zaterdag 31 januari 2015

Shrek

Het lot heeft mij iets toebedeeld waar sommigen veel geld voor betalen. Mijn onderlip is flink voller geworden sinds gisteren. Maar ik vroeg er niet om. Ik heb er geen botox in laten spuiten. Al is het wel ontstaan door toedoen van een naald. De afgelopen twee dagen heb ik vier baardepilatiebehandelingen ondergaan. Omdat ze per behandeling van drie kwartier tot een uur maar een heel klein gebiedje kunnen behandelen en ik voor elke behandeling mezelf vier dagen niet mag scheren (en me dus drie dagen niet kan vertonen) had ik gemeend efficiency te kunnen bereiken door vier behandelingen in twee dagen te plannen. Mijn baardgroei is op mijn gezicht nog zo alomtegenwoordig dat de huidtherapeut en ik er geen probleem inzagen. Ruimte genoeg om te behandelen zonder een recent behandeld gebied opnieuw aan te raken.

Gisteren schreef ik al over het wondvocht dat de kapotgemaakte haarzakjes uit de poriën van mijn huid meenden te moeten duwen. Gisterenavond tekende zich helaas al een zwelling af van het hele behandelde gebied. Toen ik vanochtend opstond en alle gestolde korstjes wondvocht van mijn gezicht had gewassen, schrok ik. In de spiegel zag ik Shrek. Ik was in één nacht veranderd in een Oger, alleen dan niet groen. Mijn toch al niet heel onopvallende kin was in omvang verviervoudigd. Mijn normaliter slanke kaaklijn was opgezwollen alsof ik voedselvoorraden voor een week in mijn wangen had opgeslagen. En mijn onderlip was zo opgeblazen dat ik bang was dat hij zou klappen.

Moedeloos kroop ik terug in bed. Ik zou deze dag een stukje gaan wandelen met L., mijn lieve hartsvriendin. Maar het liefste wilde ik verdwijnen. Totaal onzichtbaar zijn. Het ziekelijke cynisme van het lot had bepaald dat de start van mijn leven als fulltime vrouw overschaduwd moest worden door een periode met elke twee weken een behandeling van mijn baard, waarvoor ik vier dagen ongeschoren moest en zijn en normaal gesproken twee dagen hersteltijd nodig had om weer een beetje toonbaar te zijn. Maar de aanblik in mijn spiegel zei me vanochtend dat die twee dagen deze keer waarschijnlijk ruimschoots onvoldoende zouden zijn. Ik huilde. Ik wilde me niet verstoppen. Ik had me mijn hele leven al verstopt. Nu wilde ik vrijuit kunnen leven, me vrij en fijn voelen in mijn lichaam, in mijn identiteit. Maar mijn hoofd zag er uit als één grote rijpe puist. Opgezwollen en geel vocht bloedend. Ik huilde mijn wanhoop weg en voelde haat. Haat tegen dit hele kutproces!

vrijdag 30 januari 2015

Wondvocht

Ik probeer mijn ogen zo diep mogelijk en iets opzij gedraaid in hun oogkassen te laten rusten, alsof ze via de binnenkant van mijn hoofd naar mijn eigen oren kijken. Dit activeert mijn parasympatisch zenuwstelsel. Dat helpt om te ontspannen. Af en toe lukt het me om de ontspanning te vinden waar ik naar op zoek ben. Heel even voel ik dan helemaal niets meer. Maar het lukt me niet om dat lang vast te houden. De snijdende ijskoude pijn van het elektrische naaldje haalt me telkens uit mijn zelfgecreëerde roes. Door de pijn is mijn onderlip gevoelloos geworden; ik voel dofheid wanneer ik met mijn tong langs mijn lip strijk. De huid onder mijn lip, waar de huidtherapeute bezig is mijn baardgroei te verwijderen, is helaas niet gevoelloos geworden. Na elke tien à vijftien haartjes veegt ze wondvocht weg; een welkome korte pauze van deze kwelling. Maar telkens gaat ze weer verder. Niet om mij te plagen, maar omdat ik het wil. Ik wil van mijn baardgroei af en dit is het enige middel dat voor mijn overwegend witte baardharen nog werkt.

Mijn sterke motivatie en de technieken die ik inzet om te ontspannen blijken onvoldoende. Bij elke elektrocutie van weer een volgende haar bouwt zich pijn op. Pijn waarin ik niet meer kan ontspannen. Ik voel de drang om te schreeuwen. Nee, ontspannen nu: adem uit, adem in. Schouders ontspannen. Ik wil schreeuwen. Ontspan. Ik wil schreeuwen. Ontspan. Ik wil keihard schreeuwen! Mijn linkerhand zwaait omhoog en de huidtherapeute stopt. Ik voel het wondvocht opwellen op mijn kin. Ik zucht en ben verbijsterd dat ik ineens begin te huilen. Dat zag ik niet aankomen. Ineens ben ik gebroken en voel ik me miserabel. Ik loop leeg. Tranen lopen over mijn wangen. Het is niet de fysieke pijn die me hier bracht. De fysieke pijn ontnam me hoogstens de kracht om mijn verdriet te dragen. Het is te veel. Ik trek het niet meer. Ik trek dit transitieproces niet meer. Ik trek het leven dat ik nu leidt niet meer. Ik huil het wondvocht van mijn ziel.

Ik huil ook om S. Vorige week kregen we te horen dat hij een nare chronische ziekte heeft. Ik wil bij hem zijn. Maar dat lukt niet. Niet om praktische redenen. Niet omdat mijn ex zich het gemoeder weer eens heeft toegeëigend. Dat ergert me altijd en maakt me soms boos, maar het belemmert me niet om liefde te geven aan mijn zoon. De reden dat ik nu niet bij hem kan zijn, is omdat hij niet wil. Hij voelt zich naar en kan mijn pijn en verdriet er niet bij hebben. Dat was wat hij zei. De afgelopen maanden maakte S. zulke mooie stappen in de acceptatie van mijn transitie dat ik me minder zorgen begon te maken over onze toekomst samen. Maar onbewust zag ik dit toch aankomen. Als mensen de afgelopen maanden aan mij vroegen hoe mijn transitie voor S. was, antwoordde ik steeds: “Hij vind het vooral moeilijk om te zien hoe heftig dit hele proces voor mij is”. Ik wist het dus eigenlijk wel, maar toen hij me het gisteren in zijn eigen woorden eindelijk tegen me zei, sneed een mes door mijn hart, scherper dan een epilatienaald. Ik doe mijn zoon pijn. Mijn keuze, die geen keuze is, zorgt er voor dat mijn zoon mij nu niet wil zien. Mijn hoofd begreep dat hij even ruimte nodig had voor zijn eigen verwerkingsproces. Mijn hart begreep niet dat ik daar geen rol in mocht spelen. Ik ben teveel. Ik ben meer dan hij op dit moment aankan. En dat is meer dan ik op dit moment aankan. De pijn die ik voel wijst in de richting van mijn angst hem voor altijd kwijt te raken.

vrijdag 23 januari 2015

Dankjewel

We zaten aan mijn grote eettafel, mijn dierbare vrienden en ik; het eten net achter de kiezen. Het grote moment was aangebroken. Het moment waar deze avond – deze ceremonie – om draaide. Het dankwoord. Het dankwoord aan Man-ik. Ik had mijn vrienden bijeengeroepen om samen Man-ik te herinneren en te danken. Dat leek me een passend ritueel in de fase van het proces waar ik nu sta. Voor mij. En voor mijn vrienden. Bibberend en met een brok in mijn keel nam ik het woord. Tranen welden op in mijn ogen. Met horten en met stoten sprak ik mijn dankwoord uit. Het dankwoord aan Man-ik.

Ik wil het dankwoord dat ik ten overstaan van mijn vrienden uitsprak, hier op dit blog herhalen. Hier heb ik Man-ik steeds Man-ik genoemd en dat zal ik met het oog op de duidelijkheid blijven doen. Maar Man-ik is natuurlijk niet de naam die mijn ouders aan mij gaven toen ik als jongetje werd geboren. Voor deze keer zal ik, passend bij het eerbetoon, Man-ik bij zijn echte naam noemen.

Lieve Erik, vandaag wil ik stilstaan bij jou. Dit is geen grafrede, want je bent niet dood. Toch besta je niet meer zoals je ooit bestond. En tegelijk ben je er gewoon nog. In elke vezel van wie ik ben. Dat maakt het zo vreemd. Ik richt deze woorden aan mezelf. Aan de Erik in mij. Je leeft in mij, en toch ben je iemand anders. Een persoon. Zelfstandig. Afgebakend. Dit is een dankwoord aan jou. Want Erik, ik heb zoveel aan jou te danken.

Het is niet jouw praktische nalatenschap waar het mij om gaat. Natuurlijk, ik ben blij met alle vaardigheden die jij hebt verzameld. Praktische vaardigheden die me helpen om mijn leven vorm te geven. Sociale vaardigheden die me helpen me te verbinden met anderen. Intellectuele en creatieve vaardigheden die me helpen expressie te geven aan wat er in mij leeft. Je hebt hard gewerkt om die vaardigheden te ontwikkelen. Ik weet dat je dat vaak deed om erkenning te krijgen. Erkenning van anderen om de gemiste erkenning van je ouders te compenseren. Ik weet dat die behoefte meestal niet helemaal ingevuld werd. Dat je altijd iets bleef missen. Met deze woorden wil ik je dat geven. Met deze woorden wil ik je de erkenning geven die je verdient.

Lieve Erik, ik ben je dankbaar. Dankbaar voor wat je voor mij gedaan hebt. Jij hebt de kracht gehad om me te beschermen in tijden waarin het te gevaarlijk was om me te tonen. Jij hebt de moed gehad om te erkennen dat jij niet als enige in dit lichaam leefde. Dat er ook een vrouw was. Jij hebt de eerlijkheid gehad om toe te geven dat zij bestond. Jij hebt het geduld gehad om mijn persoonlijkheid tot bloei te laten komen totdat deze sterk genoeg was om de grote stap aan te kunnen. Jij hebt me gebracht waar ik nu ben. In het licht. Zichtbaar. Boven de oppervlakte. Daarvoor heb je pijn doorstaan. Angsten getrotseerd. Verdriet gedragen. Eenzaamheid gevoeld.

Je hebt mijn leven verrijkt met fijne vrienden, die ik stuk voor stuk in mijn hart draag. Je hebt mijn leven een onbeschrijflijke waarde en betekenis gegeven door me S. te schenken; het ultieme wonder dat ik niet had kunnen ontvangen als ik ongeduldiger was geweest. En je hebt M. in mijn leven gebracht. Zij heeft deuren in mij geopend die ik zonder haar nooit open had gekregen. Deuren van liefde, speelsheid en vrijheid. En de allerbelangrijkste deur: de deur van mijn vrouwelijkheid. Samen met haar en samen met jou heb ik eindelijk die deur wagenwijd open kunnen zetten.

Je bent een grote geest, een krachtig mens, met een groot hart. Ik weet geen woorden om je daarvoor te bedanken. Het enige dat ik kan doen, is alles wat je me gegeven hebt met trots verder dragen. Op die manier blijf je bij me. Leef je in me. Ben je zichtbaar in Lisa. Ik hoef je nooit te missen, ondanks de momenten van weemoed die ongetwijfeld zullen blijven. Jij leeft in mij. Jij bent ik en ik ben jou.

Het is goed, Erik. Je taak is volbracht. Laat het maar los. Laat mijn lot maar los. Je mag rusten. Je mag eindelijk rusten. Lisa is hier. Vanaf nu zorgt zij voor me. Lieve Erik, rust maar. Ik hou van jou.

dinsdag 20 januari 2015

Tussen de oren

Gisteren schreef ik onomwonden: “Mijn hele genderdysforie zit tussen de oren”. Voor mij klopt dat als een bus. Maar ik weet ook dat dogmatische tegenstanders dat argument gebruiken om de huidige hulpverlening aan transgenders te verwerpen en mijn soortgenoten te onderwerpen aan zinloze aan duivelsuitdrijving gerelateerde rituelen. Met vaak ernstige gevolgen.

In letterlijke zin is er echt iets niet in orde tussen de oren. Althans, het is niet in overeenstemming met die oren zelf. Bij transgenders zijn het lichaam en het brein van een verschillend geslacht. De Nederlandse trots van de neurologie, Dick Swaab, schreef hierover in zijn bestseller ‘Wij zijn ons Brein’ en maakte zo een jaren eerder door hem uitgevoerd onderzoek aan een breed publiek bekend. Hoewel er wel wat kritiek is op het door hem uitgevoerde onderzoek, wordt de hypothese breed gesteund in kringen van medici en wetenschappers die zich bezig houden met transgenders. Ik heb een vrouwenbrein, gemaakt door een hormonale fout tijdens de zwangerschap. Mijn mannenlijf correspondeert met mijn genetische programmering. Het is mijn brein dat afwijkt. Mijn genderdysforie zit dus letterlijk tussen mijn oren. Ik ben dus eigenlijk niet in het verkeerde lichaam geboren, maar met het verkeerde brein. Maar dat is niet met een hersenoperatie op te lossen, dus grijp ik maar in mijn lichaam in.

In figuurlijke zin zit mijn genderdysforie natuurlijk ook tussen mijn oren. Ik denk dat ik een vrouw ben. Dat dat een gevolg is van de bedrading in mijn hoofd, betekende lange tijd voor mij nog niet dat ik niet op andere gedachten gebracht kon worden. Ik heb het geprobeerd. Ik heb gedurende mijn leven een aantal keer met psychologen en psychotherapeuten gesproken. De laatste jaren zelfs zeer intensief en zeer nadrukkelijk gericht op het ontmaskeren van mijn genderdysforie als een vlucht. Ik heb zelfs een aantal keer spiritueel genezers en esoterische therapeuten bezocht. Onder het motto: er is meer tussen hemel en aarde. Maar dat heeft mijn geloof in mijn vrouw-zijn niet aangetast. Eerder verstevigd.

Mijn genderdysforie zit niet alleen tussen mijn oren, maar ook in mijn hart. Het is niet alleen een ziekte, maar ook een verlangen. Een verlangen dat ik al mijn hele leven bij me draag en dat steeds pregnanter is geworden. Ik heb gedurende mijn leven jaren gekend waarbij ik niet actief bezig was met mijn vrouw-zijn. Ik praktiseerde het niet, ik dacht er niet teveel over na. Vaak zat ik in de kramp van de verdringing, waarbij ik niet alleen mijn genderdysforie verdrong, maar ook mijn hele levensgeluk. Soms kon ik er meer in ontspannen. Na mijn scheiding van de moeder van S. heb ik de pruik en de jurken die ik toen had in de vuilniscontainer gegooid. Tijd voor een nieuwe start. Tijd voor een andere Man-ik. In de periode die volgde heb ik mezelf flink kunnen ontwikkelen. Als mens, als liefdespartner en zelfs als man. Ondanks de relatieve rust op het genderdysforie-front bleef mijn vrouw-zijn altijd aanwezig. Als een achtergrondruis die soms ineens alles even overstemde. Het lukte me dan meestal vrij goed om de kalmte te bewaren. Ook die keer dat een toenmalig vriendinnetje zich in mijn bijzijn aankleedde met een leuk jurkje en een mooie panty. In een impuls wilde ik de kleren van haar lijf rukken. Niet uit lust om haar lichaam. Maar uit pure jalousie. Ik sloot mijn ogen, ademde diep en ontspande. Om mezelf terug in mijn mannelijke rol te dwingen zei ik: “Je ziet er sexy uit lieverd”.

Ik heb dus periodes gekend waarin ik mijn genderdysforie kon managen. Waarin ik er voor kon zorgen dat het niet de overhand nam. Dat ik het niet hoefde te praktiseren. Dat lukte. Maar ik betaalde een prijs. Het kostte me mijn innerlijke rust en het vermogen om open contact te hebben met wie dan ook. Zelfs met degene die het dichtst bij me stonden. De afgelopen jaren stond ik mezelf in kleine, moeilijke stapjes langzaam toe dit patroon te doorbreken. Ik wilde het niet meer. Ik wilde niet langer mijn verlangen managen. Ik wilde mijn verlangen leven.

maandag 19 januari 2015

Stofzuiger

Mijn arm geeft een enorme ruk aan de slang. Als een pijl uit een boog komt de stofzuiger van de grond en hij koerst recht op mijn knie af. In een reflex til ik mijn been op en trap de vliegende stofzuiger bovenop zijn kop. Met een knal valt hij op de grond. Als een uitgeschakeld dier blijft hij daar levenloos liggen. De vlammende energie van mijn boosheid giert door mijn lijf, terwijl ik – nahijgend als een zegevierende jager – naar mijn prooi kijk. Het is een ergerlijk apparaat. Met een slang die zo elastisch is dat – hoe hard ik ook trek – het apparaat me nooit volgt naar de plek waar ik vind dat er gezogen moet worden. Met ronde aanhangsels die de naam ‘wiel’ niet eens verdienen omdat ze niet eens in staat zijn om over het eigen snoer heen te rijden. Het is zijn eigen schuld, denk ik nog. Totdat ik langzaam bedaar en tot me doordringt wat ik gedaan heb. Ik heb mijn woede bekoeld op mijn stofzuiger. Agressie was het. Pure, blinde haat.

Als kind kon ik driftig zijn. Als volwassene gebeurde me dat steeds minder. Alleen soms nog wanneer ik erg moe was en er iets tegenzat waarvan ik hoopte ‘het eventjes te doen’. Dan kon ik vloeken en een klap uitdelen. Aan een apparaat. Nooit aan mensen. Omdat ik daar te vredelievend voor ben. Of omdat apparaten in mijn ervaring onvoorspelbaarder zijn dan mensen. Om je rot te ergeren. Het is een wonder dat ik ooit zelfs even mijn geld heb verdiend met het programmeren van computers.

De laatste twee decennia was ik zelden of nooit zo boos dat ik mijn woede moest koelen op een apparaat. Maar de laatste jaren is het teruggekomen. En de laatste maanden is het erger geworden. Langzaam. Maar zeker. Mijn aanval op de stofzuiger van zojuist, is al de derde van vandaag. Ik heb ook al geschreeuwd en geschopt tegen de printer. En zo hard geklopt op het touchscreen van mijn weigerachtige tablet dat er nét geen Carglass aan te pas hoefde te komen. En nu kijk ik naar de (gelukkig enkel spreekwoordelijke) smeulende resten van mijn aanvaring met de stofzuiger en dringt de onmiskenbare conclusie zich aan me op: ik ben agressief. Structureel. Het is er langzaam in geslopen. Ook in mijn omgang met andere mensen ben ik verongelijkter en heter gebakerd dan ik altijd was. Ik heb conflictjes en ergernissen met mijn theatervrienden, met de endocrinoloog van het VU, met mijn zorgverzekeraar. De sterk op harmonie en samenwerking gerichte gedragspatronen die iedereen zo goed van mij kent hebben een antagonist. Een antagonist die me nu volledig in bezit genomen lijkt te hebben. Ik leef nu als een permanente opgestoken middelvinger. En wee degene die (of datgene dat) mijn geduld tart.

De laatste periode dat ik zo agressief was, ligt niet zo lang achter me. Dat was vorig jaar zomer. Toen ik was gestopt met Androcur en mijn testosteron in één klap terugkwam. Blinde, niet te kanaliseren, woede. Precies zoals nu. Alleen is het deze keer geleidelijk gegaan. De Spironolacton die ik nu slik om mijn testosteron terug te dringen geeft me minder bijwerkingen en dat is fijn. Maar het middel werkt heel anders dan cyproteron, het werkzame bestanddeel van Androcur. Spironolacton dringt niet rechtstreeks de testosteron terug, maar het aldosteron. Dat hormoon heeft volgens de boekjes te maken met vochtafdrijving en bloeddruk. Maar het schijnt ook allerlei receptoren die normaal reageren op testosteron, ongevoelig te maken. Ook is aldosteron geassocieerd met cortisol; het welbekende stresshormoon. Sluipenderwijs is de afgelopen maanden mijn agressie, competitie en mijn libido weer toegenomen. Alsof mijn testosteron de macht weer heeft overgenomen. De uitbarsting van vandaag heeft me wakker geschud. Er is iets mis. Het heeft niet te maken met uitputting. Juist de laatste week slaap ik redelijk. Ik ben eindelijk weer iets minder vermoeid. Maar niet minder prikkelbaar.

Vorige week besprak ik mijn laatste bloedmeting (van vier maanden geleden, afgenomen direct ná het consult van de keer daarvoor) met de endocrinoloog van het genderteam. De arts deed een poging om zijn ivoren toren te beschermen door me onwetend te laten over mijn bloedwaarden. “Ze zijn goed”, was zijn afschermende reactie. Door me brutaal aan hem op te dringen, kon ik op zijn scherm meelezen. Testosteron: 32 mmol/l. Tweeëndertig? Dat is mijn biologisch normale waarde. De waarde waar het ooit allemaal mee begon. Logisch, gezien de aard van Spironolacton, dat we daar nu weer bij uit komen. “Hoe weten we dan of mijn behandeling met Spironolacton zin heeft?”, vroeg ik nog. “We werken daar nog aan”, zei de arts zonder me aan te kijken. We gingen het duidelijk niet hebben over het feit dat hij eigenlijk niet wist wat hij aan het doen was. Hij schoof een nieuw lab-formulier waarop hij doodleuk weer ‘testosteron’ had aangekruist naar de overkant van de tafel en keek me naar buiten: einde consult. Totaal verbijsterd droop ik af, richting een zinloze bloedafname bij het lab.

Voor mij is het duidelijk: mijn Spironolacton pillen werken niet goed. Aanvankelijk leken ze best redelijk te werken, maar als je het mij vraagt is de afgelopen maanden langzaam het niveau van een met Androcur opgebouwd testosteronremmend stofje in mijn lichaam afgenomen. Als je het mij vraagt, want ik weet het natuurlijk ook niet zeker. Maar de arts vragen heeft geen zin, want die wuift zo’n opmerking weg met “het zit tussen de oren”. Hij kan het volgens mij niet accepteren dat ik meer informatie over mijn lichaam heb dan hij. Tussen de oren, tsss. Mijn hele genderdysforie zit tussen de oren, dus als dat het criterium is, dan moet hij me helemaal niet behandelen. De arrogante lul.

Misschien dat de frustratie over mijn arts meespeelde in de represaille die ik zojuist tegen mijn weerloze stofzuiger heb uitgevoerd. Een beetje gedesoriënteerd na mijn blinde woede raap ik de stofzuiger op en zet hem weer op zijn pootjes. Vastbesloten loop ik naar mijn medicijnkast en pak de doosjes Androcur; overbodig geworden na mijn switch naar Spironolacton. Veertig tabletten. Ik pak er eentje uit, breek hem in tweeën en neem een van de helften in. Vanaf nu ga ik naar mijn intuïtie luisteren. Vanaf nu ga ik ook nog een halve Androcur-tablet per dag innemen. Dat houd ik met mijn huidige voorraad nog ruim tweeëneenhalve maand vol. Vanaf nu zal ik moeten balanceren tussen zelf dokteren en de endocrinoloog van het VU te vriend houden om nog receptjes te krijgen die ik vergoed krijg van de zorgverzekering. Ik heb geen zin (en geen geld) om die zelf te betalen. We gaan zien hoe het loopt. Ik ga in elk geval niet meer afwachten tot mijn volgende (waarschijnlijk teleurstellende) consult bij de endocrinoloog over vier maanden. Ik wil mijn leven terug. Ik wil mijn agressie kwijt. Mijn stofzuiger verdient beter.

zaterdag 17 januari 2015

Vrijgezel

Het was een mooi gesprek met S., ergens in de laatste maanden van vorig jaar. (Voor de duidelijkheid: deze S. was niet mijn zoon; ik had al eerder opgemerkt dat er opvallend weinig variatie zit in de beginletters van de namen van de mensen in mijn omgeving. De l, de s en de m zijn bovenmatig vertegenwoordigd.) Mijn goede vriend S. gaat over drie maanden trouwen en eind vorig jaar besprak hij met mij één van de sterk verankerde tradities rondom een bruiloft. Want hij wist niet goed wat te doen met zijn vrijgezellenfeest. Tenminste, wat met mij te doen. S. en ik zijn al een jaar of acht goed bevriend en hij wilde mij graag toevoegen aan het lijstje genodigden om samen kort voor zijn trouwdag nog éénmaal zijn mannelijke onafhankelijkheid ritueel mee te vieren. Maar ik was geen man meer. In een kwetsbaarheid die altijd vlak onder zijn huid zichtbaar is, maar waarvan S. zelf denkt dat hij die verbergt, liet hij zijn twijfel aan mij zien. Hij wilde me er graag bij hebben. En tegelijk voelde het vreemd. En kon hij niet goed inschatten wat ik zou willen.

Ik had er voor dat moment al eens over nagedacht. Op de dag dat hij me vertelde over zijn trouwplannen, realiseerde ik me al dat er sprake zou gaan zijn van een vrijgezellenfeest. De dagen die volgden doken mijn gedachten intensief in het onderwerp en besprak ik het met M. Mijn conclusie was dat ik het niet wist. Enerzijds wilde ik graag dat laatste moment van onafhankelijkheid (geveinsde onafhankelijkheid natuurlijk, want wie eenmaal verliefd is, is zijn onafhankelijkheid al kwijt) met S. vieren. Dat deed recht aan onze vriendschap die, ondanks mijn feminiene inborst, altijd toch wel een mannenvriendschap was geweest. Maar anderzijds zag ik op tegen het stereotiepe mannenuitje: bier drinken en naar lekkere wijven kijken was voor mij niet echt de stapavond om naar uit te kijken. En ik kende de stapverhalen van S. en zijn andere vrienden: veel drinken en sterke verhalen vertellen waren een vast ingrediënt. Niet dat ik iets tegen alcohol en seksisme heb. Maar mij ligt bier drinken en naar lekkere wijven kijken niet zo. Liever drink ik wijn en kijk ik naar mooie vrouwen (of mannen, dat is me tegenwoordig om het even). Inhoudelijk misschien niet zoveel anders, maar qua toon een wereld van verschil.

Dat gepeins over een vrijgezellenfeest riep ook herinneringen op aan het mijne, ruim vijftien jaar geleden. Ik liep rond in een jurk. Op hakken en met een pruik op mijn hoofd. Een beetje carnavalesk. Maar toch duidelijk minder belachelijk dan de aanstichters zich vooraf hadden voorgesteld. Ik droeg mijn ‘drag’ met trots. De trots van een échte vrouw… :-P

Maar goed, toen ik eind vorig jaar S. vertelde over mijn ambigue gevoel, begreep hij dat. Hij benadrukte dat hij me er toch graag bij wilde hebben, als vrouw tussen de mannen. Als goede vriend die een vriendin aan het worden was. Ik voelde me erkend, zowel in mijn vrouw-zijn als in onze vriendschap. Mijn vriendschappelijke liefde voor S. hielp me over mijn innerlijke drempels heen. Ik zou er bij zijn. Met traantjes in ons beider ogen knuffelden we ter bezegeling. Niet wetend dat het anders zou gaan lopen.

Vorige week was ik bij S. en zijn bruid om gezellig samen te eten. Toen kwam het er ineens uit, na een niet te missen subtiele voorzet van zijn aanstaande vrouw: S. had nog eens over het vrijgezellenfeest nagedacht. Het voelde voor hem toch vreemd om mij als vriendin er bij te hebben. Na dit statement keek hij me verwachtingsvol aan, vermoedelijk hopend dat ik het direct zou begrijpen en hem verdere moeilijke zinnen zou besparen. Ik begreep het. Even voelde ik me ondergedompeld in een kolkende chaos van emoties. Het gevoel van afwijzing kwam het snelst, natuurlijk. Angst voor afwijzing heeft mijn leven gevormd en zeker ook het proces van mijn transitie. Daarna kwam er ook opluchting. Opluchting dat ik geen bier hoefde te drinken en niet naar lekkere wijven hoefde te kijken. Opluchting dat ik me niet een hele avond misplaatst hoefde te voelen. Gevolgd door verdriet over het feit dat ik de mijlpaal in het leven van mijn goede vriend niet op deze manier kon meemaken. Dat ik niet bij hem kon zijn op dat memorabele moment. De gevoelens rolden over elkaar heen, maar gelukkig kon ik ze van elkaar blijven onderscheiden. Het hielp door ze uit te spreken, langzaam, één voor één, hardop denkend. Ik sprak over opluchting en verdriet, niet over afwijzing. Die angst is gebonden aan schaamte. Daarnaast wilde ik me niet door deze emotionele deuk uit mijn jeugd laten leiden. S. begreep mijn verdriet en was opgelucht door mijn opluchting. En vooral opgelucht door mijn conclusie dat ik er vrede mee kon hebben dat ik er niet bij zou zijn. Ik wilde er niet de oorzaak van zijn dat hij zich een hele avond ongemakkelijk naar zijn andere vrienden zou voelen over het feit dat hij een vrouw had meegenomen naar dit mannenfeestje. In onze toch al best gendergesorteerde maatschappij was het vrijgezellenfeest natuurlijk wel het summum van genderstereotypering. Ik had er inderdaad niks te zoeken. Een groot besef drong tot me door. Het besef dat de wereld aan het veranderen was. Het besef dat ik definitief geen man meer was. Dat een deel van de wereld dat voorheen zonder meer toegankelijk voor me was, zich nu langzaam voor me afsloot.

zondag 11 januari 2015

Goeiemorgen!

Het is kwart voor zes, zondagochtend. “Uitgeslapen!”, zegt mijn hoofd cynisch. Het is niet dat ik zo kort in bed heb gelegen; dat valt nog wel mee. Ik ging er rond elf uur in, dus ik heb toch bijna zeven uur in bed gelegen. “Nou dat is toch niet zó slecht”, hoor ik je – net als mijn dokter – zeggen. Nee, met de kwantiteit is soms niet zo veel mis, hoewel ik ook genoeg nachten heb dat ik na vijf uurtjes al weer wakker ben. Het is de kwaliteit van mijn slaap die me inmiddels volkomen heeft uitgeput. Ik slaap zo oppervlakkig dat ik me afvraag hoe vaak ik in een nacht überhaupt de remslaap bereik. Vannacht was die er wellicht wel, want hoewel er van de bijbehorende ontspannen spieren geen sprake is werd ik net wakker tijdens een droom. Het lijkt wel alsof ik nauwelijks een uur heb geslapen. Ik woel wat, ik draai wat, ik voel me onrustig. Van pure frustratie begin ik te roepen: “Slapen, slapen, slapen!”. Maar Klaas Vaak komt me niet helpen. Uit wanhoop ga ik maar huilen. Ik weet ook niet meer wat ik moet doen. Ik ben moe.

Op eergisteren na, heb ik al de hele week slecht geslapen. Deze week heb ik drie keer een Temazepam slaaptablet ingenomen. Ik had er tien van de dokter gekregen om af en toe even bij te kunnen slapen. Het hielp niet. De laatste nacht was ik na vijf uurtjes klaarwakker. Of ik ’s avonds wel of geen tv kijk, wel of niet chocolade of iets anders snoep, wel of niet buiten ben geweest, wel of niet gesport heb: het maakt allemaal geen zak uit. Vannacht heb ik een ander kussen geprobeerd. Maar het maakt allemaal geen verschil. Hoewel ik wel moet zeggen dat dit andere kussen wel veel fijner is om in te huilen. :-(

Boos sta ik op. “Goeiemorgen!”, schreeuw ik door de gang in een cynische poging mezelf aan het lachen te maken. Tevergeefs. Voor ik in de woonkamer ben, huil ik al weer. Mijn benen zijn wiebelig, mijn hoofd bonst. Ik ben moe. Ik ben doodmoe. De dag moet nog beginnen en ik ben al kapot. Morgen start een ‘drukke’ werkweek waarin ik twee belangrijke bijeenkomsten moet begeleiden. Vroeger zou ik daar mijn hand niet voor omgedraaid hebben. Maar nu heb ik het met deze twee opdrachten al drukker dan ik al maanden gehad heb. Zo moe als ik me nu voel heb ik me ook al maanden niet gevoeld. Ik had zo graag goed geslapen om een beetje krachtiger en weerbaarder te worden. Maar helaas. Mijn lijf is moe, mijn hoofd is moe. Ik kan van de uitputting niet meer helder denken, ik kan emoties niet relativeren, ik kan niet meer normaal praten; ik kan zo vaak niet meer op een woord komen dat het wel afasie lijkt. Ik ben ongeduldig; op het explosieve af. Ik kan situaties niet meer overzien, ik heb moeite met vooruit denken en plannen. Ik vind mezelf steeds vaker terug op plekken in mijn huis of op straat waarvan ik dan niet meer weet wat ik daar eigenlijk kwam doen. Als ik een flauwe seksistische grap zou maken dan zou ik zeggen: “Ja, jij wilde toch een vrouw zijn? Dit is hoe vrouwen zijn!”. Maar dit is niet grappig. Ik ben heel erg moe en ik weet niet meer waar ik een uitweg kan vinden. Slaapdeprivatie schijnt een martelinstrument te zijn. Het begint me te dagen hoe het werkt. Ik ben bereid heel veel dingen toe te geven om maar weer normaal te kunnen slapen. Maar helaas heb ik in mijn eigen Guantanamo Bay geen beul met wie ik kan onderhandelen. Er is niemand. Alleen vriend Slapeloosheid.

In de woonkamer plof ik op de bank. Ik staar door de gordijnen naar buiten. Daar is het nog pikkedonker en stil op straat. Of nee, er komt een auto voorbij rijden. Het is troostrijk dat ik niet de enige ben die al wakker is. Maar goed, daar buiten is iemand onderweg; iets aan het doen. Ik hang hier alleen maar wezenloos op de bank. Te hopen op een wonder.


vrijdag 9 januari 2015

Ik denk, dus ik ploeter

Descartes had het mis. Althans, ik herken wel veel in zijn tot levenskunst verheven ego cogito ergo sum. Ik stel ook graag kritische vragen over mezelf en het leven om bij onwrikbare waarheden uit te komen die richting kunnen geven aan mijn leven. Maar als de vragen zo diep gaan en de antwoorden zo verstrekkend zijn als rondom mijn gendertransitie, dan vind je geen onwrikbare waarheden meer. Dan verlies je de bodem onder je bestaan. Dan besta je juist helemaal niet meer. Mijn tot denken afgerichte brein gaat krampachtig proberen het allemaal nog te snappen. De controleur in mij gaat nóg harder werken om alles in de gaten te houden; want alles is ineens bedreigend geworden. En door het loslaten van mijn mannelijk geconstrueerde identiteit is het kleine meisje van vier wakker geworden. En ze is doodsbang voor de onbegrijpelijke wereld waar ze in is ontwaakt.

Ik ploeter. Ik slaap slecht. Kan me niet meer concentreren. Kan geen afstand meer nemen van emoties. Ik ben doodmoe. Mijn lichaam is verkrampt. Mijn ademhaling hoog en oppervlakkig. Mijn hele lijf zit in een stressreactie. Een paniekreactie. Ondanks de mooie dingen die ik ervaar in mijn proces en het leven in het algemeen, leef ik nu in een permanente staat van lichte paniek. Nèt hanteerbaar, maar het holt me uit; het verteert me langzaam.

Mijn basisvertrouwen, mijn fundamentele gevoel van veiligheid is weg. Nou ja, in feite was die basic trust er dankzij mijn onveilige hechting als kind toch al nooit, maar ik leefde in elk geval jarenlang met geconstrueerde gedragingen waarmee ik mezelf vertrouwen voorwendde. Het is goed dat die gedragspatronen nu eindelijk doorbroken zijn. Maar er is nog niets voor in de plaats gekomen. Geen veiligheid waarin het vierjarige meisje mag rusten. En dat is ontzettend zwaar. Het liefst zou ik een leven willen dat past bij dat vierjarige meisje. Zodat ik van daaruit geleidelijk kan toegroeien naar de volwassen vrouw die ik wil zijn. Maar helaas. Ik ben een ‘zij-instromer’. Ik heb de gelegenheid gemist om mijn eigen vrouwelijke ‘onwrikbare waarheden’ te ontdekken voordat ik op het punt in mijn leven kwam dat ik ze hard nodig had om te overleven. En daardoor ploeter ik. Ik denk, dus ik ploeter.

woensdag 7 januari 2015

Het Systeem

Met de opmars van internet als functioneel communicatiekanaal hebben veel bedrijven inmiddels websites waarmee ze hun klanten een ‘persoonlijke pagina’ aanbieden. Dat werd ons bij de introductie vaak gepresenteerd als gunst ‘zodat we altijd en overal inzage hebben in onze gegevens’ om te verhullen dat de bedrijven hoopten kosten te besparen door klanten allerhande transacties zélf te laten invoeren in plaats van medewerkers in de Back Office. Gezien de hoge kosten van specialistische technische kennis om die ‘persoonlijke pagina’ beschikbaar en goed beveiligd te houden, zal de investering zichzelf écht niet altijd terugverdiend hebben, denk ik. Maar inmiddels kun je als bedrijf haast niet om dergelijke webdienstverlening heen. De business case van imago is lastig, dus kun je beter maar het zekere voor het onzekere nemen, zo lijkt het devies. En eerlijk is eerlijk: handig is het wel voor ons als klant. Organisaties worden er een stuk transparanter door. Je ziet vooral meteen wanneer het misgaat. Dat heb ik bij het wijzigen van mijn geslacht en naam bij allerhande instanties de afgelopen twee maanden al ruimschoots mogen ervaren. Ik zal je mijn frustraties en de catch-22 situaties die ik daarbij tegenkwam besparen. Onlangs ging mijn zorgverzekeraar op een andere manier de mist in en dat werd pijnlijk zichtbaar door de transparantie van mijn persoonlijke pagina.

Voor de elektrische epilatie van mijn baard had ik vooraf toestemming gevraagd aan mijn zorgverzekeraar. Het standaardbedrag uit de basisverzekering was niet eens genoeg om mijn snor te laten verwijderen, laat staan mijn hele baardgroei. Gelukkig kwam er toestemming. De huidtherapeuten die ik belde voor een intake vonden het echter allemaal een rare toestemming. Ze vonden het aantal behandelingen (tien) extreem laag en het bedrag per behandeling extreem hoog (€ 250,-). Geen enkele therapeut zou een behandeling van tweeëneenhalf uur (waar je met zo'n bedrag op uit komt) kunnen volhouden. En de tien behandelingen dekken bij lange na niet de anderhalf jaar af die nodig is voor een volledige baardepilatie. Mijn zorgverzekeraar had duidelijk geen idee hoe zo’n behandeltraject er uit ziet. Gelukkig was er een huidtherapeut zo vriendelijk om een serie behandelingen administratief als één te gaan verwerken. Inmiddels heb ik drie behandelingen gehad en één factuur gekregen, die ik via mijn ‘persoonlijke pagina’ (ingescand en wel) ingediende bij de zorgverzekeraar. Achter deze handige functie vermoedde ik een intelligent stukje software dat de factuur zou lezen en automatisch zou verwerken.

Aanvankelijk leek dat er ook op. Want al heel snel kreeg ik een mail van mijn zorgverzekeraar dat er een nieuw bericht in mijn ‘online berichtenbox’ stond. Toen ik ging kijken bleek het de bevestiging dat ze de declaratie van die betreffende factuur hadden verwerkt en gingen uitbetalen. Tevreden kuierde ik wat rond op mijn persoonlijke pagina en zag in het overzichtelijke lijstje gemaakte zorgkosten mijn declaratie voor epilatie terug. Maar tot mijn verbazing stond daar als maximaal bedrag voor de totale behandeling het standaard (lage) bedrag uit de basisverzekering. Wat ik met deze ene declaratie al half opgesoupeerd had. Ik schrok. Had ik de toestemmingsbrief dan verkeerd gelezen? Ik pakte hem er bij. Dat was heel makkelijk want de correspondentie was via deze zelfde webpagina digitaal te bekijken. Nee, het stond er echt: tien behandelingen tegen maximaal €250,- euro per behandeling. Dat gaf me toch een budget van € 2500,-? Of had ik me tevergeefs verheugd over het feit dat ik nu eindelijk eens kosten voor mijn transitie vergoed zou krijgen? Ik liet een bezorgd bericht voor de zorgverzekeraar achter in de berichtenbox.

Vandaag belde de zorgverzekeraar me met geruststellend nieuws. Mijn budget voor epilatie was zoals ik dacht dat het was. Alleen (daar is-tie dan, sorry voor mijn lange aanloop): ‘het systeem’ had dit niet goed verwerkt. Keurige excuses en keurig aanvaard. En toen kwam het onthutsende verzoek van mijn zorgverzekeraar of ik bij de eerstvolgende declaratie niet alleen de factuur maar ook een kopie van de toestemmingsbrief zou willen meesturen. De toestemmingsbrief die zij mij zelf gestuurd hebben en die ik via hun digitale loket met één klik had kunnen inzien. De vriendelijke medewerker hoorde aan mijn aarzeling dat hij dit wellicht moest toelichten: “Door die brief kan mijn collega bij de verwerking zien dat u een speciale toestemming van ons heeft gekregen. Anders gaat het misschien weer mis”. Verbijsterd neigde ik te reageren met: “Eh, collega? Net was het nog ‘het systeem’ dat het niet goed verwerkt had. Of heet uw collega ‘Het Systeem’. Rare naam”. En dan te vervolgen met “Waarom moet ik u bij elke declaratie een kopie sturen van een brief die u zelf opgesteld heeft en die digitaal in uw systeem beschikbaar is? U heeft uw zaakjes niet op orde”. Maar deze Don Quichot is inmiddels wijzer geworden en opperde: “Is het voldoende als ik op de factuur een tekst schrijf waarmee ik verwijs naar uw toestemming? Dat is voor mij makkelijker”. En zo schikten we in den minne; mij in verbijstering achterlatend over het houtje-touwtje proces dat kennelijk achter de gelikte website van een van de grootste zorgverzekeraars van ons land schuilging. Alsof ik de eerste klant was die een speciale toestemming voor zorgconsumptie had gekregen.

Het gevoel de eerste klant te zijn, heb ik wel vaker gehad in mijn transitietraject. Niet in de laatste plaats bij de VU. De manier waarop ik door het genderteam behandeld wordt, blinkt wat mij betreft uit in knulligheid en klantonvriendelijkheid. Alsof ik de eerste transgender ben die ze onder behandeling hebben en ze niet zo goed weten hoe ze het moeten aanpakken. Toch schijnt het genderteam al decennia te bestaan en in de wachtkamer zie ik dat ik niet de enige patiënt ben. Een voorbeeld van de knulligheid? Voor de hierboven genoemde toestemming voor de epilatie wilde de zorgverzekeraar een doorverwijzing van het genderteam hebben. Dat leek me logisch. En dat leek het ook voor het genderteam te zijn. Toen ik begin september om doorverwijzing voor epilatie vroeg, meldden ze me dat zij daarvoor een brief aan mijn zorgverzekeraar zouden gaan sturen. Ik zou, ter kennisgeving, een kopie van die brief thuisgestuurd krijgen. Blij verrast dat dit voor de VU kennelijk een gebaand pad was, wachtte ik af. Maar de kopie-brief kwam maar niet. Pas na mijn derde rappelering, lukte het het genderteam om op de laatste dag van oktober (ácht weken na mijn eerste verzoek) die brief de deur uit te doen. Een simpel standaardbriefje. Waarom moest dit acht weken duren? Gelukkig reageerde mijn zorgverzekeraar binnen drie weken. De toestemming was nog niet binnen, of ik ontving opnieuw een kopie-brief van het VU. Opnieuw een aanvraag voor vergoeding van epilatie. Exact dezelfde brief met alleen een andere datum. Waarop de zorgverzekeraar reageerde met een afwijzing van de epilatiebehandeling. Waarop vervolgens niemand meer wist welk verzoek er precies was afgewezen en of ik nu wel of niet mijn epilatie vergoed zou krijgen. Terwijl ik inmiddels de eerste behandeling al had gehad. Toen ik over de situatie belde met het VU, werd me doodleuk gezegd dat ik zelf maar even met de zorgverzekeraar moest bellen om dit uit te zoeken. Want ze hadden het al zo druk. Het onervaren vierjarige meisje in mij droop bijna af, maar kreeg precies op tijd hulp van de door de wol geverfde Man-ik: “Ik ga helemaal niks uitzoeken. Jullie hebben de verwarring veroorzaakt, dus jullie gaan het maar oplossen. Ik hoor graag uiterlijk morgen van je”. Het meisje in mij wist hem er nog net van te weerhouden om er nog aan toe te voegen: “Als jullie je zaakjes nou gewoon meteen in één keer goed regelden, dan had je het niet zo druk gehad met herstelwerkzaamheden!”. Uiteindelijk bleek mijn behandeling niet in gevaar te zijn.

Qua thematiek zou het op zijn plaats zijn om hier ook iets te vertellen over een schandalige financiële afhandeling van een second opinion die ik begin 2014 had aangevraagd, maar deze blogpost is nu waarschijnlijk al met afstand de langste die ik ooit heb geschreven. Voor het eerst in mijn volwassen leven ben ik door mijn transitie een serieuze zorgconsument. En het is een onthutsende ervaring…

dinsdag 6 januari 2015

Noordpool

Er zit een soort cadans in mijn blog. Na een serie intense, emotionele blogposts, komt een moment van inkeer. Dan volgt een periode waarin ik weer even boven de heftige emoties uit kan kijken. Dan zie ik weer samenhang en perspectief. Een adempauze helaas, want altijd komt ook weer een periode waarop ik weer verzwolgen wordt door kolkende angsten en emoties.

De afgelopen tijd ging ik bijna weer kopje onder in mijn emoties. Ik was koersloos en niet in staat om richting en perspectief te zien. Alle complexe gevoelens in mij kon ik niet meer van elkaar onderscheiden. Ik voelde me geveld door mijn liefdesverdriet om M. en de totale uitputting die ik dankzij de heftigheid van het afgelopen jaar nabij was. Mijn emotionele kompas was op hol geslagen. De pijl draaide als een bezetene rondjes. Ik was richtingloos. Stuurloos. Waar moest ik heen om rust te vinden?

In die turbulentie is stilstaan eng. Juist in de stilte krijgen de emoties meer kans. Dan is er meer te voelen. Meer angst. Meer verdriet. Daarom permitteerde ik me de afgelopen maanden weinig rust. Tot afgelopen zaterdag. De rust en kalmte van de dag in de sauna deed me goed. Alsof ik de uitweg uit de turbulentie had gevonden.

Het is niet zo dat ik de afgelopen twee dagen het fitte, energieke zonnetje in huis was. Ik ben nog steeds uitgeput. Ik heb momenten gehad van intens chagrijn. Maar er zijn andere momenten bij gekomen. Momenten waarop ik plezier had. Tevreden was. In dit prille begin van een nieuwe fase realiseer ik me een simpele wetmatigheid. Als de pijl van emotionele kompas als een bezetene rondjes draait, dan sta je op de Noordpool. En vanaf de Noordpool maakt het niet uit in welke richting je loopt; je gaat altijd richting het warmere zuiden.


zondag 4 januari 2015

Stilstaan

Gisteren was ik in de sauna, samen met S. Het was voor hem de tweede keer dat hij naar de sauna zou gaan en voor mij de eerste keer sinds ik fulltime als vrouw leef. We vonden het allebei dus wel spannend, om verschillende redenen. Het was me vooraf natuurlijk overduidelijk dat ik er niet als een vrouw uit kon zien ín de sauna. Ik voelde me al twee weken helemaal niet zo vrouwelijk, dus dat was prima. Maar ik twijfelde over hoe ik mezelf daarvòòr zou manifesteren; vòòr het moment dat de kleren uit zouden gaan in de kleedkamer. Op en top vrouw had me niet zo handig geleken. De make-up had er toch meteen weer af gemoeten en dat gold ook voor mijn borstprothesen. Toch maar als man gaan? Nou ja, als een gendervage tussenvorm bedoel ik dan, want de man bestond in mijn uitstraling en kledingkast al helemaal niet meer.

Uiteindelijk had ik besloten zo weinig mogelijk compromissen te sluiten. Ik was een vrouw. Punt. Dus ik ging met borstprothesen en mascara naar de sauna. Beardcover en foundation had ik maar achterwege gelaten, dat zou ik er in no time afzweten. In de mascara had ik nog enig vertrouwen; onterecht zoals later zou blijken.

Eenmaal in de kleedkamer moest ik uit de kleren. Met mijn ogen dicht deed ik mijn broek en onderbroek uit. Ik wist wat daar tussen mijn benen hing en hoe zeer dat contrasteerde met de vrouw die ik was toen ik hier binnenkwam. Het pijnlijkst vond ik het om mijn bh en mijn borstprotheses af te doen. Ik had mijn lichaam in de hoek gedraaid, in een hopeloze poging in het niets te verdwijnen. Ik voelde de ogen van de andere gasten in mijn rug prikken. Ik maakte mijn bh los, nam snel mijn borsten af en vouwde alles in elkaar tot een pakketje dat ik in een flits in mijn tas stopte. Pfff, mijn vrouwelijkheid was afgelegd. Een stap die ik inmiddels elke avond min of meer emotieloos kon zetten in de intimiteit van mijn eigen slaapkamer. Maar hier, in bijzijn van S. en een aantal wildvreemde mensen, was het pijnlijk. Dat was wel te verwachten; het had al lang geduurd voor ik dit ontspannen kon doen in het bijzijn van M. Ik had mezelf hier even kunnen terugtrekken in de wc, maar ik wilde me niet verstoppen. Ondanks de paniek die door mijn lijf gierde, wilde ik mijn transgender-zijn niet meer verstoppen. Verstoppen maakte het alleen maar erger, dat had ik tijdens mijn mannenleven wel gemerkt.

Even laten liepen S. en ik in onze badjassen de kleedkamer uit, richting de douches. Daar voelde ik de eerste blikken. Blikken die ik de rest van de dag vaak zou voelen en zou zien. Mensen zagen een naakte man, met teennagellak, met mascara, met het haar in een haarspeld. En met twee duidelijke borstjes, dankzij vier maanden hormoonbehandeling. Twee goed zichtbare rondingen, uitlopend in mijn gegroeide tepels. Natuurlijk was ik niet de enige man met borstjes. Naast mij stond een oudere, dikkere man die ook borstjes had; misschien nog wel grotere dan ik. Maar bij hem paste het bij zijn postuur en daar keek niemand van op. Maar op mijn slanke lijf waren mijn borstjes verwarrend. Mensen staarden. Vriendelijk, niet afwijzend. Maar ze staarden.

Door de blikken van de andere gasten, ging ik mezelf nadrukkelijk door hun ogen bekijken. En ineens werd ik getroffen door een verhelderend inzicht. Een inzicht over mijn onrust van de afgelopen maanden. Ik besefte me ineens dat ik mijn lichaam kwijt was. Mijn mannenlichaam. Tot ik begon met de hormoonbehandeling had ik een prima mannenlichaam gehad. Het was dan wel niet het lichaam dat ik wilde, maar het zag er goed uit. Gezond en goed gevormd. Dit was het lichaam dat ik na jaren geploeter zo’n tien jaar geleden eindelijk had leren hanteren en waar ik eindelijk goed voor was gaan zorgen. Het was in de spannende jaren dat ik in twee identiteiten leefde een sterk ankerpunt voor Man-ik geweest waaraan hij stabiliteit ontleende. Het was niet alleen de basis voor Man-ik maar ook de basis waarop Lisa met hulpstukken zichzelf een vrouwenlichaam gaf. Het was niet het lichaam dat Lisa wilde, maar het was in elk geval wel een helder uitgangspunt. Maar nu, met onmiskenbare borstjes, was het lichaam zijn label kwijt. Het was geen mannenlijf meer. Man-ik, die nog in mij leefde en die de afgelopen maanden al zijn sociale identiteit zag verdwijnen, was nu ook zijn lichaam kwijt. Ik voelde verdriet in mij opwellen. Man-ik huilde en ik stond het hem toe. Eindelijk, na weken van onbewuste repressie, stond ik het hem toe.

Later die dag, loom van het simpele, doelloze verwijlen in sauna’s, dompelbaden en zwembaden, zaten S. en ik in een bubbelbad. We zwegen en staarden wat om ons heen. Het monotone gebrom en gebubbel bracht me in een trance. Voor mijn geestesoog zag ik Man-ik. Hij lachte vriendelijk naar iemand. Met zijn hand hield hij een deur open. Ik keek door de opening en zag iemand aan komen lopen. Het was Lisa. Lisa lachte naar Man-ik, knikte een beleefd dankjewel en Man-ik knikte terug. De aanblik ontroerde me. Ik sloot mijn ogen en ik huilde.

Die avond toen ik thuis voor de spiegel stond om – voor het slapengaan – mijn tanden te poetsen, zag ik een vrouw. Ik zag mijn vrouwengezicht. Voor het eerst na lange tijd. Wekenlang had er een gepijnigde grimas overheen gelegen. Een verbeten en vermoeide blik. Maar nu was ik weer vrij. Ik keek in mijn ogen en zag een vrouw. Een gelukkige vrouw. Deze dag van ontspanning en stilte had me goed gedaan. Soms moet je nu eenmaal stilstaan om te kunnen bewegen.

zaterdag 3 januari 2015

In het moment

Toen ik aan dit blog begon besloot ik hoe ik het wilde schrijven. Van binnenuit. Niet als beschouwer, niet als analist, niet als de schrijver van een scriptie, maar vanuit de verwarrende, rauwe werkelijkheid van het nu. Ondergedompeld in de emoties en gedachten die ik probeerde te verwoorden, zonder nuchtere, afstandelijke, samenhangende analyse. Niet dat duiding totaal afwezig was. Nee, sterker nog: mijn blog staat vol van pogingen de turbulentie van het moment te begrijpen. Variërend van zinnige, behulpzame perspectieven tot uitspraken waarvan ik een dag later al schreef dat ze gedreven werden door een blinde vlek. Zo ziet eerlijk zelfonderzoek er immers uit. De onverbiddelijke eerlijkheid waarmee ik alles ongecensureerd opschreef vind ik heel confronterend om terug te lezen. In mijn werk als coach ben ik heel sterk in het doorzien, benoemen en benutten van verborgen patronen, drijfveren en angsten van anderen. Maar als speelbal van mijn eigen emoties blijk ik er in mijn eigen proces niet zo goed in te zijn. Het is waar: je kunt jezelf niet coachen.

Vannacht, tijdens een woelige duisternis met vijf gesprokkelde uurtjes slaap, hoorde ik mezelf jammeren: “Ik heb me toch al overgegeven? Ik verzet me toch nauwelijks meer? Ik ben mijn nachtrust kwijt, mijn energie, mijn plezier, mijn inkomen. Mijn rol als ouder is uitgehold. En ik ben de liefde van mijn leven kwijt. Allemaal omdat ik een proces ben aangegaan dat al mijn hele leven lonkte en zo mijn geluk in de weg stond. Een proces dat de bodem onder mijn identiteit heeft uitgeslagen, zonder me er een nieuwe voor terug te geven. Ik ben niks meer. Ik ben geen vrouw. Ik ben geen man. Ik ben een angstig wezen geworden dat krampachtig probeert in leven te blijven. Wat moet ik nog meer offeren?”. Ik was verhaal aan het halen. Ik stond geagiteerd voor het loket van Het Leven te schreeuwen tegen de bureaucraat die zonder enig mededogen de procedure uitvoerde die Het Leven voor mij in petto had. Maar ik kreeg niks gedaan. Het was hoe het was. De bureaucraat van Het Leven gaf me niet eens perspectief. Geen zicht op wat de procedure me verder nog zou voorschotelen.

Nu ik dit opschrijf realiseer ik me dat er toch nog iets belangrijks is dat ik nog niet heb geofferd in dit proces. Mijn hart verzet zich tegen de gedachte dat ik ook dat laatste nog moet opgeven om de totale overgave aan het proces te vervolmaken. Hoe ultiem boeddhistisch het ook zou zijn: ik wil het niet. Ik ben er te zeer aan gehecht. Ik zie dat het me voortdurend uit het moment haalt en pijn veroorzaakt omdat ik wil dat het leven anders is dan het is. Het is tegelijk het enige dat me op de been houdt: het is de hoop. De hoop op een mooi leven als vrouw.

vrijdag 2 januari 2015

Vuurwerk

We hingen op de bank en zaten aan de verdovende middelen. Allereerst was de tv aan. Er was niks wat ons kon bekoren, maar het bewoog en maakte geluid. In ons hoofd deden we net alsof de blatende half-BN’ers ons interesseerden. Als tweede verdoving stond voor ons de trommel met koekjes. Althans, het begon als een trommel met koekjes, maar al snel was het gewoon een trommel geworden. De koekjes maakten ons misselijk. Het enige fijne aan de situatie was dat we samen waren, S. en ik. En tegelijk voelde ik me schuldig naar hem. Ik was blij dat hij me af en toe een knuffel gaf. Blij dat hij de leegte in dit huis opvulde. Blij dat ik hem mijn liefde kon geven. Hoewel ik dat laatste nauwelijks kon opbrengen. Niet dat ik geen liefde voor hem voelde, maar dat gevoel werd flink overschaduwd door mijn verdriet. Al meer dan een week huil ik weer intens om M. De laatste dagen moest ik me inhouden omdat S. bij me was gekomen en ik hem niet teveel met mijn radeloze verdriet wilde belasten. Maar hij voelde het wel. Hij voelde mijn verdriet, mijn lethargie besmette hem. En ik was bang dat hij ook voelde dat hij me belette mijn verdriet flink te uiten. Ik was in zekere zin dankbaar dat hij mijn demper was, maar tegelijk zat hij me in de weg. Ik schaamde me dood om deze gedachte. Hij had al zoveel met mij te stellen.

Zuchtend zei ik tegen hem dat ik naar bed ging. De brakheid na Oud & Nieuw was een mooi excuus. S. was ook moe en ging ook maar naar bed. Maar het was niet mijn brakheid die me naar bed joeg. Het was mijn verdriet. Ik was het zat om de hele tijd de brok in mijn keel, de pijn in mijn hart en de onstuitbare stroom gedachten te moeten pareren om gezellig met S. te zijn. Want gezellig was ik toch niet, hoezeer ik ook mijn best deed.

S. en ik poetsten onze tanden, ik haalde de make-up van mijn gezicht, en traditiegetrouw ging ik op de eerste trede van zijn hoogslaper staan terwijl S. zijn bed opwarmde. Maar van gezellig kletsen kwam het deze avond niet. Vermoeid staarden we elkaar aan. “Ik ben niet zo gezellig he?”, zei ik. “Geeft niet”, antwoorde hij monter. “Het wordt wel weer beter hoor, maak je geen zorgen”, zei ik met meer overtuiging dan ik voelde. “Ik hou van jou”, zei hij toen en hij omhelsde me. “Ik ook van jou, kanjer”, antwoorde ik terwijl mijn brok in mijn keel groter werd. “Slaap lekker, schat”, zei ik en we kusten elkaar.

Ik slofte naar mijn eigen slaapkamer, deed de deur dicht en kroop onder mijn dekbed. En ik begon te huilen. Ik huilde om M. Ik huilde om het verlies van de intense liefde de we elkaar te geven hadden. Ik huilde om de leegte die ik in mijn hart voelde en in mijn leven zag. Mijn transitie naar een leven als vrouw werd al maanden vrijwel volledig overschaduwd door mijn liefdesverdriet. Ik voelde me geen vrouw; ik voelde me alleen. Met diepe lange halen, gesmoord door mijn kussen, huilde ik. Tranen stroomden over mijn wangen en maakten mijn kussen en mijn matras nat. Ik wilde schreeuwen, maar ik durfde niet. In de slaapkamer naast mij lag S. en die was vast en zeker nog niet in slaap. Zelfs mijn gehuil maakte al meer geluid dan ik hem wilde aandoen. Na twintig minuten emotioneel vuurwerk bedaarde ik wat. Ik deed mijn ogen open en kroop gedeeltelijk onder mijn dekbed vandaan. Met een beduusde verbazing keek ik rond alsof ik niet begreep hoe ik in mijn slaapkamer beland was. Ik was vooral verbaasd dat mijn gehuil was gestopt.

Ik stond op en liep naar de wc. Met een diepe zucht ging ik zitten en wachtte ik totdat mijn blaas leeg was. Toen ik opstond en de gang in liep, zag ik S. Hij was ook onderweg naar de wc. Zonder iets te zeggen omhelsde hij mij; stevig en lang. Het was meer vastklampen dan knuffelen. Ik wist genoeg. Hij had me horen huilen en maakte zich zorgen. Ik voelde het. “Dit hoort er ook bij, lieverd”, zei ik zonder precies duidelijk te maken wáárbij dit dan hoorde. “Maak je geen zorgen, ik red me wel”, vulde ik aan. Dat waren zo ongeveer de stomste woorden die ik kon zeggen. Natuurlijk maakte hij zich zorgen. En zeggen dat hij dat niet moest doen, ging niet helpen. Ik had al vaak ‘huil maar niet’ tegen mezelf gezegd en dat had ook nog niet direct iets opgeleverd. En de geruststelling dat ik me wel zou redden, raakte helemaal kant noch wal. Ik geloofde er zelf in elk geval helemaal niet in.

Ik kuste hem en wenste hem een goede nacht. Ik kroop terug in mijn bed. Daar wachtte niet alleen de warmte die mijn lichaam had achtergelaten tussen dekbed en matras, maar ook het verdriet. Ik voelde me falen als vader. Ja, als vader. Ik had medelijden met mijn lieve jongen. Ik wilde hem dit besparen, ik gunde hem iets anders. Maar ik kon het niet. Ik kon het niet opbrengen. Ik kon mijn verdriet niet inslikken. Niet kanaliseren. Niet uitstellen tot zondagavond, wanneer S. weer bij zijn moeder zou zijn. Mijn verdriet was te groot. Mijn verdriet om M. Godverdomme, wanneer zou dit gaan slijten?