zaterdag 14 februari 2015

Meisje van vier

Het is zeven uur. Dat valt nog alles mee, ook al ging ik pas ruim na twaalven naar bed. Ik had verwacht een korte nacht te maken. Hoe dan ook, het is duidelijk dat ik niet gerust heb in mijn slaap. Ik voel de spieren in mijn lijf gespannen zijn. Mijn kaken hebben de hele nacht mijn kiezen beurs gedrukt; ik voel ze licht schrijnen. Mijn ademhaling is hoog en snel. Mijn lichaam zit in een stressreactie. Voor de zoveelste keer de afgelopen maanden wordt ik in een stressreactie wakker. Mijn hoofd bonkt van de pijn door gebrek aan diepe slaap.

Vannacht viel ik weer huilend in slaap. Huilend om M. Na haar levensteken van gisteren was dat ook wel te verwachten. Ik mis haar vreselijk. Onze breuk is inmiddels al vijf maanden geleden maar ik huil nog zo goed als elke dag om haar. En de laatste week weer meerdere malen per dag, met als apotheose de ruim twintig huilbuien van gisteren. Als mensen de laatste maanden aan me vroegen hoe het met me ging dan maakte ik duidelijk dat ik het zwaar had. Dat het emotioneel allemaal nogal heftig was. Meestal konden ze zich dat wel voorstellen bij een geslachtstransitie. Ik ook. Maar ik ben me inmiddels steeds nadrukkelijker af gaan vragen of die heftigheid wel hoofdzakelijk door mijn transitie veroorzaakt wordt. Ik huil zo vaak om M.; is mijn depressie niet in de eerste plaats een gebroken hart?

Het lukt me maar niet om haar los te laten. Het lukt me maar niet om te accepteren dat we niet samen zijn. Het is niet mijn liefde voor haar die dat onmogelijk maakt. In mijn liefde voor haar voel ik veel ruimte om een stapje opzij te doen. Ruimte om haar te laten proberen in haar relatie met P. haar behoefte aan een klassiek gezinsleven te vervullen. Ruimte om haar gelukkig te laten zijn. Vanuit mijn liefde omhels ik haar, kus ik haar op haar voorhoofd en zeg ik: “Het ga je goed liefste. Ga stralen. Ga gelukkig worden”. Als ik me voorstel dat ik dat letterlijk doe, dan voel ik mijn hart gloeien. Dan voel ik mijn liefde voor haar. Dan voel ik dat het ok√© is om haar te laten gaan.

Het is niet mijn liefde voor M. die me belemmert haar los te laten. Het is mijn verlangen naar haar. Ik ben na ruim vijf jaar met alle heftigheid, moeilijke perioden en pijn die onze bijzondere relatie helaas ook kenmerkten nog steeds knetterverliefd op haar. Het is die verliefdheid die me in de weg zit. Mijn verliefdheid die niet kan accepteren dat ze haar hoofd in plaats van haar hart volgde. Die niet kan accepteren dat ze er niet meer is. Ik smacht naar haar. Cold-turkey afkicken heeft niet gewerkt. In de jaren voor ik M. leerde kennen zei ik wel eens na een mislukte romantische escapade dat ik nooit meer verliefd wilde zijn. Dat ik die fase over wilde slaan en meteen naar de onvoorwaardelijke liefde wilde gaan. En zo begon het met M. eigenlijk ook. Ik was niet op slag verliefd toen ik haar ontmoette. Ik vond haar bijzonder, ik voelde tederheid naar haar en ze had een duidelijke aantrekkingskracht op mij. Ik wilde graag bij haar zijn, maar ik fantaseerde niet over haar als ze er niet was, ik smachtte niet naar haar. Maar dat ging snel over. Ik werd snel alsnog verliefd. Smoorverliefd. En dat ben ik tot op de dag van vandaag. De volwassen manier waarop ik aan onze relatie begon, werd snel vervangen door puberaal, nee kinderlijk verlangen. Het is duidelijk dat ik tijdens onze relatie, waarschijnlijk getriggerd door mijn genderzoektocht, in regressie raakte. Zoals ik al vaker schreef: ik ben een meisje van vier jaar geworden. Niet in staat om om te gaan met de emoties waaraan ik blootsta nu ik mijn grote liefde kwijt ben. Niet in staat om om te gaan met het verlammende, smachtende verlangen. Met mijn verliefdheid.

Ik sta er alleen voor. Dat klinkt hard naar mijn lieve vrienden die me oprapen als ik weer eens ingestort ben. Zo bedoel ik het niet. Ik ben ze ontzettend dankbaar dat ze in mijn leven zijn en dat ze me af en toe een knuffel geven. Maar een meisje van vier heeft meer geborgenheid nodig dan dat. En die geborgenheid is er niet in mijn leven. Ik ben niet thuis in mijn veranderende, steeds vreemder aanvoelende lichaam, niet thuis in mijn op nieuwe hormonen gebaseerde emotionele systeem, niet thuis in mijn nieuwe sociale rol waar ik de codes nog niet echt van begrijp. Ik ben de bodem in mezelf kwijt en mijn omgeving biedt me ook geen vaste grond. Ik woon alleen. Ik heb geen relatie. Ik heb geen gezin. Ik zie mijn kind nauwelijks (door zijn ziekte nu nog veel minder; hij is al vier weken niet meer hier geweest). Ik heb geen collega’s; ik werk alleen en op dit moment ook nog eens heel weinig. Mijn familie heeft geen interesse in me. Bij welke groep hoor ik? Wat is mijn clan? Waar hoor ik thuis? Welke groep mensen speelt een vanzelfsprekende rol in mijn dagelijkse leven, ziet mij als lid van de groep, zonder dat iemand daar over nadenkt of er iets voor hoeft te doen? Omdat het gewoon zo is? De enige groep die ik kan bedenken is mijn theatergroep. Mijn theatervrienden zie ik elke week, zij zijn er gewoon. Helaas is datgene wat ons bindt nogal beperkt. Ik mag ze graag, maar het zijn theatervrienden. Echt persoonlijke vriendschappen zijn het niet. Maar goed. Het is toch iets. Het is misschien wel de belangrijkste reden dat ik op dit moment actief ben in het theater. Gezien mijn huidige energieniveau, gezien mijn huidige lage stresstolerantie en gezien mijn huidige onzekerheid is het niet zo slim om te willen acteren, om zo’n commitment aan te gaan, om mezelf in een theater aan anderen te tonen. Het vreet energie die ik helemaal niet heb. Die ik beter zou kunnen besteden aan het zekerstellen van mijn inkomen. Maar als ik het theatermaken opgeef, dan hoor ik helemaal nergens meer bij. Ik vraag me af hoe het zal zijn als in april voor onze theatergroep het theaterseizoen voorbij is. Dan staat dit vierjarig meisje er echt helemaal alleen voor.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten