vrijdag 20 maart 2015

Cocon

Mijn hoofd duizelt. Ik ben gedesoriënteerd. Er is een vaag besef dat mijn lichaam op een matras ligt met dekens er overheen. Maar net als ik denk dat waar te nemen, zweeft mijn lichaam weer. Ik hoor geluid. Het is dof. Het doet me denken aan die keren, vroeger als kind, dat ik onder water zwom in het zwembad bij mij in de stad. Onder water hoorde ik de doffe, afgevlakte echo’s van het leven in de droge wereld boven mij, terwijl ik me omgeven voelde door de leegte van het stilstaande water. Mijn blik is vertroebeld. Ik kijk door een aangeslagen mistig vlies en probeer te zien wat daar achter is. Ik zie schimmen. Omtrekken van personen die ik ken. Ik herken hun silhouet, hun bewegingen. Zelfs het doffe geluid meen ik nu te kunnen herleiden tot hun stemgeluid, hoewel ik niets kan verstaan. Ik trek mijn ogen tot spleetjes om scherper te kunnen zien. Ik zie mijn vader. Hij staat veraf, maar omdat hij wat geïsoleerd staat valt hij me direct op. Ik zie mijn moeder die wegloopt bij een jong kind. Een kind dat ik niet herken, maar waarvan ik me voorstel dat ik het zelf ben. Vlakbij mij staat S. Hij staat stil. Hij kijkt dezelfde kant op als ik; ik kijk tegen zijn rug aan. Als hij zijn arm naar achteren zou uitsteken dan raakt hij het vage vlies aan dat ons van elkaar scheidt. Maar hij houdt zijn armen over elkaar. Rechts van hem zie ik M. Ze drentelt onrustig heen en weer tussen het vlies en iets of iemand een stuk verderop. Ik wil dat ze blijft staan. Ik wil dat ze haar nagels, desnoods haar tanden, in het vlies zet en het openscheurt. Ik wil dat ze me vastpakt. Ik roep naar haar. Ze hoort het niet. Ik roep nog een keer. En nog een keer. Mijn stem stikt in het water. Het water dat overal om me heen is. Ik besef me dat ik alleen ben. Verstopt achter dit vlies. Het water waarin ik ronddrijf vertraagt mijn bewegingen, belemmert mijn zicht en verminkt alle geluiden.

Mijn ogen gaan open. Het eerste wat ik me besef is dat ik niet mag bewegen. Ik lig op mijn rug in bed in precies dezelfde positie als ik gisterenavond ging liggen. Mijn eergisteren getransplanteerde stoppeltjes mogen vier dagen – en nachten – niet aangeraakt worden. Kennelijk heb ik angstvallig de hele nacht verstijfd in bed gelegen, bang om te bewegen en mijn kostbare investering in een vrouwelijke haarlijn met één draai over mijn hoofdkussen ongedaan te maken. De huid boven mijn voorhoofd schrijnt. Dat gevoel wordt overstemd door de pulserende stijfheid van mijn bovenlip. Ik voel met mijn vingers onder mijn neus. Mijn bovenlip is heel dik en zit vol met opgedroogde korreltjes wondvocht. Resultaat van de elektrische epilatiebehandeling van gisteren. Ik heb geen spiegel nodig om te weten dat ik er niet uit zie. Bovenaan mijn voorhoofd zit een woud aan rode korstjes, duizend in totaal, waarvan ik weet dat het over een paar maanden haren zullen zijn die mijn inhammen verder zullen bedekken. Maar vooralsnog is het een echo van een bloedbad. Mijn bovenlip is gezwollen en bedekt met opgedroogd pus dat – als ik het er af zou vegen – zeer waarschijnlijk langzaam weer aangevuld zal worden met vers wondvocht. Ik zie er niet uit. Ik verdien geen betere plek dan de cocon uit mijn droom: afgesloten van de buitenwereld. Beschermd door het troebele vlies en het dode water. Terwijl deze pijnlijke gedachte opkomt, realiseer ik me dat ik er al ben. Ik zit al in die cocon. Ik leef al een afgescheiden leven, ploeterend om de vrouw te worden die ik wil zijn. Ik leef afgescheiden van mijn levenslust, afgescheiden van mezelf. En afgescheiden van mijn dierbaren. Ik mis ze. Ik mis de hand van mijn vader op mijn schouder. Ik mis de aai over mijn bol van mijn moeder. Ik mis de knuffel van S., in de totale overgave van een kind. En ik mis de liefde van M. Liefste, waar ben je nou? Wil je me weer even aan het lachen maken?

Geen opmerkingen:

Een reactie posten