donderdag 26 februari 2015

Sijpelen

Fight, flight or freeze. Op elke onverwachte, schokkende en/of gevaarlijke gebeurtenis reageer je met één van deze drie tactieken. De laatste persoon verstijft en laat alles gebeuren, de tweede maakt dat hij zo snel mogelijk weg is en de eerste blijft in de situatie en handelt om de situatie te veranderen. Ik heb al een aantal maal in gevaarlijke verkeerssituaties gemerkt dat ik van het eerste type ben. Ik geef een ruk aan het stuur, geef gas of rem en zoek naar dat oog van de naald om doorheen te gaan. Dat is me al een paar keer gelukt. Dit mechanisme werkt ook bij situaties die mentaal/emotioneel ‘gevaarlijk’ zijn. Situaties die je zoveel pijn kunnen veroorzaken dat de instinctieve stressreactie gericht op lijfsbehoud ook gewoon getriggerd wordt. Emotionele pijn en fysieke pijn zijn immers op een dieper neurologisch niveau gewoon hetzelfde.

De drie stressreacties zijn erg verschillend. Maar wat ze gemeen hebben is dat er bij alle drie sprake is van uitgestelde emotie. Alle emoties die opgeroepen worden door de gebeurtenis worden even niet gevoeld. Eerst moet er gefight, geflight of gefreezed worden. Pas na afloop, als de bedreigende situatie achter de rug is, dan komen de emoties los en dan voel je alsnog wat je eigenlijk op het moment zelf had moeten voelen. Dit dissociatieve gedrag én de uitgestelde ontlading is een bescherming tegen trauma’s.

Zo werkt het ook bij mij. Je hebt op dit blog al twee keer kunnen lezen hoe ik na het verbreken van mijn relatie met M. aanvankelijk relatief kalm bleef om na een aantal dagen alsnog in verdriet en drama terecht te komen. Het is nu weer aan de orde, maar dan over S. Vorige week sprak S. naar me uit dat hij me voorlopig niet meer wil zien. De boodschap kwam hard aan en natuurlijk heb ik vrij snel daarna gehuild. Maar daarna werd ik rustig. Er moest gehandeld worden. Er was immers genoeg boosheid over de rol van mijn ex en de rol van het ziekenhuis van S. hierin. Inmiddels heb ik excuses van het ziekenhuis ontvangen over hun ongeoorloofde advies aan mijn ex om mij maar niet te informeren over de laatste ziekenhuisopname van S. Excuses van mijn ex zijn net zo zeldzaam als een wederopstanding na de dood. Het schijnt wel eens gebeurd te zijn, maar ik heb het nooit gezien.

Gisteren was het duidelijk dat de emotionele stilte van de eerste dagen voorbij is. Dat het verdriet binnen begint te sijpelen. Gisteren heb ik gehuild om S. Meerdere keren en ook op totaal onverwachte momenten. Ik vind het verdrietig dat ik er niet voor hem kan zijn in de lastige tijd die hij doormaakt. Mijn ouderhart stroomt over van liefde en beschermingsdrang, maar al die energie klettert onbenut op de kille tegelvloer. Ik mis hem. Ik wil hem vastpakken. Ik wil hem troosten. Ik wil hem in zijn oor fluisteren dat alles goed is. Maar het is niet goed. Hij wil me niet zien. Hij voelt zich op dit moment ziek en hij is gefrustreerd dat zijn lichaam hem in de steek laat. Dan is het logisch dat je alleen nog maar in een klein hoekje wilt wegkruipen en verder geen gezeur aan je hoofd kunt hebben. Als je je klein en kwetsbaar voelt, dan wil je alle complexe verantwoordelijkheden van het leven niet. Dan wil je dat iemand je vastpakt en over je bol aait. Vertel mij wat.

Ik begrijp S. zijn behoefte goed. Ik heb dan ook ingestemd met zijn wens. Er is nu enkel contact via Whatsapp en dan nog reageert hij maar sporadisch. Het is zo. Dat is wat hij nu nodig denkt te hebben. Ik voel in mijn hart onze sterke verbinding, onze liefde voor elkaar. Die is niet weg. Ook niet bij hem. Ik weet dat onze scheiding tijdelijk is, daar vertrouw ik op. Ik hoop alleen maar dat deze pauze niet zo lang gaat duren dat het onmogelijk wordt om de draad weer op te pakken. Omdat onze levens te ver uit elkaar gegroeid zijn. Ik hoop maar dat hij snel weer de ruimte vindt om voor mij weer te voelen wat hij wil voelen zonder dat hij de druk voelt rekening te houden met wat zijn moeder van mij vindt. Ze heeft hem door zijn ziekte, meer nog dan anders, helemaal naar zich toe getrokken. Door zijn ziekte is hij nu gewoon te afhankelijk van haar geworden. Never bite the hand that feeds you.

Lieve S., in mijn hart ben ik bij je. Ik wacht op je. Ik hou van je.

zondag 22 februari 2015

Moeder

Gisteren was R. hier, een lieve en dierbare vriendin, om me even een knuffel en een kop soep toe te stoppen. Ze had haar zoontje bij zich. Haar zoontje is nogal eenkennig maar ziet het met mij altijd wel zitten. Dat is omgekeerd ook zo (ook wat die eenkennigheid betreft, haha): we worden altijd blij als we elkaar zien. Hij is nu ongeveer anderhalf jaar en hij is echt een poepie (vergeef me dit cliché, het is zo passend). Toen R. en haar zoontje gisteren kwamen lag ik in bed. Zo waren mijn dagen er immers inmiddels uit komen te zien; tot veel meer was ik niet in staat gebleken. Ze kropen bij mij op bed en na enige tijd kwam het lieve jochie tegen me aan liggen. Ik ging iets rechtop zitten om hem beter te kunnen zien en toen floepten mijn borsten onder het dekbed vandaan. R. riep meteen enthousiast: “Je hebt borsten!”. Het was waar. Gek genoeg waren mijn borsten de afgelopen week flink gegroeid, ondanks dat ik door hoge koorts en gebrek aan vast voedsel denk ik wel zo’n kilo of twee was afgevallen. Wellicht zwollen ze op vanwege de koorts. Als je iets verwarmt, zet het immers uit. Maar de groei was gigantisch – eh, relatief gezien dan. Ik begreep er ook niks van, maar was er al wel de hele week blij mee. Na het gekmakende geaarzel van mijn borstgroei van de afgelopen drie maanden, lagen er nu toch ineens twee kleine, magere kipfiletjes op mijn borstkas (hmmm… kipfiletjes klinkt wat plastisch, dat geef ik toe. Ik moet er geloof ik nog erg aan wennen dat dat weefsel onderdeel van mijn lichaam is. Zo voelt het namelijk nog niet echt. Maar ik ben er wel erg blij mee). Vol trots reageerde ik op R.’s uitroep met een grote grijns en een kort opvlammende vlaag van puberale schaamte die me mijn handen meteen op mijn borsten deed leggen, al was het maar voor even.

R.’s zoontje bleef rustig tegen me aan kronkelen. Ik kroelde door zijn haar en streelde zijn ruggetje. Toen hij zich omdraaide legde ik mijn hand op zijn buik en dat vond hij fijn. Hij keek me aan en toen zag zijn onderzoekende geest wat zich daar van onder het dekbed had geopenbaard. Zijn kleine friemelhandje greep meteen naar mijn borst en hij wreef er over. Ik liet hem zijn gang gaan. Hij is nog veel te jong om hem concepten als schaamte en lichamelijke integriteit aan te leren. Dat lukt wel, daar niet van, maar het zou hem naar mijn idee alleen maar beschadigen. Gelukkig dacht zijn moeder daar ook zo over, want ze liet hem ook zijn gang gaan. Hij wreef en kneep een aantal keer gemeen hard. Dat hoort bij grenzen verkennen. Hij begreep gelukkig snel dat daar een grens was voor mij.

Ik werd helemaal week van binnen door de vanzelfsprekendheid van dit fysieke contact. Het deed me beseffen dat ik een moeder was. Diep van binnen. Een echte moeder naast de vader die ik ook nog steeds was - al was het tegen de stroom in. Het leek erop alsof het onderzoekende jochie zich ook ineens realiseerde dat ik een moeder was. Hij richtte zich op en hij kroop met zijn hoofd vooruit in de richting mijn borst. Ik begreep wat hij dacht en ik voelde een wild verlangen in mij opwellen om hem te voeden. Maar in plaats van vocht uit mijn melkklieren, kwam er vocht uit mijn ogen. Door mijn snotterverkoudheid was dat onzichtbaar voor R. Maar de brok in mijn keel vertelde me duidelijk dat het tot me was doorgedrongen dat hier een verlangen was aangeraakt dat nooit ingelost zou gaan worden.

zaterdag 21 februari 2015

Delirium

Ik lig al vijf dagen in bed met koorts. Die is inmiddels opgelopen tot 39 graden. In mijn hoofd speelt al dagen een zwart-witte film in slow-motion in de mist. Ik neem de wereld om me heen waar alsof er een satellietverbinding is ingezet tussen mijn netvlies en mijn visuele cortex: met drie seconden vertraging. Dit koortsig delirium is niet fijn. Ik voel me echt heel beroerd. Het voordeel is wel dat de depressieve gedachten van de laatste tijd nu even uitgeschakeld lijken. En dat terwijl er alle reden zou zijn om verder in de depressie te glijden.

Vanavond hoorde ik bij toeval dat S. de hele week in het ziekenhuis heeft gelegen. Hij had vorig weekend wederom een heftige aanval van bijwerkingen rond zijn recent ontdekte chronische ziekte gekregen. Hij werd diezelfde dag nog opgenomen in het ziekenhuis, heeft allerlei zware medicijnen toegediend gekregen en allerlei onderzoeken ondergaan. Hij is pas sinds gisteren weer thuis. En ik wist van niks. Mijn ex vond het niet nodig mij daarover te informeren.

Tussen mijn koortsige fasen van half waken en half slapen in heb ik deze week een paar keer via berichtjes contact gezocht met mijn lieve jongen. Bellen zat er vanwege mijn keelpijn en totaal verdwenen stem even niet in. S. is trouwens nooit een beller geweest en ik eigenlijk ook niet. Gek genoeg werkt voor ons het nog dunnere verbindinkje van een berichtendienst beter. Maar deze week antwoordde hij vaak laat, soms helemaal niet en altijd wat kortaf. Hij voelde zich niet lekker, was mijn indruk, maar daar liet hij zich niet echt over uit. Toen ik dat vanavond bij mijn ex checkte, kreeg ik dus te horen wat er gebeurd was. En meer.

S. is al een week of vier niet meer bij mij geweest. Ik heb hem alleen rondom consulten in het ziekenhuis gezien. Hij voelde zich te ziek om naar me toe te reizen. Hoe verdrietig ik dat ook vond, ik kon daar wel begrip voor hebben. Er bleef alleen wel een onuitgesproken zweem hangen; ik vermoedde dat er meer aan de hand was. Zeker toen S. bij elk volgend weekend opnieuw aangaf niet naar me toe te willen reizen. Vanavond openbaarde zich wat zich in mijn hoofd al had afgetekend. Vanavond vertelde mijn ex me dat S. me voorlopig helemaal niet meer wil zien. Niet hier, niet daar, niet in het ziekenhuis. Vanavond hoorde ik dat mijn kind het te ingewikkeld vind om mij als vrouw in zijn leven te laten. Alle mooie stappen die we daar samen al in hadden gemaakt ten spijt.

Wanneer morgen of overmorgen mijn koortsige delirium is opgetrokken, hoop ik dat blijkt dat het niet waar is. Dat blijkt dat ik het allemaal verkeerd heb waargenomen. Maar wat ook zou kunnen is dat dan de impact van dit alles eindelijk mijn systeem binnen kan sijpelen. En dat ik me dan realiseer dat ik door mijn transitie inmiddels de twee dierbaarste personen uit mijn leven kwijtgeraakt ben.

zaterdag 14 februari 2015

Meisje van vier

Het is zeven uur. Dat valt nog alles mee, ook al ging ik pas ruim na twaalven naar bed. Ik had verwacht een korte nacht te maken. Hoe dan ook, het is duidelijk dat ik niet gerust heb in mijn slaap. Ik voel de spieren in mijn lijf gespannen zijn. Mijn kaken hebben de hele nacht mijn kiezen beurs gedrukt; ik voel ze licht schrijnen. Mijn ademhaling is hoog en snel. Mijn lichaam zit in een stressreactie. Voor de zoveelste keer de afgelopen maanden wordt ik in een stressreactie wakker. Mijn hoofd bonkt van de pijn door gebrek aan diepe slaap.

Vannacht viel ik weer huilend in slaap. Huilend om M. Na haar levensteken van gisteren was dat ook wel te verwachten. Ik mis haar vreselijk. Onze breuk is inmiddels al vijf maanden geleden maar ik huil nog zo goed als elke dag om haar. En de laatste week weer meerdere malen per dag, met als apotheose de ruim twintig huilbuien van gisteren. Als mensen de laatste maanden aan me vroegen hoe het met me ging dan maakte ik duidelijk dat ik het zwaar had. Dat het emotioneel allemaal nogal heftig was. Meestal konden ze zich dat wel voorstellen bij een geslachtstransitie. Ik ook. Maar ik ben me inmiddels steeds nadrukkelijker af gaan vragen of die heftigheid wel hoofdzakelijk door mijn transitie veroorzaakt wordt. Ik huil zo vaak om M.; is mijn depressie niet in de eerste plaats een gebroken hart?

Het lukt me maar niet om haar los te laten. Het lukt me maar niet om te accepteren dat we niet samen zijn. Het is niet mijn liefde voor haar die dat onmogelijk maakt. In mijn liefde voor haar voel ik veel ruimte om een stapje opzij te doen. Ruimte om haar te laten proberen in haar relatie met P. haar behoefte aan een klassiek gezinsleven te vervullen. Ruimte om haar gelukkig te laten zijn. Vanuit mijn liefde omhels ik haar, kus ik haar op haar voorhoofd en zeg ik: “Het ga je goed liefste. Ga stralen. Ga gelukkig worden”. Als ik me voorstel dat ik dat letterlijk doe, dan voel ik mijn hart gloeien. Dan voel ik mijn liefde voor haar. Dan voel ik dat het oké is om haar te laten gaan.

Het is niet mijn liefde voor M. die me belemmert haar los te laten. Het is mijn verlangen naar haar. Ik ben na ruim vijf jaar met alle heftigheid, moeilijke perioden en pijn die onze bijzondere relatie helaas ook kenmerkten nog steeds knetterverliefd op haar. Het is die verliefdheid die me in de weg zit. Mijn verliefdheid die niet kan accepteren dat ze haar hoofd in plaats van haar hart volgde. Die niet kan accepteren dat ze er niet meer is. Ik smacht naar haar. Cold-turkey afkicken heeft niet gewerkt. In de jaren voor ik M. leerde kennen zei ik wel eens na een mislukte romantische escapade dat ik nooit meer verliefd wilde zijn. Dat ik die fase over wilde slaan en meteen naar de onvoorwaardelijke liefde wilde gaan. En zo begon het met M. eigenlijk ook. Ik was niet op slag verliefd toen ik haar ontmoette. Ik vond haar bijzonder, ik voelde tederheid naar haar en ze had een duidelijke aantrekkingskracht op mij. Ik wilde graag bij haar zijn, maar ik fantaseerde niet over haar als ze er niet was, ik smachtte niet naar haar. Maar dat ging snel over. Ik werd snel alsnog verliefd. Smoorverliefd. En dat ben ik tot op de dag van vandaag. De volwassen manier waarop ik aan onze relatie begon, werd snel vervangen door puberaal, nee kinderlijk verlangen. Het is duidelijk dat ik tijdens onze relatie, waarschijnlijk getriggerd door mijn genderzoektocht, in regressie raakte. Zoals ik al vaker schreef: ik ben een meisje van vier jaar geworden. Niet in staat om om te gaan met de emoties waaraan ik blootsta nu ik mijn grote liefde kwijt ben. Niet in staat om om te gaan met het verlammende, smachtende verlangen. Met mijn verliefdheid.

Ik sta er alleen voor. Dat klinkt hard naar mijn lieve vrienden die me oprapen als ik weer eens ingestort ben. Zo bedoel ik het niet. Ik ben ze ontzettend dankbaar dat ze in mijn leven zijn en dat ze me af en toe een knuffel geven. Maar een meisje van vier heeft meer geborgenheid nodig dan dat. En die geborgenheid is er niet in mijn leven. Ik ben niet thuis in mijn veranderende, steeds vreemder aanvoelende lichaam, niet thuis in mijn op nieuwe hormonen gebaseerde emotionele systeem, niet thuis in mijn nieuwe sociale rol waar ik de codes nog niet echt van begrijp. Ik ben de bodem in mezelf kwijt en mijn omgeving biedt me ook geen vaste grond. Ik woon alleen. Ik heb geen relatie. Ik heb geen gezin. Ik zie mijn kind nauwelijks (door zijn ziekte nu nog veel minder; hij is al vier weken niet meer hier geweest). Ik heb geen collega’s; ik werk alleen en op dit moment ook nog eens heel weinig. Mijn familie heeft geen interesse in me. Bij welke groep hoor ik? Wat is mijn clan? Waar hoor ik thuis? Welke groep mensen speelt een vanzelfsprekende rol in mijn dagelijkse leven, ziet mij als lid van de groep, zonder dat iemand daar over nadenkt of er iets voor hoeft te doen? Omdat het gewoon zo is? De enige groep die ik kan bedenken is mijn theatergroep. Mijn theatervrienden zie ik elke week, zij zijn er gewoon. Helaas is datgene wat ons bindt nogal beperkt. Ik mag ze graag, maar het zijn theatervrienden. Echt persoonlijke vriendschappen zijn het niet. Maar goed. Het is toch iets. Het is misschien wel de belangrijkste reden dat ik op dit moment actief ben in het theater. Gezien mijn huidige energieniveau, gezien mijn huidige lage stresstolerantie en gezien mijn huidige onzekerheid is het niet zo slim om te willen acteren, om zo’n commitment aan te gaan, om mezelf in een theater aan anderen te tonen. Het vreet energie die ik helemaal niet heb. Die ik beter zou kunnen besteden aan het zekerstellen van mijn inkomen. Maar als ik het theatermaken opgeef, dan hoor ik helemaal nergens meer bij. Ik vraag me af hoe het zal zijn als in april voor onze theatergroep het theaterseizoen voorbij is. Dan staat dit vierjarig meisje er echt helemaal alleen voor.

vrijdag 13 februari 2015

Chocolade M.

Het kleine sleuteltje maakt een raspend geluid wanneer ik hem in het slotje steek. Alsof het deurtje van mijn brievenbus zijn keel schraapt voordat hij zijn inhoud wereldkundig maakt. Ik zwaai het deurtje open en pak de twee enveloppen die er in liggen. Eentje is dikker, duidelijk geen brief. Ik vermoedde het een paar dagen geleden al: het is vast een valentijnverrassing. Van M. Voor de zekerheid een dagje eerder verstuurd. Terwijl ik mijn hoofd schud vanwege dit ongefundeerde wensdenken draai ik de dikke envelop om. Het is zakelijke post. De envelop is gewoon wit, mijn naam en adres zijn geprint op een etiket en rechtsboven staat de rode afdruk van een frankeermachine. Ik bekijk de afzenderinformatie in de rode afdruk. Er staat een plaatsnaam; het is de plaats waar M. woont. Zie je wel! Dit komt van M. Wat nou wensdenken! Waarom wantrouw ik mijn intuïtie toch zo vaak? Ze wilde natuurlijk voorkomen dat ik haar handschrift zou herkennen, daarom heeft ze op haar werk een etiket geprint en maar meteen geprofiteerd van de gratis verzending. Het postbusnummer in de frankeerinformatie is vast van het bedrijf waar ze werkt. Sinds kort, zoals LinkedIn mij onlangs ongevraagd meldde omdat ze mijn profiel had bekeken.

Mijn hart klopt voelbaar in mijn keel. Ik maak de envelop open en vind een reep chocolade. Bij de reep zit ook een ansichtkaart. De kaart is bedrukt met een foto van een heerlijke reep chocolade. Twee repen in één envelop: double chocolate. Lekker. Een deel van de kaart is omgeslagen en op de achterkant vastgeplakt. Daarnaast staat op de adresseringsstippeltjes mijn naam. In blokletters. LISA. Het zijn duidelijk blokletters die geschreven zijn door iemand die zijn eigen handschrift wil verbloemen. Ik kan zien dat de pen relatief traag over het papier is gegaan om deze letters te schrijven.

Dan valt me op dat de omgevouwen flap niet helemaal is vastgeplakt, maar alleen aan het randje. Ik pulk hem open. “CHOCOLADE HELPT ALTIJD. STERKTE”. Dezelfde blokletters. Behalve dan de IJ. Die herken ik. Het is de IJ van M. Ik schrik me rot. Niet omdat ik een nieuw bewijs heb gevonden dat M. de afzender is. Dat was me al meteen duidelijk. De tekst in blokletters doet me echter realiseren dat dit geen valentijnskaart is. M. stuurde dit niet omdat het morgen 14 februari is. M. stuurde dit omdat ze mijn blog gelezen had. Mijn blog van eergisteren. En ze maakte zich zorgen.

Mijn intuïtie had me al vaker geprobeerd te vertellen dat M. mijn blog las. Dat zij volledig op de hoogte was van hoe mijn leven zich ontwikkelde na onze breuk. Maar omdat ik mijn intuïtie nu eenmaal wantrouw, had ik dat idee steeds verworpen. Misschien ook wel omdat ik anders een extra drempel zou voelen om op mijn blog over haar te schrijven. Maar nu is het duidelijk. Ik voel mijn mond pruilend samentrekken en mijn strottenhoofd drukt zich omhoog. Vocht maakt mijn ogen troebel. Ik snuif. Mijn schouders trekken samen en beginnen te schokken. Ik huil. Met de chocolade nog in mijn hand huil ik. Tranen beginnen over mijn wangen te lopen. “Ik mis je”, hoor ik mezelf door mijn gesnotter heen prevelen. Mijn geploeter van de afgelopen maanden om haar los te laten is door deze reep, door deze kaart, in één klap nog vruchtelozer geworden dan het al was. De grote leegte in mijn hart die ik probeerde te negeren, dringt zich nu weer keihard aan me op. Ik voel me nog eenzamer dan ik al was. Waarom? Waarom deze kaart? Wat wil ze van me? Vragen beginnen over elkaar heen te buitelen. Ik wil contact. Ik wil haar zien. Ik wil haar voelen. Mijn keel wordt droog en mijn hart begint nog sneller te kloppen. Ik begin nerveus te bewegen alsof ik vertwijfeld probeer te bepalen in welke richting ik moet rennen om zo snel mogelijk bij M. te komen. Stop. Stop! STOP! Ik roep mezelf tot de orde. Ik hijg en snotter na. Ik ga helemaal niet rennen. Ik ga helemaal geen contact zoeken met M. Ik ga haar niet zien. Ik ga haar niet voelen. Mijn verlangen om mijn leven met haar te delen is te groot. Contact gaat alleen maar ellende veroorzaken. Want ze wil haar leven niet met mij delen. Althans, niet zonder haar relatie met P. op te geven. Ik heb tijdens onze relatie al heel wat ideeën over hoe een relatie moet zijn losgelaten. Ze mocht vreemdgaan van mij. Fysiek geweld heb ik haar vergeven. Maar het idee dat mijn partner echt en exclusief voor mij moet kiezen als levensgezel, dat idee wil en ga ik niet opgeven. En zolang M. daar niet in mee kan gaan, dan is er geen toekomst voor ons. En dan is het beter om geen contact te hebben. Het is nu voor mij al moeilijk genoeg om te accepteren dat ik niet met M. oud ga worden. Ik zucht en snik tegelijk bij deze gedachte. Ik sta nog steeds met de chocolade in mijn hand bij de brievenbus. Ik besluit het deurtje maar dicht te doen en naar boven te lopen.

Het is donker buiten. Ik zit alleen aan mijn tafel de situatie te overdenken. Voor mij op tafel liggen de reep, de kaart en de envelop. Stemmen van mijn vrienden die ik inmiddels aan de telefoon gehad heb, klinken na in mijn hoofd. “Moet je alles niet gewoon terugsturen?” Terugsturen? Nee. De post van M. heeft me weer heftig geconfronteerd met het gemis en het verdriet. Maar hoe verwarrend ook, ik beschouw het wel als een korte, steelse aanraking die ik nog even wil koesteren. En hell, je stuurt lekkere chocolade toch niet terug? Er zijn grenzen. “Moet je haar niet laten weten dat je dit verwarrende contact liever niet hebt?” Tja. Ik heb geen keus. Ik hoef haar niet eens een kaart te sturen. Ze leest mijn blog. Ze weet alles over mijn leven op dit moment. En ik niets van het hare. En zolang ik daar geen onderdeel van kan zijn wil ik er ook liever niks van weten. Het doet te veel pijn. Het doet gewoon teveel pijn.

donderdag 12 februari 2015

Lekker wijf

Mijn armspieren protesteren wanneer ik de rechthoekige tafel probeer op te tillen. Hmmm, schuiven dan maar… Vorig jaar lukte het me nog wel om deze tafels op te tillen, maar nu kennelijk niet meer. Het zal vast niet liggen aan het feit dat ik nu een rokje en hakjes draag. Het zal vast door de hormoonbehandeling komen. Vorig jaar was ik in deze zelfde ruimte om een workshop te begeleiden voor een team dat haar onderlinge samenwerking wilde verbeteren. Nu ben ik er weer. Zelfde ruimte, zelfde opdrachtgever, alleen een ander team. Ook vorig jaar haalde ik de tafels weg om ruimte te maken voor een kring met stoelen; de ideale opstelling voor deze middag. Maar nu moet ik ze schuiven in plaats van tillen.

Ik ben doodzenuwachtig. Het is de eerste keer dat ik als vrouwelijke trainer/workshopbegeleider voor een groep sta. Dat is sinds de coming out in mijn werk eind oktober niet eerder voorgekomen. Dat is best opvallend voor iemand die haar geld zegt te verdienen met coaching en training. Het illustreert hoe weinig werk ik heb. Mijn bankrekening en ik waren dan ook erg blij dat mijn oude opdrachtgever me terugvroeg voor deze nieuwe workshop. Tijdens een van de voorbesprekingen vertelde de opdrachtgever dat hij de workshop had besproken in het team. Een van de teamleden had wat weerstand om zo’n “zweverige training” te gaan doen. Maar hij schikte zich met de tekst: “Ik vind het best, maar als ik de hele middag tegen die trainer aan moet kijken, dan moet het wel een lekker wijf zijn”. Toen de opdrachtgever die tekst voor mij citeerde, werd een aloude mannelijke conditionering getriggerd en moest ik lachen. Ook ik heb in omgevingen geleefd waarin het heel normaal was om dit soort lompe teksten uit te spreken. Dat paste nooit bij mij, maar het was uiteindelijk wel vertrouwd geworden. Zo hoorde het kennelijk. Dus het was niet gek dat er een lach aan mij ontsnapte. De laatste paar jaar is er in mij echter langzaam meer bewustzijn aan het komen op vrouwonvriendelijk gedrag. Vanuit dat bewustzijn drong zich deze keer een nieuw besef aan mij op dat mijn aangeleerde gelach deed stokken. Het besef dat ik door mijn transitie in een tijdperk ben gekomen waarin ik niet langer primair beoordeeld wordt op mijn prestaties en mijn kwaliteiten, maar op mijn uiterlijk. Welkom in de wereld van vrouw-zijn, Lisa!

Gelukkig zie ik er vandaag goed uit. Zakelijk, netjes en zeer vrouwelijk. Daarover maak ik me nu, na de nodige ochtendstress voor de spiegel, geen zorgen. Misschien is het ook maar goed dat mijn prestaties minder zwaar tellen vandaag, want ik voel me doodmoe en depressief. De zware nacht heeft me opgezadeld met een zeurende hoofdpijn. Ik vraag me af hoe ik deze middag overleef. Hoe ik deze middag de veilige omgeving creëer voor dit team om nader tot elkaar te komen. Hoe ik helderheid en positiviteit inzet om patronen in het team te doorbreken. Veiligheid, helderheid en positiviteit zijn precies die drie dingen waaraan het in mijn eigen leven ontbreekt op dit moment. Mijn gepeins wordt doorbroken door het team dat de ruimte binnen komt lopen. Ik kan niet meer ontsnappen. Nu moet ik presteren. Ik merk dat mijn mond zich in een vriendelijke glimlach buigt en ik geef iedereen een hand ter begroeting. Ik hoor mezelf tien keer ‘Lisa’ zeggen met mijn mannenstem. Ik schrik er van. Mijn keel is door stress en uitputting rauw van binnen. Zo rauw dat licht en vrouwelijk praten er vandaag kennelijk niet in zit. Ik ben zo bezig mezelf én hun reactie op mij te observeren dat ik de namen van de deelnemers niet eens echt hoor. Gelukkig had ik ze vooraf al te horen gekregen. Mijn spiekbriefje ligt klaar.

De deelnemers gaan zitten en het geroezemoes verstomt snel. Ik sta midden voor de groep. Om te ontspannen laat ik mijn aandacht als een soort scanner door mijn lichaam gaan. Gek genoeg scant mijn innerlijke oog, geheel in lijn met de nieuwe werkelijkheid, ook juist alleen mijn uiterlijk. Ik word me bewust van mijn enkellaarsjes, mijn panty, mijn rokje, mijn sierlijke jasje en de witte top met watervalhals daaronder. Ik wordt me bewust van mijn borstprothesen, van de haarspeld die mijn haar elegant naar achteren houdt. Ik zie de mascara op mijn oogharen zitten. Hier sta ik. En ik ben een vrouw. O shit! Dit is eng! Iedereen kijkt naar me! Ik voel mijn lichaam verstarren alsof ik een konijntje ben dat in de koplampen kijkt van de auto die hem zo meteen gaat doodrijden.

Uit mijn ervaring weet ik hoe emoties van de trainer het contact met de groep – en het resultaat van de training – in de weg kunnen staan. Ik weet ook dat het helpt om die emoties uit te spreken, zodat je juist vanuit je kwetsbaarheid contact maakt. Tijdens het voorstelrondje neem ik daarom zelf als eerste het woord en ik zeg: “Vorig jaar heb ik ook een workshop begeleid voor jullie organisatie, maar dan voor een ander team. Zoals jullie ongetwijfeld van jullie collega’s hebben gehoord, leefde ik toen nog als man. In mijn nieuwe leven als vrouw voel ik me soms een heel klein meisje dat de wereld nog aan het ontdekken is. Zo voel ik me vandaag ook”. Ik zie de groep ontspannen. Bam. Het ligt op tafel. Nu weten ze dat ze het onderwerp van mijn transitie niet angstvallig hoeven te vermijden. Ik ontspan ook. Deze interventie was niet alleen nuttig om míjn angsten te bezweren. En passant heb ik meteen de toon gezet; de rest van middag verloopt in een open een respectvolle sfeer. Ik begeleid de groep door het programma dat ik had voorbereid. De groep werkt actief en betrokken mee. Door de uitputting kan ik me slecht concentreren en veel van mijn aandacht is nodig om mijn eigen angsten en emoties te kanaliseren. Veel doe ik op de automatische piloot, net als vorige week in het theater. Ik ervaar niet de flow die ik meestal ervaar als ik een workshop of training geef. Maar in tegenstelling tot vorige week in het theater voel ik nu wel af en toe momenten van blijdschap. Blijdschap dat het lukt. Blijdschap dat het lukt om dit als vrouw te doen. En blijdschap dat in de erfenis van Man-ik kennelijk zoveel ervaring zit opgeborgen dat ik ook een goede workshop kan neerzetten als ik een uitgeputte en depressieve vrouw ben. Dankjewel Man-ik! En een applausje voor jou, Lisa. Je bent een lekker wijf…

Onveilig

Een subtiele trilling gaat door elke vezel van mijn lichaam. Elke spier, elke pees, elke zenuw is klaar om te vluchten. Weg van hier. Weg van waar ik nu ben. Want hier dreigt gevaar. Het is niet dat ik zojuist opgeschrikt ben door een wild dier. Deze staat van paraatheid is bijna continu aanwezig. Door me af te leiden met stompzinnige bezigheden lukt het me de aandacht af te leiden. Maar de spanning blijft. Als iets onder water zit, wil het nog niet zeggen dat het er niet is. Ik vind geen rust in rust en geen afleiding in afleiding. Het besef dat ik niet veilig ben is allesoverheersend. Het overheerst sinds een week ook weer mijn nachtrust. Het is half vijf en ik ben wakker. Mijn surrogaatmoeder – het kussen waar ik me al nachten aan vast klamp op zoek naar troost – helpt me niet om me veilig te voelen. Ik ben depressief en vraag me af waarom ik dit allemaal moet doorstaan. Het idee om alles te ontvluchten lonkt. Ergens in mij is er een laatste sprankje levenslust dat zich projecteert op S. Ik kan het hem niet aandoen hem in de steek te laten. Maar eerlijk gezegd hoeft het voor mij niet meer. De gedachte dat er nog zo veel moois te beleven is in dit leven voelt steeds meer hypothetisch aan. Waar is dan al dat moois? Kom maar op. Laat het me maar beleven. Ik wil wel. Maar het enige dat ik krijg is verdriet, eenzaamheid en slapeloze nachten die me totaal uitputten.

Morgen (nou ja, vandaag dus eigenlijk, want ik ben al wakker) is een belangrijke dag. Ik heb eindelijk weer eens serieus werk. Ik ga een workshop begeleiden voor een projectteam dat niet zo goed samenwerkt. Ik ga ze helpen elkaar beter te leren kennen en met meer respect voor elkaar samen te werken. Dat doe ik een sfeer van veiligheid en positiviteit. Dergelijke sessies heb ik in het verleden vaker gedaan en ik was er altijd erg goed in. Maar nu vraag ik me af hoe ik het voor elkaar moet krijgen. Mijn hoofd gonst van vermoeidheid. Ik kan me niet concentreren. En ik voel helemaal geen veiligheid en positiviteit. Niet in mezelf en niet daarbuiten. Een supergoede workshop zou helpen om mijn inkomstenstroom weer wat op gang te krijgen. Maar ik ben bang dat ik niet in staat ben het zo goed te doen dat de opdrachtgever me nog eens terugvraagt.

Mijn zoektocht naar mezelf heeft me in regressie gebracht. Ik ben nu een meisje van vier. Ooit zag ik daar, naast het feit dat het doodeng is, ook de positieve kant wel van in. Ik zou daardoor immers kunnen inhalen wat ik in het verleden had gemist in mijn identiteitsontwikkeling. Ik zou een tweede kans krijgen als het ware. Maar mijn tweede kans verloopt dramatisch. De geschiedenis herhaalt zich. Ook nu voel ik me niet veilig en is er niemand bij wie ik kan schuilen. Niemand die me echt ziet in wie ik ben. Ik sta er opnieuw alleen voor. En dat wil ik niet. Zo is mijn tweede kans compleet zinloos.

Ik mis M. Natuurlijk mis ik M. Zij was degene die me kon zien in wie ik was. Ik hield niks achter voor haar. Bij haar voelde ik me zo gezien, zo erkend en zo veilig dat ik alles – maar dan ook werkelijk alles – durfde te tonen. Niet op elk moment, natuurlijk speelden er ook in onze relatie onbewuste beschermingsmechanismen een rol, maar uiteindelijk kwam ik altijd op het punt waarop ik compromisloos alles aan haar liet zien wat er in mij omging. En dat was omgekeerd ook zo. Dat maakte onze relatie zo bijzonder en tegelijk zo intens en complex. Want we hadden allebei nogal wat te laten zien. We droegen nogal wat met ons mee.

Ik kijk naar het kussen naast me in het bed. De hele nacht probeerde ik troost en veiligheid te vinden bij dat kussen. God wat zou ik er veel voor over hebben als dat kussen geen kussen was, maar M. die hier naast me lag. Dan zou ik tegen haar aan kruipen. Haar zachte huid voelen. Haar geur ruiken. Haar ademhaling horen. Haar hartslag voelen. Ik zou mijn ogen sluiten en me eindelijk weer eventjes heel veilig voelen.

woensdag 11 februari 2015

Stalen oog

De donkere, ijle stilte van de nacht wordt doorbroken door een metalig gerommel. Ik ben bang dat ik de buren wek, maar ergens weet ik ook wel dat geluiden in de overgangszone tussen slapen en waken altijd harder lijken dan ze zijn. Mijn hand graait in mijn gereedschapskist en vindt uiteindelijk de grote dikke schroevendraaier waar ik naar zocht. Ik loop ermee naar de woonkamer, pak een stoel en schuif die naar de haak. Zo noem ik het ding altijd, maar het is eigenlijk geen haak maar een stalen oog in het plafond midden in mijn woonkamer. Zo’n oog waar je een hangmatstoel aan kunt ophangen. Die hing er dan ook wel eens toen M. nog bij me woonde, jaren geleden. Toen we weer apart gingen wonen, nam zij haar hangmatstoel mee. Dankzij onze kinky spelletjes bleef het oog niet helemaal werkloos en daarom had ik het al die tijd gewoon laten zitten.

Ik klim op de stoel, steek de pin van de schroevendraaier door het oog en draai. Ik had verwacht dat ik met mijn slappe spieren en vermoeide motoriek er geen beweging in zou kunnen krijgen, maar het oog draait vrij gemakkelijk los. Tien, vijftien seconden later heb ik het lange zware stalen ding in mijn hand. Ik loop naar de prullenbak en gooi het weg. Ik voel er niks bij – geen verdriet, geen opluchting – ook al is het oog voor mij verbonden met de bijzondere tijd met M.

Het oog moet weg. Het is de afgelopen dagen te vaak in mijn gedachten. Niet als hulpmiddel voor een hangmatstoel of kinky spelletje. Maar als verlossing. Ook deze nacht weer. Na een betrekkelijk opgewekte periode ben ik een week geleden weer depressief geworden. Mijn sombere gevoelens werden sterker en langduriger. Ze hielden me de afgelopen nachtelijke uren gevangen in de overgangszone tussen slapen en waken. Ik ben doodmoe. Ik verlang naar rust. Ik heb geen kracht meer om mijn leven te dragen.

Ik heb verdriet om S. die ziek en ver weg is. Ik frustreer me over mijn ex, die S. voor me afschermt en me probeert buiten te sluiten van zijn ziekteproces. Ik frustreer me over mijn lichaam dat de eerste effecten die zich aftekenden door de hormoonbehandeling nu lijkt te zijn vergeten. Mijn beginnende borstgroei is haast volledig verdwenen. Geslonken naar de mannelijke ronding van mijn borstspier die daar al jaren zat. Ik baal van mijn zelfstandig ondernemerschap, waardoor ik moet blijven proberen een beetje te werken omdat ik anders mijn rekeningen niet kan betalen. Maar ik ben er eigenlijk te moe voor en het lukt dan ook niet om voldoende geld te verdienen. Ik voel me alleen, nu mijn beste vrienden stuk voor stuk de handen vol hebben aan zichzelf vanwege overspannenheid, angstaanvallen of depressie. Ik voel me in de steek gelaten en tegelijk frustreert het me dat ik hen in de steek laat. Nergens in mezelf voel ik vaste grond. Een veilig plekje om even te schuilen. Alles voelt vijandig. Mijn altijd al wat gemankeerde basic trust lijkt nu wel helemaal in het niets opgelost te zijn. Ik ben niks meer. Niemand. Ik ben een gedachte. Een rare poging om mezelf op een manier in de wereld te zetten die de natuur niet voor mij in petto had. Een manier die door mijn historie niet geaccepteerd wordt. Een manier die me elk idee van wie ik ben en hoe ik me tot mijn omgeving wil verhouden heeft afgenomen. Ik voel me alleen in een vijandige wereld die ik steeds minder lijk te begrijpen. Ik mis M. God, wat mis ik haar. Wat zou ik graag mijn hoofd op haar schoot leggen. Haar handen door mijn haar voelen. Het kloppen van haar hart in het mijne horen echoën.

Ik ben op. Het leven heeft me al zo lang zo veel shit gegeven dat ik me afvraag waarom ik hier nog ben. De gedachte om aan dit alles te ontsnappen door mijn leven te beëindigen is de laatste dagen vaak opgekomen. Te vaak. Ik heb mezelf de laatste dagen al vaak aan het oog zien bungelen, me afvragend of die korte doodsstrijd heel erg naar zou zijn of dat het wel zou meevallen.

Maar ik rekende buiten de harde werker. De harde werker in mij die elke dag opnieuw probeert eten te maken, te bewegen, mensen te spreken om de depressie te bezweren. Hij is ook nu weer in actie gekomen en heeft mij het oog uit het plafond laten draaien. Om de drempel te verhogen heftige dingen te doen. Ik ben verrast dat ik kennelijk mezelf toch nog zo in de hand kan houden. Maar terwijl ik het deksel van de prullenbak sluit en mezelf terug naar mijn bed sleep, dringt de onbeantwoorde vraag zich op waar en wanneer ik eindelijk weer wat rust mag krijgen.

dinsdag 10 februari 2015

Baksteen

Een mail. Van mijn ex. Ik klik hem open. Het gaat opnieuw niet zo goed met S., lees ik. De heftige aanval van zijn chronische ziekte lijkt, na het aanvankelijke herstel door de prednison, nu toch weer te verergeren. Als het over een paar dagen niet beter wordt, dan verhoogt de arts de dosis. Als na het weekend nog geen verbetering opgetreden is dan wordt S. opgenomen in het ziekenhuis. Als S. zich zo ziek voelt mag ik hem niet op komen halen. En daar moet ik niet zo moeilijk over doen.

Het staat er echt: “niet zo moeilijk over doen”. Ik ben al veroordeeld voordat ik iets doe of nalaat. Eigenlijk ben ik blij het te lezen. Het is een van de zeldzame keren – misschien zelfs wel voor het eerst – dat ze haar vooringenomenheid zo expliciet laat blijken. Het vooroordeel zelf is niet nieuw. Dat is altijd al zo geweest. Al vanaf S. zijn geboorte. Ik herinner me nog het moment waarop ze me met veel venijn uitlegde dat de manier waarop ik het klittebandje van de luier vastmaakte écht onverantwoord was. En me vervolgens opzij duwde om het zelf maar te doen. En ik deed – zoals veel te vaak in mijn leven – maar een stapje opzij om de lieve vrede te bewaren. Ik heb inmiddels in mijn leven al duizenden luiers verwisseld, bij S., bij het zoontje van M. en bij andere baby’s en tot nu toe is van een catastrofale wijze van luierbevestiging niets gebleken.

Mijn ex vond me een sta-in-de-weg als het om het verzorgen en opvoeden van S. ging. Zij had met het moederschap eindelijk een doel in haar leven gevonden en ik mocht haar rol natuurlijk niet beperken. En trouwens, ik was op het moment dat zij zwanger raakte van S. toch ook helemaal niet bezig met het krijgen van kinderen? Ik wilde toch zo graag een paar jaar voor Artsen zonder Grenzen werken? Dus waar zeurde ik over? Dat ik toen mijn ex zwanger bleek direct mijn sollicitatieprocedure bij Artsen zonder Grenzen stopte, maakte kennelijk niet uit. Dat ik vanaf dat moment altijd een liefhebbende en betrokken vader ben geweest, maakte ook niet uit. Zij wist alles over opvoeden en ik niks. Na mijn zaaddonatie was ik overbodig geworden.

En zo is het nog steeds. Gisteren waren we wederom met S. in het ziekenhuis, deze keer voor een gesprek met een diëtiste die ons zou helpen voor S. z’n ziekte een zo optimaal mogelijk eetpatroon te krijgen. De diëtiste redeneerde nogal rigide vanuit algemene richtlijnen van het voedingscentrum dat S. meer melk moest drinken, waarbij ze naar mijn gevoel compleet voorbij ging aan het feit dat hij niet weinig melk dronk om haar te pesten, maar omdat hij het niet lekker vind zoals hij haar net had gezegd. Om S. te helpen begon ik de diëtiste alternatieven voor te leggen die hij wel lekker vindt. Deze voldeden (mits voorzien van toegevoegd calcium) volgens de diëtiste als alternatief. Volgens mijn ex niet; haar blik sprak boekdelen. Ik had geen ondertiteling nodig om te weten welke woorden ze niet uitsprak: “hou toch je kop over oatmilk of sojamelk, ik geef hem tóch gewoon koemelk”. In de nabespreking in de auto probeerde ik het opnieuw. S. zag het wel zitten, hij had bij mij wel eens oatmilk gedronken en had het wel lekker gevonden. Maar mijn ex bleef mij demonstratief nukkig negeren. Niet omdat er inhoudelijk iets mis was met mijn ideeën. Maar omdat het mijn ideeën waren. Het moest zoals zij het in haar hoofd had. En jammer dan: oatmilk zat niet in haar hoofd. Dat ze daarmee over S. zijn wensen heen walste, zag ze niet. Want in haar hoofd was ik toch altijd degene die over S. heen walste, net zoals ik ook altijd over haar heen had gewalst? Een glasheldere projectie als je het mij vraagt.

Mijn dwalende gedachten vinden eindelijk hun weg weer naar het hier en nu. Ik kijk nog eens naar de mail. Ik mag S. niet ophalen en daar moet ik niet moeilijk over doen. Het staat er echt. Ik voel me verslagen. Haar drijfveer om mijn rol als ouder te minimaliseren is altijd sterk geweest, en sinds mijn beslissing als vrouw te leven alleen maar groter geworden. En nu heeft ze een nieuw wapen: “S. is ziek en kan niet bij jou zijn”. Doordat ik de vorige keer, na overleg met S., daarin heb ingestemd (mede om niet over de rug van S. heen strijd te voeren) heb ik natuurlijk de drempel alleen maar lager gemaakt. Haar mailtje van vandaag is weer een stapje in de richting van mijn grote angst S. kwijt te raken.

S. houdt van mij. En ik van hem. Onze liefde is sterk en die laten we ruimhartig aan elkaar blijken. Alleen is het in de barre praktijk van onze omgangsregeling lastig om weerstand te bieden aan de manipulaties van mijn ex. S. is geen partij voor haar, onbewust weet hij heel goed wat de uitdrukking “never bite the hand that feeds you” betekent. En ik ben inmiddels ook geen partij meer voor haar. Ik ben moe. Uitgeput. Leeggezogen door mijn jarenlange zoektocht en mijn intense transitieproces. Dus ik reageer kribbiger dan goed is; ik zie het. Het geduld dat ik al die jaren inzette om de dingen enigszins soepel te laten lopen is op. De durf waarmee ik de laatste jaren mijn grenzen beter aan haar aangaf is verbleekt. Ik kan gewoon niet meer. Ik kan haar aanvallen, haar manipulaties, haar claimende gedrag op dit moment gewoon niet meer pareren. Het is even op nu. Nu heb ik de veerkracht van een baksteen. Nog één klap en ik breek.

zaterdag 7 februari 2015

Reprise

Ik ril. Is het van de kou in de coulissen of zijn het de zenuwen? Ik sta klaar om het podium op te komen. Tenminste, zo lijkt het. Maar ik voel me er minder klaar voor dan ooit. Over een minuut start de reprise van een korte eenakter waarin ik een narcistische neurotische moeder speel. Een heerlijke rol, die ik vorig jaar in een kleine setting ook al eens speelde. Toen was het de allereerste keer dat ik als vrouw op het podium stond. Toch ben ik nu veel meer gespannen dan toen. Misschien omdat ik nu in een groter theater sta, op een Theaterfestival waar veel bezoekers komen die mij niet kennen. Misschien omdat ik nu volledig aangewezen ben op mijn onvolgroeide vrouwelijke identiteit, omdat de man in mij sinds de vorige keer dat ik dit stuk speelde echt op de achtergrond is geraakt. Of misschien gewoon omdat ik door mijn transitie doodmoe ben en ik na de technische repetitie vanmiddag al naar huis en naar bed wilde. Ik ben mezelf over mijn vermoeidheid heen aan het sleuren. Dat lukt, maar om nou te zeggen dat ik lekker in de flow van de adrenaline het podium op ga… Ik wil naar huis.

Ik zie op het podium het licht veranderen. Dat is mijn teken. Ik schud de kou van mijn lijf, haal adem en loop het podium op. Nu kan ik niet meer terug. Nu moet ik me alle tekst herinneren. Nu moet ik op de juiste momenten staan waar ik hoor te staan. Nu moet ik de juiste emoties laten zien wanneer ze passen in het verhaal. Ik doe het. Ik speel Hannelore. Maar ik ben haar niet. Voor een goede performance moet je je personage niet spelen, maar moet je je personage zíjn. Dat is niet alleen voor het publiek leuker, maar ook voor jezelf als speler. Maar het lukt niet. Ik doe wat we gerepeteerd hebben en voor ik het weet is het voorbij. Het publiek klapt en ik hoor dat het goed genoeg was wat ik gedaan heb. Maar ik heb wel eens beter gespeeld. De eenakter met Hannelore is niet het enige dat deze avond in reprise ging. Mijn podiumangst is duidelijk weer terug op het niveau van jaren geleden toen ik begon met acteren. In mijn mannenleven. Een vorig leven, zo lijkt het.

Na afloop van de voorstelling sta ik met theatervrienden in de foyer van het theater te kijken naar de foto’s van alle theatergroepen die de afgelopen tien jaar in dit theater speelden. Na enig speurwerk vind ik de foto van mijn oude theatergroep. Op die foto, rechts van het midden, staat hij. Man-ik. Ik kijk naar hem en herken hem. Mijn hoofd probeert een lijntje te trekken tussen dat gezicht en het woord “ik”. Maar mijn hart gaat daar niet in mee. Die man op die foto ben ik niet. Zo voelt het althans. Alsof ik niet uit hem ben voortgekomen, maar een andere geschiedenis heb die ik me helaas vanwege tijdelijk geheugenverlies even niet kan herinneren. Met verbijstering kijk ik naar de man op de foto. Hij lacht. Hij is oprecht blij. Best een leuke man eigenlijk. Aantrekkelijk. Ik voel weemoed. Weemoed naar een tijd waarin mijn leven aan heldere kaders voldeed. Weemoed naar het gevoel van zelfvertrouwen van waaruit ik na jarenlang hard vechten eindelijk mijn leven was gaan leiden. Het gevoel van zelfvertrouwen dat vanavond ontbrak.

Ik kijk naar deze foto uit mijn verleden en zie hoe mijn leven inmiddels in reprise is gegaan. Het voelt alsof ik alles wat ik in het verleden op het leven had veroverd, alles wat ik had overwonnen, nu opnieuw moet gaan bevechten. Bij die gedachte verbleekt de bijna verlammende onzekerheid die ik vanavond op het podium heb ervaren.

vrijdag 6 februari 2015

Excuses

Ik schreef al vaker over de teleurstellende ervaringen als patiënt van het Genderteam van de VU. Na mijn laatste frustratie besloot ik een brief te schrijven aan mijn endocrinoloog. Ik somde keurig mijn grieven op en verzocht beleefd om een gesprek om te bespreken “hoe we tot een constructieve arts-patiënt relatie konden komen”. Ik verwachtte er niet al te veel van. Mijn endocrinoloog wordt binnen het Genderteam met bijna Noord-Koreaans ontzag aangesproken met ‘meneer de professor’. De bijbehorende arrogantie van de man was precies één van mijn ergernissen.

Ik was dan ook verbaasd toen de coördinator van het Genderteam me belde. Hij wilde namens de professor excuses aanbieden. De professor was geschrokken van mijn brief en het deed hem realiseren dat er een grens was bereikt. Hij had zelf al een tijdje het gevoel gehad vanwege zijn drukke verantwoordelijke baan als wetenschapper met managementtaken onvoldoende tijd en aandacht te hebben voor zijn patiënten. Nu ik daar zo nadrukkelijk mijn beklag over deed, moest hij de consequenties onder ogen zien. Hij moest zijn praktijk gaan afbouwen. Hij moest stoppen met patiënten zien die meer verdienden dan hij kon geven.

Zoals de coördinator het samenvatte klonk het als een nobele daad van de professor. Prima. Maar mijn intuïtie signaleerde mooipraterij. Ik vermoedde dat de eerste gedachten van de professor bij het lezen van mijn brief wel anders waren dan de coördinator mij vertelde. Maar goed, ik speelde het spel mee: “Wil je de professor doorgeven dat ik zijn excuses aanvaard?”. Ik had resultaat geboekt. Er zou een andere ervaren endocrinoloog tijd maken om vanaf nu mij te gaan zien. Ik kon er al over een week terecht en het consult zou een half uur duren, zodat er alle ruimte was voor al mijn vragen die de professor al maanden onbeantwoord (en afgewimpeld) had gelaten. Of de professor door mijn brief werkelijk zijn praktijk ging afbouwen of enkel zijn relatie met mij, maakte me niet uit. Ik zou nu een ervaren arts krijgen die me ook daadwerkelijk begeleiding ging bieden in mijn medische proces. Eindelijk.

dinsdag 3 februari 2015

Katje

“Dag lieverd”. Smak.
“Hoe was het op de repetitie vanavond? Lekker gespeeld?”.
“Ja, heerlijk. Maar ik ben wel kapot nu”.
“Ga maar lekker zitten liefje. Wil je thee? Ik heb vanmiddag speculaasjes voor je gekocht”.
“Heerlijk. Hoe was jouw dag?”.
“Ja, fijn. Lekker gewerkt. Wat zei de dokter vanochtend?”.
“S. moet aan de prednison”.
“Ach nee! Wat erg. Arm kind”.
“Ja. Ik vind het nogal heftig”.
“Ach kom maar hier, lieverd”.
“Pfff, dankjewel”.
“Ik hou van jou”.
“Ik ook van jou”.

Ik kijk op. De kamer is donker, op één gedimde lamp na. Naast me is de bank leeg, op de kruimels na die zijn achtergebleven na twee weken in mijn eentje op de bank eten. Voor mij op de salontafel staat geen thee. Er staat niks. Het huis is leeg en donker. Niemand die blij is me te zien. Niemand die een arm om me heen slaat. Niemand die even het verhaal wil aanhoren van mijn lange, emotionele en vermoeiende dag. En dan met mij naar bed gaat en lekker tegen me aan komt liggen.

Ik sta op van de bank. Ik pak mijn kruik en vul deze met heet water. Terwijl ik de kruik onder mijn dekbed leg, komt de gedachte in me op dat het misschien gezellig zou zijn om een katje in huis te hebben. De herinnering aan mijn lichte allergie voor katten haalt me terug naar de realiteit. Toch jammer. Zou ik nog steeds allergisch zijn?