zondag 30 november 2014

Gezinnetje

De kou snijdt in mijn neus. Mijn stevige pas kan me nog maar ternauwernood warm houden. Toch is het goed dat ik hier loop. Al drie dagen voel ik me heel verdrietig. Ik huil al meer dan twee maanden om M., maar de laatste dagen is de intensiteit en frequentie van mijn huilbuien net zo groot als in het begin. Ik sta tot aan mijn middel in de drek van een depressie en ploeter om er niet in kopje onder te gaan. Naar buiten, bewegen. Ik weet dat het goed is. Daarom loop ik hier in het Amsterdamse Bos, de kou en het gebrek aan geld om een écht goede winterjas te kopen trotserend.

Plots schrik ik op. Een stem schreeuwt een naam. Het is de naam van N. Ik kijk om me heen om M.’s kleine jongen te zien rennen. Ik voel blijdschap door mijn lichaam stromen. Ik zie een man, hij is degene die roept. Ik ken hem niet, maar in mijn fantasie is het P., de nieuwe partner van M. Ik weet zeker dat M. vlak achter hem loopt. Zo meteen komt ze achter die bomen vandaan. Dan zie ik links van mij een klein jongetje richting de man rennen. Mooie Noorse muts op en warme sjaal om zijn nek geknoopt. Het is N. niet. Althans, het is een andere N. want het is duidelijk het jongetje dat de man riep. Ik zie inmiddels ook de moeder van het kind. Het ziet er uit als een gelukkig gezinnetje. Teleurgesteld draai ik mijn hoofd weer terug.

Terwijl ik doorloop, zweven mijn gedachten voor me uit. Mijn gedachten zijn bij de volgende kruising in het pad. Ik weet zeker dat daar zometeen M.’s N. van rechts aan komt rennen. Hij zal opkijken, mij herkennen en heel hard “Man-ik!” roepen. Aan mijn nieuwe naam was hij nog niet zo heel erg gewend geraakt en die is hij vast inmiddels vergeten. Maar dat maakt mij niks uit. Ik zie in gedachten hoe ik hem tegemoet ren met mijn armen gespreid. Wanneer we bij elkaar gekomen zijn, pak ik hem op en geef hem de meest intense knuffel die ik in huis heb. Huilend zeg ik tegen hem dat ik hem gemist heb. Met mijn betraande ogen kijk ik op en zie M. staan.

Hoe deze fantasie afloopt weet ik niet. Ik ben inmiddels bij de kruising aangekomen en ontwaak uit mijn gedachten. N. is er niet. Er is niemand. De druppel die van mijn neus afglijdt is niet van de kou. Niet van het koude weer althans. Het is de kou in mijn hart die me weer aan het huilen heeft gemaakt. Is het de vierde of de vijfde keer dat ik vandaag huil om het verlies van mijn eigen gezinnetje? Ik weet het niet. Ik ben zo uitgeput van alle emoties van de laatste maanden dat ik niet eens meer tot vijf kan tellen.

donderdag 27 november 2014

Epilatie

Ik probeerde onzichtbaar te zijn. Ik fietste met flink tempo door de stad, op weg naar de intake voor elektrische epilatie van mijn baardgroei. Om de intake te kunnen doen, moest er wel baardgroei zichtbaar zijn. Dus moest ik ongeschoren en zonder make-up op weg. Ik voelde me lelijk. Ik moest hard fietsen om die denkbeeldige grote knipperende pijl met opschrift “moet je hier eens kijken!” die boven mij hing te snel af te zijn. Alleen zo kon ik voorkomen dat iedereen mij zou zien. De volgende keer zou ik met de auto gaan, dat was al meteen duidelijk.

De ontvangst bij de kliniek was allerhartelijkst. Heel ontspannen vroeg de huidtherapeut naar mijn wensen en mijn situatie. Ze had ervaring met transgenders, dat was wel duidelijk. Ik voelde me in goede handen en was blij dat die stomme baardgroei nu eindelijk eens goed aangepakt zou worden. De grens van de mogelijkheden van IPL was allang bereikt. Nog elke ochtend lachte (ná het scheren) de blauwe waas op mijn bovenlip en rond mijn kin me uit. Mijn twee grootste zorgen in mijn lichamelijke transitie waren het teveel aan haar rond mijn mond en het tekort aan haar bovenop mijn hoofd. Om gek van te worden. Frustraties die niet ín mijn hoofd zaten, maar áán mijn hoofd.

Voorafgaand aan deze intake had ik me al zorgen gemaakt. Ik wist dat voor behandeling de baard ongeschoren moest zijn. Mijn hoofd had dit feit al maanden geblokkeerd en er geen vragen over opgeworpen. Maar het beeld van de transvrouw die ik als kind in een tv-documentaire hartverscheurend zag huilen omdat ze haar baard moest laten staan voor de epilatie, stond me nog helder voor de geest.

Tijdens de intake werd het concreet: ik zou aanvankelijk elke twee weken behandeld worden en voor elke behandeling zou ik me drie, misschien wel vier dagen niet mogen scheren. Drie à vier dagen. Ik was niet verbaasd, maar het voelde alsof een mes in mijn buik werd gestoken en vervolgens nog eens flink rondgedraaid om de wond zo rafelig mogelijk te maken. De struisvogel in mij had in een ruk haar hoofd uit het zand getrokken en keek angstig om zich heen. Net nu ik mijn totale coming-out had gehad zou ik meer dan een jaar lang een derde van de tijd ongeschoren moeten rondlopen. Terwijl ik nu net volop de boer op moest gaan om mezelf aan mijn zakenrelaties te presenteren, zodat ik misschien nog eens een broodnodige klus zou krijgen en mijn financiële zorgen minder zouden worden. Ik kon wel janken, ware het niet dat ik het intakegesprek graag nog enigszins toerekeningsvatbaar wilde volbrengen.

Onderweg naar huis voelde ik boosheid en verdriet. Boosheid op die stomme kutbaard en boosheid op het systeem; het protocol. De kostbare epilatiebehandelingen worden door de zorgverzekeraar pas (deels) vergoed als er een officiële diagnose is. Op zich niet heel raar. Maar welke cynische gevoelloze boekhouder bij de VU had bedacht dat je pas een diagnose krijgt als je ook tot behandeling over gaat? Die behandeling vereist immers dat je fulltime in ‘het wensgeslacht’ leeft om werkelijk te ervaren wat het is. Behalve voor de allerrijksten (die de epilatie nog wel zelf kunnen betalen en dus niet op de diagnose hoeven te wachten) betekent deze werkwijze dus dat je als vrouw een derde van de tijd met een baard moet rondlopen. Veel succes met je Real Life Experience. Maar doe je op die manier ervaring op als vrouw of als Conchita?

Toen ik thuis de trap op liep gierde de paniek door mijn lijf. Mijn hoofd kreeg de puzzel niet gemaakt: er was niet te ontsnappen aan deze pijnlijke consequentie. Tegelijk met het achter mij dichtslaan van mijn voordeur klonk mijn eerste lange huil. Wankelend redde ik het om – met mijn jas nog aan – op de bank in de woonkamer neer te vallen. Met tranen die onstelpbaar over mijn wangen liepen.

dinsdag 25 november 2014

Verdriet-dag

Ze keek me begripvol aan. “Dat noem ik een verdriet-dag”, zei ze. “Soms duurt zo’n dag wel een week. En het is vaak onduidelijk waardoor het verdriet getriggerd wordt; het is er gewoon ineens”. Ik keek haar aan. Ik had de laatste tien jaar al een aantal keer met C. samengewerkt, maar dit had ik nooit aan haar gemerkt. Ik kende haar aanvankelijk als een op de inhoud gerichte, ietwat afstandelijke vrouw. Vriendelijk, dat wel, maar altijd op enige afstand. Dat veranderde een aantal jaar geleden toen haar man overleed. Ze had decennialang haar leven met hem gedeeld, en het greep haar destijds nogal aan hem kwijt te zijn. Ik luisterde toen naar haar en gaf haar steun. Het was het moment dat onze functionele zakelijke verstandhouding veel persoonlijker werd. Maar ik had nooit gemerkt dat ze tot op de dag van vandaag nog zo overdonderd kon worden door het verdriet om hem.

Haar beschrijving was precies hoe ik deze dag ervaarde. Ik had, in haar woorden, een verdriet-dag. Ik moest de hele dag huilen. Soms als direct gevolg van een gedachte, een herinnering. Maar even zo vaak gebeurde het gewoon zomaar. Ik was zelfs huilend wakker geworden. Ik had verdriet om M. Al een paar dagen, maar vandaag was het heel intens. Ik had ’s ochtends al in bed en op de bank gehangen met tissues in de aanslag. Met de krant, Facebook en de tv als bliksemafleiders; om monter net te kunnen doen alsof ik lekker aan het ontspannen was, terwijl ik vluchtte. Ik vluchtte voor het gevoel dat me telkens in de nek sprong: het intense verdriet om M. Ik miste haar. En deze dag kon ik niets anders doen dan huilen. Het montere gevoel van de afgelopen week was helemaal verdwenen. Ik voelde me depressief en intens verdrietig.

Ik kon me met de nodige inspanning best eventjes over dat verdriet heen zetten. Ik was, uiteindelijk, toch gaan douchen en aankleden en ik was naar café-restaurant Dauphine gefietst om daar C. te ontmoeten. Om van haar te horen dat zij zulke dagen kende. En zelfs nu nog wel eens had. Een verdriet-dag. Een verdriet-dag omdat degene met wie je een intens en vervullend hartscontact had, ineens uit je leven is verdwenen. Bij C. omdat hij door de dood gehaald werd, bij mij omdat ze niet langer voor me wilde gaan. De drama-queen in mij constateert fijntjes dat mijn situatie schrijnender is dan die van C. De dood trekt een streep die niet overschreden kan worden, maar M. is nog hier. Het besef dat ik M. gewoon nog kan tegenkomen en ze nu een leven opbouwt met iemand anders, doet pijn. De gedachte dat zij tegen haar P. aan kruipt als ze zich verdrietig en alleen voelt, vergroot mijn verdriet en eenzaamheid. Dat ze haar liefde nu niet meer aan mij geeft voelt als een lange neus naar mij. Het lijkt me makkelijker om boosheid op de dood te relativeren dan boosheid op iemand van vlees en bloed met wie je geen contact meer hebt. Een overledene valt niks te verwijten. In gedachte heb ik steeds stevige gesprekken met M.; het is een uitlaatklep die mijn boosheid in zekere zin alleen maar cultiveert. Maar het is niet helemaal zinloos. Mijn boosheid is een voorportaal van mijn verdriet. Het verdriet dat zich om de haverklap manifesteert. Soms zo onverwacht en zo frequent dat C. zou spreken van een verdriet-dag. Een dag als vandaag.

maandag 24 november 2014

Zullen we het eens niet over mij hebben?

Ik zat aan de thee toen hij binnen kwam lopen. Ik voelde zijn blik nog voordat ik zijn voetstappen kon horen en ik keek op. Daar was R., een oud-collega. Ik draaide mijn onderlijf zo elegant mogelijk onder het tafeltje uit en stond op om hem te begroeten. Ik stak mijn hand uit. Niet te ver van mijn lijf want dat zou het signaal geven dat ik R. op afstand wilde houden en dat wilde ik niet. In die positie wachtte ik een fractie van een seconde af. R. was een man en toen we collega’s waren, was ik dat ook. Destijds schudden we elkaar de hand ter begroeting. Ik wilde het nu aan hem overlaten om te bepalen hoe hij me zou begroeten.

R. negeerde mijn hand en pakte me bij mijn beide bovenarmen vast. Ik zag het al aan de inzet van de beweging: hij ging me zoenen. En ja hoor: zijn hoofd bewoog naar mijn linkerkant. Ik bewoog snel mee naar rechts en onze wangen raakten elkaar. Ik voelde de stoppels op zijn wang me prikken. Hup, naar rechts en weer naar links. Drie zoenen. Een bizarre confrontatie met de kracht van sociale conventies. R. zag een vrouw en begroette een vrouw. Punt. En zo ging het tot nu toe heel vaak. Zo vaak dat het zelfs opvalt als een man me níet zoent ter begroeting. Inmiddels heb ik de baardharen van al zoveel oud-collega’s van dichtbij mogen leren kennen; wie had dat ooit gedacht.

De laatste twee weken (en de komende twee) stonden in het teken van de ‘hernieuwde kennismaking’ waartoe ik in mijn coming-out mail had opgeroepen. Sommige relaties nodigden me daartoe meteen uit. Uit belangstelling. En uit nieuwsgierigheid. Een enkeling was ook zo eerlijk dat laatste ruiterlijk toe te geven. Daar hou ik van, als mensen eerlijk zijn over dingen die ik toch al meen te voelen. Daar wordt mijn wereld overzichtelijker van.

In het kader van mijn ‘hernieuwde kennismaking’-roadshow zat ik nu met R. aan een lunchtafel op een prachtige plek aan het water. Een winters zonnetje verwarmde mijn rug door het raam heen. Ik had me voorgenomen nu eens zo weinig mogelijk uit mezelf te vertellen over mijn proces. Na twee weken (wat zeg ik, twee jaar) alleen maar over jezelf praten raak je het wel even zat. Ik stelde vooral vragen aan R. die, net gescheiden, ook in een transformerende fase in zijn leven zat. R. vertelde honderduit, tot ik na een half uur een ongemakkelijke kriebel van binnen voelde. Waarom heeft hij nog niks aan mij gevraagd? Ik wil toch ook wel iets over mezelf kwijt, ook al heb ik de verhalen inmiddels al vaak verteld. Subtiel creëerde ik een haakje in mijn reactie op zijn verhaal. Maar hij hapte niet. Met vallen en opstaan had ik de afgelopen weken geleerd om voor zakelijke afspraken 50% meer tijd in te plannen dan strikt gezien nodig was, omdat mijn relaties me eerst het hemd van het lijf wilden vragen voordat we naar de inhoud konden gaan. Het was een verademing en tegelijkertijd vreemd dat dat nu niet gebeurde. Aan het eind van onze lunch was mijn verhaal toch nog wel aan de orde geweest, maar duidelijk minder dan ik gewend was geraakt de afgelopen weken. Zou deze afspraak het begin markeren van de fase waarin het even níet over mijn transitie hoeft te gaan?

zaterdag 22 november 2014

Geluksgetal

In mijn huis hangen slingers. S. is jarig. Hij is dertien jaar geworden. Al enige tijd probeer ik mezelf te corrigeren als ik het tegen anderen over ‘mijn zoontje’ heb. Die aanduiding was jarenlang erg toepasselijk, maar past niet bij deze puber met donker dons op zijn bovenlip en een evenzeer ontluikende donkerte in zijn stem. S. is op dit moment misschien zelfs al wel dichter bij de man die hij zal zijn dan bij het kind dat hij was. Nog maar een centimeter of vijftien en zijn lichaam piept boven het mijne uit. Een ontwikkeling die hij door mijn transitie gesaboteerd ziet. Met een knipoog zei hij een paar maanden geleden tegen me: “Ik vind het wel flauw dat je, nét nu ik bijna net zo lang ben als jij, ineens hakken gaat dragen!”. Ontwapenende humor waar hij goed in is. Het was voor mij een geruststellend signaal van zijn acceptatie. Sindsdien voel ik meer ontspanning bij hem als het gaat om mijn proces. Niet dat hij juichend op tafel staat, maar hij durft alle veranderingen wel in de ogen aan te kijken.

Als ik S. naar bed breng, kletsen we traditiegetrouw nog een uur voordat hij gaat slapen. Vroeger markeerde dat intieme moment van samenzijn de overgang van een dag met hem naar een avond voor mij alleen. Tegenwoordig moet ik vechten tegen mijn slaap terwijl hij best nog wel op zou kunnen blijven. Nog even en de rollen zijn omgedraaid: dan brengt hij mij naar bed. Ons klets-uurtje is intact gebleven, ondanks dat hij ouder werd. Gelukkig. Het zijn onze intiemste momenten. Zo ook gisterenavond.

Met onze buik nog vol van twee stukken van de heerlijke chocoladetaart die ik voor zijn verjaardag had gemaakt, gingen we naar bed. Meestal kletsen we op mijn bed, maar deze keer kroop hij in zijn hoogslaper en ging ik op het trapje bij hem staan. En we kletsten. Een uur lang, mijn tegen het laddertje protesterende voeten en kuiten ten spijt. Natuurlijk kwam mijn transitie ter sprake; dat was zo ongeveer een vast agendapunt geworden. Toen ik terloops mijn oude naam noemde zei hij: “Gek, het voelt nu al raar als je die naam noemt”. Ook al wist hij nog niet hoe hij me nu moest gaan noemen was ‘Man-ik’ in elk geval echt niet meer geschikt. Het voelde voor hem – zo bleek – net als voor mij als een naam uit het verleden. Een naam die nog wel vertrouwd was, maar waarvan de lading en glans was overgedragen op een nieuwe naam. De nieuwe situatie was dan nog wel niet vertrouwd, maar inmiddels wel als realiteit aanvaard.

Tijdens ons gesprek graaide ik ineens in mijn decolleté. Ik had jeuk. Jeuk aan mijn ontluikende borstjes. Ik wilde krabben en in de sfeer van vertrouwdheid van het moment kwam het niet in me op dat even buiten S. zijn zicht te doen. “Heb je jeuk?”, vroeg hij retorisch. “Ja, mijn borstjes jeuken vreselijk”, antwoordde ik. “Kun je er al iets van zien?”. “Ja een beetje. Het is millimeterwerk, maar ze beginnen echt te groeien. Wil je ze zien?”. “Ja ik ben wel nieuwsgierig”. Een heel gewoon gesprek tussen vader en zoon dus eigenlijk.

Ik trok mijn bovenkleding en mijn bh met prothesen uit. Daar waren ze. Mijn borstjes. Naar voren priemende tepels op een kleine vetophoping onder mijn huid. Niet veel groter dan een gedroogde abrikoos, maar wel zo hard als een kiezel. Samen met de door testosterongebrek slap geworden borstspieren leek het al heel wat. “Jeetje, je ziet het al!”, stelde S. vast. Geen spoortje van afgrijzen klonk in zijn stem door. Enkel verbazing. Trots op mijn cup AAAAAAA- duwde ik met mijn hand mijn rechterborstje van onder omhoog, waardoor al het weefsel op mijn borst begon te bewegen. Mijn huid welfde in zachte rondingen heen en weer. Tevreden zag ik daarin de belofte van een mooie boezem. “Gek dat je lijf dat gewoon doet met hormonen”, onderstreepte S. zijn verbazing. “Ja het is bizar”, reageerde ik met een toon van blijdschap. Mijn blik verschoof van mijn mini-borstje naar S. en ik keek hem aan. In zijn blik zag ik een zweem van tevredenheid. Ik voelde dat hij blij was dat de kwelling waarin hij wist dat zijn vader zat, nu langzaam aan het verdwijnen was. Dat gevoel maakte me wakker. Ineens werd ik me bewust van de vreemde situatie: een vader is als een kind zo blij met zijn borstjes en de zoon kijkt tevreden toe. Een gek moment van rol-omkering zoals dat onvermijdelijk is in een proces als het onze. Maar de vader in mij stond weer snel op, toen ik de trots voelde. Trots op hoe mijn grote jongen van dertien jaar met de hele situatie omgaat. Wat een bijzonder kind is hij. En wat hou ik veel van hem. Al dertien jaar. Vanaf vandaag is dertien mijn geluksgetal.

zondag 16 november 2014

Ik danste!

Er stond niemand voor de ingang. De deur was dicht. Een onwerkelijke stilte. Heel even schoot het door mijn hoofd dat ik me misschien wel in de dag had vergist. Misschien was Club Lite vanavond toch niet open. Opluchting nam me even in bezit. Want iets in mij zag op tegen deze avond. Ik zou voor het eerst gaan dansen als vrouw. Voor het eerst mét mijn borsten dansen in het openbaar. Beelden van rondvliegende borstprothesen waren de afgelopen week al een paar keer over mijn mentale netvlies getrokken. Maar grimmiger waren de emoties die ik had gevoeld bij gedachten aan een mogelijke ontmoeting met M. Misschien was zij er ook vanavond. Om haar verjaardag al dansend in te luiden.

Gelukkig was L. bij me voor afleiding en voor emotionele bijstand in geval van nood. We trokken aan de deur van de ingang en die zwaaide gewoon open. Natuurlijk toch niet vergist in de dag. We liepen samen de club binnen. Daar bleek de stilte voor de deur geen voorbode: het was er al lekker druk. Na het eerste drankje en een half uurtje kletsen op de loungekussens, gingen L. en ik de dansvloer op.

Onwennig bewoog mijn lijf heen en weer. Ik merkte dat ik de rem er op hield. Als ik mijn lijf de vrije loop zou laten, dan zou het meteen zijn weg vinden naar de mannelijke motoriek die ik zo lang geoefend had. En dat wilde ik niet. Ik was nu een vrouw, dus wilde ik dansen als een vrouw. Ik keek om me heen naar andere vrouwen en zag bewegingen die ik al eerder had gezien. Die ik zelfs al eens had geoefend, thuis in de woonkamer. Maar nu kwamen ze er niet echt lekker uit. Ik observeerde mezelf met de nauwkeurigheid van een moleculair laborant. Maar die klinische sfeer van witte jassen en petrischaaltjes in mijn hoofd stond haaks op de sfeer in de club en wat ik hier wilde beleven.

Ik sloot mijn ogen en draaide met mijn bekken om te ontspannen en om mijn aandacht uit mijn hoofd en in de onderste helft van mijn lijf te krijgen. Ik ademde uit en ik voelde een holte in mijn bekkenbodem ontstaan. Ik voelde mijn vagina. Fysiek nog niet aanwezig, maar energetisch duidelijk ontwikkeld. Dit gevoel maakte mijn vrouwelijke sensualiteit wakker. Mijn bekken begon intenser te bewegen en ik ontspande. Ik voelde mijn benen heen en weer gaan, mijn armen op en neer. Ik was me bewust van mijn borsten, maar het leek alsof de prothesen echte borsten waren geworden die daar altijd al hadden gezeten. En echte borsten vliegen niet zomaar over de dansvloer dus kon ik verder ontspannen. Ik bewoog op het ritme van de beat en de sfeer van de muziek. Zacht en sensueel, energiek en intens. Was het vrouwelijk? Soms. Was het mannelijk? Ja soms ook. Maar het was een dans. Ik danste. Voor het eerst als vrouw. Voor het eerst met acceptatie van mijn vrouwelijkheid met inbegrip van mijn mannelijke danshistorie.

Mensen keken, dat voelde ik wel. Nu kon ik mezelf inbeelden dat ze naar me keken omdat ik gewoon retegoed aan het dansen was. Maar ik was realistisch genoeg om te begrijpen dat ze naar me keken omdat ze een vrouw zagen met een mannelijke historie. Een historie die zichtbaar was op de dansvloer. Natuurlijk observeerde ik ook mezelf gewoon nog, ondanks de ontspanning. Natuurlijk corrigeerde ik mijn mannelijkheid af en toe en kopieerde ik soms de vrouwelijke bewegingen van L. en andere vrouwen om me heen. Als je overal schijt aan hebt dan leer je immers niks. Dan worden dingen nooit anders dan ze zijn. Maar de krampachtigheid waarmee de avond begon, was verdwenen. Van totale overgave was nog geen sprake, maar hey: ik danste. Ik danste!

vrijdag 14 november 2014

Wow!

Het is twee weken geleden dat ik de coming-out mails rondstuurde. Sindsdien kreeg ik veel reacties. Niet alleen op de mail, maar ook via LinkedIn en Facebook, waar ik mijn Man-ik profiel diezelfde avond nog om had gekat naar Lisa. Doodsbang voor afwijzing, voerde ik al die stappen werktuiglijk uit volgens het stappenplan dat ik had voorbereid. Mijn emoties uitgeschakeld, want die zouden alleen maar tot twijfel leiden. Verstand op nul, blik op oneindig. De dood of de gladiolen. Of zoiets.

Met een onveilige hechting als kind in je rugzak is een coming-out als transgender wel zo ongeveer het allerengste wat je kunt doen. Zonder basic trust is je latere gedrag en emotie gekleurd door je angst voor afwijzing en de hunkering naar verbinding. Tegelijk kun je onbewust telkens zelfsaboterend gedrag vertonen waarmee je je omgeving een aanleiding geeft om je af te wijzen. Zoals een mail versturen dat je als vrouw gaat leven bijvoorbeeld.

Maar de afwijzing kwam natuurlijk niet. Tot mijn eigen verbijstering heb ik de afgelopen jaren nooit de afwijzing gekregen waar mijn bange ikje hem verwachtte. Ook niet waar ik hem niet verwachtte. Dus ook niet naar aanleiding van mijn mail. Sterker nog, ik kreeg prachtige reacties. Zo ongeveer een derde van de mails die mensen terugstuurden begon letterlijk met: Wow! Mijn zakenrelaties en kennissen (mijn vrienden wisten het natuurlijk al lang) waren onder de indruk van mijn moed, mijn eerlijkheid en mijn openheid. Respect was nog zo’n woord dat vaak opdook. Ik moest de mails de afgelopen weken een paar keer lezen om de lovende woorden tot me te laten doordringen. Ja ik had iets groots gedaan. Inderdaad, ik zou het bijna vergeten. Door de ogen van anderen kon ik dat zelf ook weer zien.

Ontroerend waren die paar reacties die nadrukkelijk eerst een vaarwel en bedankt schreven aan Man-ik om vervolgens mij als Lisa weer te begroeten. Soms zelfs in twee aparte mailtjes; de eerste naar mijn oude Man-ik adres en de tweede naar mijn nieuwe Lisa adres. Wow, dacht ik dan telkens. En natuurlijk kwamen er dan traantjes.

Veel mensen schreven ook dat ze wel erg aan mijn nieuwe naam moesten wennen en dat ze bang waren zich te vergissen. Hoezeer ik dat ook begreep, merkte ik dat het me toch stoorde dat ze aandacht vroegen voor een ongemakje dat zo onbetekenend is in vergelijking tot het heftige proces dat ik doormaak. Eén iemand had dat zelf ook door. Hij schreef erbij dat hij zich door zijn eigen onwennigheid over mijn andere naam realiseerde hoe heftig het voor mij al die jaren geweest moest zijn om te leven met een naam die niet de mijne was. Weer traantjes, natuurlijk…

Een aantal keer reageerde iemand spontaan op mijn mail, om vervolgens na een half uur, een uur of zelfs een halve dag opnieuw een mail te sturen waaruit bleek dat de impact van mijn stap in de tussentijd echt was doorgedrongen. Daar moest ik meestal wel om lachen. Het had mij een paar decennia gekost om de impact van mijn genderdysforie volledig binnen te laten komen, dus eigenlijk waren ze er nog snel bij.

Zo’n stortvloed aan fijne, lieve, positieve en betrokken reacties zette mijn emotionele systeem natuurlijk op tilt. Zoveel liefde kon ik haast niet aan. Ik heb heel wat gehuild. Van blijdschap, van opluchting en van verdriet over alle pijn uit het verleden. Het gekwetste, afgewezen kind in mij is zeer onder de indruk geraakt van al die liefdevolle mensen in mijn leven. Wow!

donderdag 13 november 2014

Lisa Mianti

Alsof het niet echt was. Alsof iemand had geprobeerd het decor van mijn jeugd na te bouwen, maar daar nét niet helemaal in geslaagd was. Ik herkende de plekken, de straten, de gebouwen. Ik herkende winkels die de afgelopen 25 jaar gewoon op hun oude stekkie hadden doorgebracht en nog steeds klandizie bleken te hebben. Maar er was ook veel veranderd in mijn geboorteplaats. Ik voelde een rare mengeling van vertrouwdheid en ongemak. Dit was niet de plek waar ik opgegroeid was. Dit was een kopie, maar niet gemaakt door een meestervervalser. De verschillen waren te groot. En misschien zat het grootste verschil niet eens in de stad zelf, maar in mij. Het voelde alsof ik dit verleden kende uit geschiedenisboeken. Alsof ik het niet zelf beleefd had. Dit was een andere tijd, een andere wereld, een ander leven. Een andere ik. Ik voelde me een vreemde op mijn geboortegrond. En toch moest ik hier zijn. Ik was hier niet alleen. Y. was bij me. Omdat ik bij de bizarre mijlpaal die ik zo ging slechten, graag gezelschap wilde van iemand die dicht bij me staat.

We liepen het gemeentehuis in. Het was er stil. De aanwijzingen van de receptioniste leidde ons door de grote hal naar een spreekkamertje. Terwijl we door de hal liepen, keek ik rond. Ergens in de archieven van dit gebouw stond een groot zwart dik boek. Met op de rug een jaartal, in gekalligrafeerde letters. Mijn geboortejaar. In dit boek was akte gedaan van mijn geboorte. Daarin waren de gegevens vastgelegd die mijn vader destijds had gemeld bij de dienstdoende ambtenaar van burgerzaken: “Geslacht?” “Man” “Namen?” “Man-ik Jacob Nelis”. Keurige vernoemingen naar mijn beide opa’s, zoals dat in de Brabantse katholieke traditie paste. Het dikke boek zou vandaag afgestoft worden. Mijn geboorteakte zou gewijzigd worden. Vandaag zou ik officieel een meisje worden.

De ambtenaar van vandaag kwam binnen met een paar velletjes papier in haar hand. Geen dik zwart boek. Jammer. Ik wist dat het bestond, want ik had het gezien toen ik ooit voor mijn huwelijk met de moeder van S. een kopie van mijn geboorteakte nodig had. Maar vandaag moesten we het doen met een A4-tje waarop de relevante bladzijde uit het boek gekopieerd was. De ambtenaar rommelde onrustig met haar papieren. Ze leek wel gespannen. Het bleek de tweede keer in haar (zo te zien al best lange) carrière dat ze een geslachtswijziging registreerde. Waarom ze dan zo zenuwachtig was, begreep ik niet, want ze had hier hoe dan ook meer ervaring mee dan ik. Ze vroeg me een deskundigenverklaring te overleggen en me te legitimeren. Ik schoof de brief die de VU had opgesteld om te verklaren dat ik niet gek maar een vrouw ben, naar de overkant van de tafel. Daarna pakte ik mijn paspoort, opende het en keek mezelf aan. In gedachten zei ik tegen de foto in mijn paspoort: “Daar ga je jongen. Dankjewel voor alles. Vaarwel”. Om de opwellende emoties te stoppen, klapte ik het paspoort dicht en gaf het aan de ambtenaar.

“Wat worden je namen?”, vroeg de ambtenaar met haar pen in de aanslag. “Lisa Mianti”, antwoordde ik. Bij het uitspreken van die tweede naam kwam er een brok in mijn keel. Mianti. Een vernoeming, net als bij mijn oude namen. Maar niet naar mijn oma, of mijn moeder. Een vernoeming naar M. Anderhalf jaar geleden besloot ik het al, maar ik hield het geheim. Pas twee maanden geleden vertelde ik het M., alsof ik onbewust wist dat ze het moment suprême niet zou gaan meemaken. Ik wilde dat ze het wist. Dat ze wist dat ik mijn tweede naam naar haar zou vernoemen. Om haar te eren. Uit dankbaarheid en uit liefde. Zij was zo ontzettend belangrijk voor mij en voor mijn proces. Ze steunde me, stimuleerde me, hielp me en bovenal bleef ze ondanks alles van me houden. Ze was mijn veilige haven, mijn inspiratie en mijn troost. Toen we onze relatie en ons contact verbraken, realiseerde ik me dat het dragen van haar naam het proces van loslaten niet echt zou versnellen. Maar toch twijfelde ik niet. Ze verdiende dit eerbetoon. Meer dan wie ook.

Toen de ambtenaar het formulier naar me toe schoof ter ondertekening, gleden mijn ogen snel langs mijn nieuwe namen. Ik moest ze natuurlijk wel op juistheid controleren, maar ik wilde er ook weer niet te lang bij stil staan. Mijn tweede naam mocht even niet te diep tot me door dringen. Want Mianti was hier niet en dat deed pijn. Hoe blij ik ook was met Y. aan mijn zijde; ik miste M. Dat zij er niet was, maakte deze hele administratieve handeling nog onwerkelijker dan hij al was. Alsof het niet kón kloppen omdat zij er niet bij was. Alsof het dan wel een droom móest zijn. Ik zette snel mijn nieuwe handtekening en keek naar Y. Het was geen droom. Ik was hier echt. Ik had zojuist mijn juridische geslacht gewijzigd en mezelf officieel mijn nieuwe namen gegeven. Lisa Mianti.

Even later liep ik met Y. het gemeentehuis uit en centrum van mijn geboorteplaats in. We gingen dit vieren met een gezellige lunch op een terras in de ons gunstig gezinde zon. Ik kon nog niet helemaal bevatten wat ik zojuist gedaan had. In haar vorm was het een handeling van niks, in haar consequenties was het een grote stap. Ik probeerde de impact daarvan niet te voelen. Het was te veel en te groot. Te veel en te groot om zonder M. te dragen. Wat had ik me nu graag door haar laten omhelzen. Om te kunnen ontspannen in alle blijdschap en verdriet van dit moment. Maar ja. Mijn liefste lief was niet meer in mijn leven. In mijn hart droeg ik haar nog met me mee. En vanaf vandaag zou ik dat ook in mijn naam doen. Lieve Mianti, ik hou van jou. Dankjewel dat je in mijn leven was.

maandag 10 november 2014

Achtergelaten

Je had misschien verwacht dat ik na mijn totale coming-out elke dag op dit blog jubelverhalen zou schrijven. Eindelijk elke dag een vrouw! Jaren over getwijfeld, maanden naar toegeleefd. Eindelijk klopt het leven weer, eindelijk rust. Nou… nee. Natuurlijk was deze coming-out niet het einde van het proces, maar het einde van een fase. Het echte werk begint nu pas.

De afgelopen week heb ik me niet gedragen gevoeld door de euforie van mijn grote stap. Integendeel. De afgelopen week ben ik me langzaam maar zeker steeds depressiever gaan voelen. Zo depressief dat ik niet de puf had om op mijn blog te schrijven. Ook niet over de mooie en positieve reacties die ik kreeg. Ze waren hartverwarmend, daar niet van. Maar ze beklijfden maar even. Een groot donker gevoel trok voortdurend aan me. En doet dat nu nog steeds. Een donker gevoel van pijn. Pijn om het loslaten. Pijn om wat ik moet achterlaten in de fase die ik nu formeel heb afgesloten.

Deze stap brengt oude pijn naar boven. Pijn van een leven lang leven in het verkeerde lichaam en in de verkeerde rol. Pijn waarvan ik weet dat die niet oplost door een vrouw te worden. De transitie zorgt er enkel voor dat er geen nieuwe gender-pijn meer bij komt. De pijn van vroeger heeft littekens achtergelaten die altijd gevoelig blijven. En in perioden van emotionele instabiliteit opspelen als jicht in de herfst.

De pijn die me de laatste dagen het sterkste kwelt is de pijn om M. Van alles wat ik achter me laat in ‘mijn vorige leven’, is zij me het meest dierbaar. Ik wil haar niet achterlaten, ik wil haar bij me. Nu. Hier. Zodat ze me een knuffel kan geven en ik haar kan kussen en kan zeggen hoeveel ik van haar hou. Het verscheurt mijn hart om haar te moeten loslaten. Ik weet niet hoe ik dat moet doen. Elke vezel in mijn lijf schreeuwt om haar. En mijn stem heeft dat ook al vaak gedaan de laatste dagen, ik ben er schor van. We zijn zo intens en diep samengesmolten geraakt in de tijd die we samen deelden, dat het losmaken voelt als zelfmoord. Onze liefde was intens en goddelijk maar bleek onmogelijk. En dat doet pijn. Heel veel pijn.

Ik voel me alleen. Niet alleen omdat M. niet hier is. Ook omdat ik het niet meer kan opbrengen om telkens hulp te vragen bij vrienden. Ze bieden me aan om te komen eten. Ze bellen me op om met me te praten. Ze sturen me berichtjes dat ze aan me denken. Het zijn schatten en ik weet dat ik in hun plaats hetzelfde gedaan zou hebben. Het is alleen niet wat ik nodig heb. Ik wil letterlijk bij iemand op schoot kunnen kruipen die me zachtjes door mijn haren streelt terwijl ik mijn tranen huil. Iemand die zonder enige concrete oplossing me geruststelt met woorden als “het komt goed, lieverd”. Emotioneel gezien ben ik door mijn proces een meisje van vier jaar oud geworden. En meisjes van vier hebben knuffels nodig en een aai over hun bol. Daar heb je geen moeilijke telefoongesprekken mee. Die laat je niet met al hun verdriet en radeloosheid ’s avonds laat door de stad fietsen om bij je te komen eten. Die neem je op schoot en die knuffel je.

Ik weet dat ik het mijn vrienden moeilijk maak. Mijn emoties zijn op dit moment zo groot dat zelfs ik, met een reputatie van openheid en kwetsbaarheid, ze niet meer durf te tonen. Bang om mijn vrienden weg te jagen. Bang dat ze bezwijken aan mijn emoties. Het is te veel. Te heftig. En zo kruip ik in mijn schulp. Ik weet dat ik dat niet moet doen. Maar ik kan mezelf niet meer in het licht van de aandacht zetten. Ik kan het niet meer. Ik mis mijn soulmate. Ik mis M. Lieve M., waar ben je nou? Waarom heb ik je achtergelaten?

dinsdag 4 november 2014

Omhoog

Ik stap uit mijn auto en loop naar de deur van het kantoorgebouw. Ik bereid me voor op verwarring. Ik had me al twee weken geleden aangemeld voor deze afscheidsreceptie. Met mijn Man-ik naam. Want dat was de naam waarop mijn zakenrelatie me had uitgenodigd voor haar afscheidsreceptie. En ik had toen nog geen idee wanneer mijn grote coming-out zou zijn. Maar vandaag blijkt dat dat al weer een paar dagen geleden is. Ik ga dus voor het eerst in mijn nieuwe leven naar een afscheidsreceptie. Een netwerk-evenement pur sang, waar niet alleen onbekenden maar ook bekenden van mij zullen rondlopen. Een pittige confrontatie. In letterlijke zin met deze mensen. Maar in figuurlijke zin nog veel enger: een confrontatie mijn eigen angst afgewezen te worden. Een angst die dan wel deels irreëel is maar daardoor zeker niet minder diep verankerd.

Terwijl ik op de receptiebalie afloop in zo ongeveer het hoogste kantoorgebouw van Utrecht, probeer ik een keuze te maken in wat ik ga zeggen: “Ik ben Lisa, ik kom in Man-ik’s plaats”. Of: “He wat raar, hoe komt die naam daar nou?”. Of: “Ja, dat was toen. Sinds een paar dagen heet ik Lisa. Ik ben transgender”. Alle opties lijken me even belachelijk. “Goedemiddag mevrouw, wat is uw naam?”, haalt de vriendelijke receptioniste me uit mijn gedachten. Met geveinsde ontspanning noem ik mijn achternaam. “Lisa”, leest ze van haar lijst op terwijl ze me mijn bezoekersbadge overhandigt. Lisa. Wat fijn. Mijn zakenrelatie heeft naar aanleiding van mijn mail mijn naam op de aanmeldingslijst laten aanpassen. Wat ongelofelijk attent. Ik stel me zo voor dat je de twee dagen voor je afscheidsreceptie wel wat anders te doen hebt. Ik voel me gezien en heel serieus genomen. Blij neem ik de badge in ontvangst en ik glimlach naar de zwarte letters die op het kaartje mijn naam vormen.

In de lift kijk ik even in de spiegel terwijl ik geruisloos omhoog naar de 21e verdieping wordt gebracht. Onhandig pruts ik met het klemmetje van de bezoekersbadge die ik geacht word te dragen. Een voor mij vertrouwd fenomeen en tot dit weekend klikte ik het altijd routineus aan het borstzakje van mijn colbert of overhemd. Maar nu schuif ik het klemmetje op verschillende posities langs de zoom van de diepe hals van mijn jurk. Overal leidt het tot een onelegant op mijn borst hangend naamplaatje. Hmmm, ineens beginnen mij banale oorzaken van het glazen plafond voor vrouwen in het bedrijfsleven te dagen. Als mannelijke gesprekspartners tijdens netwerkborrels zo ongeveer letterlijk hun neus in je decolleté moeten steken om je naambadge te kunnen lezen, kan ik me voorstellen dat ze je sterker met vleselijke lusten gaan associëren dan met daadkrachtig en visionair management. Naar je verhaal luisteren ze in elk geval niet meer. Ik besluit de badge in mijn tas te stoppen en stap de lift uit.

Mijn zakenrelatie is duidelijk verheugd me te zien. We zoenen ter begroeting. Iets wat we nooit eerder gedaan hebben. We praten wat over haar afscheid. Ze noemt mijn stappen dapper en we spreken af elkaar snel onder vier ogen te spreken om bij te praten. Daarna begeef ik me in het rumoer van de borrel. Een bekend rumoer. Het is de sfeer waarin het draait om de juiste mensen te spreken krijgen, in tien seconden de juiste indruk wekken en na een minuut of twee het visitekaartje weten te bemachtigen. De plek bij uitstek dus voor het vierjarig meisje dat afgelopen weekend de totale verantwoordelijkheid voor het leven van een veertig jaar oude man heeft overgenomen. Ik adem diep (althans, dat probeer ik) en ik spreek een oud-opdrachtgever aan die er ook is. Hij heeft mijn coming-out-mailing ook gekregen dus wordt ons een ongemakkelijke introductie bespaard. Geheel tegen mijn verwachting in praat hij hartelijk, belangstellend (okee ook gewoon nieuwsgierig) en nodigt hij me uit weer eens langs te komen. Een groot contrast met hoe we vorig jaar afscheid namen bij het eind van mijn opdracht. Mijn coaching van het managementteam was erg confronterend gebleken en door een taxatiefout mijnerzijds was de opdracht bijna ontspoord. Ik kon de zaak nog net redden, maar de relatie was verloren, zo dacht ik. Maar nu staat hier die opdrachtgever me vriendelijk aan te kijken en me uit te nodigen voor een kop koffie. Niet concreet, met alle ruimte om de uitnodiging niet na te komen, maar toch. Ik voel me geaccepteerd. De zweem van nieuwsgierigheid neem ik daarbij op de koop toe. Daar ben ik inmiddels wel aan gewend. Transgenders zijn nu eenmaal fascinerend.

Zo loop ik van genodigde naar genodigde en ontmoet ik nieuwe gezichten en enkele oude bekenden. Het contact is allerhartelijkst. Ik doe mijn best, dus echt ontspannen word ik niet. Misschien is dat ook wel veel gevraagd voor zo’n eerste keer. Tevreden loop ik na anderhalf uur terug naar de lift. Ik voel pijn in mijn keel. Anderhalf uur op mijn vrouwelijkst praten op luide toon om boven het rumoer van de anderen uit te komen heeft zijn tol geëist. Daar zal ik met mijn pratende beroep nog heel vaak tegenaan lopen. Ik kijk uit naar de logopedie, die me gaat leren vrouwelijk te praten zónder mijn stem te forceren. Het voorafgaande onderzoek door een KNO-arts is al snel. In VU-tijd dan. Het is de tweede week van december. Ruim twee maanden nadat ik om zo’n afspraak had gevraagd. Maar goed. Terwijl de lift me van de 21e verdieping terug naar de aarde brengt, realiseer ik me dat ik daarnet boven mezelf uitgestegen was. Ik stond tijdens de borrel daarboven mijn angsten en onzekerheden te confronteren en ik heb het overleefd. Ik heb het gedaan. De lijn van mijn leven lijkt zich weer omhoog te bewegen. Yeah!

Slak op een tak

Je ligt in het gras te genieten van een heerlijke zomerdag. Blauwe lucht, verlevendigd met hier en daar een plukje wit. Vlak naast je groeien struiken en terwijl je er dromerig je blik langs laat gaan, zie je ineens een slak. Het bruingrijze beestje zit op een tak in een van de struiken. Je bekijkt hem eens goed: een licht glimmend lichaam torst bovenop zijn rug een huisje. Van de zijkant ziet het huisje er uit als een mooie ronde schijf die in een sierlijke krul uitkomt in een klein puntje, precies in het midden. Het puntje glimt een beetje. Rechts onder het huisje zie je twee kleine voelsprietjes uit het lichaam steken waaruit je concludeert welke richting de slak heen gaat. Een subtiel slijmspoortje aan de achterkant bevestigt de aanname. Dat indirecte bewijs is nodig, want de slak lijkt niet te bewegen. Hoe secuur je ook tuurt, je ziet geen enkele beweging in het lijfje. Het huisje blijft roerloos op zijn plek. Het lijkt wel of de slak dood is. Een minuut lang staar je naar het beestje in de hoop iets van vooruitgang te zien. Tevergeefs. De traagheid van de natuur laat zich hier in haar beste vorm zien.

Tevreden richt je je aandacht weer op de wolkjes in de lucht en even sluit je je ogen om intenser van het moment te genieten. Wanneer je je ogen weer open doet en met je blik de slak weer opzoekt, blijkt het beestje verschoven te zijn. Hij is nu ietsje verder, een heel klein beetje maar, hoogstens een paar millimeter, maar hij is onmiskenbaar opgeschoven. Opnieuw observeer je het beestje een minuut lang in de hoop een glimp van zijn beweging op te vangen. Maar de slak lijkt roerloos. Alsof hij weet dat je kijkt. Alsof hij weet dat je graag zou zien hoe hij aan het eind van de tak aankomt.

Zo kijk ik in de spiegel. Al vier weken. Ik weet dat ik pas na drie maanden zichtbare vooruitgang mag verwachten, maar toch. Toen ik net begonnen was met mijn hormoonpleisters keek ik elke dag wel twee keer of ik al borstgroei zag. Het enige zichtbare effect was de rode zwelling in de puntjes van mijn tepels. Dat was hoopgevend, maar borstgroei mocht dat niet heten. Elke dag keek ik opnieuw, maar er leek verder niks te gebeuren. Telkens zei ik tegen mezelf: “laat nou maar, voorlopig is er toch niks te zien”, maar het duurde wel drie weken voordat ik er ook daadwerkelijk in slaagde om de fixatie op mijn borstgroei los te laten.

Tot ik gisteren ineens mezelf weer met ontbloot bovenlijf voor de spiegel vond. Ik draaide mijn lichaam en zag het profiel van mijn tepels opdoemen. Ze waren boller geworden. Niet alleen het tepelpuntje, maar de hele tepelhof was nu opgezwollen. Met mijn vinger drukte ik er zachtjes op en ik slaakte een kreet. Dat deed behoorlijk pijn. Liefdevol draaide ik mijn lijf voor de spiegel heen en weer. Ja, ze waren echt gegroeid. Een millimeter misschien. Maar duidelijk gegroeid. Een minuut lang staarde ik naar mijn tepels in de hoop een glimp op te vangen van het groeiproces. Tevergeefs. De traagheid van de natuur liet zich hier duidelijk zien. Traag, maar onmiskenbaar in beweging. Mijn borsten waren aan het groeien. Joepie!

zondag 2 november 2014

Teen in het water

Het is gebeurd. Ik kan niet meer terug. Nee, ik hoef niet meer terug. Ik hoef niet meer te switchen tussen man en vrouw. Het gebeurde de laatste weken nauwelijks meer, maar soms moest ik toch nog, voor mijn werk, een broek en een overhemd aan. Dat is voorbij. Mijn leven als man is voorbij. Ik heb jaren in een overgangsfase geleefd met twee identiteiten naast elkaar. Ik realiseer me dat ook de komende jaren nog wel een overgangsfase zullen zijn. Vooralsnog ben ik namelijk nog een ‘meisje met een piemel’, zoals het zoontje van vrienden laatst zo treffend samenvatte. Maar in elk geval ben ik sinds eergisteren een ‘meisje met nog maar één identiteit’. En dat is een hele vooruitgang kan ik je zeggen.

De laatste maanden leefde ik op mijn overlevingsinstinct. Genieten was er niet meer bij. Rusten ook niet. Als een rusteloos dier, gekooid en hunkerend naar vrijheid, ijsbeerde ik heen en weer door mijn dagen. Ik was niet waar ik wilde zijn, maar ik kon ook nog niet gaan naar waar ik heen wilde. Ik moest wachten. Omdat ik nog veel praktische zaken wilde regelen. Maar meer nog omdat ik emotioneel nog niet klaar was. Er was veel angst en weerstand. Dat ik de stap eergisteren uiteindelijk nam, kwam niet doordat mijn angst en weerstand waren verdwenen. Nee, mijn pijn en frustratie over het uitblijven van de stap waren zo groot geworden dat ze de immense angst overschaduwden. Emoties zijn zelden eendimensionaal. Er zijn meestal meerdere emoties die om voorrang strijden en ineens kan de balans omslaan. Daarom spreken we in het dagelijks taalgebruik ook over ‘angsten overwinnen’. Dat is wat het is. Je kunt hem pas laten verdwijnen nadat je je angst eerst hebt uitgeschakeld door er een krachtiger emotie naast te zetten. Door de angst af te troeven. Door van de angst te winnen met een emotie die nog sterker leiding neemt over je leven. Bij mij was de angst zo groot dat zelfs mijn sterke, intense verlangen om als vrouw te leven daarvoor onvoldoende was. Het verlangen hield me wel op de been, het zorgde dat ik ondanks de angst stappen bleef zetten, maar de doorbraak kwam maar niet. Pas toen mijn verlangen hulp kreeg van mijn intussen torenhoog gegroeide frustratie over het uitblijven van die doorbraak, gaf mijn angst zich gewonnen. Totaal overweldigd door de heftigheid van tegen elkaar opboksende emoties was ik de laatste weken volkomen verdoofd. Ik kon totaal niet meer voelen wat er in mijn hart leefde. Mijn stappen vooruit zette ik vanuit mijn wilskracht. Omdat ik inmiddels wel wist dat het moest. Maar ik voelde er niks meer bij. Toen ik uiteindelijk de rode knop indrukte, deed ik dat met een leeg en eenzaam gevoel dat ik eerst enkel toeschreef aan het gemis van M., maar waarvan ik nu zie dat zeker ook de afstomping van mijn gevoel er een rol in speelde.

De reacties uit mijn omgeving op mijn totale coming-out waren overweldigend. De mensen die het al wisten waren trots; de mensen die er nog niks van wisten meestal totaal verbijsterd. Maar allemaal vonden ze mijn stap dapper en waren ze onder de indruk van hun eigen fantasieën over hoe dit proces voor mij geweest moest zijn. Fantasieën die waarschijnlijk wel correct waren, maar vrijwel zeker ook een onderschatting. De impact van een genderidentiteitsstoornis kun je niet snel overschatten, denk ik. De reacties die ik kreeg hadden even tijd nodig om door het krachtige pantser van mijn verdoving heen te breken. Maar dat lukte. Alle mails, whatsappjes, likes en telefoontjes die ik kreeg maakten me warm van binnen, deden me huilen van opluchting en deden mijn lijf schokken van het loslaten van de spanning. De zo fundamenteel gevreesde afwijzing was niet gekomen.

En nu begint mijn gevoel terug te komen. De eerste druppels besef van wat ik gedaan heb beginnen binnen te sijpelen. Toen ik gisteren met S. door de Kennemerduinen wandelde sprak ik met hem natuurlijk over de stap die ik had gezet. Maar belangrijker waren nog de momenten dat we samen stil waren. Stilte was de afgelopen maanden een luxe geweest die ik me niet kon veroorloven. In de stilte kwam de pijn; teveel pijn. Gisteren durfde ik af en toe te proeven van die stilte. Maar voorzichtig; alsof ik een teen in het zwembad stak om alvast de watertemperatuur te controleren. Heel subtiel ontspande mijn gestresste systeem zich dan. Mijn spieren ontspanden een beetje, de maalstroom aan onrustige, jachtige gedachten in mijn hoofd stokte, mijn ademhaling werd eventjes diep en langzaam. En ik voelde. Ik voelde kleine snufjes gevoelens die ik al zo lang had gemist. Een snufje opluchting. Een snufje trots. Een snufje blijdschap. Ja zelfs een snufje gretigheid. Gretigheid om mijn nieuwe leven volledig te omarmen en er ten volle van te gaan genieten. Het is begonnen. Mijn nieuwe leven is begonnen.

PS: Dit blog gaat over het innerlijke proces van genderdysforie. Maar om jullie trouwe lezers te belonen heb ik bij deze mijlpaal mijn profielfoto maar eens geactualiseerd. Kunnen jullie ook eens iets zien van het uiterlijke proces.