vrijdag 27 maart 2015

Niet alleen

Ik word gewekt door M. Dat doet ze vaak de laatste maanden. Mijn mond is droog. Ik voel dat mijn hele gezicht in een starre frons is bevroren. Ik droomde weer van haar, zoals ik de afgelopen week elke nacht van haar droomde: met intens verdriet. Een verdriet dat groter is dan het verdriet dat we niet meer samen zijn. Hoewel mijn hoofd wel beter weet, laat mijn na├»eve gebroken hart zich soms toch nog heel even sussen met de gedachte dat we misschien ooit, ooit weer samen zullen zijn. Maar in mijn angstige dromen zie ik M. die tegen me zegt dat ze nooit meer met mij samen wil zijn. Ik zie dat ze me heeft losgelaten. Ik voel dat ik voor haar zelfs een vage herinnering ben geworden. Het was heel pijnlijk om te moeten beseffen dat ik geen plekje meer in M.’s leven heb. Maar het gevoel dat ik inmiddels ook geen plekje meer in haar hart heb, jaagt me de laatste week elke nacht uit mijn slaap.

Mijn hand glijdt zoekend naast me over het matras. Uit onwennigheid vind ik hem niet meteen. Maar dat duurt niet lang gelukkig. Daar is hij. Mijn hand voelt zijn zachte huid. Ik leg mijn hand erop. Of beter gezegd: ik grijp zijn huid vast. Ik voel hoe de pluizige huid mijn klampende vingers geruststellen. Daar is hij: Beer. Beer ligt sinds twee dagen bij mij in bed. En Beer is er sindsdien altijd voor me geweest. Ik trek hem naar me toe en omhels hem. Beer is nooit gemaakt voor zulke grote-mensen-lijven als dat van mij, dus hij verdwijnt bijna in mijn greep. Wanneer ik hem stevig tegen me aan druk, merk ik hoe klein hij is. Eigenlijk te klein om mij aan hem vast te klampen. Maar toch troost het me om hem in mijn armen te nemen.

Beer kwam een paar jaar geleden bij wijze van ludiek verjaardagscadeau in mijn leven. Al die tijd heeft hij geduldig liggen wachten, min of meer buiten mijn blikveld. Hij reageerde met een compassievolle blik van “ik wist wel dat je zou komen” toen ik hem deze week in een impuls opzocht en meenam in bed. Stemmen in mijn hoofd maakten aanstalten om mijn actie te veroordelen. Na je veertiende nog met een knuffelbeer in bed liggen is al opvallend, maar na je veertigste? Dat kan echt niet. Maar ik maakte een lange neus naar die gedachte. Door mijn transitie ben ik in twee parallelle universums gaan leven: het universum van de veertiger met een kind, een geschiedenis, een hypotheek en een baan en het universum van het vierjarige meisje dat zich net bewust aan het worden is van de wereld om zich heen en haar plek daarbinnen. Voor dat vierjarige meisje is het helemaal niet gek om een knuffelbeer te hebben. De ontwikkelingspsychologie leert ons dat dat belangrijk kan zijn voor haar gevoel van veiligheid. Het is een belangrijk hulpmiddel om haar eigen emoties tegen te spiegelen of te depersonaliseren. Een bron van onvoorwaardelijke compassie en aandacht. Als dit voor kleine kinderen geldt, waarom zou ik dan, midden in het complexe identiteitsontwikkelingsproces waarin ik nu zit, niet een knuffelbeer mogen hebben? Waarom zou de knuffelbeer dan niet dezelfde bijdrage mogen geven aan mijn huidige groeiproces?

De oordelende, normatieve verantwoordelijke ouder in mij (het super-ego zou Freud zeggen) schudt meewarig het hoofd en geeft zich gewonnen. Het kleine meisje wil een beer. Het kleine meisje heeft een beer. Het meisje in mij kijkt naar Beer, ziet zijn brede liefdevolle glimlach en voelt zich gezien. Ik druk de pluizige oortjes van Beer tegen mijn wang en kruip nog wat dieper onder het dekbed. Heel even voel ik hoe het voelt om niet alleen te zijn.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten