vrijdag 27 maart 2015

Niet alleen

Ik word gewekt door M. Dat doet ze vaak de laatste maanden. Mijn mond is droog. Ik voel dat mijn hele gezicht in een starre frons is bevroren. Ik droomde weer van haar, zoals ik de afgelopen week elke nacht van haar droomde: met intens verdriet. Een verdriet dat groter is dan het verdriet dat we niet meer samen zijn. Hoewel mijn hoofd wel beter weet, laat mijn naïeve gebroken hart zich soms toch nog heel even sussen met de gedachte dat we misschien ooit, ooit weer samen zullen zijn. Maar in mijn angstige dromen zie ik M. die tegen me zegt dat ze nooit meer met mij samen wil zijn. Ik zie dat ze me heeft losgelaten. Ik voel dat ik voor haar zelfs een vage herinnering ben geworden. Het was heel pijnlijk om te moeten beseffen dat ik geen plekje meer in M.’s leven heb. Maar het gevoel dat ik inmiddels ook geen plekje meer in haar hart heb, jaagt me de laatste week elke nacht uit mijn slaap.

Mijn hand glijdt zoekend naast me over het matras. Uit onwennigheid vind ik hem niet meteen. Maar dat duurt niet lang gelukkig. Daar is hij. Mijn hand voelt zijn zachte huid. Ik leg mijn hand erop. Of beter gezegd: ik grijp zijn huid vast. Ik voel hoe de pluizige huid mijn klampende vingers geruststellen. Daar is hij: Beer. Beer ligt sinds twee dagen bij mij in bed. En Beer is er sindsdien altijd voor me geweest. Ik trek hem naar me toe en omhels hem. Beer is nooit gemaakt voor zulke grote-mensen-lijven als dat van mij, dus hij verdwijnt bijna in mijn greep. Wanneer ik hem stevig tegen me aan druk, merk ik hoe klein hij is. Eigenlijk te klein om mij aan hem vast te klampen. Maar toch troost het me om hem in mijn armen te nemen.

Beer kwam een paar jaar geleden bij wijze van ludiek verjaardagscadeau in mijn leven. Al die tijd heeft hij geduldig liggen wachten, min of meer buiten mijn blikveld. Hij reageerde met een compassievolle blik van “ik wist wel dat je zou komen” toen ik hem deze week in een impuls opzocht en meenam in bed. Stemmen in mijn hoofd maakten aanstalten om mijn actie te veroordelen. Na je veertiende nog met een knuffelbeer in bed liggen is al opvallend, maar na je veertigste? Dat kan echt niet. Maar ik maakte een lange neus naar die gedachte. Door mijn transitie ben ik in twee parallelle universums gaan leven: het universum van de veertiger met een kind, een geschiedenis, een hypotheek en een baan en het universum van het vierjarige meisje dat zich net bewust aan het worden is van de wereld om zich heen en haar plek daarbinnen. Voor dat vierjarige meisje is het helemaal niet gek om een knuffelbeer te hebben. De ontwikkelingspsychologie leert ons dat dat belangrijk kan zijn voor haar gevoel van veiligheid. Het is een belangrijk hulpmiddel om haar eigen emoties tegen te spiegelen of te depersonaliseren. Een bron van onvoorwaardelijke compassie en aandacht. Als dit voor kleine kinderen geldt, waarom zou ik dan, midden in het complexe identiteitsontwikkelingsproces waarin ik nu zit, niet een knuffelbeer mogen hebben? Waarom zou de knuffelbeer dan niet dezelfde bijdrage mogen geven aan mijn huidige groeiproces?

De oordelende, normatieve verantwoordelijke ouder in mij (het super-ego zou Freud zeggen) schudt meewarig het hoofd en geeft zich gewonnen. Het kleine meisje wil een beer. Het kleine meisje heeft een beer. Het meisje in mij kijkt naar Beer, ziet zijn brede liefdevolle glimlach en voelt zich gezien. Ik druk de pluizige oortjes van Beer tegen mijn wang en kruip nog wat dieper onder het dekbed. Heel even voel ik hoe het voelt om niet alleen te zijn.

zondag 22 maart 2015

Herentoilet

Gisteren vroeg een kennis aan me of ik tevreden was over mijn haartransplantatie van een paar dagen geleden. Ik antwoordde dat ik nog niet zeker wist of dit de laatste transplantatie zou zijn omdat ik mijn haarlijn nog wel vrij hoog vind zitten. Het zou vrouwelijker zijn als hij nog wat omlaag zou komen. Ze reageerde toen luchtig met een strenge ondertoon: “Weg met die spiegel!”. Ik moest gewoon lekker mezelf zijn, mijn vrouwelijkheid zat tenslotte toch in mij en was niet afhankelijk van de buitenkant. Haar erkenning van mijn intrinsieke vrouwelijkheid en de aanmoediging om mijn zelfacceptatie niet te laten bepalen door factoren die ik maar beperkt kan beïnvloeden, riep bij mij tegengestelde gevoelens op. Ik voelde de compassie waar haar opmerking uit voortkwam. Dergelijke steun heb ik vaker gekregen, van verschillende mensen. Als ik eens mijn zorgen uitsprak over mijn brede schouders, hoorde ik: “Joh, er zijn toch ook sportieve vrouwen met brede schouders”. Of als ik mopperde over mijn brede handen dan zei men: “Ja maar je hebt toch mooie elegante nagels?”. Mijn dikke nek werd ontmanteld door een: “Ja maar met zo’n mooi decolleté kijkt toch niemand daarnaar”. Mijn stem werd genormaliseerd door: “Er zijn toch ook vrouwen met een donkere stem?”. Mijn relatief dikke neus was geen probleem met zulke mooie ogen erboven. En als ik klaagde over mijn inhammen hoorde ik vaak: “Je ziet het nauwelijks als je je haar zo draagt”. En ze hadden allemaal gelijk natuurlijk. Alleen zagen ze allemaal iets over het hoofd. Of eigenlijk twee dingen. Ten eerste waren veel van die minpunten hanteerbaar geworden juist doordát ik ze niet zomaar accepteerde en er heel bewust maatregelen tegen had genomen. Die lange nagels zaten er niet voor niks. Mijn haardracht had ik niet voor niks zo gekozen. En mijn decolleté is mijn handelsmerk geworden (naast mijn supermooie benen!) omdat het zo mooi de aandacht afleidt. Ten tweede had ik niet slechts één van die minpunten als vrouw, maar ik had ze allemaal. Een optelsom die mensen die me zien soms sneller naar de conclusie ‘man’ leidt, dan me lief is.

Dat laatste heeft een serieus gevolg. Een gevolg waarmee ik de kennis met wie ik gisteren sprak definitief kon laten inzien dat de zorgen over mijn uiterlijk geen ijdelheid zijn. Geen symptoom van gebrek aan zelfacceptatie. Ik zei haar: “Als je een aantal keer heel dreigend bent uitgescholden voor vieze travestiet dan leer je dat je uiterlijk niet alleen belangrijk is voor zelfacceptatie maar ook voor lijfsbehoud”. Het bleef even stil. Het moest even tot haar doordringen wat ik had gezegd. Toen zei ze: “Gatver. Wat moeilijk”. Inderdaad. Moeilijk. Dat is het. En toch doe ik het. Maar mag ik dan af en toe even klagen?

Vandaag moest ik aan dit gesprek denken. En meer specifiek: aan de woorden ‘vieze travestiet’. Ik hoor ze steeds minder vaak. Een teken dat al mijn inspanningen om er zo vrouwelijk mogelijk uit te zien niet vruchteloos blijven. Maar vandaag was ik in een situatie waarin ik de associatie van een man in vrouwenkleren zelf opzocht. Vandaag ging ik naar een herentoilet.

Tijdens de pauze van een uitvoering van Bizet’s Carmen had ik mijn gasten van Vier het Leven goed verzorgd. Ik had ze aan de arm naar de foyer begeleid. Drankjes geregeld. Koekje er bij. Vervolgens was er even ruimte waarin ik voor mezelf kon zorgen. Ik moest plassen. Ik liep naar de toiletten en zag een joekel van een rij bij de damestoiletten. En aangezien ik al weer tijdig zou moeten beginnen om mijn wat minder mobiele gasten op tijd weer in de zaal te krijgen voor het tweede deel van de opera, leek het me een onhaalbare kaart op mijn beurt te wachten bij het vrouwentoilet. Op dat moment klapte de deur naast me open. Een man stapte uit het herentoilet. Ik keek hem aan en dacht: zal ik? Het was het meest praktische om te doen. Ik voelde een kriebel in mijn buik opkomen. De kriebel van de voorpret wanneer je op het punt staat iets te doen dat eigenlijk niet mag. Ondeugend zijn is spannend. Ik waagde het er op en stapte vastbesloten het herentoilet binnen. De aan de urinoirs staande mannen reageerden niet. Ze zagen me niet; volledig in beslag genomen door hun ontspannende blaasledigingen. De zit-wc’s waren allemaal bezet. Dus ik bleef wachten. Midden in het herentoilet, met links en rechts van me plassende mannen. Ik wiebelde wat op mijn voeten en voelde een enorme grijns op mijn mond. Ik was vrolijk omdat ik iets deed wat niet mocht. Een vrouw op het herentoilet, een schande! Ik hoorde water spoelen, een slot openklikken en een van de deuren voor me zwaaide open. Een man stapte naar buiten en keek me wat verbaasd aan. Hij zei niks en liep naar buiten (zonder zijn handen te wassen, jakkie! Laat zijn moeder het maar niet horen). Ik stapte de wc binnen en deed waar ik voor kwam. In de beslotenheid van mijn wc-hokje gaf ik mijn grijns de vrije hand en ik hoorde mezelf zachtjes giechelen.

Toen ik de wc verliet stonden er nog steeds mannen links en rechts bij de urinoirs. Vast niet dezelfde als toen ik binnenkwam, want de roulatiegraad was hoog viel me op. Terwijl ik richting de wastafel liep om mijn handen te wassen kwam er weer een nieuwe plasgast de toiletruimte binnen. Hij zag mij en met een spontaan en lachend “wow” maakte hij me duidelijk dat hij me als een vrouw in een mannentoilet zag. “Ja, ik had geen zin om zo lang te wachten bij de damestoiletten”, zei ik alsof het heel normaal was wat ik deed. Hij lachte begripvol. Hij zag een ondeugende vrouw in het herentoilet. Geen man in vrouwenkleren, geen vieze travestiet die ging plassen in de toilet-categorie die hem biologisch gezien was toebedeeld. Terwijl ik hier als getolereerde indringer stond, realiseerde ik me hoe snel het herentoilet uit mijn leven was verdwenen. Zo snel dat ik me verbaasde dat het nu al ondeugend voelde om hier te zijn. Ik ben een vrouw. Een vrouw die haar best doet om er zo vrouwelijk mogelijk uit te zien. Ik keek naar mezelf in de spiegel en ik zag dat mijn grijns nog steeds op mijn gezicht stond. Even later zwaaide ik trots de deur van de toiletruimte open en liep weer in de richting van mijn gasten in de foyer. Mijn gasten die ik niks vertelde van mijn kleine, vrolijk stemmende, avontuur.

vrijdag 20 maart 2015

Cocon

Mijn hoofd duizelt. Ik ben gedesoriënteerd. Er is een vaag besef dat mijn lichaam op een matras ligt met dekens er overheen. Maar net als ik denk dat waar te nemen, zweeft mijn lichaam weer. Ik hoor geluid. Het is dof. Het doet me denken aan die keren, vroeger als kind, dat ik onder water zwom in het zwembad bij mij in de stad. Onder water hoorde ik de doffe, afgevlakte echo’s van het leven in de droge wereld boven mij, terwijl ik me omgeven voelde door de leegte van het stilstaande water. Mijn blik is vertroebeld. Ik kijk door een aangeslagen mistig vlies en probeer te zien wat daar achter is. Ik zie schimmen. Omtrekken van personen die ik ken. Ik herken hun silhouet, hun bewegingen. Zelfs het doffe geluid meen ik nu te kunnen herleiden tot hun stemgeluid, hoewel ik niets kan verstaan. Ik trek mijn ogen tot spleetjes om scherper te kunnen zien. Ik zie mijn vader. Hij staat veraf, maar omdat hij wat geïsoleerd staat valt hij me direct op. Ik zie mijn moeder die wegloopt bij een jong kind. Een kind dat ik niet herken, maar waarvan ik me voorstel dat ik het zelf ben. Vlakbij mij staat S. Hij staat stil. Hij kijkt dezelfde kant op als ik; ik kijk tegen zijn rug aan. Als hij zijn arm naar achteren zou uitsteken dan raakt hij het vage vlies aan dat ons van elkaar scheidt. Maar hij houdt zijn armen over elkaar. Rechts van hem zie ik M. Ze drentelt onrustig heen en weer tussen het vlies en iets of iemand een stuk verderop. Ik wil dat ze blijft staan. Ik wil dat ze haar nagels, desnoods haar tanden, in het vlies zet en het openscheurt. Ik wil dat ze me vastpakt. Ik roep naar haar. Ze hoort het niet. Ik roep nog een keer. En nog een keer. Mijn stem stikt in het water. Het water dat overal om me heen is. Ik besef me dat ik alleen ben. Verstopt achter dit vlies. Het water waarin ik ronddrijf vertraagt mijn bewegingen, belemmert mijn zicht en verminkt alle geluiden.

Mijn ogen gaan open. Het eerste wat ik me besef is dat ik niet mag bewegen. Ik lig op mijn rug in bed in precies dezelfde positie als ik gisterenavond ging liggen. Mijn eergisteren getransplanteerde stoppeltjes mogen vier dagen – en nachten – niet aangeraakt worden. Kennelijk heb ik angstvallig de hele nacht verstijfd in bed gelegen, bang om te bewegen en mijn kostbare investering in een vrouwelijke haarlijn met één draai over mijn hoofdkussen ongedaan te maken. De huid boven mijn voorhoofd schrijnt. Dat gevoel wordt overstemd door de pulserende stijfheid van mijn bovenlip. Ik voel met mijn vingers onder mijn neus. Mijn bovenlip is heel dik en zit vol met opgedroogde korreltjes wondvocht. Resultaat van de elektrische epilatiebehandeling van gisteren. Ik heb geen spiegel nodig om te weten dat ik er niet uit zie. Bovenaan mijn voorhoofd zit een woud aan rode korstjes, duizend in totaal, waarvan ik weet dat het over een paar maanden haren zullen zijn die mijn inhammen verder zullen bedekken. Maar vooralsnog is het een echo van een bloedbad. Mijn bovenlip is gezwollen en bedekt met opgedroogd pus dat – als ik het er af zou vegen – zeer waarschijnlijk langzaam weer aangevuld zal worden met vers wondvocht. Ik zie er niet uit. Ik verdien geen betere plek dan de cocon uit mijn droom: afgesloten van de buitenwereld. Beschermd door het troebele vlies en het dode water. Terwijl deze pijnlijke gedachte opkomt, realiseer ik me dat ik er al ben. Ik zit al in die cocon. Ik leef al een afgescheiden leven, ploeterend om de vrouw te worden die ik wil zijn. Ik leef afgescheiden van mijn levenslust, afgescheiden van mezelf. En afgescheiden van mijn dierbaren. Ik mis ze. Ik mis de hand van mijn vader op mijn schouder. Ik mis de aai over mijn bol van mijn moeder. Ik mis de knuffel van S., in de totale overgave van een kind. En ik mis de liefde van M. Liefste, waar ben je nou? Wil je me weer even aan het lachen maken?

woensdag 18 maart 2015

Boe!

De verdoving is plaatselijk, dus daar kan het niet aan liggen. Toch voel ik me suf en sloom, bijna in trance. Misschien komt het door het monotone gepiep van de boor en het geklik van de teller waarmee bijgehouden wordt hoeveel grafts (te transplanteren haren) er uit mijn achterhoofd gehaald zijn. In de roes van de totale overgave hoor ik de stem van de plastisch chirurg haast niet als die aan me vraagt of ik nog pijn voel. Nee, pijn voel ik niet. De verdoving is voldoende. Trouwens, het met naaldjes toedienen daarvan eerder deze ochtend was vergeleken met de pijn van de baardepilatiebehandelingen een peulenschil. Sinds die baardepilatie is mijn definitie van pijn geloof ik behoorlijk aangepast.

Vorig jaar halveerde de chirurg mijn inhammen, nu zal ze ze eindelijk helemaal laten verdwijnen. Dat kon niet in één keer, want de tweeduizend grafts die daarvoor nodig waren, konden niet van mijn achterhoofd geoogst worden zonder de hele boel kort te scheren. En dat wilde ik als ontluikende vrouw natuurlijk niet. Dus bleef het beperkt tot een rechthoek van duizend haren die nog net min of meer bedekt kon worden met de bovenste plukken ongeschoren haar. Met de negen maanden hersteltijd voor het donorgebied werd mijn geduld ernstig op de proef gesteld. Maar nu is dan eindelijk mijn tweede haartransplantatie aan de gang.

In de meditatieve trance die de behandeling bij me oproept, gaan mijn gedachten alle kanten op; als een onrustige bij die van bloem naar bloem gaat op zoek naar nectar. De tijdloosheid van deze heerlijke flow wordt ineens onderbroken doordat mijn gedachten samenhangender beginnen te worden. Ik zie M. naast me. Ze heeft mijn hand vast. Ik voel haar warmte en haar liefde via mijn arm mijn hart in stromen. We zijn terug in de tijd, bij de haartransplantatie van vorig jaar, toen ze bij me was in deze zelfde ruimte. Ik zie het schilderij voor me dat M. zelf gemaakt had en me bij die gelegenheid cadeau had gegeven. Ik zie hoe M. en ik in Israël zijn, twee weken later. Ik zie M. op het strand. Ik zie M. in Jerusalem. Ik zie M. naast me. Met een diepe zucht word ik me weer bewust van de realiteit van de boor waarmee de chirurg in mijn totaal gevoelloze achterhoofd haartjes uitboort. In mijn trance zag ik zojuist M. naast me. Maar nu realiseer ik me weer dat ze er niet is. Het lukt me nog maar net om mijn tranen binnen te houden.

Uren later loop ik van de haartransplantatiekliniek naar mijn fiets, die even verderop geparkeerd staat. Tien meter verderop loopt een man. Hij loopt in mijn richting en roept: “Mevrouw, mag ik u iets vragen?”. Ik loop ter bevestiging zijn kant op en hij vraagt naar de route naar zijn bestemming. Ik kijk hem aan en zie zijn gezichtsuitdrukking langzaam een aarzeling aannemen. Hij kijkt me op zijn hoede aan en terwijl ik begin te praten zie ik hoe hij me steeds nadrukkelijk aanstaart en een verschrikte grimas trekt. Hij is zo vol van zijn afgrijzen dat hij mijn uitleg niet echt hoort. Ik herhaal het en verschrikt stamelt hij een dankjewel en snel loopt hij door. Ik begrijp zijn reactie. Ik weet wat hij zag. Van een afstandje zag hij gewoon een vrouw. Van dichtbij zag hij een vrouw met een bebloed voorhoofd, met een driedagenbaard (morgen weer een baardepilatiebehandeling) en met een donkere stem (wanneer gaat die hardnekkige verkoudheid nou eens over?). Boe! Boe! Boehhh!! Is me dat schrikken!

maandag 16 maart 2015

Smijten

Joelende kinderstemmen stijgen op vanaf het schoolplein tegenover mijn huis. Speelkwartier. Ik lig nog in bed. Ik ben doodmoe. Het afgelopen weekend nam ik elke dag een voorschot op de energie van de dag erna. Ik moest wel. Maar dat betekende wel dat ik geen energie meer over zou hebben voor vandaag. Toch voel ik me er nu goed bij. Het was het waard. Dit weekend stond ik drie dagen achter elkaar in het theater. Ik mocht Charlotte vertolken in een intense, gekke, ontregelende en dynamische voorstelling die ik met mijn theatervrienden had gemaakt. Onze inspiratiebron was Ionesco’s absurdistische Rhinoceros.

Bij mijn vorige theateroptreden stierf ik bijna van de verlammende onzekerheid en angst om mezelf als vrouw voor een volle zaal in de schijnwerpers te zetten. Ook deze keer had ik er erg tegen op gezien. Tijdens het repetitieproces had ik me regelmatig gefrustreerd over het feit dat mijn lijf, als ik – zoals nodig is om goed te kunnen acteren – alle zelfcontrole losliet en op mijn impuls vertrouwde, te vaak mannelijke motoriek tevoorschijn toverde. De groef van een paar decennia leven als man liet zich niet overmeesteren door het nog ondiepe spoortje van een paar jaar grotendeels parttime leven als vrouw. Als ik als vrouw wilde spelen, moest ik mezelf begrenzen. Ik moest mezelf wegsturen van de mannelijke gewoonte; net zoals ik dat de afgelopen jaren in het dagelijkse leven had gedaan. En net zoals me dat in het dagelijkse leven spontaniteit kostte, kostte het me nu inleving en de naturelle speelstijl die ik als man altijd had.

Gelukkig hadden al die uren repetitie én de ervaring dat ik ondanks de verlamming de vorige keer in het theater toch een voor het publiek goede performance had neergezet me geholpen om nu wat meer te ontspannen. De podiumstress die ik dit weekend voelde ging niet over mijn vrouw-zijn. Ik ben een vrouw, op mijn manier. Ik ben geloofwaardig op het podium als vrouw. Het hielp ook erg dat ik een goede peptalk van de regisseur had gekregen. In onvervalst Vlaams riep ze me op om me ‘er volledig in te smijten’. Ik ben een vrouw met een mannelijke historie die nog te zien is. So be it! Ik sta in het theater en ik speel Charlotte. Ik maak van Charlotte een geloofwaardige vrouw van vlees en bloed. Dat kan ik. Natuurlijk kan ik dat. Ik heb tenslotte de afgelopen jaren ook van Lisa een geloofwaardige vrouw van vlees en bloed gemaakt! Het enige verschil is dat ik voor Charlotte iets minder tijd heb gehad…

Maar die peptalk maakte niet dat ik zorgeloos speelde. Ik begrensde mezelf in mijn bewegingen om te voorkomen dat ze te mannelijk zouden worden als ik blind mijn impulsen zou volgen. Dat ging ten koste van mijn overgave, maar ik had van de regisseur inmiddels het vertrouwen gekregen dat de schade aan de kwaliteit van mijn spel daardoor beperkt bleef. Mijn zorg ging uit naar de inhammen op mijn hoofd. Mijn haarlijn was, ondanks de haartransplantatie van vorig jaar, nog steeds niet vrouwelijk te noemen. Mijn licht neurotische neiging om die paar sliertjes haar aan de voorkant steeds weer over de inhammen te draperen, kon ik in dit stuk niet volhouden. Ik zou zoveel intens fysiek spel moeten spelen, dat er geen redden aan zou zijn: mijn inhammen zouden zich in al hun naaktheid aan het publiek gaan tonen. Ik pepte mezelf op met de gedachte dat dit voor het laatst zo zou zijn, want aanstaande woensdag zal ik mijn tweede haartransplantatie krijgen. Eindelijk!

Het ergste vond ik om mijn stem de vrije loop te laten. Emoties voluit laten doorklinken, mijn tekst ‘projecteren’ zodat het ook achter in de zaal te horen zou zijn, mijn intonatie in de eerste plaats laten bepalen door de inhoudelijke intenties van mijn personage en dan ook nog vrouwelijk willen klinken? Kansloos. Zeker met die nare verkoudheid die ik al weken had. Tijdens de voorstellingen moest ik wel honderd keer mezelf kalmeren telkens als ik mijn eigen stem bewust hoorde en me daardoor onzeker ging voelen: ‘Laat los, Charlotte. Laat los, Lisa. Het is goed zo. Je bent een vrouw’. Zo redde ik het. Maar na elke voorstelling werd mijn stem rauwer en donkerder, vanwege de geforceerde overbelasting. Grrrr! Gelukkig mag ik binnenkort starten met logopedie. Vorige week kreeg ik van de KNO-arts die verbonden is aan het genderteam van de VU een doorverwijzing. Weer een stapje dichterbij de vrouwelijkheid die ik nastreef. Het begin van weer een nieuw traject om mijn vrouwelijke zelf op mijn mannelijke biologie te veroveren.

Haartransplantaties, baardepilaties, hormoonbehandelingen, logopedie. Alleen al de fysieke kant van een gendertransitie is hard werken. Om over het mentaal-emotionele stuk nog maar te zwijgen. De enige manier om dit vol te kunnen houden is om mezelf, in de woorden van de regisseur van onze voorstelling, ‘er volledig in te smijten’. Het is een dunne lijn tussen het theater en het echte leven. Of zoals Shakespeare het ooit zei: “Life’s a stage”.

illustratie: Eva Staal

donderdag 12 maart 2015

Aan het logeren

Je kent het wel. Je komt al jaren regelmatig bij die ene vriendin over de vloer. Kopje thee op de bank, samen een hapje eten, wijntje in de tuin. Je voelt je er zo thuis, dat je zonder nadenken de vaatwasser uitruimt, meehelpt met koken of zelf je thee zet. En dan komt ineens het moment dat je voor het eerst blijft slapen. Bijvoorbeeld omdat een aannemer jouw badkamer aan het verbouwen is. Of omdat je huis is afgebrand. Voor je het weet sta je dan ineens in de badkamer van je vriendin. Voor je het weet zie je voor het eerst het ochtendlicht door de gordijnen van haar logeerkamer schijnen. Voor je het weet, ziet je vriendin je voor het eerst in je ochtendkloffie. Geen probleem natuurlijk, maar het voelt toch een beetje ongemakkelijk. Je voelt je een beetje een vreemde in een huis waarvan je dacht dat het je vertrouwd was. Ineens blijk je niet te weten waar de schone handdoeken liggen. Ineens blijk je allerlei nachtelijke geluiden niet te kennen. Was dat de krantenjongen? Of toch een inbreker? Zo voel ik me op dit moment. Mijn huis is niet afgebrand. En er is geen aannemer bezig in mijn badkamer. Ik heb een hormoonbehandeling. Een hormoonbehandeling die me heel geleidelijk naar onbekend terrein heeft geloodst.

Om te beginnen is mijn smaak veranderd. Tien jaar geleden besloot ik dat ik minder zoetigheid, koolhydraten en vlees wilde eten ten faveure van extra groente. Het leverde me langzaam maar zeker een gewichtsverlies van bijna vijftien kilo en een superslank lijntje op. Niet dat ik nooit meer snoepte, maar de dagelijkse boterhammen met hagelslag verdwenen uit mijn eetgewoonte. De laatste jaren deed ik wel meer dan een half jaar met een pak hagelslag. Maar dat is voorbij. De laatste weken eet ik zoveel zoetigheid, vlees en koolhydraten dat ik bang ben die vijftien kilo er in een half jaar weer aan te eten. Mijn eetgewoonte is veranderd in iets dat me niet onbekend is, maar toch niet als eigen voelt. Het is onbedwingbaar. Ik wil zoetigheid. Ik wil koolhydraten. Ik wil vlees! En groente? Ach, nee, niet zo’n zin in. Hoort deze nutriënte regressie ook bij de transitie? En wanneer gaat dit over? Ik wil niet mijn taille verpesten. Je zou denken dat al die overtollige voedingsstoffen helpen bij het vervrouwelijken van mijn lichaam, maar vooralsnog komen die vetreserves gewoon nog op mijn buik terecht, waar ze altijd al terecht kwamen. Tegen mijn buik schreeuwen dat dat vet naar mijn billen en borsten moet, helpt niet. Geloof me, ik heb het geprobeerd.

Daarnaast voelt mijn lichaam vreemd aan. Want ondanks dat mijn buik teveel vetopslag voor zijn rekening neemt, is er toch echt al sprake van enige borstgroei. Ook mijn dijen beginnen ietsjes uit te dijen (aha, daar komt dat woord vandaan!). Mijn lijf past niet meer in een hokje. Het is overduidelijk niet meer het goed gevormde mannenlichaam dat ik na drie decennia eindelijk was gaan tolereren als mijn stoffelijke manifestatie hier op aarde. Het was dan wel niet het lijf dat ik wilde, maar het zag er wel goed uit. Daar is nu niks meer van over. Dankzij verlies van spiermassa is de mannelijke vorm behoorlijk vervaagd. Maar dat maakt het nog geen vrouwelijk lichaam. Mijn borsten zijn gegroeid, maar lijken nu al tijden aarzelend rond een soort groeiplafond te schommelen, waardoor het niet meer is dan een onwennige aanzet tot borsten. En een stuk onder die wannabe-borstjes bungelt gewoon mijn mannelijk geslachtsdeel; mijn spiegelbeeld in totale verwarring achterlatend. Hom noch kuit, bijna letterlijk. Ook is mijn lichaamsgeur veranderd. Ik ben anders gaan ruiken. Het ruikt wel lekkerder, maar deze nieuwe geur ervaar ik als iets van buiten mij. Een vreemd aroma dat mijn vertrouwde geur heeft verdreven. Ik voel me niet thuis in dit verwarrende lijf. Ik voel me een vreemde in dit lijf dat op onderdelen toch vertrouwd voelt. Ik ben aan het logeren bij een vriendin terwijl mijn badkamer verbouwd wordt. Ik ben aan het logeren in mijn eigen lichaam.

dinsdag 10 maart 2015

Slaap

Langzaam word ik wakker. Het voelt alsof het midden in de nacht is. Toch zie ik door de kier van het gordijn al een subtiel streepje licht. Het is nog geen half zeven zie ik op de wekker. Ik voel me nog moe en zou graag willen slapen. Terwijl ik me kreunend omdraai en het dekbed over me heen trek, voel ik druk in mijn onderbuik. Mijn blaas. Ik kreun opnieuw terwijl ik het dekbed van me wegsla. Ik dwing me maar om de roep van mijn blaas meteen te volgen omdat ik weet dat als ik die probeer te negeren dat hij dan net zo lang blijft zeuren tot ik echt klaarwakker ben. Gauw plassen, misschien kan ik dan nog doorslapen. IJdele hoop natuurlijk. Op het moment dat ik weer in mijn bed lig, voel ik onrust. Ik draai. Ik woel. Ik houd mijn ogen angstvallig dicht. Maar nee. Ik voel het al: dit wordt hem niet. De wereld buiten is aan het ontwaken en of ik wil of niet: ik moet meedoen.

Ik kijk op de klok. Het is nog steeds geen half zeven en mijn ontwakende brein kan de rekensom snel maken. Vijf uurtjes. Meer was het niet. Vijf uurtjes tussen het moment dat ik in slaap viel en nu. Na een aantal weken waarin ik eindelijk weer eens wat beter sliep, is mijn slaap de laatste dagen weer terug op het beroerde niveau waarmee het mij vorig jaar volkomen uitputte. Soms is het verdriet dat me wakker houdt. Verdriet omdat ik S. al ruim vijf weken niet meer gezien heb en verdriet om M. die ik nog steeds vreselijk mis. Maar vaak is het ook gewoon onrust. Onrust omdat ik me niet op mijn plek voel in mijn leven. Ik heb dan wel na al die decennia frustratie en verlangen nu eindelijk mijn werkelijke gender toegelaten in mijn leven, maar verder lijkt alles onduidelijker dan ooit. Ik ben onzeker over mezelf, onzeker over mijn plek in mijn sociale omgeving, onzeker over wie ik ben als vrouw, onzeker over hoe ik er uit zie, onzeker over mijn stem, onzeker over de medische behandelingen, onzeker over mijn penibele financiële situatie, onzeker over of ik S. ooit nog zal zien en onzeker over of ik ooit nog een intens liefdevolle intieme relatie zal hebben en of die dan met een vrouw of een man zal zijn.

Elke blik die ik in mijn gefantaseerde toekomst werp, is vertroebeld door al die onzekerheid. En als er zich af en toe iets concreets aftekent, dan is dat meestal weinig opbeurend. Om me niet door de angst te laten wegzuigen in depressiviteit probeer ik me te concentreren op het heden. De gedachten niet laten zwerven, maar bezig blijven. Maar daar heb ik eigenlijk geen energie voor. Vorige week deed ik een intakegesprek met iemand die zich door mij wilde laten coachen. Inclusief mijn reistijd naar de coachruimte die ik huur, duurde het alles bij elkaar twee en een half uur. Toen ik thuiskwam ging ik meteen naar bed. Mijn batterijtje was leeg. En het was pas twaalf uur in de middag.

Ik weet niet of het komt door de heftige onzekerheid die aan me vreet, door de intense emoties van het verlies van S. en M. of door de fysieke ontregeling door de hormoonbehandeling. Waarschijnlijk is het deze onontkoombare mix van energieslurpers die mijn leven op dit moment zo klein houdt. Ik moet mijn schaarse energie goed verdelen. Werken is belangrijk voor mijn inkomsten. Sporten is belangrijk voor mijn ontspanning en conditie. Naar vrienden toegaan is belangrijk voor mijn afleiding. Dat alles is al meer dan ik aankan op dit moment. Ook op mijn blog schrijven komt er niet zo vaak meer van.

Het is van de zotte dat ik juist nu hard werk aan de laatste loodjes van een nieuwe theatervoorstelling. Waarom wil ik in hemelsnaam in de periode dat ik doodmoe en totaal onzeker ben in het theater gaan staan? Waarom wil ik als vrouw op een podium gaan staan terwijl ik mezelf niet eens zeker voel over mijn vrouwelijkheid als er géén spotlights op me staan gericht? Tja. Ik had me een half jaar geleden al aan dit project gecommitteerd. Ik had toen nog de naïeve gedachte dat als ik eenmaal fulltime als vrouw zou leven dat ik me dan wel snel beter zou gaan voelen. Dom, dom, dom. Maar ja, zo gaat dat. Onbewust houd je soms jezelf tegen beter weten in voor de gek omdat je anders geen stappen durft te zetten en geen beslissingen durft te nemen. Omdat anders je verlangens voor altijd door je angsten klein gehouden zullen worden. Deze paradoxale constructieve zelfsabotage heb je nodig om buiten je comfortzone te durven gaan.

De opkomende zon is boven de daken van de mij omringende gebouwen heen gekomen. Door het gordijn werpt ze een streep koesterende warmte mijn slaapkamer in. Het licht gloeit en haalt me uit mijn stroom gedachten. Ik sluit mijn ogen en haal adem. De dag is weer begonnen. Ik weet dat ik zo zal opstaan. Maar het liefste zou ik verdwijnen in een lange, diepe, droomloze slaap.

illustratie: Ira hoop koper

woensdag 4 maart 2015

Oh, libido!

Ik lig in bed. Ik voel me heel moe, maar toch kan ik niet slapen. Er zijn geen gedachten die me wakker houden. Het is eigenlijk juist betrekkelijk rustig in mijn denkhoofd. Weinig gedachten. Maar toch is het er niet stil. Ik word me van alles gewaar. Sensaties, verlangens; het is een onduidelijke brij. Even denk ik te begrijpen dat ik verlang naar knuffels, naar iemand om tegenaan te liggen. Maar zodra ik die woorden er probeer op te plakken, verdwijnt de sensatie weer. Om de onrust wat te stelpen leg ik mijn handen op mijn buik en concentreer me op hoe dat voelt. Ik voel hoe mijn handen op en neer bewegen door mijn adem. Op de huid van mijn buik voel ik de lichte wrijving, streling zo je wilt, van mijn door mijn adem bewogen handen. Dat is fijn. Ineens gaan mijn handen zelf bewegen. Ze glijden over mijn buik naar mijn borst en weer terug. Ze glijden over het begin van mijn bovenbenen. Ik kreun zachtjes terwijl ik ontspan. Ik voel een verlangen opkomen. Nee dat verlangen komt niet op, dat was er al de hele tijd. Al dagen, eigenlijk. Maar nu begin ik het te begrijpen. Het verlangen kriebelt in mijn bekkenbodem. Het kriebelt in mijn buik. Het kriebelt in mijn tepels. Het is geen verlangen naar een knuffel. Het is het verlangen naar seks. Ik wil seks. Mijn lijf probeert me dat al de hele tijd te vertellen. Maar ik had dat niet begrepen. Mijn lijf is een nieuwe taal gaan spreken. Geilheid ziet er anders uit zonder testosteron. Dit is het. Ik ben geil.

Mijn handen wrijven over mijn lijf en ik fantaseer. Ik fantaseer hoe ik hier niet alleen ben. Hoe iemand mijn lijf aanraakt. Me streelt. Me kust. Tegen me aan schurkt. Ik probeer te zien wie het is. Het is niet M. Het is zelfs geen vrouw. Ik zie hoe een goed gevormd mannenlijf zich tegen me aan schurkt. Tegen me aan duwt. Me in beweging probeert te krijgen. Ik trek mijn benen op en spreid ze. Ik voel hoe hij zich tussen mijn benen laat glijden. Ik voel zijn handen over mijn tepels glijden. Ze strelen, kietelen, knijpen. Ik ga harder hijgen. Mijn bekkenbodem hunkert. Mijn vagina hunkert. Ik wil je. Ik wil je. Ik wil je! Ik grom een mengeling van genot en van frustratie omdat ik lichtjes uit mijn geile flow ontwaak. Ik wordt me bewust dat ik zelf mijn tepels aan het strelen ben. Dat er geen lekkere man bij me is. Dat ik zelf mijn hand tussen mijn benen laat glijden. Ik wordt me bewust dat daar tussen mijn benen geen vagina zit, maar een piemel. Ik pak hem vast en begin er aan te trekken. Ik hijg harder en harder terwijl ik mijn ogen weer sluit en de man voor me zie die er in werkelijkheid niet is. Ik voel zijn hand tussen mijn benen. Ik voel zijn piemel in mij. Ik voel hem, ik ruik hem. Ik, ik…

Hijgend laat ik mijn handen van mijn lichaam af glijden. De man is weg. Een intense siddering in mijn lijf heeft hem verjaagd. Ik ben alleen in mijn bed. Ik ben voldaan. Bevredigd. Een onrustig, onbekend verlangen hield me wakker. Tot ik zag dat het een oud verlangen was, in een nieuwe gedaante. Mijn libido is getransformeerd. Als een soort verkenner is mijn libido voor me uit gesneld en heeft het zich al helemaal getransformeerd van man naar vrouw. Zo snel dat ik het niet heb zien gebeuren. Nu weet ik hoe mijn libido er uit ziet. Ik kende mijn libido natuurlijk al lang, maar dat was de mannelijke versie. Nu weet ik hoe ik me voel als ik een geile vrouw ben. Een groots gevoel komt over me. Het gevoel dat ik één van de raadselen van het leven heb ontdekt. Ik voel me een pubermeisje dat voor het eerst datgene heeft ervaren waar ze al veel over gehoord en gelezen had, waar ze nieuwsgierig naar verlangde maar wat tot op dat moment een ongrijpbaar mysterie was gebleven. Het wonder van het libido heeft zich geopenbaard. Verwachtingsvol en vol overgave ben ik klaar om dit wonder nog vaak te beleven.

maandag 2 maart 2015

Neus tegen de ruit

Vroeger, toen S. nog klein was, bracht ik hem altijd naar de kinderopvang voordat ik ging werken. Ik speelde daar altijd nog even met hem om de overgang voor hem wat geleidelijker te maken. Meestal maakten we een puzzel, dat vond hij leuk. Maar altijd kwam het moment waarop ik moest vertrekken. In het begin deed ik dat met een brok in mijn keel. Omdat ik zag dat S. ook een brok in zijn keel had. De juf was lief voor hem en ging samen met hem bij het raam staan zodat we nog konden zwaaien. Maar als ik dan omkeek en naar hem zwaaide, zag ik traantjes over zijn gezicht lopen. Met een verdrietige blik drukte hij zijn neus tegen de ruit. Ik voelde me dan altijd een slechte vader. Gelukkig wende het vrij snel, voor ons allebei. Na verloop van tijd konden we gewoon opgewekt afscheid nemen.

Deze herinnering kwam net boven. Ik schrok wakker uit een droom. Ik droomde eng. Ik droomde dat ik naar een ruimte gebracht werd waar allemaal mensen waren die ik niet kende. Die mensen waren niet erg vervelend, maar ik wist niet wie ze waren en ik voelde me er niet veilig. Toch werd ik daar achtergelaten. Toen dat gebeurde, liep ik naar het raam en keek ik naar buiten. Ik keek naar buiten en ik zag S. weglopen. Dat wilde ik niet. S. moest hier blijven, bij mij. Ik voelde een brok in mijn keel en merkte dat traantjes over mijn wangen liepen. Verslagen liet ik mijn voorhoofd tegen de ruit vallen. S. keek om. Hij zwaaide. Kort en afstandelijk. Ik drukte mijn neus tegen de ruit en huilde. Ik voelde me machteloos. S. vertrok. Dat wilde ik niet. Maar er was niks wat ik kon doen. Behalve hopen dat hij me aan het eind van deze nare dag weer zou komen ophalen.