maandag 2 maart 2015

Neus tegen de ruit

Vroeger, toen S. nog klein was, bracht ik hem altijd naar de kinderopvang voordat ik ging werken. Ik speelde daar altijd nog even met hem om de overgang voor hem wat geleidelijker te maken. Meestal maakten we een puzzel, dat vond hij leuk. Maar altijd kwam het moment waarop ik moest vertrekken. In het begin deed ik dat met een brok in mijn keel. Omdat ik zag dat S. ook een brok in zijn keel had. De juf was lief voor hem en ging samen met hem bij het raam staan zodat we nog konden zwaaien. Maar als ik dan omkeek en naar hem zwaaide, zag ik traantjes over zijn gezicht lopen. Met een verdrietige blik drukte hij zijn neus tegen de ruit. Ik voelde me dan altijd een slechte vader. Gelukkig wende het vrij snel, voor ons allebei. Na verloop van tijd konden we gewoon opgewekt afscheid nemen.

Deze herinnering kwam net boven. Ik schrok wakker uit een droom. Ik droomde eng. Ik droomde dat ik naar een ruimte gebracht werd waar allemaal mensen waren die ik niet kende. Die mensen waren niet erg vervelend, maar ik wist niet wie ze waren en ik voelde me er niet veilig. Toch werd ik daar achtergelaten. Toen dat gebeurde, liep ik naar het raam en keek ik naar buiten. Ik keek naar buiten en ik zag S. weglopen. Dat wilde ik niet. S. moest hier blijven, bij mij. Ik voelde een brok in mijn keel en merkte dat traantjes over mijn wangen liepen. Verslagen liet ik mijn voorhoofd tegen de ruit vallen. S. keek om. Hij zwaaide. Kort en afstandelijk. Ik drukte mijn neus tegen de ruit en huilde. Ik voelde me machteloos. S. vertrok. Dat wilde ik niet. Maar er was niks wat ik kon doen. Behalve hopen dat hij me aan het eind van deze nare dag weer zou komen ophalen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten