woensdag 30 december 2015

Wegrijden

Het is donker als ik de doucheruimte uit kom. Ik wandel terug naar de tent. Daar zit S. op mij te wachten. Hij mocht van mij nog heel even gaan spelen als hij maar terug bij de tent zou zijn voor het donker werd. Onze buitenlandse camping loopt vloeiend over in een groot heuvelachtig donker bosgebied waarin een zevenjarige zomaar zou kunnen verdwalen, maar ik vertrouw erop dat S. verantwoordelijk is omgegaan met de vrijheid die ik hem heb gegeven. Dat doet hij namelijk altijd, en daarom mag hij veel van mij. Eenmaal bij de tent blijken de campingstoeltjes leeg. De tent zelf ook. Ik kijk rond of ik hem op het veldje zie. Geen S. Mijn hartslag versnelt zich. “Rustig maar, er is niks aan de hand”, zeg ik tegen mezelf, maar mijn intuïtie zegt iets heel anders. Snel loop ik terug naar het douchegebouw en controleer of hij niet toevallig op het toilet zit. Ik roep zijn naam. Geen reactie. In het donker loop ik over de camping en roep af en toe zijn naam. Eerst nog schuchter, want ik wil geen paniek veroorzaken bij de andere gasten. Maar mijn keel wordt steeds droger en mijn hartslag steeds sneller en uiteindelijk kan ik mijn bezorgdheid niet meer verbergen. S. is niet meer hier. Over mijn emotionele netvlies rollen angstscenario’s over verdwalen in het donkere bos, over kinderverkrachters, over een diepe val van een heuvel en een gebroken been, of erger. Andere campinggasten spreken me aan en voor ik het weet lopen tien mensen met zaklampen over de grote bosrijke camping en roepen ze S. zijn naam. Oh, S. waar ben je nou? Ik zie mezelf ineens op zijn dode lichaam stuiten, midden in dit enge buitenlandse bos. Ik zie mezelf bij zijn begrafenis staan. S. waar ben je? Kom snel weer terug lieve schat. Dikke watten in mijn hoofd leggen een waas over alles wat er gebeurt. Het lijkt zelfs alsof ik mezelf niet meer in de hand heb. Ik loop naar de tent. In het donker breek ik de tent af. Slaapzakken, campingstoeltjes, de tent: alle spullen leg ik in de auto. Terwijl ik op de achtergrond de andere campinggasten S. zijn naam horen roepen, stap ik in. Ik start de auto en rijd weg.

Het dekbed glijdt van me af. Ik zit rechtop in bed. Ik hijg. Mijn handen zijn klam en mijn keel is droog. Ik droomde. Of eigenlijk herinnerde ik me in mijn slaap een werkelijk voorval, jaren geleden, tijdens een vakantie met S. Alles gebeurde toen exact zoals ik het net droomde, alleen brak ik de tent niet af, stapte ik niet in de auto en reed ik niet weg. Ik zou S. nooit in de steek laten. Nooit. Toch?

Het voelt alsof ik al bijna een jaar op een donkere camping rondloop, tevergeefs naar S. roepend. Hij hoort me niet, lijkt het. Hij negeert me in elk geval. Ik mis hem en ik maak me zorgen. Hoe langer het duurt dat we elkaar niet zien, hoe groter de kans dat het niet meer goed komt. Dat het nooit meer zal zijn zoals het was tussen ons. We verloren elkaar uit het oog als genderdysfore vader en puberende zoon. Wie zullen we zijn als we elkaar ooit weer ontmoeten? Hij ontwikkelt zich, gestuurd door de loyaliteit aan zijn moeder. En ik ontwikkel me, gestuurd door mijn verlangen een vrouw te zijn. Bij elke stap in mijn transitie is het alsof ik het voor hem moeilijker maak om de weg terug naar mij te vinden. Alsof ik ons tentje telkens op een andere plek op de camping neerzet. De steeds dichterbij komende Grote Operatie voelt alsof ik in de auto ga stappen, ga wegrijden en S. mij nooit meer zal kunnen vinden. Wat ben ik toch aan het doen?

donderdag 24 december 2015

Tijd voor therapie

De telefoon gaat. Onbekend nummer. Ik adem diep in en uit en laat mijn kaak losjes naar beneden vallen. Eerst mijn strottenhoofd goed ontspannen om zo vrouwelijk mogelijk te klinken door te telefoon. De laatste keer dat ik door de telefoon nog met ‘meneer’ aangesproken werd, ligt gelukkig al meer dan een half jaar achter me. Hoewel ik me nog steeds enorm kwetsbaar voel door de telefoon, ben ik bijna nooit meer in paniek als de telefoon gaat. Maar alert blijf ik wel. Ik wil niet falen als vrouw.

Ik neem op: “Met Lisa”. “Dag mevrouw, u spreekt met de haartransplanteur, we willen graag een afspraak met u maken voor de negen-maanden-controle”. Negen maanden? Is mijn laatste haartransplantatie pas zo kort geleden? Ik was het compleet vergeten. Nou ja, ik kijk nog steeds elke dag vol tevredenheid in de spiegel naar het resultaat, maar ik was vergeten dat ik officieel nog in het nazorg-traject zit van de haartransplanteur. Ik maak een afspraak met de dame aan de andere kant van de lijn en hang op. Al weer een consult in de agenda. De zoveelste. Een gendertransitie slokt niet alleen emotioneel en financieel gezien alle bronnen op, maar het is enkel en alleen al vanwege alle consulten bij de diverse artsen en therapeuten bijna een fulltime baan. In mijn hoofd maak ik een opsomming van alle artsen en therapeuten met wie ik alleen al deze maand contact heb gehad of nog ga hebben vanwege mijn transitie. Het blijkt een indrukwekkende lijst:
  • de arts die mijn haartransplantaties heeft uitgevoerd
  • de huidtherapeut die mijn baard verwijdert
  • mijn logopediste
  • de huidtherapeut die mijn genitale ontharing verzorgt
  • mijn endocrinoloog de mijn hormoonbehandeling voor haar rekening neemt
  • de psycholoog van de VU die als ‘casemanager’ mijn mentaal/emotionele proces monitort
  • de plastisch chirurg die misschien mijn vagina gaat maken
  • de bekkenfysiotherapeut die mij gaat voorbereiden op het dilateren van mijn vagina
  • mijn psycholoog die me al jaren begeleidt
Negen stuks. Negen verschillende therapeuten of artsen in één maand. Het is een wonder dat ik nog tijd en energie over heb om een beetje te werken.

woensdag 23 december 2015

Boobytrap zonder boobies

Stof dwarrelt in mijn gezicht. Ik knipper met mijn ogen en blaas met een ademstoot de wolk dansende deeltjes van me af. Maar mijn arm gaat gestaag door. Het schuurpapier beweegt fanatiek heen en weer over het hout alsof dit het een van de belangrijkste dingen is in mijn leven. Maar dat is het niet, eigenlijk. Ik ben voor een vriend het houtwerk van de schuifdeuren van zijn prachtige kamer en suite aan het renoveren en werk met een ongekende gedrevenheid, focus en resultaatgerichtheid. Nou ja, Man-ik doet het.

Al klussend beweeg ik de mannelijke bewegingen die in de eerste helft van mijn leven zo vertrouwd geworden zijn. Ik herken ze als onderdeel van mij. Mijn Lisa-stem, melodieus dansend rond een A#, twee tonen hoger dan mijn mannenstem, is nergens te bekennen. Ik hoor weer de stem die ik decennia gebruikt heb: de toon een F# en de intonatie mannelijk. Meewarig observeer ik mezelf. God, wat brom ik. Waarom gebeurt dit toch steeds? Waarom val ik steeds terug in Man-ik?

Het is een van de grootste frustraties van elke transvrouw: de mannelijke erfenis. Jaren probeerde ik er aan te ontsnappen door de man zoveel mogelijk te ontkennen, weg te moffelen, te bestrijden. Inmiddels heb ik door dat het beter werkt om in vrede te leven met die man, maar dat valt in de praktijk soms niet mee. Om de haverklap val ik terug in de aloude mannelijke patronen. Als een onzichtbare valstrik ligt mijn mannelijke verleden op mij te wachten. Een boobytrap, maar dan dus juist zónder boobies, klaar om toe te slaan als ik even niet oplet. Mijn nieuwe vrouwelijke patronen gaan steeds meer vanzelf, maar het zal nog wel even duren voor ze net zo ingesleten zijn als de mannelijke. Tot die tijd zal ik dus regelmatig terugvallen in Man-ik.

Inmiddels ben ik wel wat gewend geraakt aan die dynamiek. Maar de frequentie van de terugvallen lijkt toe te nemen en deze keer is de terugval opvallend diep en langdurig. Ik ben al dagen een man. Niet alleen in stem en motoriek, maar ook in hoe ik mezelf van binnen ervaar. Ik droom zelfs weer van seks met vrouwen. Waarbij ik mijn piemel gebruik. Ik schrik er van en mijn hoofd probeert naarstig betekenis toe te kennen aan deze ontwikkeling, met saboterende vragen als ‘is mijn genderdysforie aan het overwaaien?’ of ‘heb ik me dan toch vergist?’. Ik realiseer me dat het vast te maken heeft met de spanning van de steeds dichterbij komende operatie. De man in mij is geschrokken van dat vooruitzicht.

Het is als transgender onmogelijk om je oude identiteit helemaal van je los te schudden, behalve misschien als je al zo jong in transitie bent gegaan dat er van een oude identiteit nauwelijks sprake was. Ik probeer Man-ik niet langer te onderdrukken. Hoewel ik overwegend vrouw ben, is die man ook wie ik ben. En hij wil af en toe buiten spelen. Vaak baal ik van het lompe gebrek aan elegantie, sensitiviteit en verbondenheid dat ik dan tentoonspreid. Maar nu ik zie hoe daadkrachtig, gefocust en resultaatgericht ik deze uitgebreide schilderklus aan het uitvoeren ben, voel ik het verdriet dat je kunt voelen bij het weerzien van een lang verdwenen vriend.

woensdag 16 december 2015

Halverwege

Ik zag het helemaal voor me: een stop-motion filmpje van hoe mijn borsten als gevolg van de hormoonbehandeling in twee jaar tijd zouden uitgroeien tot een mooie cup B. Dus begon ik vorig jaar foto’s te maken: zijaanzichten van mijn borsten. De eerste foto, vijftien maanden geleden, toonde niets meer dan een rode tepel, de foto’s die volgden lieten steeds een ietsiepietsie dikkere welving zien, maar veel was het niet. Na de vierde foto haakte ik af. Niet omdat de onhandig uit de hand geschoten foto’s nooit een mooi filmpje konden opleveren, maar vanwege de frustratie over de tegenvallende groei.

Inmiddels is mijn borstgroei halverwege. Niet halverwege de door mij gewenste omvang, maar halverwege de gemiddelde periode waarin borsten zich ontwikkelen bij transvrouwen. Na een jaar of tweeëneenhalf à drie schijnt de boel wel uitgegroeid te zijn. Wat je dan aan borstomvang mist, moet met implantaten worden opgelost; een optie waar driekwart van de transvrouwen ook voor kiest om zich happy te kunnen voelen met de eigen boezem. Ik wil eigenlijk geen implantaten (vanwege gezondheidsrisico’s en het ‘neppe’ gevoel), maar het lijkt er op dat ik daar toch op af steven. Mijn beslissing om extra hormonen te gaan slikken heeft de boel zeker weer aan het groeien gezet, maar ik ben niet gerust op het trage tempo.

Nee, ik hoef geen cup dubbel-D. En ja, er zijn veel vrouwen met maar een cupje A. En ja, ik ben vrij slank, dus moeten mijn borsten niet te groot zijn. Maar omdat mijn borsten zich bevinden tegen de achtergrond van mijn brede mannelijke torso en omlijst zijn met mijn relatief brede schouders, is een bescheiden A-tje echt uit balans voor een geloofwaardig voorkomen. Is er niet een of ander wondermiddel dat mijn schouders, longinhoud en borstkas zou kunnen doen krimpen naar vrouwelijke proporties?

Mijn borsten vinden het, hoe stereotiep vrouwelijk, nogal moeilijk om ruimte in te nemen. Maar de rest van mijn lichaam reageert behoorlijk goed op de vrouwelijke hormonen. Ik heb een kont, dijen en zachte ronde vormen all over the place. Een maand of twee geleden liet ik me door een artistieke fotograaf naakt fotograferen om dit gekke rare tussenstadium van mijn lichaam vast te leggen. Niet alleen voor mezelf, maar ook om aan een breder publiek zichtbaar te maken welke emoties en fysieke processen een rol spelen bij een transitie. De foto’s zullen komend jaar zeker nog geëxposeerd gaan worden.

Ik kijk regelmatig naar die foto’s. Ze geven me een ander gezichtspunt dan mijn badkamerspiegel. Mijn lichaam is zo aan verandering onderhevig, dat het moeilijk is om me er in thuis te voelen. De foto’s helpen me daar bij. Als ik er naar kijk ben ik steeds dolblij en totaal verbijsterd. Ben ik dat? Is dat vrouwenlichaam mijn lijf? Dat mooie vrouwenlichaam? Ook de borstjes zijn mooi, hoe klein ze ook zijn. Maar wat doet die gekke piemel daar dan nog?

Foto: Izaak P. Slagt

maandag 14 december 2015

Dat zullen we nog wel eens zien!

Mijn lieve hartsvriendin L. belde me vanavond. Zomaar, om bij te kletsen. Gezellig. Nou ja, dat had het kunnen zijn. Maar ik voelde me helemaal niet gezellig. We voelden allebei dat dit niet het moment was en hingen daarom maar snel op. Ik voel me al een tijdje niet gezellig. Okee, soms heb ik goede dagen en dan ben ik actief en dan kan ik oprecht genieten van de dingen die ik doe en van het contact met anderen. Maar de laatste tijd volgen de sombere dagen elkaar weer steeds sneller op. In een eeuwig durende pirouette draait mijn leven om haar as en duikt ze telkens aan de schaduwzijde van haar eigen bestaan, als een planeet die in een eindeloze werveling dag en nacht maakt. Telkens als ik durf te denken dat het beter gaat, komt weer een nacht. En hoewel het afgelopen halfjaar mijn emotionele nachten – in tegenstelling tot de aardse nachten – steeds korter werden en de tijd ertussen steeds langer, heeft zich onlangs in mij in rap tempo een emotionele zonnewende voorgedaan.

Natuurlijk, het is bijna winter en in de aanloop daarvan ben ik traditiegetrouw wat somberder. Natuurlijk, mijn financiële situatie blijft zeer kwetsbaar en daar voel ik me onrustig bij. Natuurlijk, de feestmaand is begonnen en mijn omgeving en de media herinneren me er voortdurend aan dat ik geen gezin, geen familie, geen liefje heb om al die knusse momenten die horen te komen mee te beleven. Dit alles helpt niet. Maar er is iets anders aan de hand. Nu mijn operatie in zicht is wil ik niet meer wachten. Ik wil nú een vagina. Ik wil nú mijn nieuwe lijf gaan ontdekken, ik wil nú seks met een man. Maar het mag nog niet. Het kan nog niet. De verantwoordelijke, verstandige volwassene in mij weet dat. Maar het opgroeiende kind in mij is ongeduldig. Instant behoeftebevrediging is haar kompas. Gemopper is haar taal. Zelfsabotage is haar instrument. Een puber is het, bereid om al het andere dat belangrijk is in het leven op te offeren om die vagina nú te krijgen. Ook al zegt de volwassene dat het zo niet werkt. O nee? Dat zullen we nog wel eens zien!

Ik herken dit gedrag. Vorig jaar voelde ik me in de aanloop naar mijn Real Life fase, mijn totale coming out als vrouw, precies zo. Doodsbang voor wat komen zou, wilde ik liefst zo snel mogelijk weg van de anticipatieangst omdat ik die niet kon verdragen. Een irrationele drang om van een hoge klif af te springen omdat je bang bent dat je zult vallen. En hier sta ik dan, op het zoveelste richeltje van mijn transitie en een stemmetje in mijn hoofd zegt dat ik nog maar even moet wachten. O ja? Dat zullen we nog wel eens zien!

zondag 13 december 2015

Van een ander

Een paar weken geleden schreef ik op dit blog over mijn angst voor De Grote Operatie. Nu ik het teruglees, schrik ik. Niet van de angst zelf; die is sindsdien bij me gebleven en is inmiddels vertrouwd geworden als de irritante oom die elk familiefeestje weer opduikt om halfdronken de sfeer te verzieken. Ik schrik van de formulering die ik onbewust koos: “de operatie waarmee de artsen over een tijdje van mijn penis een vagina zullen gaan maken”. Mijn penis. Een vagina.

Waar komt die identificatie met dat mannelijke geslachtsdeel ineens vandaan? De laatste jaren was de emotionele afstand tussen mijn piemel en mij juist gestaag toegenomen, tot vlak voor het punt van walging waar het zich vroeger, toen ik een puber was, ook bevond. En nu mijn geslachtsaanpassende operatie in zicht kwam, was ik me ineens weer gaan identificeren met mijn piemel? Wat me na mijn pubertijd decennia aan geduld en volharding gekost had, was nu in een paar weken vanzelf gebeurd: ik was mijn piemel weer als onderdeel van mij gaan zien. Een onderdeel dat op het punt stond om door een arts getransformeerd te gaan worden tot een vagina die niet van mij was. Een geconstrueerde kut, ontstaan uit de chirurgische vaardigheden van een ander.

Mijn DNA kreeg ik van mijn ouders, net als mijn eerste naam. Mijn motoriek, mijn zachte g: nagedaan van mijn ouders. Mijn denkbeelden, mijn mannelijke compensatiegedrag, mijn seksuele voorkeur: alles werd me door anderen voorgedaan. Totdat ik op het punt kwam dat ik mezelf begon te heroveren op de dwingende verwachtingen van mijn omgeving. Het punt waarop ik naar mijn hart begon te luisteren en mezelf begon te creëren naar mijn verlangen in plaats van naar de ideeën van anderen. Er kwam een nieuwe naam, een nieuw uiterlijk. Er kwamen hakjes, rokjes en een nieuw stemgeluid. Ik creëerde mezelf. Met hulp van anderen, maar onder regie van mij. Een zware, moeilijke taak waar ik fanatiek, zelfs monomaan mee bezig was om me alles zo goed als mogelijk eigen te maken.

En nu is De Grote Operatie dichtbij. Nog maar een aantal maanden, een half jaar en dan lig ik op de operatietafel. Een ingrijpende fysieke aanpassing, die me dichter bij mezelf moet brengen. Een aanpassing die ik in diepe narcose zal ondergaan. Een overgangsritueel waar ik zelf niet bij ben. Ik zal ontwaken met een vagina van een ander. Datgene wat zo belangrijk voor me is, wat zo bepalend zal zijn voor mijn totale vrouwelijkheid, wordt geconstrueerd waar ik niet bij ben. Een lichaamsdeel dat in het begin misschien wel net zo vreemd zal aanvoelen als mijn piemel tijdens mijn pubertijd. Daar kijk ik niet naar uit.

Een chirurg gaat van mijn penis een vagina maken. Pas daarna mag ik, nog geen idee hoe, van die vagina míjn vagina maken. Mijn langgekoesterde vagina. Hoe lang zal het na de operatie nog duren voordat míjn vagina er eindelijk is?

vrijdag 4 december 2015

Kippenpoten

Voor de tweede keer deze week schrijf ik een Sinterklaasgedicht. Hoewel ik geen gezinnetje meer heb om gezellig Sinterklaasavond mee te beleven, wil ik dit familiefeest toch niet aan me voorbij laten gaan. Gisteren schreef ik al een gedicht voor S., die onlangs dat hij mij niet wil zien, toch iets in zijn schoen krijgt van mij. Al is het dan gewoon via de post in plaats van via de schoorsteen. Vandaag schrijf ik een gedicht voor mijn allerbeste vrienden die me zo onvoorwaardelijk en eindeloos steunen in de moeilijke fase waarin mijn leven zich nu bevindt.

Ik vond het altijd al leuk om Sinterklaasgedichten te schrijven. Vroeger, als kind, herkenden mijn ouders en zussen altijd meteen welke surprise ik had gemaakt: niet vanwege het geknutselde bouwsel, maar vanwege het ellenlange gedicht dat er bij zat. Eerst schreef ik het gedicht in het klad en daarna schreef ik het zo netjes mogelijk over ‘voor het echie’. En hoezeer ik ook mijn best deed, het was nooit enkel de lengte van het gedicht waarmee ik me verraadde; de bijna onleesbare friemelige hanenpoten van mijn onzekere jongenshand waren ook een duidelijke weggever.

Tegenwoordig schrijf ik gedichten in de tekstverwerker. Typen vind ik een prettiger manier van schrijven. Typend hou ik tenminste nog een beetje mijn snelle hoofd bij. Maar als het op Sinterklaasgedichten aankomt (of op persoonlijke brieven for that matter) dan maakt afdrukken van een typesel het nog geen schrijfsel. Een onwrikbare regel in mijn hoofd stelt, dat een Sinterklaasgedicht handgeschreven moet zijn. En dus beweegt mijn hand een pen over het papier en tekent het één voor één alle letters van het beeldscherm over op papier: ik schrijf het gedicht over van het elektronische kladje naar het ‘echie’.

Maar er is wel een verschil met vroeger. De letters die mijn hand nu vormt zijn anders: sierlijker, ronder, groter en goed leesbaar. Ik kijk er naar en schrik. Het daagde me al een tijdje, maar nu ik kijk naar wat mijn schrijfhand voortbrengt, dringt het echt tot me door: mijn handschrift is vrouwelijker geworden. Mijn hanenpoten zijn nu ontegenzeggelijk kippenpoten geworden. Ik weet niet wanneer dat gebeurd is, maar het is onmiskenbaar. Ik heb er niet op geoefend. Ik heb er geen cursus voor gevolgd of therapeut voor bezocht. Het vervrouwelijken van mijn handschrift is gewoon gebeurd.

Mijn hand schrijft gestaag door. Af en toe komt er een gehaaste, ietwat hoekige letter uit mijn pen; een echo van het verleden. Maar meestal glijden de letters in vloeiende bewegingen rond en gezond uit mijn pen. Ik schrijf vrouw. Ik ben vrouw. Jippie!

woensdag 2 december 2015

Twijfel versus aarzeling

Mijn lijf sjokt met lompe bewegingen door het huis. Ik heb mascara op en draag een hempje met spaghettibandjes. Elementen van mijn vrouwelijke expressie die na een ruim jaar fulltime als Lisa geleefd te hebben tot mijn basisuitrusting gerekend mogen worden. De flodderbroek en het fleecevest die ik draag zijn officieel ook vrouwelijk, maar hadden net zo goed uit het rek met mannenkleding gehaald kunnen zijn. Tot dit weekend was ik een vrouw in die kleren. Maar vandaag ben ik een man. Ik beweeg als een man, ik mopper als een man (althans, als de man die ik was), ik boer als een man. Mijn stem is weer achterin mijn keel gezakt. Mijn borst resoneert weer naar hartenlust mee als ik praat. Alles wat ik heb geleerd en geoefend om mijn stem te vervrouwelijken, lijkt vergeten. Ik heb me zelfs al twee dagen niet geschoren, zónder dat er een epilatiebehandeling in het verschiet ligt. Wanneer was dat voor het laatst? Drie jaar geleden?

Al sjokkend wandel ik zigzaggend door mijn dag, angstvallig om mijn emoties heen laverend. Bang om stil te staan omdat mijn gevoel me op de hielen zit. Als ik over mijn schouder kijk, dan schrik ik. Ik schrik van mijn gevoel. Ik durf er de confrontatie niet mee aan. Want ik ben bang. Doodsbang. Ik voel paniek opkomen en vrees herhaling van mijn paniekaanval van twee dagen geleden. Snel waggel ik verder door het mijnenveld van emoties.

Als mensen mij de afgelopen maanden vroegen of ik nooit twijfelde of ik De Grote Operatie wel wilde laten uitvoeren, zei ik altijd: “Ik twijfel niet, maar ik aarzel wel. Het is nogal een ingrijpende stap”. Het lijkt erop alsof dit weekend het besef van de impact pas volledig tot me is doorgedrongen. Of eigenlijk moet ik zeggen: tot Man-ik is doorgedrongen. Op de drempel van de geslachtsaanpassende operatie, realiseert mijn mannelijke deel pas echt wat er gaande is. En hij is boos. Hij verzet zich tegen deze belangrijke stap in mijn lichamelijke transitie. Met de operatie word ik niet alleen in symbolische zin ontmand, maar ook in letterlijke en in praktische zin. Terug naar een leven als man wordt dan definitief onmogelijk.

‘Mijn proces is alleen aan de buitenkant een transitie; van binnen is het een integratie’, schreef ik ooit. Mooie woorden. Maar nu de impact van de operatie daadwerkelijk tot me door aan het dringen is, lijkt het alsof die woorden niet kloppen. De transitie aan de buitenkant maakt totale integratie onmogelijk, zo voelt het nu. Als een bodembedekker, een netwerk van mos, heeft mijn mannelijke deel zich overal in mij genesteld. Niet alleen in mijn DNA, waar ik samen met de medici van het VU tegen strijd, maar ook in mijn conditionering, vaardigheden, ervaring en kennis. Dat alles lijkt onbereikbaarder te worden door de operatie. En het lijkt erop alsof mijn mannelijke deel dat niet wil. Sterker nog, het voelt alsof ík dat niet wil. Wat Man-ik niet wil, wil Lisa niet. Lisa en Man-ik zijn dezelfde. Ze zijn in een bizarre lotsverbondenheid tot elkaar veroordeeld. Ze zijn allebei een expressie van wie ik ben. En allebei laten ze een deel van mij zien dat de ander niet kan laten zien. Het voelt alsof ik ze allebei nodig heb. De Gordiaanse knoop van de genderdysforie trekt weer strakker.

De Grote Operatie is een ingrijpende stap. Ik aarzel. Ik aarzel heel erg. Misschien, op een moment dat niemand het hoort, durf ik zelfs te zeggen dat ik twijfel. Mijn hoofd zegt dat de aarzeling vermomde angst is. En mijn hoofd zal vast gelijk hebben, want daar is hij namelijk erg goed in. Maar dat durf ik op dit moment niet te checken. Ik durf gewoon niet eerlijk naar mijn aarzelingen over de operatie te kijken. Ik voel me namelijk op dit moment niet opgewassen tegen de eventuele vervolgvraag: wat dan?

zondag 29 november 2015

Nachtmerrie

Het eerste dat ik voel zijn mijn kiezen. Ze gloeien; een teken dat ik ze de hele nacht met flinke kracht op elkaar heb gedrukt. Ik probeer mijn kaakspieren te ontspannen, maar dat lukt niet. Het is alsof mijn mondholte vacuüm is gezogen; mijn tong is droog en zit aan mijn gehemelte geplakt. Dan word ik me de kolkende massa gedachten gewaar die mijn hersenen aan alle kanten doet gonzen. Ik voel dat mijn voorhoofd is gefronst, mijn mond is samengetrokken en mijn ogen stijf zijn dichtgeknepen van angst. Het moet er uitzien alsof mijn hele gezicht op het punt staat te verdwijnen in een van de zwarte gaten van mijn neus. Met een zeurderige kreun open ik één oog en kijk ik op de wekker. Zes uurtjes geslapen. De afgelopen paar weken ging het behoorlijk goed met mijn nachtrust, maar het voelt alsof ik vannacht in één keer de balans weer flink in het rood heb gewerkt. Vannacht heb ik niet geslapen, maar kei- en keihard gewerkt. Ik heb in de aanvankelijke ontspanning van de nacht alle informatie en indrukken van de afgelopen week de gelegenheid gegeven zich aan me op te dringen. Als een ruwe, prikkende deken heb ik ze over me heen getrokken en hebben ze me vervolgens belet om in diepe slaap te komen. Ik voel aan mijn gezicht dat ik vol afschuw heb geprobeerd aan die herinneringen te ontsnappen. Ik voel aan de vermoeide druk op mijn hoofd dat dat tevergeefs is geweest. Vannacht begon ik eindelijk alle informatie te verwerken die ik de afgelopen week kreeg over de vaginaplastiek: de operatie waarmee de artsen over een tijdje van mijn penis een vagina zullen gaan maken. In de halfslaap waarin ik me bevind, flitsen echo’s van die informatie in mijn onrustige gemoed voorbij.

Ik zie de klinische, oppervlakkige voorlichtingsbijeenkomst bij de VU van afgelopen woensdag weer voor me. Een medewerker van de afdeling plastische chirurgie laat aan mij en drie andere transvrouwen plaatjes zien van de techniek van de operatie. Die plaatjes had ik al vaker gezien, maar het lijkt alsof ze pas echt tot me doordringen nu de operatie voor mij van een verre, abstracte toekomst een concrete, nabije gebeurtenis is geworden. Ik zie hoe de medewerker probeert zo luchtig mogelijk te doen over het dilateren – een handeling waarbij we zelf onze nieuw gecreëerde vagina met behulp van een klinische dildo moeten beletten weer dicht te groeien. Haast opgewekt spiegelt ze ons voor hoe we dat dilateren in het eerste jaar tweemaal daags een half uur zullen moeten doen, waarbij ze elegant de informatie vermijdt dat we dat eigenlijk de rest van ons leven zullen moeten volhouden en dat de frequentie dan waarschijnlijk wel minder hoog zal worden, maar misschien ook niet. Ik voel de schrik van de andere vrouwen als ik dat ongemakkelijke feitje dat in de voorlichting van de VU in de marge wordt weggemoffeld, ter sprake breng. Wat ik ze dan nog niet heb verteld is dat het half uurtje dilateren in de praktijk zeker een uur zal zijn, want zowel de vagina als de dilatatiehulpmiddelen moeten daarna ook nog gereinigd worden om infecties te voorkomen.

In mijn halfslaap zie ik ook het meetlatje waarmee de medewerker tijdens het individuele consult dat op de groepsbijeenkomst volgde de lengte van mijn penishuid opmat die bepalend zal zijn voor de diepte van mijn vagina. De lengte viel me wat tegen. Ik weet nog hoe groot mijn penis was voordat ik twintig maanden geleden testosteronblokkers begon te slikken. Wegens het wegvallen van de regelmatige erecties die in mijn mannenleven zo gewoon waren, was mijn penishuid in de loop der tijd gekrompen, net als de huid van mijn scrotum die mijn steeds kleiner wordende testikels omhult. Vanuit dat perspectief is het vreemd dat het protocol van de VU voorschrijft dat de geslachtsaanpassende operatie pas wordt uitgevoerd nadat het bronmateriaal is weggekwijnd.

Ik zie de rode zwellingen weer voor me die een transvriendin me liet zien in de eerste week na haar operatie; een levendiger en indringender beeld dan de paar foto’s die die VU daarvan toont. Ik herinner me al haar verhalen van maandenlang pijn en ongemak, van afstervend vlees, van wonden die niet willen helen en van lelijke littekens. Ik zie het resultaat na acht maanden, dat ze me gisteren zo dapper liet zien. De klinische, afstandelijke blik die ik daarbij had, was niet omdat ik angstvallig wilde voorkomen dat er vreemde connotaties zouden ontstaan bij het feit dat ik mijn hoofd tussen haar benen had gestoken, maar omdat ik geschokt was door de rommelige aanblik van haar nieuwe geslacht.

Ik zie foto’s van andere neo-vagina’s en het wordt me duidelijk dat het inderdaad nogal wat uitmaakt welke arts de operatie uitvoert. De geruchten zijn waar: één van de artsen van het VU doet de bijnaam ‘de slager’ eer aan. En ik realiseer me dat de mooie foto’s die ik jaren geleden zag op een openbare voorlichtingsbijeenkomst van de VU uitzonderlijk goede resultaten waren; niet representatief voor wat mij te wachten staat, ongeacht de arts die ik kies. Is de VU onvoldoende transparant en realistisch over de operatie of heb ik tot nu toe alle onwelgevallige informatie onbewust weg gefilterd of vervormd omdat ik anders niet verder kon in mijn proces?

De kolkende stroom gedachten heeft me inmiddels klaarwakker gemaakt. Ik voel me doodmoe, opgejaagd en onveilig. Ik begin onbedaarlijk te huilen. Ik klem me angstvallig vast aan mijn knuffelbeer, maar die is onmachtig tegen zoveel verdriet. Ik voel me bedreigd. Ingeklemd tussen verlangen en angst vraag ik me voor de honderdste keer af of mijn verlangen een vrouw te zijn niet altijd al gewoon de angst was om een man te zijn. Sinds ik meer dan vijf jaar geleden de vrouw in mij serieus begon te nemen vroeg ik me vaak af of het niet een vermomde vlucht was. Ik probeerde van alles om mijn verlangen te ontmaskeren als een copingmechanisme, als een fetisj, als een spiritueel reïncarnatiefoutje. Maar ondanks mijn eigen aarzeling en verzet wees de zoektocht toch steeds weer in de richting van een volledige geslachtsaanpassing. En nu daarvan een van de laatste fasen is aangebroken ben ik doodsbang en verlang ik naar een eenvoudiger oplossing. Een oplossing waarvan ik inmiddels weet dat hij niet bestaat. Dit is het pad dat ik moet gaan. Mijn onbarmhartige pad.

woensdag 11 november 2015

De date

Met een diepe zucht haalde ik de sleutel uit het contact. Ik was er. Ik wilde hier dolgraag zijn en tegelijk wilde ik het liefst naar huis en onder de dekens van mijn bed kruipen om te schuilen. Vanavond had ik een date. Mijn allereerste date met een man. Ik jubelde van blijdschap en voelde me door het bijtende zuur van angst verteerd worden. Ambigue gevoelens waren me inmiddels vertrouwd; mijn transitie is emotioneel zo intens dat eenduidige emoties zelden voorkomen.

Ik zuchtte nog een keer en om me over mijn angsten heen te lokken haalde ik herinneringen op aan de eerste kus die ik onlangs met deze man had. “Jaaaa dat wil ik nog wel een keer”, fluisterde ik en ik lachte om de puberale gevoelens die daardoor in mijn lijf omhoog dansten. Ik nam me heel stoer voor om hem, zodra hij zijn voordeur open zou doen, meteen op zijn mond te zoenen. Doelgericht stapte ik uit mijn auto. De ietwat saaie straat in een buitenwijk van deze provinciestad oogde donker. Aan de overkant van de straat zag ik lichtjes heen en weer schommelen. Een stoet kinderen trok door de straat; het was Sint Maarten. Ze liepen in tegengestelde richting van mij, dus ze moesten zojuist al bij hem aan de deur geweest zijn. Opgetogen zenuwachtig stak ik schuin over naar zijn voordeur en ik belde aan. De deur zwaaide open. In een ongecontroleerde impuls begon ik te zingen: “Sinte, sinte Maarten, de katten hebben staarten…” en hij lachte naar me. Hij boog zich voorover en zoende me drie keer op mijn wangen. Shit, moment gemist. Ik ook met mijn jolige gedoe…

Hij leidde me zijn huis binnen. Onderzoekend keek ik de woonkamer rond. Een functioneel mannenhuis. Overal lagen boeken, cd’s, printjes van artikelen van filosofische en esoterische websites. Op de tafel lagen ongeopende enveloppen, schroefjes en een draadje. Niets wees op een poging het voor mij gezellig te maken. Samenwonen zat er zo niet in, concludeerde ik ver voor de muziek uit. Samenwonen? Dit was een eerste date en ik was niet eens verliefd. Ik was hier vooral vanwege mijn eigen onderzoek. Deze man hielp mij totaal onwetend bij mijn zoektocht naar mezelf en mijn nieuwe seksualiteit. Ik wilde helemaal geen relatie in deze fase van mijn transitie. Maar een deel van mij hunkerde naar gezelschap, naar een partner, en sondeerde ondanks de situatie toch alvast maar de mogelijkheden.

We praatten wat, in een poging voorzichtig het ijs te breken. De chemie die ik tweemaal met hem had gevoeld tijdens het dansen was ver te zoeken. Hij zat in zijn hoofd en deed zijn best mij te leren kennen. Ik was doodsbang en deed mijn best me niet te laten zien. Mijn ademhaling zat op slot en ik kon alleen ontspannen op momenten dat hij de kamer uitliep om zingende kinderen bij de voordeur met snoep het zwijgen op te leggen. Ik was doodsbang ontmaskerd te worden. Ik twijfelde over wat hij wist van mijn situatie. Tijdens ons contact bij het dansen had niets erop gewezen dat hij het doorhad, maar sinds we via Facebook verbonden waren kon hij mijn tijdlijn teruglezen. Je hoefde geen Sherlock Holmes te zijn om daarop te ontdekken dat ik niet altijd een meisje geweest was.

Tijdens ons gesprek ontstonden meerdere momenten waarop had kunnen blijken dat hij wist hoe de vork in de steel zat. Maar het tegenovergestelde gebeurde steeds. Zo vertelde hij over zijn familie en vroeg hij mij in wat voor gezin ik opgegroeid was. Dus ik vertelde over mijn vader, dat die in de bouw gewerkt had en me had geleerd hoe ik stopcontacten, waterleiding en vloerverwarming moest aanleggen, muurtjes moest metselen en badkamers moest betegelen. Blij verrast over mijn skills vroeg mijn date me naar broers of zussen. “Twee zussen”, zei ik en hij zei: “Had je vader niet veel liever een zoon gehad?”. Ehhh… Ik haperde een milliseconde, keek in zijn ogen en zag zijn oprechtheid. Geen bewust gecreëerde gelegenheid voor mij om mijn verhaal op te biechten. Geen plagende ondertoon of knipoog. Hij had echt niks door. Dat verbijsterde me, maar ik kon de neiging onderdrukken er zelf iets over te zeggen. Ik genoot er teveel van om als vrouw gezien te worden. Dat was iets waar ik al mijn hele leven over droomde. Nu het gebeurde wilde ik het niet zelf gaan verpesten. Dus ondanks dat ik me een bedrieger voelde, zweeg ik. Maar ik bleef op mijn hoede.

Tijdens de maaltijd sprak ik bedachtzaam. Natuurlijk wilde ik me niet verspreken, maar belangrijker nog was de klank van mijn stem. Ik was zo bezig met alle tips die ik van mijn logopediste had gekregen dat het soms voelde alsof ik dichter bij haar was dan bij mijn date. Door mijn voet op de rem kwamen we niet nader tot elkaar. Eigenlijk was het nog helemaal geen gezellige date en daar baalde ik van. “Zullen we op de bank gaan zitten?”, stelde ik voor. Fysieke nabijheid zou me misschien wat meer in mijn eigen lijf brengen, doen ontspannen en de kans op een kus vergroten. Hij stond op van de tafel, ging breeduit op de bank zitten en legde zijn arm uitnodigend op de rugleuning. Ik stond op, klakte op mijn hakjes naar hem toe en ging naast hem zitten, omlijst door zijn arm. We keken elkaar een tijdje zwijgend aan. Nu het hekwerk van sociale gesprekjes verdwenen was, kon ik in de diepte van zijn ogen kijken. Ik voelde dezelfde soliditeit, geaardheid en kracht die ik bij het dansen bij hem had gevoeld. Door deze mannelijke energie voelde ik me vrouwelijker en dat stelde me gerust. Ik wilde me graag overgeven aan hem en in gedachten legde ik mijn handen op zijn lichaam. In gedachten pakte ik hem vast, legde ik mijn lippen op die van hem en zoenden we, knuffelden we, streelden we, kleedden we elkaar uit en vrijden we. Ik probeerde mijn fantasie af te remmen, maar de realiteit was al uit de startblokken. Ik had hem al vastgepakt, ik had mijn mond al op de zijne en we zoenden al. Ik verstijfde. O shit! Dit mag niet. Dit kan niet. Ik had me voorgenomen om niet verder te gaan dan zoenen omdat mijn lijf nog niet klaar was voor meer. En nu we zoenden was ik bang dat ik de controle zou verliezen. Ik voelde de opwinding in mijn lijf, de hunkering naar meer, de angst om mezelf te laten zien, de frustratie van mijn situatie en de angst voor ontdekking. Ik verstijfde en kon niks anders doen dan maar blijven zoenen. Ik wilde het niet stoppen, want het was te fijn, maar ik wilde ook niet doorgaan want dat was te gevaarlijk.

Maar ik rekende buiten de doortastende mannelijke energie van mijn date. Hij streelde me – teder en lief – in mijn nek, langs mijn schouder en over het door mijn openvallende bloesje prijsgegeven deel van mijn sleutelbeen. Ik kreunde. O shit, niet lekker vinden. Niet lekker vinden! Mijn verlamming hield me waar ik was: in de positie van gewillige vrouw. Ik voelde hoe zijn hand over de huid op mijn borstbeen gleed, langzaam naar beneden bewegend richting mijn decolleté. Ik voelde hoe zijn vingertop de ronding van mijn borst had bereikt en zachtjes aanstalten maakte deze glooiing te beklimmen. Het wond me erg op. Maar ineens – in een flits – zag ik zijn handelingen vanuit mijn mannelijke achtergrond. Ik bewonderde zijn zachte doortastendheid en realiseerde me dat ik nooit dat niveau van zelfvertrouwen in de mannelijke hofmakerij had bereikt. Hij begreep duidelijk beter wat het inhield om een man te zijn dan ik ooit gedaan had. Doordat ik me mijn mannelijke historie bewust werd, realiseerde ik me ook mijn huidige fysieke realiteit. Dat wekte me uit mijn passiviteit. De transvrouw die niet ontmaskerd wilde worden, greep in. Ik pakte zachtjes en liefdevol zijn hand en leidde die weer omhoog richting sleutelbeen. “Vanavond gaan we alleen maar zoenen”, zei ik. Hij stopte met zoenen en zei: “Wil je niet verder gaan op je eerste date?”. Ik had kunnen reageren met een biecht, maar ik zei: “Een andere keer misschien wel, maar nu nog niet”. Hij respecteerde mijn grens en zei: “Ik heb inmiddels wel geleerd om mijn verlangens los te laten als het nodig is”. Er klonk teleurstelling in door, maar ook een compliment. Hij had verlangens naar meer. Net als ik. “Dat is knap”, reageerde ik, “want ik weet hoe dwingend het mannelijke libido kan zijn”. “Fijn dat je het duidelijk en op tijd aangaf”, zei hij. Niets wees er op dat hij de werkelijke herkomst van mijn kennis van de mannelijke seksdrive doorhad. Opnieuw tot mijn verbijstering.

De intimiteit van het moment bracht ons in gesprek over relaties. We zoenden niet meer, maar ik voelde me toch meer verbonden met hem dan ik die hele avond had gedaan. Wellicht dat het daardoor kwam dat ik achteloos een anekdote begon op te diepen: “Een paar jaar geleden woonde ik samen met mijn toenmalige vriendin…”. Nog voordat ik mijn verhaal kon vervolgen, vroeg hij argwanend: “Eén vriendin of jé vriendin?”. Ik voelde me betrapt. Het was de hele avond goed gegaan maar nu, in een onbewaakt ogenblik, lukte het me niet om zo te formuleren dat mijn verleden op een voor mijn huidige identiteit consistente én feitelijk juiste manier ter sprake kwam. Ik wilde niet liegen, dat voelde niet terecht naar de vrouw met wie ik de meest intense en bijzondere relatie van mijn leven had gehad. Ik realiseerde me dat dit probleem voor de rest van mijn leven aan de orde zou zijn. Ik had nu eenmaal een verleden dat zich alleen liet rijmen met het heden door volledige openheid. Een volledige biecht van mijn transgenderschap. Alhoewel… Met een ondeugende blik zei ik tegen hem: “Míjn vriendin. We hadden een relatie”. Ik voelde dat ik hiermee recht deed aan wat er destijds tussen M. en mij was. Het klonk alsof ik een lesbische relatie had gehad en eerlijk gezegd was het dat voor een deel natuurlijk ook geweest. Ik zag verbijstering in de ogen van mijn date. “Wauw, er zit meer in jou dan je op het eerste gezicht zou denken”, zei hij. Je moest eens weten, dacht ik en met een vrome glimlach legde ik mijn hand op zijn knie.

zaterdag 7 november 2015

Foto van toen

Ik voel me zelfverzekerd vandaag. Vol trots loop ik rond op de opening van een foto-expositie. De exposerend fotograaf is een kennis van mij die me onlangs uitnodigde om hier vandaag te zijn. We kennen elkaar al een jaar of zeven en hij leerde mij dus kennen als Man-ik. Naar aanleiding van mijn coming-out vertelde hij me dat hij nog een andere transgender in zijn kennissenkring had. Dat vond ik bijzonder, want voor de meeste mensen bleek ik de eerste transgender die ze persoonlijk kenden. Zijn andere transgenderkennis was geboren in een meisjeslichaam, voelde zich een man, maar durfde niet in transitie te gaan, vertelde de fotograaf toen.

Dat voorval is vandaag niet in mijn gedachten. Mijn aandacht is bij de geëxposeerde foto’s en beleefd babbelend met andere bezoekers loop ik met een glas jus d’orange rond in de galerie. “Lisa?”, hoor ik achter me en ik draai om. Ik zie de fotograaf staan en hij wijst naar een jongen naast zich. “Ik wil je even aan iemand voorstellen”, zegt hij. We schudden handen en wisselen namen uit. De naam is Aziatisch, net als het uiterlijk van de jongen. Zonder enige toelichting loopt de fotograaf door en de jongen blijft bij me staan. Ik kijk hem aan. Ik voel dat er iets van me verwacht wordt. De jongen neemt geen initiatief en kijkt bewonderend naar me op. Ik doorbreek de stilte met een obligate, beleefde opmerking over de foto’s. “Ben jij ook fotograaf?”, vraag ik aan de jongen. “Nee”, zegt hij kort en hij lacht er schaapachtig bij. Ik word nerveus van zijn onzekerheid en begrijp niet wat hij van me wil. Ik voel hem aan mijn lippen hangen, maar ik weet niet wat ik moet zeggen. Op het moment dat ik beleefd knikkend wil weglopen, vallen me zijn sterke feminiene trekken op. Nu is dat voor een Aziatische jongen niet ongebruikelijk, maar dit is anders. Ineens herinner ik me wat de fotograaf me had verteld bij mijn coming-out. Aha, dit is hem natuurlijk. Ik kijk nog eens goed en zie het meisje steeds duidelijker zichtbaar worden. Dit is geen gewone zachte feminiene Aziatische jongen. Dit is een transgender.

“We hebben iets gemeen, he?”, vraag ik op een wat onbeholpen manier, toch niet helemaal zeker van mijn analyse. De jongen haalt opgelucht adem en bevestigt het. Ik begin hem vragen te stellen over zijn proces en ontdek dat hij nog steeds op het punt zit waar hij was toen de fotograaf me over hem vertelde. Met tranen in zijn ogen vertelt de jongen me dat hij naar zijn familie niet durft uit te komen voor zijn gevoel. Zijn leven staat al ruim tien jaar stil sinds hij tijdens zijn pubertijd ontdekte dat hij geen vrouw wilde zijn. Ik ben verbaasd dat deze jongen al bijna dertig jaar oud blijkt te zijn en dus veel ouder is dan ik vermoedde. Dat is een voordeel van Aziatische genen: je blijft er vrij lang jong uit zien.

Voorzichtig vraagt hij naar mijn ervaringen en ik vertel waar ik nu sta in het transitieproces. Bij alles wat ik vertel moet hij huilen. Hij zit klem in zijn huidige leven als vrouw maar durft niet in transitie te gaan. Hij weet zeker dat hij eigenlijk een man is, maar durft die niet te worden. Hij is doodsbang. Doodsbang alles kwijt te raken. Ik krijg een brok in mijn keel. Ik ken dat gevoel maar al te goed. De totale ontmaskering van je bestaan tot nu toe. De totale opoffering van het idee een normaal leven te kunnen leiden. De totale onzekerheid over waar je heen gaat en of je ooit zult vinden wat je zoekt. De totale paniek bij de gedachte alles te verliezen wat je hebt. Het is de kern van het onmogelijke dilemma van de transgender.

In een impuls sla ik mijn arm om de jongen heen, maar hij kan zich niet ontspannen; hij laat zich niet troosten. Hij is zo gewend zich te verschuilen dat hij niet weet hoe hij met deze gevoelens contact moet maken. Zelfs niet bij iemand die exact weet wat hij doormaakt. Ik was daar ook, ooit. In dat bizarre levensvacuüm waarin je weet dat je een nieuw pad in moet slaan. Door dat besef is de oude route definitief afgesneden, maar je durft simpelweg de stap niet te zetten uit angst alles kwijt te raken, inclusief jezelf. In die leegte doe je je best te ontkennen dat je – in overdrachtelijke zin – eigenlijk alles al kwijt bent. En dat maakt het allemaal nog erger.

Herinneringen aan mijn eigen vacuüm snijden in mijn hart. Ik voel mijn ogen vochtig worden en ik kijk weer naar de huilende jongen. Ineens realiseer ik me waarom ik hem als jongen ervaar en niet als de man van bijna dertig die hij in werkelijkheid is of voor mijn part als de vrouw van bijna dertig die hij biologisch gezien is. Hij voelt als een jongen aan omdat hij nu het kwetsbare kind in hem toont dat geen kans heeft gehad om op te groeien. Dat kind smeekt om aan de hand genomen te worden. Om begeleid te worden op zijn pad naar volwassenheid. Ik herken de behoefte. Jarenlang noemde ik mezelf een meisje van vier. Dat doe ik al een tijdje niet meer, omdat het nu voelt alsof ik in de pubertijd zit. Ik ben nu een jaar of tien ouder dan toen ik vijf jaar geleden aan mijn zoektocht begon.

Terwijl ik mijn emoties met een diepe zucht uitadem, voel ik me trots. Trots op wat ik heb bereikt. Trots op wat ik weet over dit helende identiteitsontwikkelingsproces waarvoor het nodig is om het bizarre pad van de geslachtsverandering te lopen. Ik geef de jongen mijn visitekaartje en zeg hem dat hij me altijd mag bellen of mailen om iets te delen of te vragen over zijn zoektocht. “Je moet dit zelf doen, maar je hoeft het niet alleen te doen”, zeg ik tegen hem. De jongen huilt. Hij huilt herkenbare tranen.

zondag 1 november 2015

1 jaar

Het is een typisch jubileum: een dag die in zichzelf niks bijzonders is, maar die vanwege de grote symbolische betekenis allerlei emoties oproept. Let wel: een symbolische betekenis die alleen gebaseerd is op een door toeval en wetenschap geconstrueerde werkelijkheid: de kalender. De kalender vertelt me dat het een jaar geleden is dat ik de mail de wereld instuurde waarmee ik in werkelijk alle gebieden van mijn leven verkondigde dat ik als vrouw verder zou gaan leven. Vrienden en familie wisten het natuurlijk al. Er was door mijn contacten met lotgenoten ook een levensgebied waar mensen mij niet hadden gekend als Man-ik, ook al wisten ze dat die er wel geweest moest zijn. En er was door mijn vrijwilligerswerk zelfs een levensgebied waar men niet eens wist dat ik ooit Man-ik geweest was. Mijn totale coming out leverde een stortvloed aan positieve, steunende en totaal verraste reacties op. Er waren een paar aarzelende reacties, maar negatieve reacties kreeg ik eigenlijk niet op mijn mail. Sommige mensen communiceerden juist door helemaal niet te reageren ook wat ze er van vonden.

Dat is nu allemaal een jaar geleden. Zo’n jubileum is typisch een moment om de balans op te maken. Om datgene wat geschiedenis is geworden, samen te vatten om een beetje greep te krijgen op de werkelijkheid. Vrees niet: ik heb geen ABC-tje gemaakt, zoals je die vaak te horen krijgt op bruiloften en partijen. Maar ik ontkom niet aan terugkijken. Niet omdat het hoort, maar omdat de datum die de kalender aangeeft, mij in gedachten terugbrengt naar vorig jaar: de eerste dag van mijn fulltime bestaan als vrouw, volledig geopenbaard aan de wereld.

Na een turbulent en moeilijk jaar ben ik opgelucht. Opgelucht dat ik me heb ontworsteld aan het nare, vermoeiende dubbelleven dat ik een aantal jaar leidde, met Lisa-dagen en Man-ik-dagen, levend in werelden die ik angstvallig gescheiden hield. Nu is het helder en dat geeft rust: ik ben Lisa. Punt uit. Als ik terugdenk aan Man-ik dan voel ik minder strijd, minder verzet dan de afgelopen jaren het geval was. Dat wil niet zeggen dat de mannelijke conditionering verdwenen is. Of dat mijn mannelijke belevingswereld ineens is opgelost in een feminiene bloemenweide. Man-ik bestaat nog. Als bron, als achtergrond, als aspect van mij. En vooral wanneer ik moe ben, schemert die conditionering sterker door mijn vrouwelijke expressie heen dan ik graag zou zien. Het is niet anders. Af en toe zie ik ook dat dit me juist completer maakt. Gebalanceerder. Yin en Yang als eenheid en niet als polariteit.

Ik ben blij dat ik nu elke dag vrouw mag zijn. Dat ik mezelf mag laten zien op een manier die veel beter bij me past. Ik zie mezelf elke dag vrouwelijker worden: mijn lijf vervrouwelijkt dankzij de hormonen, mijn stem is ietsje minder mannelijk geworden dankzij logopedie en volcontinue aandacht voor mijn spraak, mijn vrouwelijk gedrag wordt met de dag natuurlijker en vanzelfsprekender. En toch gebeurt het nog meerdere keren per week dat ik aangesproken wordt als ‘mevrouw’ en dat het dan even duurt voor ik door heb dat ze mij bedoelen. Het gebeurt nog dagelijks dat ik een jubeltje in mijn lijf voel rondwentelen in totale blijdschap over mijn vrouw zijn. Alsof iets in mij nog steeds niet kan geloven dat het allemaal echt waar is. Gewoon is vrouw zijn dus nog lang niet geworden.

Ik ben trots. Trots op wat ik heb bereikt. Trots op mijn doorzettingsvermogen. Op mijn trouw aan mezelf. Het voelt goed om nu eindelijk mezelf eens serieus genomen te hebben. Om nu eindelijk te hebben toegegeven aan een vervreemdende en bizarre realiteit die al mijn hele leven deel van mij was en mij regelmatig saboteerde.

Maar er is ook veel verdriet. Verdriet om het verlies. Ik ben emotioneel instabiel, ik heb heel weinig energie, ik ben tot op het bot onzeker. Ik ben aan het ontwaken in een compleet andere beleving van mezelf, mijn emoties, de wereld om me heen en mijn rol daarbinnen. En ik weet niet of wat ik nu ervaar bij de transitiefase hoort of dat het vanaf nu een permanente realiteit zal blijken. Ik ben een ontluikend pubermeisje met de ervaring, verantwoordelijkheden en ambities van een veertiger. Dat contrast frustreert. Om nog maar te zwijgen over het hybride lichaam dat ik nu nog heb. Ik wil weer voluit leven, mijn actieve, kleurrijke en zelfstandige leven terug. Maar het lijkt erop dat dat nog wel even zal duren. Het gaat nu beter dan een half jaar geleden, maar het herstel gaat langzaam.

Bij dit alles klinkt permanent de melancholische achtergrondmuziek van de eenzaamheid. Ik mis S. vreselijk en ik voel me machteloos. Ik voel verdriet over mijn moeder. Ik mis M. nog steeds. Ondanks lieve vriendinnen L. en R. die heel dicht bij me staan, mis ik die ene speciale persoon in mijn leven die zo sterk op mij is afgestemd dat hij of zij (ja zelfs dat is niet helder) weet wat ik voel en bij wie ik me permanent gekoesterd kan voelen.

Ik ben blij met mijn gender. Ik ben trots op mezelf. Maar ik blaas dat ene kaarsje op de jubileumtaart van vandaag uit met een brok in mijn keel en tranen die op het punt van doorbreken staan.

vrijdag 30 oktober 2015

Rolmodel

R. is een van mijn allerdierbaarste vriendinnen. We zien elkaar vaak. Niet alleen omdat het gezellig is, maar ook omdat ik regelmatig voor haar zoontje van twee zorg. R. voedt haar zoon alleen op en ik geef haar regelmatig even de handen vrij door de zorg en verantwoordelijkheid voor haar zoontje op me te nemen. Hij en ik zijn inmiddels erg vertrouwd met elkaar en ik ben opgeklommen in de pikorde. Die is nu: mama, oma, Lisa; alhoewel hij me geen Lisa noemt, maar iets dat het midden houdt tussen Hisa en Sisa. De L is lastig voor prille spraakvermogens. Ik hou van deze kleine schat en het is bijzonder om me nu voor het eerst als vrouw over een klein kind te mogen ontfermen.

Met R. en de kleine jongen ben ik voor een paar dagen in een vakantiehuisje in Friesland. Gezellig samen zijn en vadertje en moedertje spelen. Of nou ja, moedertje en moedertje. ‘Ons’ kind heeft geen mannen in zijn leven. De eerste keer dat hij een andere piemel zag dan die van hemzelf, was een paar maanden geleden. Ik logeerde toen bij R. en hem en hij zag me in de douche. “Piemel”, riep hij en hij wees. Hij straalde er bij; opgelucht dat hij eindelijk iemand zag die hetzelfde lichaamsdeel had als hij. Ik straalde niet maar voelde me opgelaten. “Dit moet hem wel een heel fundamentele verwarring opleveren ten aanzien van sekse”, zei ik tegen R. Maar zij reageerde laconiek en was vooral blij dat hij tenminste een keer een andere piemel zag.

Nu, maanden later, lig ik languit op de bank van het vakantiehuisje; mijn jurk netjes over mijn bovenbenen gedrapeerd. Het jongetje kruipt bij me op de bank, wijst onder mijn jurk en roept: “Piemel!”. Gelukkig waren er geen vreemden bij. R. en ik lachen er even om, maar ineens flitst mijn aandacht naar de toekomst. Hoe is dat straks voor hem als ik dan eindelijk geopereerd ben? Zal dat niet traumatisch voor hem zijn? Zijn moeder is blij met mijn piemel als referentiepunt voor hem. Maar ik ben natuurlijk een rolmodel van lik-me-vestje. Straks denkt hij dat het normaal is voor vrouwen om een piemel te hebben en die vervolgens kwijt te raken. Castratieangst volgens het boekje.

Ik ben al eerder een slecht rolmodel geweest. Een jaar of twee geleden, tijdens een van de gesprekken die ik met S. had over mijn transitie, vroeg hij zich af of wat hij van mij had geleerd eigenlijk wel mannelijk was. Ik was onder de indruk van de wijsheid achter die vraag. Hij realiseerde zich niet alleen dat hij door mijn transitie zijn voorbeeld zou kwijtraken, maar hij ook dat hij zijn vader als mannelijk rolmodel misschien wel met terugwerkende kracht was kwijtgeraakt. Ik analyseerde toen samen met hem vrij nauwkeurig in welke dingen ik een uitgesproken mannelijk voorbeeld was geweest. Gelukkig was dat heel wat, want ik was behoorlijk succesvol geweest in mijn mannelijkheid. Ik was ook eerlijk over wat hij gemist had: stoeien, voetballen, competitief macho gedrag en bierdrinken waren nooit echt mijn ding.

Het zoontje van R. kruipt verder op de bank en klimt bij me op schoot. Ik omhels hem en zijn lijfje smelt in totale ontspanning met het mijne samen. Ik voel onzichtbare handen uit mijn hart oprijzen om dit onschuldige kwetsbare mensje voor altijd te beschermen. Dit lieve kind, waar ik met zoveel geduld en toewijding voor zorg. Ik realiseer me hoe goed ik tegenwoordig in staat ben om een onvoorwaardelijke liefdevolle ruimte te zijn voor zo’n klein mensje dat de wereld nog amper begrijpt. Dat was vroeger met S. wel anders. Wat ik de laatste jaren heb doorgemaakt heeft me een completer mens gemaakt. Weemoedig besef ik het wrange lot dat ik S. destijds de slechtste versie van mezelf heb gegeven en dat ik nu geen kans krijg om het goed te maken. Liefdevolle handen strekken zich uit naar S., maar tasten in het luchtledige. Terwijl ik mijn ogen sluit en de geur van het haar van het zoontje van R. opsnuif, rolt een traan over mijn wang.

vrijdag 23 oktober 2015

De keizer

Ik stap de drukke bus uit. Tijdens de 50 meter tussen bushalte en bestemming haal ik mijn telefoon uit mijn tas. Niet om hem alvast op zwijgstand te zetten voor de werkbespreking die zo volgt, want vandaag heb ik me voorgenomen mijn telefoon aan te laten staan omdat ik een belangrijk telefoontje van de VU verwacht. Ik pak mijn telefoon uit gewoonte. Ik weet dat er niks op te zien is, want ik heb geen bliepje gehoord van een binnenkomend berichtje of het riedeltje van een binnenkomende oproep. En toch kijk ik. En tot mijn schrik zie ik dat ik helemaal niet keek uit dwangneurose, maar omdat een parallel universum mijn onbewuste influisterde dat er iets te zien is. Inderdaad: 1 oproep gemist. Huh? Waarom heb ik dat niet gehoord? Aan het tijdstip zie ik dat het een minuutje of tien geleden tijdens mijn busrit is gebeurd. Ik heb niks gehoord; kennelijk was het toch rumoeriger in de bus dan ik doorhad. De beller heeft geen nummer achtergelaten en geen bericht ingesproken. Een anonieme beller op deze dag? Dat moet de VU zijn; die bellen altijd met een onzichtbaar nummer, cynisch geredeneerd waarschijnlijk om het terugbellen te bemoeilijken.

Vandaag zou mijn VU-psycholoog me bellen om me de uitkomst te vertellen van het multidisciplinaire overleg waarin hij mij eerder deze ochtend heeft besproken met collega psychologen en de gender-medici van Endocrinologie en Plastische Chirurgie. Al deze mensen moeten het eens zijn met de conclusie van mijn psycholoog dat ik de Real Life Experience goed heb doorstaan. Deze proeftijd van een jaar is om te bewijzen dat je min of meer succesvol vrouw kunt zijn en dat je dat ook echt nog steeds wilt. Consensus in het genderteam opent voor mij de weg naar de Grote Operatie, die officieel SRS heet (Sex Reassignment Surgery). Vanwege geblunder van de VU met mijn genitale ontharing duurt het trouwens nog wel even voor ik daadwerkelijk in de operatiekamer lig, maar dat is een ander verhaal. Het genderteam kijkt nu eerst of ze me voldoende geslaagd vinden: zelfredzaam, emotioneel voldoende stabiel (voor zover mogelijk met een hormoonbehandeling), een functionerende sociale structuur om me heen, een bron van inkomsten. Mijn sociale gendertransitie moet in al mijn levensgebieden uitgevoerd zijn en ik moet het overleefd hebben. En nog steeds een vrouw willen zijn. Tja, ondanks de pittige schade die mijn transitie in mijn leven heeft berokkend (mijn zoon, mijn geliefde en mijn moeder uit mijn leven verdwenen) moet ik toch concluderen dat ik het behoorlijk goed gedaan heb. En dat vindt mijn VU-psycholoog gelukkig ook. Wat kan er dan nog fout gaan? Ik had bewust onlangs mijn officiële klacht tegen mijn endocrinoloog maar even ingeslikt om geen vijanden te maken. Dit moet goed gaan nu. Die vergadering is maar een formaliteit. Toch? Maar ja, na mijn examen op de middelbare school wist ik ook dat ik het goed gedaan had, maar toch was het nagelbijten op de dag van de uitslag. Nu bijt ik geen nagels meer, maar de spanning is er niet minder om. Dit is nu nog meer bepalend voor mijn toekomst dan de beslissing van de examencommissie destijds.

Ik sta met mijn telefoon in mijn hand en ik aarzel. Ik weet niet zeker of het inderdaad de VU was die me heeft gebeld. Ik wil ook niet te opdringerig overkomen. Maar ik besluit ze toch te bellen. Ik wil het weten. “Uw psycholoog is net in gesprek gegaan. Ik zal hem vragen u terug te bellen”. Even voel ik ongeduld: waarom kan de secretaresse het me niet gewoon alvast zeggen? Kom op! Maar ik bijt op mijn tong en zeg beleefd: “Ja graag, dankjewel”.

Een uurtje of drie later gaat de telefoon. Ik gris hem uit mijn tas en zie weer geen telefoonnummer vermeld. De VU. “Hoi met Lisa”. “Dag, met de psycholoog”. Mijn hart slaat meteen als een paukenist de galeislaven van mijn schip vol ongeduld vooruit. Zeg het me, zeg het me… “Zoals je weet hebben we vanochtend in het …”. Ik luister al niet meer echt. Ik weet dit al. Schiet op man! Doe niet zo formeel. “Ik had je al verteld dat…”. Ja, ja, ja kom nou! Waarom al dit gedraai? Heb je slecht nieuws soms? Het zal toch niet? Ik voel me boos worden. Ik wil net gaan schreeuwen als mijn psycholoog tot de kern komt. “We zien daarom geen belemmeringen om door te gaan naar de volgende fase”. Yes! YES! YEEESSS!!! “Daar ben ik blij mee”, reageer ik vormelijk. Belangrijke communicatiewet: wat je geeft krijg je terug. We bespreken nog wat praktische details over de vervolgstappen en we hangen op.

Het voelt vreemd dat anderen voor mij moeten beslissen of ik voldoende vrouw ben om geopereerd te mogen worden. Ik snap de waarborgen die het genderteam in het proces heeft gebouwd en die lijken me ook voor mij zinvol. Maar omdat die waarborgen ook zo schrijnend veel tijd kosten en zo veel pijn en frustratie opleveren, zou een beetje compassie wel op zijn plaats zijn. Maar de toon waarmee het genderteam dit doet maakt van hen een Romeinse keizer die met een simpele duimbeweging omhoog of omlaag beslist over mijn leven.

Ik ben een vrouw. Ik heb er lang over gedaan om het zelf vol overtuiging te kunnen zeggen. Mijn omgeving (op enkele pijnlijke uitzonderingen na) zag het al meteen toen ik een jurk aantrok. Ik ben blij dat het genderteam het nu ook gezien heeft. Ik zei het toch!
 

woensdag 21 oktober 2015

Vraag het aan Mona (Lisa)

Soms vraag ik me af voor wie ik mijn blog schrijf. Natuurlijk help ik mezelf ermee: schrijven ordent mijn gedachten. En schrijven in een openbaar dagboek legt enige sociale druk om te blijven schrijven, waardoor er minder ruimte is voor mijn onbewuste patronen om weg te vluchten van de confrontatie met mijn eigen gevoelens en gedachten. De laatste tijd schrijf ik duidelijk minder vaak dan voorheen, dus kennelijk is mijn angst voor mijn eigen gevoelens op dit moment groot. Ik weet ook wel waarom, want zodra ik in de buurt kom van het verdriet dat ik om S. voel, dan lijkt mijn hart wel te splijten.

Toen ik aan dit blog begon, wilde ik mijn zoektocht openbaar maken voor lotgenoten. Ik had zelf tevergeefs op internet gezocht naar goede openhartige en intelligente ervaringsverhalen van lotgenoten die met name hun zoektocht naar identiteit beschreven en niet zozeer de daadwerkelijke transitie. Die transitie was en is voor mij secundair aan het proces dat zich aan de binnenkant afspeelt. Omdat zulke ervaringsverhalen er niet waren, besloot ik mijn proces voor anderen beschikbaar te maken. Dus schreef ik mijn blog ook voor hen.

Regelmatig krijg ik mooie reacties van lotgenoten. Soms via het blog, soms via persoonlijke berichten. Altijd ontroeren ze me vanwege de wederzijdse herkenning. Wanneer ik hen antwoord, realiseer ik me vaak hoe diep ik al gegaan ben in mijn eigen zoektocht. Hoeveel antwoorden ik eigenlijk al heb gevonden op fundamentele vragen die samenhangen met een zoektocht naar identiteit in het algemeen en genderidentiteit in het bijzonder. Soms voel ik me net de iconische biechtmoeder Mona van het tijdschrift Story. En realiseer ik me hoe bijzonder leerzaam en dankbaar dat werk voor Mona zelf geweest moet zijn.

De laatste tijd correspondeer ik af en toe met een lotgenote die nu midden in haar zoektocht naar een keuze zit. Onlangs schreef ze me dat ze er eindelijk enigszins vrede mee had dat ze een meisje bleek te zijn maar dat ze nu opeens weer volop in beweging was geraakt: “Ik ben er weer van overtuigd dat ik mijzelf zit te belazeren”. Herkenbare frustratie. De kern van een gendervraagstuk is de fundamentele vraag wie je bent. Wat bepaalt wie je bent? Welke rol speelt gender? Word je iemand anders als je je gender wijzigt? Word je dan eigenlijk meer jezelf of niet? Ik heb me suf gepiekerd op al die vragen. Ik voelde trots toen ik tijdens het formuleren van mijn reactie naar haar, merkte hoe helder de antwoorden inmiddels voor mij zijn. Natuurlijk zijn het mijn antwoorden en het gaat bij fundamentele antwoorden natuurlijk niet om het antwoord maar om de persoonlijke zoektocht ernaar. Maar dit is wat ik haar schreef: “Dat gevoel dat je jezelf belazert ken ik maar al te goed. Als ik er filosofisch / spiritueel op mag reageren: in zekere zin is het ook zo. Als je gelooft dat jij die man was, dan klopt het niet om hem in te wisselen voor die vrouw. Jij bent die vrouw niet echt, net zoals je die man niet echt bent. Je bent iets veel groter, veel dieper. Jij bent datgene waarin die man en die vrouw zich openbaren. De keuze voor die vrouw is een keuze voor een identiteit. En elke identiteit is een construct. In een veel grotere mate dan ik voor mijn transitie ooit had vermoed. Die identiteit zal nooit helemaal kunnen vertegenwoordigen wat er in je leeft en wie je bent. Voor mij is Lisa veel geschikter om mezelf te manifesteren. Maar spiritueel gezien beschouw ik mezelf niet als Lisa. Lisa is deel van mij. Een veel belangrijker en dierbaarder deel dan Man-ik. Je kunt geen beslissing nemen over ‘iemand anders zijn’, maar wel over ‘als iemand anders leven’. Jij bent jij. Jij blijft jij. De keuze die je te maken hebt ligt op een ander niveau”.

zondag 18 oktober 2015

Nude look

Het mag met recht een glossy heten, want het papier is glimmend en glad. Zo glad zelfs dat ik de bladzijdes bijna niet omgeslagen krijg. Ik zet door, want ik wil dit blad graag lezen. Nou ja, lezen, het is meer een kwestie van doorbladeren, foto’s kijken, producten kijken en vertrouwd raken met de bijbehorende termen, voor zover dat nog niet zo was. Een diepte-interview zal ik niet aantreffen in de Fabulous, het lijfblad van de cosmetica-winkelketen Douglas. Maar daar gaat het me ook niet om. Omdat mijn vrouwenleven pas na mijn veertigste is begonnen, heb ik een hoop in te halen. Ik heb veel gemist omdat ik als kind nooit de Tina, de Yes of de Fancy heb gelezen. Althans, af en toe lukte het me om stiekem wat mee te lezen in de Yes van mijn eerste vriendinnetje, maar dat mocht toen niemand weten. Hoe dan ook: van een geleidelijke opbouw van kennis over make-up, huidverzorging, haarstyling en al die andere fundamentele vrouwenvaardigheden is bij mij geen sprake geweest. Ik ben een laatbloeier, als vrouw. En ook al heb ik de laatste jaren al veel ingehaald, er blijft nog genoeg te leren.

Geïnteresseerd blader ik door het blad en mijn oog valt op een artikel over de nude look. Ik ken die term wel en ik weet dat het een look is om zo naturel mogelijk over te komen. Ik had daar nooit echt interesse in gehad, want in mijn eerste (grotendeels parttime) jaren als vrouw waren er een baardschaduw, mannelijke contouren en een zeer grove en iets vettige huid te verbergen. Dat vroeg meer dan nude. Althans dat dacht ik. Maar nu ik lees wat er allemaal komt kijken bij een officiële nude look, begint het me te dagen dat het niet veel minder is dan wat ik tot voor kort nog elke dag deed: primer, foundation, poeder, oogschaduw, oogpotlood, mascara, lipgloss. Het enige dat in het rijtje ontbreekt is de beardcover. Een hele klus om dat allemaal aan te brengen elke ochtend. Hoewel ik de tijdsduur door ervaring wist terug te dringen van drie kwartier naar twintig minuten, bleef het toch altijd een heel gedoe.

Sinds een klein jaar is het anders. Dankzij mijn hormoongebruik is door de mooier wordende huid de hoeveelheid make-up in rap tempo afgenomen. Tegenwoordig is het een beetje beardcover (tja, dat ontharen schiet écht niet op), een potloodlijntje op mijn oogleden en mascara. Verder niks. Binnen twee minuten gepiept. En ik zie er dan prima uit. Ik kan gewoon mijn neus aanraken als ik verkouden ben, zonder dat mijn zakdoek er beige van wordt en mijn neus kaal. Je kunt gewoon met me knuffelen zonder bang te zijn dat ik afgeef. Je kunt me gewoon op mijn wang zoenen zonder dat je make-up proeft of ruikt. M. zou er heel blij mee geweest zijn, maar nu profiteert niemand van deze – wat ik maar zal noemen – ultra nude look. Behalve ikzelf dan. Ik ben blij dat ik inmiddels steeds minder ‘nep’ nodig heb om de vrouw te zijn die ik wil zijn. En eerlijk is eerlijk: dat komt ook deels omdat mijn ambities realistischer zijn geworden en ik iets meer kan berusten in mijn mannelijke historie.

Een bladzijde verder lees ik in de make-up glossy over de ‘spa at home’: heerlijk je gezicht verwennen met fijne reinigingsproducten en voedende crèmes. Ik denk dat ik dat zo maar eens uitgebreid ga doen. Want ook als je weinig make-up gebruikt is het fijn om lekker te tutten. Kan dat niet bij het aanbrengen, dan maar bij het verwijderen van de make-up. Je moet toch wat, als ultra nude vrouw.

zondag 11 oktober 2015

Zoen

Mijn zwarte jurkje zwiert vrolijk heen en weer terwijl ik van mijn fiets stap. Ik zet de fiets op slot en loop naar binnen. Mijn gedachten zijn bij de jongen met wie ik hier een maandje geleden een bijzonder intense ontmoeting had. Sindsdien ben ik niet meer bij de Ecstatic Dance club geweest. Dat was niet alleen een toevallige samenloop van omstandigheden; ik had ook wel heel makkelijk mezelf wijsgemaakt dat ik het te druk had. Niks gelogen, maar het kwam me wel heel goed uit als smoes voor de angst en onzekerheid die ik voelde om hem nogmaals te gaan ontmoeten. Na onze ontmoeting hebben we elkaar op Facebook gevonden en als hij maar ver genoeg mijn profiel heeft teruggekeken, dan weet hij inmiddels waarom ik de ‘bijzondere vrouw’ ben die hij in me had gezien. Dus ik leef al weken in angst over wat hij wel en niet weet, in onzekerheid over wat zijn intenties zijn, in schaamte over dat ik hem nog niks heb verteld; met daarbij de terechte tegenstem waarom ik hem in dit stadium überhaupt iets zou moeten vertellen. Ik hou mezelf voor dat ik alle signalen dat hij me als een echte vrouw ziet, goed heb gezien. Mijn intuïtie zegt me dat, en ik heb me voorgenomen mijn intuïtie te vertrouwen. Maar toch. Het zou pijnlijk zijn om te ontdekken dat hij van begin af aan heeft doorgehad hoe het zit en dat hem dat nou juist in mij heeft aangetrokken. Het zou ook jammer zijn als hij zich van me af keert wanneer hij de waarheid ontdekt. Dat zou jammer zijn omdat ik hem leuk vind. Ik ben niet verliefd, maar ik geniet van het contact met hem. Ik voel me erg vrouwelijk bij hem en ik geniet van de sterke aantrekkingskracht die er tussen onze lichamen is. Meer opportunistisch geformuleerd geeft hij me tevens de kans mijn vrouwelijke vaardigheden in het verleiden en genieten van mannen te oefenen. Terwijl ik me mijn opportunisme realiseer en daar schaamte over voel, dringt ook tot me door dat dit nu eenmaal hoort bij het spel van een pubermeisje op weg naar volwassenheid. Want dat is wat ik ben.

Eenmaal binnen in de club trek ik mijn jas uit en loop ik de zaal in. Ik voel me nerveus en zoek daarom maar meteen de veiligheid van de bar en neem wat te drinken. Ik ga met mijn drankje op de grote kussens aan de zijkant van de zaal zitten en kijk rond. Met mijn eerste schichtige blikken bij binnenkomst had ik hem gemist, maar nu zie ik hem midden op de dansvloer staan. Wat danst hij leuk eigenlijk…: heel uitgelaten. Terwijl ik zijn lichaam zie bewegen komen herinneringen aan ons intense samenzijn terug en ik voel een glimlach over mijn gezicht dansen. Precies op dat moment kijkt hij mijn kant op en zijn gezicht begint te stralen. Ik lach op mijn verleidelijkst terug: met een mengeling van gecentreerde kracht en zachte onzekerheid geef ik het signaal af dat ik open sta voor overgave aan hem. Om niet te gretig te lijken, wend ik mijn blik weer af en ik voel dat hij zijn blik vrij snel daarna ook op iets anders richt. Maar ons oogcontact duurde lang genoeg om het zeker te weten: hij heeft net als ik nog steeds goede herinneringen aan onze vorige ontmoeting en hij weet nog niets van mijn hoed en mijn rand. Ik voelde verlangen zowel bij hem als bij mij. Een verlangen dat ik op dit moment niet zou kunnen en willen waarmaken met mijn gekke tusseninlijf. Hoe mooi zou het zijn als we ons geflirt nog een jaartje zouden kunnen volhouden. Tegen die tijd ben ik inmiddels geopereerd en kan ik me ook zonder kleren aan volledig aan hem geven. Ik geloof dat ik dat wel zou willen. Meewarig schud ik mijn hoofd over al die vreemde gedachten. Wat een raar idee: ik, seks met een man?

Ik sta op en loop de dansvloer op, helemaal naar de andere kant van de zaal, ver van hem vandaan. Even afstand van al deze gedachten. Even afstand van hem. Ik dans en dans en voor ik het weet is er een half uur voorbij gegaan. Dan zie ik hem in een ooghoek ineens mijn kant op komen, al dansend. Ik draai me naar hem om en we kijken elkaar aan. Daar is die glimlach weer. Ik hap niet toe en gelukkig blijft hij niet bij me staan. O god, dan zou hij misschien aan mijn moves wel zien dat ik geen echte vrouw ben. Ik sluit mijn ogen en concentreer me op mijn beweging. Vrouwelijk dansen, Lisa, vrouwelijk dansen! Ik probeer hem te vergeten en ik dans vol overgave. Ik geniet ervan.

Na een lange tijd, wanneer ik naar de bar loop om weer wat te drinken, zie ik hem staan. We hebben elkaar de afgelopen uren een aantal keer aangekeken, maar geen van ons heeft nog initiatief genomen. Ik zie hoe hij zijn spullen bij elkaar raapt; hij staat duidelijk op het punt om te vertrekken. Ik loop naar hem toe, hij kijkt op en lacht weer zijn brede lach en ik zie weer die twinkeling in zijn ogen. Ik lach ook en ga voor hem staan. Hij neemt mijn drankje uit mijn hand en zet het op een tafeltje naast ons. Wanneer hij zich weer recht draait valt hij bijna automatisch in mijn daartoe uitgestrekte armen. Hij slaat zijn armen om mij en we trekken onze lijven naar elkaar toe. Teder laat ik mijn handen over de spieren in zijn rug glijden. Hij is bezweet van het dansen, net als vorige keer. Ik ben het ook, maar het deert ons niks. Ik voel hoe mijn lijf zich als zacht rubber om hem heen plooit. Een van mijn handen heeft inmiddels al strelend zijn nek bereikt en ik kriebel hem bij zijn haargrens. Ik richt mijn borsten wat op en buig mijn hoofd wat naar achteren om hem te kunnen aankijken. Mijn hand glijdt vanuit zijn nek naar voren, naar zijn borstspier. Mijn hoofd observeert, maar bemoeit zich er niet mee. Mijn lichaam weet wat het moet doen. Mijn hand schuift weer terug in zijn nek en terwijl ik mezelf licht uitrek, duw ik zijn hoofd zachtjes naar voren. Zonder enig misverstand of enige aarzeling vinden onze lippen elkaar. Ik kus hem. Hij kust mij. Ik voel de stoppels van zijn driedagenbaard prikken. Maar ik voel ook zijn tedere lippen. Als vanzelfsprekend open ik mijn mond iets, zijn lippen bewegen mee en onze tongen vinden elkaar. Ik hoor mezelf kreunen. Dit is lekker. Ik voel mijn erectie zich tevergeefs een weg zoeken uit het strakke ondergoed dat ik draag om een bobbel in mijn jurk te voorkomen. Voor de zekerheid neem ik met mijn bekken iets meer afstand van zijn lichaam. Hij mag het niet ontdekken. Nu niet. Nog niet.

We zoenen tien, twintig seconden en dan fluistert hij “Ik moet weg” in mijn oor. Mijn armen laten hem langzaam los, maar ik voel dat we energetisch gezien elkaar nog even vasthouden. “Dag”, zeg ik tegen hem en ik stap opzij. Met mijn linkerhand streel ik nog even zijn bovenarm en ik loop zo nonchalant mogelijk langzaam weer de dansvloer op. Wanneer ik over mijn schouder kijk, zie ik hem mij lachend een handkusje toewerpen. Verlegen lach ik naar hem terug. O god. Wat gebeurt er? Ik heb zojuist voor het eerst in mijn leven een echte tongzoen gehad met een man. Vol van tederheid en aandacht. En het smaakt naar meer. Naar veel meer. Mijn benen beginnen te trillen en ik red het net om aan de andere kant van de zaal de bank te bereiken. Ik ga erop zitten en begin zachtjes te huilen. Het bijzondere moment van zojuist maakt me niet alleen heel verwachtingsvol over wat er nog komen gaat. Het doet me ook op een veel dieper niveau met weemoed realiseren dat het leven dat ik voor mijn transitie leidde voorgoed voorbij is.

vrijdag 9 oktober 2015

Strohalm

Ik zie aan het blauwe vinkje dat hij het gelezen heeft. Maar hij heeft geen reactie gestuurd. Hij gaat dat waarschijnlijk ook niet later nog doen, omdat hij nu even te druk is of zo. Ik weet inmiddels hoe het gaat: ik ga waarschijnlijk niks van hem horen. Nadat S. aangaf mij niet meer te willen zien begon ik hem elke paar dagen een Whatsappje te sturen. Of eigenlijk moet ik zeggen: ging ik door met hem elke paar dagen een Whatsappje te sturen, want we hielden op die manier altijd al contact in de periodes tussen onze gezamenlijke weekends in. Alleen werd het belang ervan in een klap anders. Het was de enige manier geworden die hij mij toestond om nog contact met hem te hebben. Hij wilde me niet zien. Hij wilde me niet spreken. Maar een berichtje af en toe mocht nog wel. Dat zei hij min of meer expliciet en bleek vooral uit het feit dat hij mijn berichtjes beantwoordde. Na een paar weken begon me te dagen dat zijn behoefte mij uit zijn leven te houden geen tijdelijke oprisping was. Zijn aanvankelijke overweldiging kon ik wel meevoelen; er kwam nogal veel op hem af met zijn diagnose van een chronische ziekte. En omdat hij zijn handen al behoorlijk vol had met een vader die een vrouw aan het worden was en de overgang van de basisschool naar de middelbare, moest hij ruimte maken in zijn hoofd. Het deed me verdriet, maar ik begreep het wel. Ik kon naast verdriet ook trots voelen dat hij zo helder voor zichzelf opkwam. Ik hield me vast aan het feit dat ik niet verdwenen was. Dat we dankzij Whatsapp via een dunne strohalm nog aan elkaar verbonden waren. Ik vermeed meestal specifieke vragen over zijn ziekte omdat hij het daar niet over wilde hebben. Ik vermeed mededelingen over mijn proces omdat ik vermoedde dat hij daar niks van wilde weten. Hij wilde me immers niet zien omdat mijn transitie te belastend voor hem was. Omdat we geen gemeenschappelijk leven meer hadden werden die berichtjes steeds oppervlakkiger, tot het niveau van koetjes en kalfjes. Na een tijdje begon hij ook minder te reageren op mijn berichtjes. Het ging heel geleidelijk. Inmiddels zijn we ruim acht maanden verder en krijg ik nauwelijks nog antwoord. Zijn laatste reactie is van een maand geleden.

De laatste twee maanden vind ik het steeds moeilijker worden om berichtjes naar hem te sturen. Ik wil hem graag regelmatig laten weten dat ik aan hem denk en dat ik van hem hou, zodat de drempel voor hem om later ooit weer contact met me op te nemen minder hoog is. Maar het doet me pijn dat ik zo weinig respons krijg. Elk berichtje dat ik stuur is een steek in mijn hart nog voor ik op de verzendknop heb gedrukt. Een steek van onbeantwoorde liefde. Deze dunne lijn van contact is vermoedelijk voor ons allebei pijnlijk. Hij wordt door elk berichtje van mij geconfronteerd met mijn bestaan (en impliciet dus met mijn transitie), met het gemis dat hij ook moet voelen en met gevoelens van boosheid omdat ik ‘hem ziek heb gemaakt’, zoals zijn moeder de situatie begin dit jaar voor hem samenvatte.


Ik durf de situatie niet met hem te bespreken. Ik durf hem niet te vragen hoe hij de berichtjes ervaart. Ik ben als de dood dat hij door die opening de kracht vind om me te zeggen dat hij helemaal geen berichtjes meer wil krijgen. Als de dood dat hij dan onze laatste strohalm uit onze handen rukt. Ik wil geen lege handen. Ik wil hem omhelzen, knuffelen, vasthouden. Mijn lieve jongen. Dus rest mij niks anders dan het staren naar een blauw vinkje en hopen op het beste.

woensdag 7 oktober 2015

Koude douche

Ik sta hier al een tijdje met mijn ogen dicht. Ik kreun er zelfs bij. Het warme water klatert over me heen in een niet aflatende stroom weldaad. Ik geniet met mijn ogen dicht van deze koestering. Mijn lichaam kronkelt zich in wulpse bochten om maar zoveel mogelijk van het goddelijke water op te vangen. Het goddelijke water dat nooit eerder zo overvloedig uit mijn eigen douche liep. Mijn hand glijdt over mijn lichaam, mijn vingertoppen sensueel aquaplanend over mijn zachte huid. Mijn vingers glijden over mijn borsten en ik voel mijn rondingen. Mijn vrouwelijke rondingen. Ik ben een sexy vrouw. Ik weet het zeker. Mijn borsten lijken enorm gegroeid. De laatste keer dat ik keek waren ze lang zo groot niet als ze nu aanvoelen. Ik hoor mezelf tevreden spinnen. Zo groot. Een stemmetje in mij gelooft het niet en wil het met eigen ogen zien. En terwijl ik mijn ogen open en naar beneden kijk, zie ik mijn borsten precies zoals ze gisteren waren. Duidelijke borsten, maar niet zo groot als ik ze net ervaarde. Deze teleurstelling wordt echter ruw overschaduwd door wat ik nog meer zie.

Iets verder naar beneden hangt een piemel. Mijn piemel. Ai. Dat is waar ook. Ik ben geen vrouw. Ik ben een transvrouw. Met nog steeds één been in mijn mannenleven. Dat mannenleven deed me een aantal jaar geleden zoveel pijn dat ik besloot de vrouw in mij eens echt de ruimte te geven. Langzaam kroop ik in een paar jaar tijd naar het punt dat ik me realiseerde dat ik geen keus meer had. Dat ik eigenlijk al aan mijn transitie was begonnen en dat ik die wilde afmaken. Ik wilde een volwaardig leven als vrouw. En dat wil ik nog steeds. Maar mijn god wat duurt het allemaal lang. En wat heeft het veel verlies opgeleverd. Ik ben mijn energie kwijt, mijn zelfvertrouwen. Ik ben M. kwijtgeraakt, de vrouw die ik ondanks alles nog steeds als de liefde van mijn leven beschouw. En ik ben S. kwijtgeraakt. Mijn lieve jongen. Mijn zoon. Ik had hem zo graag nog zoveel willen meegeven. Ik had graag nog zoveel met hem willen beleven. Ik had graag nog zoveel knuffels van hem gehad. Als ik over hem praat, met vrienden of kennissen die er naar vragen, dan zeg ik altijd monter dat we elkaar wel weer gaan zien over een tijdje. Maar ik begin daar steeds vaker aan te twijfelen. Ik ben bang dat ik hem kwijt ben. Dat we elkaar nooit meer gaan zien.

Ik voel een rilling over mijn rug gaan. Ik zie kippenvel op mijn armen. Het water dat uit de douchekop stroomt voelt koud. Is de ketel uitgevallen? Ik draai aan de warmwater-knop, maar het water wordt niet warmer. Ik draai de knop de andere kant op en ineens wordt het water nog kouder. IJskoud. Ik schrik ervan en realiseer me dat niet het water koud was geworden, maar mijn hart.

donderdag 1 oktober 2015

Leegte

Mijn groene jurk wappert in de najaarswind. De zon schijnt alle zonnestralen waar deze zomer geen ruimte voor is geweest en ik geniet ervan. Ik fiets door de stad en voel hoe de wind aan de zomen van mijn jurk trekt. Ik kijk naar beneden en ik zie mijn jurk golven rond de vormen van mijn borsten, mijn taille en mijn heupen. Mijn benen zijn prachtig omhuld met panty. Ik voel dat ik lach. Ik ben blij een vrouw te zijn. Ik ben blij met mijn moed om de moeilijke stappen te zetten om me hier te brengen, in een mooie jurk op de fiets rijdend in mijn nieuwe leven als vrouw. Ik heb deze middag veel dingen te bezorgen, op te halen of in te kopen, en ik verheug me om op deze prachtige nazomerdag kris-kras door de stad te gaan.

Wanneer ik langs de dierentuin fiets, kijk ik over het hek en ik zie de giraffen en zebra’s zich tevreden schikken in hun bestaan op de nagebouwde savanne. Ik zie het terras van het dierentuincafé ernaast behoorlijk vol zitten. Het terras waar S. en ik regelmatig een Fristi (hij) en een thee (ik) hebben gedronken. Mijn gedachten worden wazig en wanneer ik weer helder wordt, realiseer ik me dat ik inmiddels al langs de Botanische Tuin ben gefietst waar S. en ik ’s winters altijd de warmte van de tropische kassen gingen opzoeken. Ik voel dat mijn mond droog is. Ik duw met mijn voeten steviger op de trappers en versnel. Ik kom langs het grote verkeersplein, midden in de stad, waar onder de grond, in een oude in onbruik geraakte autotunnel een kinderklimparadijs is gemaakt. Ik herinner me alle keren – jaren geleden – dat ik daar met S. was: hij min of meer rechtopstaand over alle plateaus van het klimtoestel rennend en ik daar als een bezetene achteraan kruipend; mijn lijf te groot om ook te kunnen lopen. Ik schakel mijn versnelling wat hoger en fiets snel door. Langs de plek waar vroeger de ijswinkel zat waar we altijd een ijsje kochten, de bioscoop waar we regelmatig kwamen, de Apple-winkel, de straat waar het poolcafé zit waar we af en toe kwamen: de fietstocht door mijn stad is een fietstocht door mijn geschiedenis met S. geworden. Er zijn zoveel plekjes die me aan S. doen denken, we hebben zoveel meegemaakt hier, in deze stad. Deze stad waar ik nu alleen woon. Zonder hem.

Mijn tong zit inmiddels aan mijn gehemelte vastgeplakt en mijn keel voelt dik. De rand van mijn jurk wappert achter me aan in een poging nog iets van vrolijkheid te bewaren. “Decorum is belangrijk”, hoor ik in gedachten mijn psycholoog zeggen. Hij zei het vaak tegen me in de tijd dat ik depressief was. Als ik er goed uit zag, voelde ik me daardoor vanzelf beter. Het klopt. Zo werkt het. Als je je goed voelt, zie je er beter uit en als je er voor zorgt dat je er goed uit ziet, voel je je beter. Fake it 'til you make it. Maar ja, zie ik er dan vandaag zo goed uit omdat ik me zo goed voel, of juist niet?

Intussen ben ik weer in mijn eigen buurtje aangekomen, parkeer mijn fiets voor de deur van bakker en ga naar binnen. Het meisje van de winkel groet me vriendelijk, als altijd. Ze ziet een verzorgde, goed geklede vrouw die haar opgewekt terug groet. Decorum is everything. Ik bestel twee zuurdesembroden. “Gesneden?” “Ja”. “In papier of plastic verpakt?” “Plastic graag”. “Anders nog iets…?” Ik kijk in de vitrine voor me. Ik weet dat ik niks meer nodig heb, maar een diep uitgesleten neuraal pad laat zich niet verloochenen. Hoe vaak heb die laatste vraag niet beantwoord met: “ja, en nog één roze donut”. Een roze donut voor mijn lieve schat, want daar is hij zo gek op. “Nee dank je”, antwoord ik en ik reken af. Het eten van een donut was voor hem ooit zo gewoon dat hij het zelfs als referentiepunt voor normaalheid gebruikte toen ik hem voor het eerst over mijn zoektocht naar de vrouw in mij vertelde. Gedurende de anderhalf jaar daarna kreeg ik steeds meer vertrouwen dat onze liefde en onze relatie mijn transitie wel zou overleven. Maar nu, acht maanden na het keerpunt weet ik het niet meer. Ik voel me leeg. Ik mis hem. Ik mis mijn lieve schat. Ik zou zo graag een donut voor hem kopen. Ik zou zo graag een potje met hem poolen, een filmpje met hem pakken, een ijsje met hem eten, naar de rode panda kijken in de dierentuin. Fietsen door de stad, midgetgolf in het park, zwemmen in het zwembad. Samen ontbijten met broodjes en een zachtgekookt eitje op zondagochtend. Samen computerspelletjes spelen. Ik zou zelfs graag nog eens met hem door het kinderklimparadijs klauteren en kruipen, ook al zou dat nu voor ons allebei oncomfortabel krapjes zijn. En ik zou zelfs al die dingen willen opgeven om alleen maar even met hem te knuffelen. Om hem te laten voelen hoeveel ik van hem hou. Maar dat kan allemaal niet. Het enige dat ik nu nog kan is mijn decorum hoog houden. Maar het liefste zou ik nu heel hard huilen. En dan hopen dat ik met al die tranen langzaam de leegte in mij zou kunnen vullen.

zaterdag 26 september 2015

Ondeugdelijke zorg

De officiële klachtbrief voor de VU lag al klaar toen ik het gesprek in ging. Is anticiperen een gebrek aan vertrouwen? Misschien wel, maar het wantrouwen was voor mij gerechtvaardigd. Tot dan toe had de endocrinoloog van het VU er namelijk erg weinig blijk van gegeven dat ze aan mijn kant stond. Ze was met de hormoontoediening niet in de eerste plaats mijn lichaam aan het vervrouwelijken. Ze was in de eerste plaats het protocol aan het volgen. En wanneer die twee doelen samenvallen, is er niks mis met een protocol. Maar helaas was dat bij mij niet zo. Mijn lichaam vroeg maatwerk. Dat was al een half jaar duidelijk, maar eerdere gesprekken daarover hadden niet zo veel opgeleverd. De kleine verhoging van de dosis estradiol die ze me eerder had gegund, was onvoldoende gebleken. Maar verder wilde ze niet gaan. Ik was de halsstarrigheid van het protocol zat. Ik wilde dat ze me de zorg gaf die mijn lichaam nodig had.

Het afgelopen jaar had ik al zoveel research gedaan op de werking van de geslachtshormonen dat ik op de Endocrinologie-opleiding het tentamen over dat onderwerp vermoedelijk wel zou halen. Het protocol van de VU schrijft voor dat de vervrouwelijking van het lichaam plaats dient te vinden door toediening van cyproteronacetaat (Androcur) voor het blokkeren van het testosteron en estradiolvaleraat (Progynova of Systen) om de hormoonbalans vrouwelijk te maken. De cyproteronacetaat ontmannelijkt het lichaam in allerlei opzichten (de spiermassa en -kracht slinken, de seksuele drift en de competitiedrift slinken ook, de lichaamsbeharing kan minder worden). De estradiol stimuleert een vrouwelijke vetverdeling en daar hoort ook de borstgroei bij. Ook wordt de huid zachter en de lichaamsbeharing nog iets minder. En ja, je wordt er ook rete-emotioneel van. De VU is terughoudend met het toedienen van hoge doseringen estradiol vanwege het statistisch aangetoonde verband tussen kunstmatige estradiol en trombose. Trombose is natuurlijk een serieuze complicatie. Als je pech hebt ga je er aan dood als een bloedpropje op een verkeerde plek in je lijf vast komt te zitten. Van een afstandje lijkt daarom de VU-aanpak best okee. Dat is het voor sommige transvrouwen ook, alhoewel de borstgroei in de praktijk nogal eens tegenvalt. Velen besluiten later dan ook tot borstimplantaten. Dat zou je ook een complicatie kunnen noemen, alleen is dan een andere arts verantwoordelijk voor de oplossing en loopt de endocrinoloog geen professioneel risico meer.

In de Verenigde Staten wordt een ander protocol gehanteerd. De endocrinologen aldaar maken andere inschattingen van wat nodig is en welke doseringen nog veilig genoeg zijn. Het begint al bij de testosteron-blokkering. Het in Nederland gangbare Androcur is door de Amerikaanse FDA niet toegelaten op de markt. Daarom maakt men daar gebruik van Spironolacton. Dit middel blokkeert niet rechtstreeks het testosteron, maar beïnvloedt de werking van aldosteron dat de vochthuishouding regelt. Omdat het een antagonist voor de androgene receptoren is, zit het de werking van testosteron in de weg. Het is minder krachtig dan het cyproteronacetaat dat in Nederland gebruikt wordt. Het dient dan ook in hogere doseringen te worden toegepast. Een ander verschil tussen spironolacton en cyproteronacetaat is dat die laatste een progestagene werking heeft. Het doet dus het vrouwelijke hormoon progesteron na. Dat hormoon stimuleert onder meer de borstgroei. Omdat spironolacton dat niet doet, wordt in de Verenigde Staten heel vaak ook progesteron voorgeschreven aan transvrouwen. Ten derde is het in de Verenigde Staten gebruikelijk om de dosering estradiol twee of drie keer hoger te stellen dan wat de VU standaard voorschrijft, omdat anders onvoldoende vervrouwelijking optreedt. Omdat spironolacton minder krachtig werkt dan cyproteronacetaat wordt in de praktijk een deel van de toegediende estradiol namelijk gebruikt om het testosteron te verdringen. Er is per saldo dus minder estradiol om vetweefsel mee te maken.

De afweging van de Amerikanen is op basis van wetenschappelijke publicaties net zo verdedigbaar als het standpunt van het VU. Het is lood om oud ijzer zou je kunnen zeggen. Maar voor mij niet. Vanwege heftige bijwerkingen is vorig jaar namelijk besloten mij geen cyproteronacetaat maar spironolacton voor te schrijven. Het Amerikaanse model, zou je kunnen zeggen. Maar de rest van de hormoonbehandeling die daar op volgde, bleef halsstarrig Nederlands. Met als gevolg een disbalans in mijn behandeling en een achterblijvende borstgroei. Dit was niet het gevolg van een genetische pech in mijn aanleg, want mijn lichaam kon prima borstgroei laten zien. Een tijdelijk experiment mijnerzijds met illegale pillen van internet had dat al aangetoond. Maar de endocrinoloog wilde de succesvolle dosis van toen niet voorschrijven vanwege het op algemene statistieken gebaseerde tromboserisico. Dat de anamnese in mijn geval (geen trombose in de familie, zeer lage BMI, nooit gerookt, weinig alcohol, voldoende beweging) alle lichten op groen zette, maakte voor de arts niets uit. In plaats van trombose daadwerkelijk te meten (D-dimeerniveau) en te monitoren kreeg ik een gegeneraliseerd nee te horen. Want tja: het protocol. Het voelde als een dikke vinger naar mijn verlangen naar mooie borstjes. Ik wilde liever niet met illegale pillen zelf dokteren. Ik had liever een integrale medische begeleiding en ik wilde die extra pillen ook niet zelf gaan betalen; een transitie is al duur genoeg. En ik was bang dat de endocrinoloog bij de eerstvolgende bloedmeting door de zelfmedicatie zou concluderen dat mijn estradiolniveau zo hoog was dat het best een tandje minder zou kunnen met de pillen die ze me voorschreef. Waardoor ik dus uiteindelijk mijn gehele hormoonbehandeling zelf op internet zou moeten gaan kopen. Ik was om financiële redenen gebonden aan het Nederlandse model en tegelijk paste de Amerikaanse benadering mij beter. Ik voelde me gespleten als een tweedegeneratie migrantenkind. Ik moest ófwel naar Amerika emigreren ófwel gebrek aan borstgroei accepteren. Maar ik wilde beide niet. Ik wilde borstgroei in Nederland. En wel nu meteen, want de vervrouwelijking van het lichaam vindt vooral in de eerste paar jaar van de hormoonbehandeling plaats. Daarna reageert het lichaam minder sterk. Er was al te veel tijd verloren.

In het sombere kamertje van de endocrinoloog, op de gang van de gender-polikliniek van het VU, vatte ik mijn hele analyse nog eens samen en ze kon niet anders dan erkennen dat alles klopte. “Ons protocol is continu onderwerp van evaluatie. Het zou best kunnen dat we over een aantal jaar een ander protocol hanteren”, zei ze. Hoewel ik door die uitspraak wel enige erkenning kon voelen op intellectueel niveau, werd ik er toch vooral woest van. “Maar op dat moment zit ik met implantaten die niet nodig waren geweest, die me veel geld gekost hebben, minder natuurlijk voelen en ook veel gezondheidsrisico’s opleveren! Je levert me ondeugdelijke zorg”, sprak ik met stemverheffing. De arts schrok hiervan. Misschien omdat ze me tot nu toe altijd kalm en vriendelijk had gezien. Misschien omdat mijn formulering een gevoelige plek raakte. Misschien omdat ze in mijn ogen kon zien dat ik de klachtbrief weer voor me zag die ik thuis had klaarliggen. Ondeugdelijke zorg. Ai, da’s niet best voor de reputatie van de arts en van het ziekenhuis.

Haar toon veranderde. Ze klonk ineens begripvol. Ze legde uit dat ze het niet kon riskeren om van het protocol af te wijken. Ik zag in haar ogen juristen haar kamer binnenkomen. Ik zag in haar ogen het Medisch Tuchtcollege opdoemen. Ze zei: “Er zijn meer transgenders die zelf extra hormonen gebruiken als aanvulling op onze behandeling”. Ik was verbaasd. Hoorde ik nu een impliciete toestemming? “En ik heb vastgesteld dat je estradiolniveau in orde is, dus die hoeven we niet meer te meten in het vervolg”, voegde ze toe. Het klonk als een medisch feit. Maar ik hoorde aan haar vriendelijke, bijna smekende toon dat ze me wilde geruststellen dat ze me de huidige dosis estradiol zou blijven voorschrijven, hoeveel ik er ook bij zou gaan slikken. Als ze de bloedwaarde niet mat, kon ze net doen alsof haar neus bloedde. Dit was niet het resultaat waar ik op hoopte, maar instinctief wist ik dat dit het voor nu moest zijn. Ik kon me de komende tijd nog bezinnen op een structurelere oplossing. Tot die tijd ging ik maar – naar Amerikaans model – extra estradiol en progesteron slikken. Ik zou wel zien waarvan ik dat ging betalen. Mijn klachtbrief hield ik nog maar even in de lade. Het zou daarvoor nu toch al een zeer ongunstig moment zijn, omdat het genderteam over twee weken formeel gaat bepalen of mijn Real Life Fase succesvol is. Een positieve conclusie zou de weg naar de geslachtsaanpassende operatie voor mij vrij maken. Het was beter om nog maar even geen vijanden te maken.