woensdag 18 maart 2015

Boe!

De verdoving is plaatselijk, dus daar kan het niet aan liggen. Toch voel ik me suf en sloom, bijna in trance. Misschien komt het door het monotone gepiep van de boor en het geklik van de teller waarmee bijgehouden wordt hoeveel grafts (te transplanteren haren) er uit mijn achterhoofd gehaald zijn. In de roes van de totale overgave hoor ik de stem van de plastisch chirurg haast niet als die aan me vraagt of ik nog pijn voel. Nee, pijn voel ik niet. De verdoving is voldoende. Trouwens, het met naaldjes toedienen daarvan eerder deze ochtend was vergeleken met de pijn van de baardepilatiebehandelingen een peulenschil. Sinds die baardepilatie is mijn definitie van pijn geloof ik behoorlijk aangepast.

Vorig jaar halveerde de chirurg mijn inhammen, nu zal ze ze eindelijk helemaal laten verdwijnen. Dat kon niet in één keer, want de tweeduizend grafts die daarvoor nodig waren, konden niet van mijn achterhoofd geoogst worden zonder de hele boel kort te scheren. En dat wilde ik als ontluikende vrouw natuurlijk niet. Dus bleef het beperkt tot een rechthoek van duizend haren die nog net min of meer bedekt kon worden met de bovenste plukken ongeschoren haar. Met de negen maanden hersteltijd voor het donorgebied werd mijn geduld ernstig op de proef gesteld. Maar nu is dan eindelijk mijn tweede haartransplantatie aan de gang.

In de meditatieve trance die de behandeling bij me oproept, gaan mijn gedachten alle kanten op; als een onrustige bij die van bloem naar bloem gaat op zoek naar nectar. De tijdloosheid van deze heerlijke flow wordt ineens onderbroken doordat mijn gedachten samenhangender beginnen te worden. Ik zie M. naast me. Ze heeft mijn hand vast. Ik voel haar warmte en haar liefde via mijn arm mijn hart in stromen. We zijn terug in de tijd, bij de haartransplantatie van vorig jaar, toen ze bij me was in deze zelfde ruimte. Ik zie het schilderij voor me dat M. zelf gemaakt had en me bij die gelegenheid cadeau had gegeven. Ik zie hoe M. en ik in Israël zijn, twee weken later. Ik zie M. op het strand. Ik zie M. in Jerusalem. Ik zie M. naast me. Met een diepe zucht word ik me weer bewust van de realiteit van de boor waarmee de chirurg in mijn totaal gevoelloze achterhoofd haartjes uitboort. In mijn trance zag ik zojuist M. naast me. Maar nu realiseer ik me weer dat ze er niet is. Het lukt me nog maar net om mijn tranen binnen te houden.

Uren later loop ik van de haartransplantatiekliniek naar mijn fiets, die even verderop geparkeerd staat. Tien meter verderop loopt een man. Hij loopt in mijn richting en roept: “Mevrouw, mag ik u iets vragen?”. Ik loop ter bevestiging zijn kant op en hij vraagt naar de route naar zijn bestemming. Ik kijk hem aan en zie zijn gezichtsuitdrukking langzaam een aarzeling aannemen. Hij kijkt me op zijn hoede aan en terwijl ik begin te praten zie ik hoe hij me steeds nadrukkelijk aanstaart en een verschrikte grimas trekt. Hij is zo vol van zijn afgrijzen dat hij mijn uitleg niet echt hoort. Ik herhaal het en verschrikt stamelt hij een dankjewel en snel loopt hij door. Ik begrijp zijn reactie. Ik weet wat hij zag. Van een afstandje zag hij gewoon een vrouw. Van dichtbij zag hij een vrouw met een bebloed voorhoofd, met een driedagenbaard (morgen weer een baardepilatiebehandeling) en met een donkere stem (wanneer gaat die hardnekkige verkoudheid nou eens over?). Boe! Boe! Boehhh!! Is me dat schrikken!

Geen opmerkingen:

Een reactie posten