiumtekort tijdens menopauze. En laat magnesiumtekort nu nét een van de oorzaken zijn van nachtelijke spierkrampen. Vooral bij zwangere vrouwen, trouwens. En dat ben ik toch echt niet. Maar mijn biologische hormoonhuishouding ligt nu zeker wel net zo overhoop. Mijn lijf is in paniek; het maakt een grote chemische verandering door. Misschien nog wel een grotere dan tijdens mijn pubertijd destijds.

Terwijl ik dit schrijf, voel ik spierpijn en een lichte kramp in mijn voetzolen en kuiten. Hmmm. Ik kijk op de klok, en inderdaad: het is tijd om naar bed te gaan. Dit voorspelt niet veel goeds voor vannacht. Pffff, heb vertrouwen meisje. Vertrouwen? Ik voel een kramp opkomen: “Auw!”.

maandag 13 oktober 2014

Informed Consent

Vorige week kreeg ik bij de VU het felbegeerde eerste recept voor estradiol; het oestrogeen dat van mijn lijf een vrouwenlichaam gaat maken. Voordat ik de spreekkamer van de endocrinoloog in mocht, moest ik eerst twee pagina’s tekst lezen over hormoonbehandeling en de consequenties voor mijn lichaam en mijn gezondheid. De informatie was tamelijk algemeen en grotendeels al bekend. Je vangt wel eens wat op als je al vier jaar bezig bent te onderzoeken of je echt vrouw wilt worden.

Eenmaal binnen volgde een vrij oppervlakkig gesprek over de inhoud (emoties passen niet in een academisch ziekenhuis heb ik inmiddels ontdekt), waarna de arts een recept ging aanmaken op zijn computer. In de tussentijd mocht ik een formuliertje ondertekenen waarop in grote letters stond: ‘Informed Consent’. Voor wie er niet bekend mee is: met de ondertekening verklaar je dat je weet waar je aan begint en dat je het ziekenhuis later niet zult aanklagen omdat ze je slecht hebben geïnformeerd. Zonder dat te tekenen zou ik geen recept meekrijgen. Gek genoeg kreeg ik al maanden testosterononderdrukkers, maar omdat ik die buiten het reguliere protocol om had gekregen was daar toen geen vrijwaringsverklaring voor nodig geweest. Die verklaring hoorde immers volgens de procedure bij het eerste endocrinologisch gesprek ná het groene licht. Nu dus.

Nu ben ik niet zo aanklagering ingesteld, maar om nou te zeggen dat het VU me goed heeft geïnformeerd, nee. Het zal vast aan mijn informatiebehoefte liggen, maar er zijn nog heel veel vragen open. Met name over de gezondheidsrisico’s op langere termijn. Het ene oestrogeen (estradiol) vergroot de kans op borstkanker; de andere (progesteron; maar die krijg ik niet) verlaagt die kans juist. Moet ik nu ook vanaf mijn vijftigste regelmatig een mammografie laten doen of is dat niet nodig omdat mijn borsten dan nog geen tien jaar oud zijn? Mag ik mezelf straks medisch gezien als vrouw beschouwen of blijf ik een man (als het gaat om gezondheidsrisico’s, hoogte van doseringen van medicijnen, etc.)? En zo kan ik nog wel even doorgaan. Heel veel vragen, waar de gehaaste professor die mij behandelt meestal geen zin in heeft.

Eerlijk gezegd maakt het mij ook veel niet uit. Ik wil de antwoorden wel graag weten zodat ik goed voor mezelf en mijn nieuwe lichaam kan zorgen. Maar voor de beslissing of ik wel of niet de behandeling aanga speelt die informatie geen enkele rol. Mijn verlangen is zo groot dat ik de vrijwaringsverklaring ook zou ondertekenen als de arts me had gegarandeerd dat ik door de behandeling vijf jaar korter zou leven.

Daar zat ik dus met een kort en bondig formulier voor mijn neus, terwijl aan de andere kant van de tafel de arts zijn receptje uittypte. We werden gadegeslagen door een arts-in-opleiding (nog zo’n geneugte van een academisch ziekenhuis). Ik voelde spanning in deze stagiaire (want dat is wat het is, ook al klinkt het dan minder belangrijk) alsof hij zich afvroeg: gaat ze het doen of niet? Mijn arts ging er al van uit, want het receptje rolde al uit de printer. Ineens schoot de gedachte door mijn hoofd dat daarmee de drempel om niet te tekenen impliciet omhoog was gegaan; je wilde zo’n man toch niet zijn net gemaakte receptje laten verfrommelen om in de prullenbak te gooien. De woorden ‘oneigenlijke druk’ kwamen in me op en ik moest lachen om mijn gedachte. Tekenen wilde ik toch wel. Heel graag zelfs. Ik pakte de pen, vulde de datum in en bewoog mijn pen naar het stippellijntje waar ik geacht werd mijn handtekening te plaatsen. Toen stokte ik. Handtekening… ehhh, oeps! Die had ik niet. Nou ja, mijn Man-ik handtekening, maar die bevatte allerlei letters waar ik van af wilde en hij zag er ook niet elegant uit. Die wilde ik zeker niet gebruiken. Maar wat dan? Geen idee. Na een korte aarzeling realiseerde ik me dat dit formulier in een dossier verdween dat diep in de kelders van het VU bewaard zou worden om nooit meer het daglicht te zien. Wat maakte het uit wat er op stond. Met een flair alsof ik hem al honderd keer had gezet, schudde ik een nieuwe handtekening uit mijn mouw. Hormoonbehandeling: ik teken er voor.

vrijdag 10 oktober 2014

Roodgloeiend

Ze lijken wel op rijpe puisten. Dikke, gezwollen bultjes. Rood en glimmend. Alsof ze elk moment kunnen openbarsten. Wanneer ik ze voorzichtig aanraak doen ze pijn. Ik ben niet bang dat ze openbarsten. Want het zijn geen puisten. Het zijn mijn tepels. Al twee dagen zijn ze zo. Ik maak me er geen zorgen over, want ik weet dat het er bij hoort. Maar ik had niet verwacht dat mijn tepels al zo snel zouden reageren op de hormonen. Drie dagen geleden plakte ik de eerste hormoonpleister op mijn bil. Die pleister heeft geleidelijk estradiol afgegeven aan mijn lichaam en het is tijd om hem te vervangen. Ik plak een nieuwe pleister op mijn andere bil en trek de oude eraf. Een werkje van niks dat ik twee keer in de week zal moeten doen. Voor de rest van mijn leven. Liever had ik tabletten gehad dan deze pleisters. Hoewel de pleister transparant is, zie je hem wel en ik voel hem zitten. Het ontsiert mijn lichaam. Het is ook makkelijker om elke dag een pil in te nemen dan twee keer per week een pleister te plakken. Iets wat je elke dag doet wordt veel sneller een gewoonte en zal je minder snel vergeten. Maar goed. Vanwege een iets verhoogd risico op bijwerkingen bij tabletten schrijft de VU liever pleisters voor.

Terwijl ik over de pijnlijke plek wrijf waar zojuist nog mijn eerste estradiol-pleister zat denk ik aan M. Ik mis haar. Ze had hier bij moeten zijn. Ze had mijn tepels moeten zien gloeien zodat we er samen flauwe grappen over hadden kunnen maken. Ze had een kusje moeten geven op de gevoelige plek op mijn bil. Ik had haar in mijn armen moeten nemen om te zeggen hoeveel ik van haar hou. Maar helaas. Ze is uit mijn leven verdwenen.

Gisterenavond was ik bij haar moeder om nog wat spullen van M. terug te geven. Sindsdien zit mijn hoofd vol met fictieve gesprekken tussen mij en M. Gesprekken waarin ik vooral boos ben. Boos dat ze, tegen haar hart in, niet voor mij koos. Boos dat ik door mijn proces nu niet in staat was haar te geven wat ze nodig heeft. Boos dat ze niet begrijpt dat ik niet ga staan toekijken hoe zij een toekomst met een ander opbouwt. En omdat boosheid vrijwel altijd de voorbode van verdriet is, komen sinds gisteravond telkens tranen. Heel veel tranen. Ook nu, terwijl ik met mijn broek op mijn knieën, met een opgefrommelde hormoonpleister in mijn hand, midden in de woonkamer sta. Ik neem niet eens de moeite om mijn broek op te trekken terwijl ik me verslagen op de bank laat vallen. Mijn hart gloeit nog steeds voor M. Het is roodgloeiend. Nog gloeiender dan mijn tepels.

donderdag 9 oktober 2014

De trein

We staan in de trein. Het is er druk. De wagon heeft geen stoelen, zodat er lekker veel mensen in kunnen. Ik sta met mijn rug naar de rijrichting en zie ons traject pas als het achter ons wegglijdt. Ik ben geanimeerd in gesprek met de mensen om me heen. Wie het zijn weet ik niet, maar het voelt alsof het de bedoeling is dat ik met ze praat. Soms kijk ik over mijn schouder. Drie meter verderop staat M., ook in gesprek. Met af en toe een korte blik bewijzen we aan alle omstanders dat we bij elkaar horen. Een korte liefdevolle blik om ook onszelf gerust te stellen dat we nog steeds samen zijn. Met een tevreden glimlach draai ik me dan weer om en vervolg mijn gesprek.

Totdat ik in mijn ooghoek hem zie opdoemen. De man die ik een aantal jaar geleden als mijn spiritueel leraar beschouwde. Hij loopt naar M. en zegt iets tegen haar. Op dat moment stopt de trein. Terwijl ik mijn gesprek zo beleefd mogelijk voort zet, probeer ik te zien wat er bij M. aan de hand is. Ik zie mijn oude leraar haar bovenarm vastpakken en samen lopen ze naar de deur van de trein. Ik schrik wanneer M. uitstapt en wil naar haar toe. Maar ik lijk wel vastgebonden in het sociale net van beleefdheid. Het gesprek met de mensen om me heen lijkt zichzelf automatisch in stand te houden en ik kan er met geen mogelijkheid aan ontsnappen. Mijn mond voelt droog en mijn hart bonst in mijn keel als de trein haar deuren sluit en verder rijdt. Zonder M. Langs de hoofden in de overvolle coupé probeer ik M. door het raam nog op het perron te zien, maar ze is verdwenen. Ik zie haar niet meer. Waar is ze nou? Ik raak in paniek. Ik wil weg. Ik wil eruit. Ik wil… ineens voel ik de hand van mijn oude leraar op mijn borst. Hij houdt me tegen. Hij wil dat ik in gesprek blijf met de mensen om me heen. Maar dat wil ik niet. Ik wil naar M. Ik wil naar M.!

Ik grijp naar het kussen naast me en omhels het. Ik knijp het bijna fijn terwijl ik met lange halen huil. Het is nog donker buiten. Mijn nacht is bruut onderbroken door een droom over een trein. Een trein waar M. uitstapte. Ik mis haar en voel de pijn in mijn hart. In de stilte van de nacht klinkt de echo van mijn wanhopige gehuil hard.

Na een tijdje word ik rustig. Met het kussen nog angstvallig in mijn armen geklemd denk ik aan G., de ex-vriendin met wie ik voor M. een kortstondige en intense relatie had. Ik was gisteren bij haar en voelde me gekoesterd door de knuffels en zoenen die we elkaar gaven. Ik laafde me aan de fysieke vertrouwdheid en sterke energetische connectie die we destijds hadden en die er nog steeds was. Nu ik daar aan terugdenk realiseer ik me dat mijn connectie met M. daar niet uniek in was. Ik had dat ook met G. Eigenlijk is er geen enkele eigenschap van M. die ik niet al eens bij iemand anders ben tegengekomen. Weemoed spoelt over me heen wanneer ik me realiseer dat M. juist zo mooi al die eigenschappen verenigde. Juist de optelsom maakte M. zo bijzonder. Waarom moest ze uit de trein van mijn leven stappen? Die trein dendert nu in hoog tempo door. Zo hard dat M. waarschijnlijk nooit meer zal kunnen instappen. Ik voel hoe een koude tocht mijn hart bevriest. Ik kruip dieper onder de dekens op zoek naar koestering. Zachtjes beginnen de tranen weer over mijn wangen te rollen.


dinsdag 7 oktober 2014

Op het werk

Hij stond bij de bar van Starbucks koffie te bestellen toen ik aan kwam lopen. Toen hij me zag keek hij me aan en het leek alsof hij dwars door mijn make-up heen keek. Geen spoortje verrassing, ongemak of “laat me eens naar je kijken”. Dat hij me vandaag voor het eerst als vrouw zou zien wist hij wel. Maar hoe ik er dan uit zou zien niet. Kennelijk was hij er in geslaagd daarover vooraf geen verwachtingen of beelden te maken. Dus kwam er ook geen verbazing op het moment zelf.

Het was niet dat R. er van tevoren helemaal geen aandacht aan had gegeven. “Voor wie is dit nu eigenlijk spannender?”, vroeg hij namelijk toen hij me een hand gaf. Het liet hem duidelijk niet onberoerd. Mij ook niet. Het was mijn eerste coming-out op het werk. R. was mijn eerste opdrachtgever die me als vrouw zou ontmoeten. Een paar maanden geleden had ik hem verteld over mijn proces. En nu was het moment daar: hij zou Lisa zien. We zouden samen bespreken hoe mijn coming-out binnen zijn organisatie zou gaan verlopen.

Ik vond het heel spannend. R. was een belangrijk opdrachtgever voor me. Niet alleen omdat ik met plezier voor zijn organisatie werkte, maar ook omdat het werk me de afgelopen twee jaar een belangrijk deel van mijn schamele inkomen had verschaft en ik het prettig zou vinden als dat nog wel twee jaar door ging. Ooit zaten we samen in de Almanakcommissie van onze studentenvereniging, dus R. en ik kenden elkaar al ruim twintig jaar. Dat temperde mijn onrust een beetje. In mijn hart voelde ik me wel veilig met de situatie. Het was het hoofd dat me, constructief als altijd, voortdurend onrust aanjoeg met zinloze “wat als…”-gedachten. Natuurlijk hadden die gedachten wel hun functie gehad. Sommige gedachten waren daadwerkelijk een waarschuwing geweest voor een risico dat ik kon vermijden of verminderen door er in mijn aanpak rekening mee te houden. In die situaties was het gepieker zeer zinvol. Het was alleen jammer dat het piekermechanisme vaak niet doorhad dat gedachten die voor de duizendste keer gedacht worden, niet zoveel meer toevoegen. Behalve onrust dan.

Het gesprek tussen R. en mij ging heel natuurlijk en ontspannen. Ik wist hoe ik mijn coming-out wilde doen en dat bleek heel goed aan te sluiten bij wat R. wilde. Morgen zou ik het vertellen in de projectgroep van één van de projecten waar ik aan meewerkte. Na dat moment zou ik alleen nog maar als Lisa met hen communiceren en samenwerken.

Na morgen start dus een periode waarin ik voor de ene opdrachtgever Lisa ben en voor de andere nog Man-ik. Een situatie die ik vanwege de complexiteit eigenlijk wilde vermijden. Maar een totale coming-out kan nu nog niet. Tenminste, daar kies ik niet voor omdat ik die gepaard wil laten gaan met het lanceren van mijn nieuwe bedrijfsnaam en ik daarvoor nog allerhande praktische zaken moet regelen. En toch wil ik nu al vooruit. Ik beschouw mijn coming-out bij R.’s organisatie daarom dan maar als een pilot. Even ervaring opdoen, zodat ik weet wat ik kan verwachten en hoe ik het bij mijn andere relaties wil aanpakken. De eerste stap in deze pilot, mijn eerste zakelijke afspraak als vrouw, gaf me in elk geval vertrouwen.

Toen R. en ik afscheid namen bleek hoe persoonlijk ons gesprek geweest was. Op de parkeerplaats omhelsde hij mij en sprak hij lieve woorden die misschien wat ongepast waren voor een opdrachtgever, maar zeer zeker recht deden aan onze lange persoonlijke relatie. Ik liep naar mijn auto en stapte in. Op de diepe zucht die volgde kwamen de tranen. Tranen van opluchting. Tranen van geluk. Mijn lippen prevelden zacht: “Het komt goed, meisje, zie je dat? Het komt goed”.

maandag 6 oktober 2014

Oprit

Ikzelf heb goede herinneringen aan de momenten waarop ik als kind, tijdens schoolvakanties, met mijn vader mee ging naar zijn werk. Zo verdiende ik wat bij, maar belangrijker nog: zo zag ik mijn vader in een totaal andere context dan thuis. Mijn vader werd er voor mij completer door.

Ik was dan ook blij dat S. de dag van mijn theatervoorstelling bij mij was. Het offer was dat hij niet mocht uitslapen, want we moesten al om negen uur in het theater zijn. Maar hij zou vandaag zijn vader aan het werk zien, niet alleen op de planken (want dat had hij natuurlijk al wel vaker gezien), maar juist ook achter de schermen. Samen met de andere acteurs en de regisseur.

Dat mijn medespelers mij ‘Lisa’ noemden, zette iets in beweging in hem. Ik zag de verbazing in zijn ogen. Ik denk dat hij zich ineens besefte hoever mijn leven als vrouw al strekte. Dat leven als vrouw weerde hij het liefst nog eventjes uit zijn eigen dagelijkse leven, bijna honderd kilometer verderop. Maar nu zag hij de kloof die dat opleverde met mijn leven hier.

Toen we aan het eind van de dag samen naar mijn huis fietsten, keek ik op de klok en maande hem door te trappen. Het was al laat en ik moest hem nog helemaal naar huis brengen. En voordat ik dat deed moest ik me nog omkleden naar Man-ik. Of wat daar nog voor doorgaat tegenwoordig. Want dat was wat hij wilde en wat we hadden afgesproken. Ik zou hem voorlopig niet als vrouw ophalen of thuisbrengen. Maar toen ik hem onze haast toelichtte, zei hij ineens: “Je mag me ook wel als vrouw thuisbrengen hoor”. Mijn hart maakte een sprongetje van blijdschap, maar mijn hoofd greep in. Ik wist hoe ver kinderen konden gaan in hun pogingen hun ouders gelukkig te maken. Ze cijferden zichzelf daar zonder pardon voor weg. “Dat hoeft niet hoor. Ik vind het niet erg om me nog even om te kleden”, remde ik hem af. De woorden waren nonchalant, maar mijn emotie niet. Natuurlijk wilde ik liever als vrouw gaan. “Je mag me wel zo thuisbrengen hoor”, herhaalde S. Ik keek hem doordringend aan, voor zover dat fietsend mogelijk was. Hij had mijn emotie van zojuist vast gevoeld. “Denk er nog even over na. Ik hoor zo als we thuis zijn wel of je dat echt wilt”, probeerde ik mijn verantwoordelijkheid naar hem toe te nemen.

Eenmaal thuis zei hij: “Je hoeft je niet om te kleden. Breng me maar als vrouw thuis. Wil je dan wel de auto op de oprit zetten?”. Die laatste vraag riep het beeld in me op van zijn verschrikte gezicht terwijl ik als vrouw door zijn straat wandel en bij elk huis dat ik passeer het gordijn door een nieuwsgierige hand opzij geschoven wordt. Ik lachte om mijn gedachte en stemde in met zijn verzoek.

En zo draaide ik een uurtje later mijn auto naast zijn huis en samen stapten we uit. Terwijl we naar de voordeur liepen voelde ik trots in me opwellen. Trots op mijn jongen die het moeilijke proces van een vader die vrouw wordt toch maar mooi aangaat. De minutenlange knuffel bij ons afscheid even later deed geen recht aan de liefde en dankbaarheid die ik voor hem voel. Lieve S., ik hou van jou.


Travestie

Het is een eeuwenoude theatertraditie. Een man in vrouwenkleren of een vrouw in mannenkleren. Hoewel dat in het theater ooit de normaalste zaak van de wereld was, levert het om de een of andere reden tegenwoordig vooral hilariteit op; gek genoeg in het eerste geval veel meer dan in het tweede. Nou ja, eigenlijk is dat helemaal niet zo gek. In onze maatschappij wordt een vrouw met een broek en een geblokt overhemd aan gezien als een stoer wijf. Op zijn slechtst als een lesbo. Een vrouw die haar feminiene kant niet laat zien is nog steeds een vrouw. Niemand kijkt er raar van op. Maar een man die een jurk aan heeft is raar. Die is geschift en heeft een fetish. Zo’n man is een bedreiging. Vooral voor de andere mannen. Het is volgens mij precies dit onderscheid dat er voor zorgt dat er drie keer zoveel mannen besluiten vrouw te worden dan vrouwen besluiten als man door het leven te gaan. Voor de transvrouwen zijn er niet zoveel maatschappelijk acceptabele mogelijkheden op de lijn tussen man blijven en vrouw worden.

Dit weekend speelde ik een kleine theatervoorstelling. Drie scenes die anekdotisch gezien los van elkaar stonden, maar qua thematiek zeer met elkaar verbonden waren. Eén van die scenes had ik geschreven; in de andere twee speelde ik een rol. Het lot had bepaald (of was het toch de regisseur?) dat ik in de ene scene een onbeholpen licht narcistische moeder speelde en in de andere scene een onbetrouwbare mafioso man. Leuke rollen, maar ze hadden me de afgelopen weken wel tot nadenken aangezet. Twee genders laten zien is voor mij natuurlijk geen probleem (“ik speel al veertig jaar een man” had ik al eens tegen de regisseur gezegd). Maar hoe voelde dat nu eigenlijk voor mij, in deze fase van mijn proces?

Dit theaterproject zou ik nog doen vanuit mijn mannelijke identiteit. In de promotie was ook Man-ik’s naam gebruikt. Totdat mijn coming-out totaal was, wilde ik niet als Lisa op websites en Facebook pagina’s verschijnen waar ook mensen van mijn werkomgeving meelazen. Maar als ik dus als Man-ik zou spelen, hoe vulde ik dan mijn rol als moeder in? Ik wilde haar realistisch spelen. De vrouw was wel overdreven in de hyperactiviteit waarmee ze écht contact met haar zoon probeerde te vermijden, maar ze moest niet overdreven zijn in haar vrouwelijkheid. Dat wilde ik niet en de regisseur gelukkig ook niet. Maar hoe zag ik er dan uit? Ik wilde geen travestie act doen. Travestie gebruiken als theatraal middel draagt alleen maar bij aan de stereotypering waar transgenders last van hebben. Als je een paar keer op straat bent uitgescholden voor “vieze travestiet”, dan krijgt travestie ineens een heel nare bijsmaak. Ik was heel duidelijk naar de regisseur: daar wilde ik mezelf niet voor lenen. Ik zou genderneutraal gekleed gaan en die vrouw overtuigend spelen. Daar had ik geen jurk voor nodig. Of ik zou juist helemaal een échte vrouw zijn. Aangezien ik binnen dezelfde voorstelling ook een macho man moest zijn, zou die laatste optie vastlopen in de praktische beperking van omkleedtijd. Dus bleef voor mij alleen nog de eerste optie over, maar dat wilde de regisseur liever niet. De impasse was voor de regisseur vooral van theatrale aard, voor mij zat er natuurlijk de nodige emotie aan vast. Ik zag geen oplossing. Tenzij…

Het was mijn psycholoog die het suggereerde. “Waarom doe je geen travestie?”, zei hij en ik was verward omdat hij mijn probleem helemaal niet leek te begrijpen. Maar hij begreep het heel goed: “Ik bedoel, waarom doe je Tony niet in travestie? Lisa die een man speelt?”. Ik was er stil van. Een vrouw die een man speelt. Hmmm, dat klonk bekend. Had ik dat niet al veertig jaar gedaan? Maatschappelijk gezien veel geaccepteerder en daarom theatraal gezien niet zo hilarisch. Geen onbedoelde bijeffecten. Gewoon een actrice die een man speelt. Dat kon werken.

Zo toog ik dit weekend met mijn Hannelore-jurk en parelketting aan naar het theater. Met in mijn tas een zwart pak voor Tony. Ik speelde een weergaloze Hannelore en toen ik af liep trok ik snel mijn jurk uit en het zwarte pak aan. De pumps verving ik door zwarte platte schoenen. Nog snel het haarklemmetje en de parelketting afdoen en ik was er klaar voor. Daar was Tony. Okee, hij had borsten en mascara, maar het was Tony. Met een coole macho tred liep ik het podium weer op. Binnen een minuut van vrouw naar man. Zo snel had ik dat in mijn dubbelleven van de afgelopen vier jaar niet eerder gedaan… Applaus!


zaterdag 4 oktober 2014

Mijn leven flitste aan me voorbij

De omvangrijke kledingdonatie van lieve vriendin Y. forceerde iets. Ik wilde het al een tijdje doen, maar zag er ook enorm tegenop. Maar nu kon het niet anders meer. Waar liet ik anders die twee vuilniszakken vol met nieuwe kleren? Vandaag trok ik mijn kledingkast open. Drie deuren met daarachter kleding. Twee deuren met mannenkleding en één deur voor vrouwenkleding. Dat ging veranderen. En wel vandaag.

Ik gooide niet ongezien al mijn mannenkleren weg. Ik had nog wel wat nodig de komende weken, tot het moment dat ik fulltime als vrouw zou gaan leven, met name voor mijn werk. Ik wilde ook wat mooie basics bewaren voor S., die waarschijnlijk over een jaar al mijn maat heeft. En ik wilde wat van mijn mannenkleren meenemen in mijn vrouwelijke tijdperk. Niet om principiële of sentimentele redenen, maar op praktische gronden. Ik had mooie outdoor kleding die ik niet zomaar ineens kon gaan vervangen voor de feminiene versie. Tenminste, daar had ik het geld niet voor. Dergelijke investeringen zou ik de komende jaren waarschijnlijk wel geleidelijk gaan doen, maar voorlopig leek het me dus handig om mijn afritsbroek, softshell en thermo-ondergoed nog maar even te bewaren. Om van mijn bergschoenen nog maar te zwijgen. Die zijn in de vrouwelijke variant nauwelijks eleganter dan in de mannelijke, dus tja waarom zou ik ze vervangen? Met mijn maat 42 kwam ik waarschijnlijk tóch aan de herenkant terecht als ik nieuwe wilde kopen.

Ik pakte een voor een mijn mannenkleren uit de kast en keek wat ik er mee wilde. Mijn pakken, mijn overhemden, t-shirts. Het meeste ging weg. Maar terwijl al dat textiel door mijn handen ging, voelde ik mijn leven aan me voorbij flitsen. Het hele mannelijke tijdperk kwam langs en de diverse kledingstukken waren de stille getuigen. Een paar keer moest ik stoppen omdat de emoties te heftig waren. De grootsheid van het moment drong goed tot me door. Ik ruimde mijn mannenkleren op. Ik sloot een tijdperk af. Ik wilde en ging niet meer terug. Verdriet vulde elke cel in mijn lichaam. Alle pijn van het verleden, van een leven dat niet het mijne was, gonsde door mijn lijf en bonkte in mijn hart, keel en hoofd. Dit verdriet was niet vervuld van angst of onmacht. Dit verdriet dreef op opluchting. Een diepe, ontspannende opluchting dat het voorbij was. Ik voelde elke traan me van binnen groter maken. Ik voelde warme rillingen over mijn lijf lopen. Elke zenuw tintelde. Ik gloeide. Ik had mijn ogen dicht, maar ik wist zeker dat mijn lijf zelfs licht uitstraalde. 

Dit mooie moment had ik samen met M. willen beleven. Dit had ik met haar willen delen. Een afsluiting. Ook voor haar. Het deed me pijn dat ze er niet was. Heel veel pijn. De tranen van gemis vertroebelden mijn tranen van opluchting.

Het leeghalen van mijn kledingkast bracht de nodige verassingen met zich mee. Ik vond, ergens achterin, mijn allereerste pruik. De pruik waarmee ik me vier jaar geleden voor het eerst op straat vertoonde. Ik keek naar de inmiddels toch wat geklitte en vervilte synthetische bruine krullen en moest lachen. Toen ik hem opzette en in de spiegel keek, schrok ik. Durfde ik daarmee over straat?! Ik zag er belachelijk uit. Althans volgens mijn huidige maatstaven van vrouwelijkheid. Jeetje wat was ik gegroeid. Dat bleek ook uit mijn eerste jurkjes die inmiddels onderaan de stapel waren beland. Ultra-kort en een tikje hoerig. Die moesten ook maar eens weg. De vrouw die ik geworden was benaderde niet meer de mannelijke fantasie van een lekker wijf waarmee mijn zoektocht blijkbaar begonnen was. Ik was in de afgelopen paar jaar vele malen stijlvoller en eleganter geworden.

Mijn pruik van vier jaar geleden lag al twee jaar werkeloos in de kast. In het proces van stijlvoller worden had ik een jaar of twee geleden een veel kortere, sierlijkere en mooiere pruik gekozen. Maar die pruik was een paar weken geleden ook werkeloos geworden. In alle turbulentie rond het verbreken van de relatie met M. had ik er nog niet op dit blog over geschreven, maar na een frivool experimentje tijdens een avondje dansen in Club Lite durfde ik het aan om zonder pruik de straat op te gaan. Mijn eigen onzekerheid en de extra blikken trotserend was ik inmiddels gewend geraakt aan mijn nieuwe coupe met dun en wijkend haar. En ik was gewend geraakt aan het constant (op het neurotische af) hergroeperen van de twee plukken haar die mijn inhammen nog enigszins maskeerden als ze op de juiste manier in het gelid hingen. Uit nieuwsgierigheid zette ik mijn pruik weer even op en keek in de spiegel. Ik schrok. Zag ik er zo uit? Wat nep! De pruik die me twee jaar lang zo’n natuurlijke en vrouwelijke uitstraling had gegeven voelde nu als een misplaatste grap. Dit was niet wie ik ben! Verbijsterd over de mentaal-emotionele afstand die ik in twee weken had afgelegd haalde ik mijn pruik van mijn hoofd en borg hem achter in de kast op. Aan het zicht onttrokken door mooie stapeltjes kleding. Vrouwenkleding...  :-)

donderdag 2 oktober 2014

Ik mag een jurkje aan

Alsof mijn bed een bak drijfzand is. Met geen mogelijkheid lukt het me om er uit te komen. Telkens word ik weer teruggezogen in mijn verdriet. Om niet te verdrinken klamp ik me vast aan het hoofdkussen waar M. altijd op sliep. Met dit kussen in mijn armen viel ik gisteren huilend in slaap. Dat is de afgelopen twee weken inmiddels bijna een traditie geworden. Ik mis haar en voel pijn. Pijn in mijn hart. Mijn hart dat zo graag wil geven en zo graag wil ontvangen.

Mijn blaas dwingt me uiteindelijk uit bed. Terwijl vermoeidheid, hoofdpijn en hartzeer mijn lichaam teisteren, sleep ik me van de wc naar de keuken. Ik vul een glas met water en drink. Wie veel huilt, moet veel vocht aanvullen, zal ik maar zeggen. Terwijl ik drink kijk ik naar buiten. Het verruimen van mijn blikveld verruimt ook mijn perspectief en het dringt tot me door wat er met me aan de hand is: ik ben zwaar getroffen door liefdesverdriet, mijn liefje is er niet meer, deze pijn wordt versterkt door mijn afwijzing als kind, er is veel angst over het proces dat ik nu aan ben gegaan, het loslaten van het vertrouwde maakt me wankel, mijn nieuwe identiteit is in veel opzichten nog flinterdun, erg dun om mijn complexe leven te dragen. Nu deze lijst met constateringen mijn hoofd binnen is geschoven, voel ik me heel zielig. Als dit allemaal een ander overkomen was, dan zou ik medelijden voelen en mijn arm om hem of haar heen willen slaan. Het is dan toch niet raar dat ik nu medelijden met mezelf voel? Ik ga er alleen nog harder van huilen, dus echt constructief is het niet. Misschien moet ik op een of andere manier maar mijn arm om mezelf heen slaan. Dat probeer ik al twee weken. Ik herpak me wel tien keer per dag. Maar pffff, wat is het zwaar om jezelf telkens aan je haren uit de modder te trekken. Hoe ga ik dat vandaag weer doen?

Terwijl ik de keuken uit sjok zie ik wasgoed hangen. De eerste lichting van twee vuilniszakken vol mooie kleren die ik deze week van Y. kreeg. Ze had haar kledingkast eens flink opgeruimd en alles wat ze zelden of nooit aandeed er maar eens uitgehaald. Het had me ongeveer twee uur gekost om alles bij Y. voor de spiegel te passen. Met twee volle vuilniszakken met mooie kleren (sommige zelfs nog nooit gedragen!) ging ik naar huis. Ontroerd over Y.’s vrijgevigheid en opgelucht dat mijn collectie vrouwenkleding in één klap zo ongeveer verdubbelde. Nu kon ik tenminste full time als vrouw gaan leven zonder dat ik nieuwe kleren hoefde te kopen. Want daar had ik helemaal geen geld voor.

Ik kijk naar mijn aanwinsten aan het wasrek. Ik zie prachtige jurkjes, tops, een rokje en een hempje. En ik word blij. Ik voel geluk in me opkomen. Ik voel Y.’s liefde waarmee ze me haar kleren gaf. En ik voel opgetogenheid over het vooruitzicht deze kleren te dragen. Vandaag al! Ik kan vandaag, nu meteen, datgene doen waar ik al mijn hele leven naar verlang: een jurkje aantrekken. Het kan. Het mag. Ik mag een jurkje aan!

woensdag 1 oktober 2014

Dichterbij

Ik rijd op de A4. Zoals ik de laatste maanden zo vaak deed. Ik rijd richting de plaats waar ik de afgelopen maanden zo vaak sliep. De plaats die weer een rol in mijn leven was gaan spelen. De plaats waar ik sinds mijn hereniging met M. weer een paar keer per week sliep. Tot het wrede lot ons samenzijn opnieuw genadeloos de nek omdraaide. De witte strepen op het asfalt flitsen als een pulserende waarschuwingslamp langs mijn ogen. Met elke flits ben ik weer dichterbij. Dichterbij haar. Dichterbij mijn begeerde, liefste lief. Ik voel met elke flits de pijn van onze breuk omhoog stuwen. Ik huil, voor zover de verkeersveiligheid dat toestaat. Bibberend sturen mijn handen de auto over het knooppunt, van de afrit, bij de kruising links. Richting haar huis.

Op het fietspad naast de weg fietst iemand. Is ze het? Nee. Opgelucht en teleurgesteld zucht ik en ik voel weer tranen komen. Ik wil naar haar. Ik wil haar zien. Ik wil haar horen. Ik wil haar ruiken. Ik wil haar voelen. Bibberend als een junk zonder shot rijd ik stapvoets haar straat in. Mijn hart maakt bijna meer toeren dan de motor van mijn auto. Zie ik haar al? Ik wil, ik wil, ik wil… Ik wil niet! Ik wil haar niet tegenkomen! Ik wil niet opnieuw de pijn voelen! Ik wil niet opnieuw mezelf en haar in verwarring brengen! Godverdomme, waarom zijn we niet meer samen! Ik wil haar! NU!

Mijn favoriete parkeerplek, vlak bij haar voordeur, is nog vrij. Ik probeer te ontspannen door me te concentreren op het achteruit inparkeren. Na een soepele slingerbeweging sta ik stil en draai het contact uit. Ik sluit mijn ogen en haal een paar keer diep adem. Ik bid en hoop dat zometeen, wanneer ik mijn ogen weer open doe, ze met een verbaasde en blije blik voor mijn auto staat. En tegelijk wil ik dat ze er niet is. Want ik kom niet voor haar. Ze is binnen handbereik. Vijftien meter verderop is haar voordeur. Maar ik kom niet voor haar. Ik herhaal de woorden een paar keer hardop. “Ik kom niet voor haar”. Ik kom voor haar bovenbuurman.

Haar bovenbuurman is fotograaf. Hij had me de afgelopen maanden een paar keer zien lopen en wilde me graag portretteren. Een paar weken geleden vroeg hij me en ik zei meteen ja. Natuurlijk was ik ontzettend gevleid, daar ben ik als onzeker meisje nog zeer gevoelig voor. Maar het was ook handig, want echt mooie foto’s van mij als vrouw had ik nog niet. En met mijn coming-out in mijn werk in het verschiet, kon ik wel goede, professionele, portretfoto’s gebruiken voor mijn website en LinkedIn. We spraken een datum af. Een datum die pas later zwart omrand zou worden. Het bleek de datum te zijn waarop M. en ik onze relatie verbraken. Mijn bloeddoorlopen ogen en van alle tranen rood aangelopen gezicht leken me niet zo’n goed uitgangspunt voor mooie foto’s, dus ik zegde de afspraak af. Maar ik wilde de foto’s graag hebben. En vandaag zou dat gebeuren. Vandaag zou ik naar zijn huis komen voor de fotoshoot. Zijn huis dat, hoe wreed is het lot, pal boven dat van M. was.

Ik open de deur en stap uit mijn auto. Ik hoor mijn hakjes op de stoep. Zou ze me horen? Zou ze nu net naar buiten komen om N. uit school te halen? Ik hoop en vrees. Ik loop de trap op naar boven. Zig, zag, zig zag. Bij elke zig kijk ik naar haar keukenraam en hoop een glimp op te vangen. Opgelucht dat ik haar niet zie, zag ik dan weer uit beeld. Net zo lang tot ik op de galerij boven haar ben. Nu kan ik haar huis niet meer zien. Ik loop naar de voordeur van de fotograaf en bel aan. Hij doet open, we begroeten elkaar en ik stap zijn huis binnen. Het huis heeft een voor mij vertrouwde indeling en dat voelt gek. Gelukkig is het heel anders ingericht en leidt de fotograaf me af door me thee in te schenken en met me te praten over mijn proces. Ik probeer te ontdekken of zijn wens mij te fotograferen gedreven wordt door fascinatie. Want dat heb ik al vaker meegemaakt. Transgenders zijn fascinerend en ongelooflijk interessant. Soms opent dat deuren en dat zou nu ook het geval kunnen zijn. Dat is geen ramp, want het levert mij gratis mooie foto’s op, maar ik ben toch blij tijdens het gesprek te merken dat zijn drijfveren integer zijn.

De shoot verloopt goed en de eerste foto’s die de fotograaf me op de rug van zijn camera laat zien maken me blij. Ik zie een vrouw op die foto’s. Een geaarde, aanwezige en kalme vrouw. Die uitnodigend in de camera kijkt. Geen spoortje verdriet. Geen flintertje pijn. Geen sprankje verlangen naar M. Ze is waarschijnlijk op ditzelfde moment een paar meter onder me, onwetend van mijn nabijheid. Ik probeer haar te voelen. Maar dat lukt niet. Om niet kapot te gaan van de pijn zo dichtbij mijn onbereikbare liefde te zijn had ik voordat ik daarstraks uit de auto stapte een innerlijk schild opgetrokken. Een innerlijk schild dat het me nu onmogelijk maakt haar te voelen. 

Dichterbij M. kan ik bijna niet zijn. En tegelijk voelt ze ver weg. De pijn is groot, maar laat zich nog dempen met een innerlijk schild. Een schild dat ik af en toe nodig heb, om verder te komen. Om niet in verdriet en depressie in een donker hoekje van mijn huis af te wachten tot het allemaal voorbij is. Ik moet door. Ik ga door. Ik wil door. Ik word een vrouw. Stap voor stap. De fotoshoot van vandaag brengt me weer een stapje dichterbij.