zondag 26 april 2015

Harteloos

Het moest er van komen. Tenminste, ik wilde dat. Het hoefde helemaal niet. Ik had het ook zo kunnen laten. Mijn moeder en ik zagen elkaar twee, hoogstens drie keer per jaar. En tussentijds belde ik haar ook ongeveer zo vaak. Het laatste jaar was die frequentie nog verder afgenomen, sinds ik haar vertelde over mijn wens een vrouw te zijn. Ons laatste contact was september vorig jaar, toen ik haar belde om af te spreken om langs te komen: “Ach, dat hoeft niet”. “Nee, maar ik wil dat. Vind je het leuk als ik even langskom?”. “Nee hoor. Hoeft niet”. Ze onderstreepte haar reactie met de afstandelijke ondertoon die ze altijd al had. Ik ben toen niet gegaan.

Toch vond ik dat ze me een keer als vrouw moest zien. Onlangs wilde ik onaangekondigd langskomen, maar toen bleek ze niet thuis. Ik had die poging gecombineerd met een bezoek aan mijn zus dus ik was niet helemaal voor niks 100 kilometer naar het zuiden gereden. Vandaag zou ik een nieuwe poging wagen. Ik verwachtte er weinig van. Ik verwachtte niet dat we elkaar huilend in de armen zouden vallen. Ik verwachtte niet haar liefde te voelen. Ik verwachtte vrij weinig. Ze had mij al mijn hele leven van zich afgeduwd, en ik haar. Het leek me dan ook onwaarschijnlijk dat we vanaf nu oprecht contact zouden gaan hebben. En dat hoefde voor mij ook niet. Mijn moeder speelde geen rol in mijn leven; niet in praktisch opzicht en – na een behoorlijke lange en heftige innerlijke emotionele strijd – inmiddels ook niet echt meer in emotioneel opzicht. Ik voelde echter nog wel de behoefte om mezelf nu aan haar te tonen. Het was een rudiment van de kinderlijke hunkering naar erkenning. Het verlangen om één keer in mijn leven door mijn moeder gezien te worden in wie ik ben. Of ze me daarna de rug zou toekeren of niet, maakte mij niet uit. Eén keer écht gezien worden. Vandaag wilde ik de gelegenheid creëren. Ik belde op en ik vroeg of ze deze middag thuis zou zijn en of ik kon komen. Kennelijk was ik overtuigend genoeg, want het kon. Al hoorde ik aan haar stem dat ze er totaal geen zin in had. Maar goed, dat mocht ik natuurlijk ook niet verwachten.

Toen ik de lift uit stapte en de galerij van haar flat op liep, zag ik haar al staan. De flat loopt in een halve cirkel, dus je hebt vrij zicht op elkaar. Het beeld was vertrouwd. Ze stond in de deuropening en keek hoe ik dichterbij kwam. Normaal gesproken zou ze blijven staan, totdat ik bij de deur was. Maar nu dook ze ineens naar binnen. De deur stond open, maar zij was onzichtbaar. Toen ik eenmaal binnenstapte, keek ze me misprijzend aan en zei: “Ik ben het er niet mee eens”. Ik zei niets en keek haar zo neutraal mogelijk aan. “Dit klopt niet. Je maakt een foute keuze. Je bent geen vrouw”. “Waarom denk je dat?”, vroeg ik rustig. De kalmte in mijn stem verraste me. Ik had me wel gewapend tegen een afwijzende reactie, maar dat ik me daarbij zo kon beheersen had ik niet gedacht. “Ik heb er vroeger nooit iets van gemerkt”, ging ze verder toen ik mijn jas uittrok. “Dit klopt gewoon niet. Je maakt alles kapot. Je maakt de hele familie kapot. Je denkt helemaal niet aan S. Vind je het gek dat hij ziek is geworden. Dit wordt nog zijn dood”. Vakkundig zette ze haar zilte nagels in deze open wond. ‘Rustig blijven. Adem in, adem uit’, zei ik tegen mezelf en ik gehoorzaamde. Ik keek haar aan. Priemende, fel opengesperde ogen keken terug. Haar lippen waren smal, ik meende haar kaakspieren te kunnen zien trekken. Ze was boos. Pisnijdig. En ze ging verder. “Dat arme joch is doodziek. Allemaal door de stress om jou”. Ik verbeet me. Wat een hypocrisie. Ze had zich nooit echt om haar kleinzoon bekommerd. Meerdere malen ging zijn verjaardag gewoon voorbij zonder een cadeau, een kaartje of een telefoontje van haar. En nu huilde ze krokodillentranen. De verwijten klonken zo me bekend dat het leek alsof ze met mijn ex gesproken had. “Het gaat helemaal niet goed met hem, vertelde I. toen ze deze week belde”. Zie je wel!, dacht ik. Waarom belden ze? Dat hebben ze al jaren niet gedaan. “Hij schaamt zich kapot om jou”, zei ze en haar giftige ogen probeerden me te wurgen. “Daar weet jij helemaal niks van. Het ging aanvankelijk juist best goed. Hij…”, protesteerde ik nog. Maar ze ging door: “En dat allemaal vanwege deze onzin! Je bent geen vrouw! Ik heb er nooit iets van gemerkt. En iedereen zegt dat je het aan het kind al kunt merken!”. “Je hebt het wél gemerkt. Je wist dat er iets niet in de haak was, want je vertelde achter mijn rug om dat je dacht dat ik homo was”, zei ik. “Ja maar toch klopt het niet”. De stortvloed verwijten ging maar door. Telkens als ik zei dat ik begreep dat dit heel moeilijk voor haar was, kalmeerde ze niet maar werd haar furie nog verder opgepookt: “en je ziet er niet uit. Je ziet er helemaal niet als een vrouw uit. En waarom kan je niet gewoon een broek aantrekken?”. “Eh, hordes vrouwen dragen een rokje, hoor”, voerde ik mijn achterhoedegevecht. “Denk je dat ik het leuk vind dat morgen de buren allemaal aan me vragen wie er vandaag langs was gekomen? Denk maar niet dat ik dan wat zeg hoor. En denk ook maar niet dat ik je ooit bij een andere naam ga noemen. Je bent Man-ik. Voor mij heet je gewoon Man-ik”. Ze keek me met een vastbesloten blik aan. “Dat mag”, zei ik nog maar de hogesnelheidstrein denderde door. “De hele familie heeft het er over. Ik schaam me kapot. Ze verklaren me voor gek dat ik dit allemaal toelaat. Je bent altijd een jongen geweest. Hoe verzin je dit? Je kunt toch niet zomaar ineens zeggen dat je een vrouw bent. Je bent een egoïst. Je denkt alleen maar aan jezelf”. Binnen in mij kolkte de tot magma getransformeerde frustratie over een leven lang mezelf aanpassen aan de verwachtingen van mijn omgeving; een leven lang miskend zijn als meisje. Miskend zijn door haar. Het magma wilde naar de oppervlakte dringen. Ik voelde dat iets in mij het ook wilde. Dat iets in mij hier en nu en voor eens en voor altijd mijn moeder tot op de grond wilde afbranden. Wraak nemen op alle pijn die ze mij mijn hele leven gedaan had. En de harteloze aanval van vandaag vergelden. Om vervolgens met een sardonische lach de geschroeide resten van haar vlees te verslinden.

Maar dat deed ik niet. Ik ademde diep in en uit. In en uit. In en uit. Het lukte me om de stuwende kracht van die alles vernietigende uitbarsting te trotseren. Ik hield me in. “Ik heb dit gevoel al mijn hele leven, ook als kind al”, riep ik. Mijn moeder bleef met haar geslepen klauwen steeds opnieuw reepjes bloedend vlees uit mijn huilende ziel scheuren: “Daar heb ik nooit iets van gezien en op school ook niet”. Ik reageerde geprikkeld: “Dan heb je niet goed opgelet want het was voor papa wel duidelijk. Die heeft me regelmatig gecorrigeerd als ik me te meisjesachtig gedroeg”. Ai. Dit was geen handig argument. “Hou je vader erbuiten! Die kan zich niet meer verdedigen! Wat gemeen!”. “Hij hoeft zich ook niet te verdedigen, want ik verwijt hem niks”. Maar ze denderde door. Ze kon zo wel zien dat het niet klopte, ze wist het natuurlijk beter dan alle die stomme psychologen die zijn zelf hartstikke gek en ze had al zo’n moeilijk leven en nu dit ook nog denk je nu echt dat nu al je problemen opgelost zijn het is een schande als je nou spijt krijgt hier in het dorp woont ook zo'n idioot het is toch niet normaal dat je zoveel geld uitgeeft aan je haar en dat je straks misschien wel je huis uit moet omdat je die niet meer kan betalen wat moeten de buren wel niet zus en zo… en de familie dit en dat… en… en…

“Ik ben hier niet gekomen om me door jou uit te laten foeteren. Ik begrijp dat mijn stap moeilijk voor je is. Maar je zou je ook even kunnen afvragen waarom ik deze stap toch zet. Je zou je ook kunnen afvragen hoe dit voor mij al die jaren geweest is”, schreeuwde ik om haar te onderbreken. Ik voelde mijn woede kolken. Mijn lijf trilde van de onderdrukte emotie. Maar ik beheerste me. “Ik wil helemaal niet weten hoe het voor je was want het klopt niet. Je herinneringen kloppen niet. Zo is het allemaal niet gebeurd”. En zo startte de hele tirade opnieuw. Alle verwijten kwamen opnieuw langs, nog heftiger dan de eerste keer. En toen kwam uit het niets het meest harteloze dat ze ooit gezegd heeft: “Wat mij betreft had je je beter kunnen verhangen. Dat was veel beter geweest. Jij bent mijn kind niet”. Een koude tocht gleed langs mijn rug. Ik voelde een kramp in mijn buik terwijl haar laatste woorden in mijn oren nagalmden. Een vieze zurige smaak kwam in mijn mond en ik voelde mijn maag in mijn keel. Ik walgde van haar. Ik walgde van mijn moeder. Dit was de grens. Of eigenlijk was dit het punt waarop ik niet langer kon accepteren dat ze al zo ver over mijn grens heen was gegaan. Ik zei: “Mijn beslissing is heel moeilijk voor iedereen, dat begrijp ik. Maar ik wil dat je stopt met mij zo te behandelen. Ik ben hier nu gekomen om mezelf aan je te laten zien. Maar je bent kennelijk nog steeds niet geïnteresseerd in mij”. Ze keek me kwaad aan. En toen begon het riedeltje opnieuw. “Ja vind je het gek? Wat doe je ons aan? Het klopt gewoon niet…”. Enzovoort. Enzovoort. Ik stond op, pakte mijn tas van de bank, pakte mijn jas van de kapstok en zonder iets te zeggen vertrok ik. Ik trok haar voordeur achter me dicht. De droge klik van het slot klonk als een punt aan het eind van een zin. Een punt achter haar tirade. Een punt achter een fase in mijn leven. Ik wist dat dit de laatste keer zou zijn dat ik deze deurknop in mijn hand zou voelen.

Op het bospad, even buiten het dorp waar mijn moeder woonde, stopte ik de auto. Ik deed het contact uit en haalde mijn voeten van de pedalen. Mijn kaak trilde. Mijn lippen trilden. Mijn ogen knipperden sneller dan een kolibrie met zijn vleugels kon fladderen. Mijn hele lijf trilde. Mijn vuisten omklemden het stuur met zo’n kracht dat mijn knokkels wit waren. Met een zucht liet ik mijn voorhoofd tegen mijn vuisten vallen. De magma die zich tien minuten geleden in mij roerde bleek getransformeerd tot een eindeloze hoeveelheid tranen.

zaterdag 25 april 2015

Ik geloof mijn ogen niet

Met een soepele draai parkeer ik mijn auto in het parkeervak in de straat. Buiten schijnt de zon en mijn gemoed is net zo zonnig als deze lentedag. Ik stap uit, zwaai mijn tas over mijn schouder en sluit de auto. De ingang van het gebouw waar ik zo meteen een afspraak heb ligt een stukje verderop. Een opgewekt ritme van mijn hakjes loodst me langs het gebouw richting de deur. Terwijl ik er langs loop, kijk ik in de ramen van het gebouw. Het is donker daarbinnen, dus ik zie niets anders dan mijn eigen spiegelbeeld. En dat was precies mijn bedoeling. Terwijl ik voorbij loop, check ik of mijn haar het restje van mijn inhammen goed bedekt. Ik check of ik mooi rechtop loop. Ik check of ik sierlijk genoeg loop. In feite check ik of mijn mannelijke historie voldoende naar de achtergrond is gedrukt. Dat is wat ik nu eenmaal doe als ik de kans heb.

Toen ik – jaren geleden – begon om parttime als vrouw te leven, hing ik een spiegeltje op bij mijn voordeur om daar nog even mijn uiterlijk te kunnen controleren. Inmiddels merk ik al niet meer dat ik er werkelijk áltijd in kijk voor ik naar buiten ga. Ik merk dat ik het niet meer merk als ik een keertje wél merk dat ik er in kijk. Als je begrijpt wat ik bedoel.

De aantrekkingskracht van spiegels is voor mij geen stereotype voorkeur. Het is echt niet zo dat ik veel in spiegels ben gaan kijken omdat dat vrouwelijk zou zijn. Een goed uiterlijk is nu eenmaal een belangrijke voorwaarde voor acceptatie als transvrouw. Daar kun je van vinden wat je wilt, maar zo zit de maatschappij nu eenmaal in elkaar. Dus als je jezelf niet teveel wilt isoleren van je omgeving, zal je jezelf enigszins moeten aanpassen aan de verwachtingen van die omgeving. Zo is het nu eenmaal. Dat is ook de reden dat je doorgaans vrij weinig mensen naakt over straat ziet lopen. Ik weet zeker dat er meer mensen zijn die het zouden willen dan die het ook echt doen. Aanpassen is een vorm van respect en een vorm van beschaving. En omdat ik de neiging heb om dingen serieus te nemen heb ik me de afgelopen jaren erg druk over mijn uiterlijk gemaakt, zoals je op dit blog hebt kunnen lezen.

In de spiegel kijken heeft voor mij nog een functie. Een wat ingewikkelde, maar o zo belangrijke functie. Mijn transitie naar vrouw heeft natuurlijk heel veel dingen aan mijn uiterlijk veranderd. Ook ben ik er van binnen door aan het veranderen: mijn identiteit kan zich nu eindelijk in haar volle breedte ontwikkelen. Maar mijn allerdiepste essentie is onveranderd. Ik ben nog steeds ik. Mijn besef van mezelf (mijn spiritueel leraar noemt dat ‘the sense of I’) is onveranderd. Die diepe ik is geslachtsloos en is dus niet in transitie gegaan. Mijn onbewuste gedachten zijn gewend die diepe ik te verbinden en te associëren met de mannelijke identiteit die ik mezelf noodgedwongen had aangemeten. En omdat mijn mannelijke uiterlijk weer een uitvloeisel was van die identiteit, ontstond zo een doorgaande lijn van mijn diepste essentie naar de oppervlakkige werkelijkheid van mijn uiterlijk. Door mijn transitie heb ik die doorgaande lijn doorbroken. Mijn uiterlijk is al het meest veranderd. Mijn identiteit is aan het schuiven, maar loopt daar nog wat op achter. Maar de innerlijke lijn die mijn diepste essentie met de buitenkant verbindt, zwalkt op dit moment nogal. Elke terloopse blik die ik in spiegels of ruiten werp, helpt me die lijn te ijken met de vrouwelijke realiteit. Daarmee train ik me om mezelf als één vrouwelijk geheel te ervaren.

Soms komen de onbewuste gedachten over mijn gender vooral uit het oude mannelijke patroon. Als ik dan in een spiegel of ruit kijk dan wordt ik me die gedachten in één klap bewust. Dan realiseer ik me dat ik geen man ben, maar een vrouw. Mijn mannelijke identiteit gelooft zijn ogen dan niet en raakt vaak in paniek: wat ben ik in hemelsnaam aan het doen? Mijn vrouwelijke identiteit schrikt daar dan weer van wakker. Op andere momenten is het onbewuste besef van mijn gender juist vrouwelijk. Als een blik op mijn spiegelbeeld me daar dan van bewust maakt, dan word ik blij. Soms geloof ik dan mijn ogen niet en sper ik ze open om het allemaal nog eens goed te bekijken. En dan zie ik een vrouw. En dan voel ik me vrouw. En dan ben ik gelukkig.

maandag 20 april 2015

Ja-woord

Mijn schouders zijn opgetrokken. Ik ben gespannen. Ondanks de warmte van de middagzon die op mijn rug schijnt ben ik niet in het hier en nu. Ik ben bij wat er straks allemaal kan gebeuren. Fantasieën over hoe ik afgewezen zal worden, over mijn stress om zo goed mogelijk over te komen en over hoe men schande zal spreken van die man in een jurk tollen over elkaar heen in mijn hoofd. Een windvlaag rukt aan mijn stuur en schudt me letterlijk uit mijn gepieker wakker. Ik corrigeer mijn fiets en trap gestaag door. Tussen mijn armen door kijk ik naar beneden. Ik zie een mooie jurk, wapperend in de wind. Ik zie twee mooie benen, gepimpt met een subtiele dunne huidkleurige panty en gepumpt met twee zachtroze pumps. Ik herinner me de aanblik in de spiegel, zojuist voordat ik vertrok. Ik zie er goed uit. Dankzij L. die me sponsorde om mooie nieuwe kleren te kunnen kopen. Nieuwe kleren voor vandaag. Voor de bruiloft van S. en W.

Ik fiets door het natuurgebied aan de rand van de stad om bij het paviljoen te komen waar S. en W. zullen trouwen en waar we met elkaar zullen feesten. Ik doe nog wat stemoefeningen als laatste redmiddel voor mijn door verkoudheid donkerder geworden stem. En dan ben ik er. Ik parkeer mijn fiets en loop over het grindpad naar het gebouw. Grindpad. Welke tuinarchitect legt nu een grindpad aan bij een locatie waar veel vrouwen komen die feestelijk gekleed zijn? Dat moet een man geweest zijn. Voor zover mijn normen voor elegantie het me toestaan loop ik met mijn gewicht op mijn voorvoet om te voorkomen dat de hakken van mijn pumps tussen het grind wegzakken.

Wanneer ik binnenkom zie ik andere gasten staan, die elkaar overduidelijk al kennen. Het is een geklets van jewelste. Ik voel me overweldigd door de vele mensen, de herrie die ze maken en mijn eigen onzekerheid. Gelukkig heeft mijn leven me ook de nodige flair aangeleerd, dus ik doe net of er niks aan de hand is. Je wilt tenslotte ook niet bleu overkomen. Terwijl ik ogenschijnlijk kalm de ruimte in loop kijk ik wat rond of ik bekenden zie. Tevergeefs. Ik wissel korte blikken uit met mensen die me zien lopen, maar niks beklijft. Vriendelijk knikken lukt me prima, maar ik merk dat ik aarzel om meer contact te maken. Want tja, dan horen ze mijn stem. Toch al niet supervrouwelijk en nu met mijn verkoudheid lijkt hij wel op die van Joe Cocker. Ik merk ineens dat iemand me aanstaart en instinctief kijk ik de goede kant op. Ik zie een vrouw met een open, geïnteresseerde blik naar me kijken. Ze is familie van de bruid, dat zie ik meteen. Alsof me dat geruststelt, stap ik op haar af. Het moest er tenslotte toch een keer van komen. Ik stel me voor en we raken in gesprek. “Ik ben een vriendin van S.”, zeg ik wanneer ze vraagt naar mijn connectie met het bruidspaar. Ik ben verrast omdat ik geen seconde aarzelde over de term. Een vriendin: het klonk even gek als vanzelfsprekend.

Even later komt het bruidspaar aan. Ik geef S. een kus en een knuffel en hij zegt: “Je ziet er prachtig uit, Lisa”. Ik kijk guitig en stamel: “Jij ook hoor” terwijl ik voor de vorm even mijn vingers over zijn stropdas laat glijden. Maar mijn aandacht is niet bij de stropdas, maar bij het innerlijke gejubel dat ik voel opkomen. Even later zie ik aan de andere kant van de zaal de broer van S. staan. We hebben elkaar jaren geleden al eens ontmoet; althans Man-ik en hij. Ik twijfel er niet over of S. hem over mijn stap verteld heeft. Ik stap op hem af. Hij ziet me aankomen, herkent me en zegt: “Hee da’s lang geleden, hoe is het?”. Alsof ik niet intussen een meisje geworden ben. Grappig.

Er zijn nog veel meer mensen aanwezig die van S. over mij gehoord hebben. Zoals een vriend van S. die ineens op me afstapt met de zin: “Jij bent vast Lisa”. Ik voel dat hij oprecht is. Ik voel me niet behandeld als een bezienswaardigheid, maar als een vriendin van S. waar deze betreffende vriend al eens wat over gehoord had. Dat laatste is trouwens wederzijds, dus we raken gezellig in gesprek. Het besef dat ik als transgender dus nog steeds erg herkenbaar ben legt het af tegen het plezier dat ik beleef om deze vriend van S. nu eindelijk eens te ontmoeten.

Na de huwelijksvoltrekking, champagne en taart gaat het feest van start. Inmiddels heb ik al veel mensen gesproken en ik voel me op mijn gemak. Ik ben verbijsterd als opeens een vrouw naar me toe komt met wie ik eerder deze dag al uitgebreid had gesproken: “ik hoor net dat jij vroeger een man was! Wauw!”. Ze had geen seconde getwijfeld aan mijn vrouwelijkheid. Ik voel me geaccepteerd. Ik voel me gezien, niet omdat ik een transgender ben, niet als bezienswaardigheid, maar ik voel me gezien als mens. Wanneer ik naar het toilet ga en de deur achter me sluit, barst ik ineens uit in een klein vreugdedansje. Ik besluit het niet, het gebeurt gewoon. Mijn handen gaan de lucht in, mijn billen wiebelen heen en weer en na een paar seconden stamp ik zelfs met mijn voeten op de grond. Ik kijk in de spiegel en zie mezelf met een gelukzalige blik in mijn ogen. “Je doet het. Je bent hier en het gaat goed!”, fluister ik tegen mezelf. “Yes!!”

Met een grijns op mijn gezicht van heb ik me jou daar kom ik terug van het toilet. De band gaat spelen en ik merk dat mijn lichaam begint te wiegen op de muziek. Eerst mijn billen, maar even later ook mijn schouders; mijn armen zwieren losjes mee. Dat duurt niet lang. Bij het tweede nummer sta ik samen met drie andere pioniers, waaronder de bruid, voluit met mijn armen zwaaiend de dansvloer in te wijden. Ik draai, ik zwier, ik schud en ik wiebel: ik dans. Ik beweeg alsof ik al jarenlang alleen maar op pumps heb gedanst. Alsof dat niet voor het eerst is nu. Ik geef me over aan de muziek en de vreugde in mijn lijf. Natuurlijk kijk ik naar hoe andere vrouwen dansen. Natuurlijk observeer ik mezelf en stuur ik bij als ik te mannelijk ga bewegen. Maar het gaat speels, bijna vanzelf, zonder de strengheid die ik mezelf zo vaak opleg uit angst te falen in mijn vrouwelijkheid. Ik ben nu vooral bezig met genieten.

Wanneer ik in de nacht weer naar huis fiets door het verlaten en pikdonkere natuurgebied voel ik blijdschap. Ik was als vrouw op de bruiloft van S. en W. Mijn eerste bruiloft als vrouw. En het was een succes. In alle opzichten. Ik ben gezien als vrouw, gewaardeerd als mens en gerespecteerd voor mijn keuze. En ik heb gedanst. In mijn supermooie jurk, op mijn supermooie pumps, heb ik vol overgave gedanst. Urenlang. Grootse gevoelens komen over me: triomf, trots, geluk. Alle gevoelens van gelukzaligheid die ik tijdens deze avond heb verzameld, culmineren nu in een grote vurige bal die mijn hart bijna laat klappen. Tranen van geluk lopen over mijn wangen. Vanavond zaten mijn mannelijke biologie en mijn mannelijke conditionering me niet in de weg. Vanavond was ik vrouw. Voluit vrouw. Ik hoor mezelf de stilte van de nacht openscheuren met luide kreten: “Yes, yes!, YES!!!”. Op de dag dat S. en W. elkaar het ja-woord gaven, geef ik mijn ja-woord aan het leven als vrouw.

vrijdag 17 april 2015

Mmmmoemoemoemoe

De zon schijnt en ik fiets. Met een flink gangetje sjees ik over het fietspad langs de weg. Ik neurie. Ik neurie een heel saai liedje in G# majeur. Eigenlijk is de G# de enige noot die in het hele liedje gebruikt wordt. En niet alleen de melodie is saai; de tekst is dat ook. “Mmmmoemoemoemoe”, zing ik, of nee, neurie ik, of nee, nou ja zingen en neuriën is in dit geval bijna hetzelfde. Af en toe gaat mijn mond iets open om de ‘oe’-klank voort te brengen. Strikt genomen is het dan geen neuriën meer, maar om dat nou zingen te noemen. Het is meer een soort zoemen.

Ik ben me heel bewust van hoe dit klinkt. Debiel. Dus zodra ik een fietser dreig in te halen (ik fiets kennelijk zo hard dat ikzelf vrijwel niet ingehaald word) stop ik met zoemen, om na een paar meter tussenruimte mijn lied te vervolgen. Nou ja, lied. Het is geen lied. Het is een oefening voor mijn stem.

Pas geleden had ik mijn eerste gesprek met een logopedist. Zij wilde mij helpen mijn stem vrouwelijker te maken. Tijdens het eerste gesprek zei ze na een minuut of tien: “Wat kom je hier doen? Je praat al zo mooi. Niet te hard, goede melodie, lange klinkers. Ik zou je nu al een zeven geven”. Ik fronste van ongeloof. Okee, het volume, de langere klinkers en de meer zwierige melodie van spreken had ik zelf al uitgedokterd. Maar om nou te zeggen dat mijn stem daardoor zoveel vrouwelijker was geworden… Ik werd vooral aan de telefoon nog iets te vaak met ‘meneer’ aangesproken. Kennelijk compenseert het plaatje veel. Dat zei de logopedist ook: “Je motoriek, je mimiek: alles is al heel vrouwelijk. Dat doet al veel”. Maar ze zag ook mijn frons. “Welk cijfer zou je jezelf geven?”, vroeg ze. Nog voor ze uitgesproken was, klonk “Vier” in mijn hoofd, maar ik durfde dat nu niet meer te zeggen. “Een mager zesje”, loog ik. “Maar ik wil graag een acht. Ik wil graag ontspannen kunnen praten, want nu forceer ik mijn stem. Ik heb vaak last van mijn keel als ik veel gesproken heb”.

Dus dat werd het plan. Ontspannen spreken op een vrouwelijke manier. In mijn geval betekende dat dat ik mijn kaken en keel moest leren ontspannen. Meer focus leren geven richting mijn neus, de klank voor in mijn mond vormen en niet achter in mijn keelholte. En leren om de trilling van mijn borstkas (‘borstresonantie’) uit te schakelen en alleen nog maar mijn hoofd als klankkast te gebruiken. En als ik dan toch bezig was, waarom probeerde ik de basistoon van mijn stem niet wat te verhogen? Naar G#? Sindsdien krijg ik wekelijks begeleiding en nieuwe oefeningen. Waar het monotone liedje er dus een van is.

Sinds dat eerste gesprek is mijn frustratie over mijn stem alleen maar toegenomen. Bewust onbekwaam noemen ze dat. Dat is de meest irritante fase in een ontwikkelingsstap: je bent je meer en meer bewust geworden van hoe het zou moeten, maar je kunt het nog niet op die manier. En trouw oefenen is lastig als je weet dat je dan ook die frustratie flink in de ogen kijkt. Maar ik doe mijn best. Ik oefen thuis op de bank. Ik oefen onder de douche. En op de fiets dus. Mmmmoemoemoemoe…

woensdag 15 april 2015

Kappen

“Wat mag het wezen, mevrouw”, zei de ijscoman met een vriendelijke blik in zijn ogen. “Stel je niet zo aan man…”, hoorde ik een stem in mijn hoofd zeggen, “… we weten alle twee dat het niet zo is”. “Eén bolletje walnotenijs in een kuipje graag”, antwoordde ik vriendelijk. “Alstublieft. U kunt bij mij broer afrekenen, mevrouw”, zei de man terwijl hij naar de man naast de koelvitrine wees. “Ja, ja nu weten we het wel”, vervolgde de stem in mijn hoofd zijn gemopper. Ik rekende af en de stem in mijn hoofd trotseerde nog een “tot ziens, mevrouw”.

Ik liep naar buiten, de zon in. Wat begon met het voornemen om van de lente te genieten, bleek een worsteling. Als eerbetoon aan de zon en Martin Bril had ik besloten dat vandaag een rokjesdag was. Met blote gladgeschoren spierwitte winterbenen onder een fleurig zomerjurkje was ik de straat opgegaan. Maar ik bleek me helemaal niet zwierig of fleurig te voelen. Ik voelde me een man in een jurk. Lomp en lelijk. Mijn bewegingen wilden maar niet vloeiend worden. Het hielp niet erg mee dat ik besloten had om vandaag maar eens platte schoenen aan te doen. Normaal loop ik vrijwel altijd op hakjes en daarvan ga je vanzelf eleganter lopen (ik wel althans; ik zie soms vrouwen het tegendeel bewijzen). Ook lijken mijn voeten kleiner in gehakte schoenen (gezichtsbedrog, ik weet het, maar hé: mijn hele presentatie hangt van gezichtsbedrog aan elkaar; je moet wat als je je mannelijke historie wilt verbergen). Maar vandaag liep ik met de platvoeten van een Hobbit rond; zo voelde het en zo zag het er naar mijn gevoel ook uit. Ik probeerde mijn heupen te wiegen, maar dat lukte haast niet. Met hakjes aan je voeten moest je dat wel doen om niet om te vallen, maar op deze platte maat 42 leek het haast anatomisch onmogelijk. Een olifant in de porseleinkast was er lichtvoetig bij.

Omdat ik naast mijn schoenen niks anders droeg dan mijn ondergoed en een dun jurkje met korte mouwen, voelde ik me kwetsbaar. Mijn mannenlijf was nauwelijks aan het zicht onttrokken. Geen panty om mijn benen de boost te geven die ze verdienden. Geen mouwen om het haar op mijn armen te bedekken. Het was dat ik – om de plotseling door hormoonschommelingen opgekomen acne te verbergen – nog een dikke laag make-up droeg, anders was ik helemaal naakt geweest. Dit was niet de eerste keer dat mijn mannelijkheid zich onaangenaam aan me opdrong, dwars door de vrouwelijke buitenkant heen. Maar het was lang geleden dat het zo heftig was. Ik voelde me vandaag een rariteit en ik wist zeker dat mijn gendertransitie een vergissing was. Een heel, heel slecht idee.

Met de nodige flair aan de buitenkant verborg ik mijn innerlijke twijfels. Terwijl ik met mijn ijsje door de straat richting het park liep, lachte ik vriendelijk naar alle mensen die me aanstaarden. Maar van binnen schreeuwde ik het uit van frustratie. “Ik wil dit niet meer. Kappen nu”, nam de stem in mijn hoofd het woord weer. Ik concentreerde me op mijn motoriek. Schouders ontspannen naar beneden, ellebogen dichtbij mijn lichaam, heupen zo soepel mogelijk wiegend bij elke stap. “Kappen!”, schreeuwde de stem. “Kappen! Je bent een man!” Tot mijn eigen verbazing liep ik ineens rechtsaf. Weg van het park waar ik naar onderweg was. Al snel zag ik mijn voordeur. Ik zag mijn hand de sleutels uit mijn tasje halen en de deur openen. Ik stapte naar binnen. Toen mijn deur achter me in het slot viel, liet ik mijn tas, de sleutels en mezelf op de grond vallen. En ik huilde. Ik huilde van angst dat dit gevoel nooit helemaal zal weggaan. Dat de man in mij altijd door me heen blijft schijnen. Dat hij zich tot aan mijn dood blijft opdringen. En er is niks wat ik daar aan kan doen. Ik heb geen keus. Ik ga verder op mijn pad. Dit is mijn pad. Mijn onverbiddelijke pad.

donderdag 9 april 2015

Vriendschap

“Ik ben blij met jou. Ik ben blij dat jij in mijn leven bent”. Terwijl ik dat zeg, glijdt mijn duim over de hand van L. Onze handen liggen op de tafel van het restaurantje waar we zitten en houden elkaar vast. Er liggen tranen op de drempel van mijn traanbuisjes. Tranen van ontroering. Van het besef hoe bijzonder het is als iemand je niet veroordeelt. Als iemand je steunt, ook als je dingen doet die moeilijk zijn om te omarmen. L. en ik kennen elkaar al 25 jaar en hebben in onze vriendschap al veel meegemaakt samen. Vrijwel die hele periode was ik Man-ik en ik realiseer me hoe fijn het is dat ze nog steeds bij me is nu ik Lisa ben. “Ik ben van plan dat ook voor altijd te blijven”, antwoord L. Haar vingers onderstrepen dat door over de rug mijn hand te strelen. Er glipt een traan over de drempel van mijn traanbuisjes heen en die maakt mijn ogen vochtig. L. vervolgt: “Als ik aan je denk, zie ik je voor me zoals je nu bent”. Dat is teveel van het goede. Zonder terughoudendheid wellen de tranen nu in mijn ogen op. Ik voel een warme gloed vanuit mijn borst door mijn hele lijf gaan. Het scheelt niks of mijn lijf gaat trillen van de ontlading van emotie. Zoals je nu bent. De echo van erkenning klinkt door in mijn hoofd. In mijn hart. Ik voel me intens gelukkig. Ik knijp in L.’s hand om zeker te zijn dat ik niet droom. Of misschien wel om te voorkomen dat ze me ooit nog loslaat.

L. en ik zitten in een restaurant om een heerlijke dag samen af te sluiten. Deze middag hebben we geshopt. Nieuwe kleren gekocht. Dat heb ik al heel lang niet meer gedaan, omdat ik daar simpelweg het geld niet voor heb. Gelukkig kreeg ik de afgelopen anderhalf jaar zo af en toe overgeschoten kleding van vriendinnen (met Y. als hofleverancier) anders had ik mijn nieuwe leven moeten leiden met de schamele verzameling die ik kocht in de eerste aarzelende jaren van mijn zoektocht. Ik heb nu niet ineens een loterij gewonnen (dat zou echt bijzonder zijn, want daar doe ik niet aan mee) en ik heb ook niet ineens een stuwmeer aan energie ontdekt waardoor ik weer fatsoenlijk kan werken om geld te verdienen. Ik heb dus nog steeds geen geld om me nieuwe kleding te kunnen permitteren. Maar L. wel. En L. wilde me heel graag in het nieuw steken voor de bruiloft van vriend S. waar ik volgende week naar toe ga; mijn allereerste bruiloft als vrouw (dresscode: tenue de ville; ik moest toch even Googelen wat dat nu eigenlijk precies inhield voor vrouwen). Na twintig jurken in vier winkels waren we er uit: het werd de allereerste jurk met blazer uit de allereerste winkel. Hoe stereotiep wil je het hebben…

Deze dag met L. en de dag met Y. gisteren doen me realiseren hoe waardevol en bijzonder vriendschappen kunnen zijn. L. en Y. staan naast me in mijn proces. Ook al is het niet makkelijk voor ze. Ze raken ongevraagd hun Man-ik kwijt en krijgen er een Lisa voor terug. Een Lisa die al een paar jaar totaal overweldigd is door de intensiteit van de zoektocht en de transitie. Een Lisa die meer met zichzelf bezig is dan met anderen. Een Lisa die heftige en ook donkere emoties heeft. Die geen energie heeft. Een Lisa die op zoek is naar troost en veiligheid. Ik realiseer me heel goed hoe heftig dat voor een vriend of vriendin moet zijn. Dat besef werd vorige week nog eens versterkt door G. die me in heftige bewoordingen egoïsme verweet en onze vriendschap verbrak. Een vriendschap die ik niet verloor omdat ik een vrouw was geworden, maar omdat dat proces voor haar te heftig was. Precies dezelfde reden waarom mijn lieve S. afstand van me heeft genomen. Precies dezelfde reden waarom M. en ik elkaar niet meer zien. Een gendertransitie kost relaties. Ook met dierbaren die je niet wilt verliezen.

Ik kijk weer naar L., terwijl de tranen in mijn ogen langzaam opdrogen. Onze handen liggen nog steeds in elkaar gevouwen tussen ons in op tafel. Ik voel een kalme stilte in me. In ons. Een stilte die zegt: het is goed zo. Het voelt alsof ik dichtbij het doorgronden van het wonder van onze vriendschap ben. En tegelijk heb ik het idee dat ik er helemaal niks van begrijp. Misschien is dat juist precies wat een echte vriendschap kenmerkt.

woensdag 8 april 2015

Staren

Terwijl ik langs het terras liep voelde ik ogen prikken. Intuïtief keek ik meteen de goede kant op. Daar zat een man die langs het hoofd van zijn vrouw me aankeek. Nou ja, aankeek… aanstaarde is een betere omschrijving. Daar was ik op zich inmiddels wel aan gewend en hoewel ik dat op sommige dagen helemaal niet kon verdragen, maakte ik er vaak ook een spelletje van. Dan keek ik strak terug en degene die als eerste wegkeek, verloor. Dat won ik altijd. Vandaag voelde ik me sterk, dus ook deze man kreeg van mij de strakke blik. Met kalme pas bleef ik doorlopen; mijn blik op hem gericht. Hij bleef ook terugkijken en draaide zijn hoofd gewoon mee. Toen het hoofd van zijn vrouw zijn zicht dreigde te belemmeren ging hij snel verzitten. Maar hij hield vol. Ineens voelde ik me heel ongemakkelijk. Ik voelde me naakt. Niet zo gek, want ik wás ook naakt. Deze man ook. Ik had vandaag een dagje sauna met vriendin Y. en ik liep na een kwartiertje zweten in de Finse blokhut nu uit te dampen in de tuin van het saunacomplex.

De man op het terras bleef me strak aanstaren met ogen die langzaam ietsje groter werden. Zijn toenemende verbazing kreeg zijn hoogtepunt toen zijn mond letterlijk openviel. Ik dacht dat dat alleen in tekenfilms gebeurde, maar nu zag ik dat het ook in het echt kon. Ik begreep natuurlijk wel waar zijn verbazing vandaan kwam. Hij zag een lichaam dat vrouwelijk bewoog, kleine borstjes had, en toch ook duidelijke mannelijke trekken had. Waaronder een piemel. Hij begreep er niks van. Hij was niet de enige die vandaag naar me had gestaard. Schaamteloos loerde iedereen naar mij. Maar de blik van deze man leek ik niet van me af te kunnen schudden, hij leek wel aan me vastgezogen. Mijn ongemakkelijke gevoel werd sterker en sterker. Toen ik de stem van mijn vader in mijn hoofd hoorde zeggen “loop niet zo raar, je bent een jongen” raakte ik in paniek. Snel hield ik mijn handdoek voor mijn kruis alsof ik wilde zeggen: “nee hoor ik ben een meisje, kijk maar naar mijn borstjes”. Ik zuchtte diep en liep door. Mijn blik draaide ik weg. Weg van de man op het terras. Weg van de confrontatie met het besef dat ik een raar en onbegrijpelijk lijf heb op dit moment. Weg van de winnaar van dit spelletje. Voor het eerst verloor ik. Ik keek als eerste weg. Maar ik kon dit even niet meer aan. Ik zocht een klein stil hoekje van de tuin en ging daar zitten. Ik zuchtte en voelde de brok in mijn keel een poging doen om tranen uit mijn hoofd te duwen. Ik slikte de brok en de tranen in.

Gelukkig was Y. altijd in de buurt om me af te leiden. We hebben heerlijk gekletst, ons vol overgave gelaafd aan de prille lentezon en genoten van sauna, zwembad en appeltaart. Dat gaf me de moed om dit moment maar eens te gebruiken om ongegeneerd naar andere mensen te staren. Naar vrouwen welteverstaan. Ik heb vandaag heel veel verschillende vrouwenlijven naakt gezien. Dat gaf me een beter beeld van hoe divers de rondingen zijn. Daardoor werd ik wat gerustgesteld over de ontwikkeling van mijn eigen dijen en billen. En werd nogmaals bevestigd dat ik supermooie benen heb. Ik kreeg zowaar even het gevoel dat het helemaal goed ging komen met mijn vrouwenlijf. En wat mijn borsten betreft: de verbijstering van Y. bij de eerste aanblik en de starende blikken van de andere gasten maakten me ook duidelijk dat mijn borstgroei toch echt substantieel is op dit moment. Het is nog geen half A-tje, qua cup, maar toch: onmiskenbaar borsten. Onmiskenbaar borstweefsel ook, stelde Y. vast toen ze ongevraagd zonder enige aarzeling even mijn linkerborst kneedde om te voelen.

Ondanks de starende blikken en de onzekerheid en emoties die ze bij me opriepen, keek ik terug op een fijne dag toen Y. en ik aan het eind van de avond naar de kleedkamers gingen om ons weer aan te kleden. Ik deed mijn locker open, haalde mijn tas er uit en ritste hem open. Mijn blik viel op mijn twee onderbroeken, mijn push-up billenbroekje, mijn siliconen borstprothesen. Om me heen was het een drukte van jewelste. Gezien het tijdstip niet raar dat de meeste gasten zich ook aan het aankleden waren om weer huiswaarts te kunnen gaan. Maar net zo gek als het voelt om op een druk marktplein jezelf uit te kleden, zo voelde nu de gedachte mezelf aan te moeten kleden. Om de onmiskenbare piemel en de ballen weg te moffelen met een string en een meisjesonderbroekje. Om mijn bh om te doen en de prothesen er vervolgens in te leggen. Terwijl iedereen naar me kijkt. Mijn keel werd droog, mijn ademhaling stokte. Ik voelde mijn hart bonken als een pneumatische hamer. Mijn lijf bevroor. Ik wilde weg. Weg hier. Maar dat kon niet. Dat kon niet.

Het lukte me uiteindelijk om mijn angst in te slikken en te gaan handelen. Verstand op nul en blik op oneindig, zoals dat zo treffend heet. Ik deed wat ik te doen had. Voor mijn gevoel ademde ik pas weer uit toen Y. en ik aangekleed en wel bij de receptie stonden om ons saunadagje af te rekenen. Ik hoorde mezelf nog tegen haar zeggen: “ik doe wel stoer, maar intussen…”. We stapten naar buiten. We waren nog geen twee meter gevorderd op het grindpad naar de parkeerplaats toen ik brak. Tranen liepen over mijn wangen. Y. pakte me vast en zei: “je bent stoer. Je hebt het gedaan. Je bent stoer”. Lief he? Maar ja, stoer? Dit? Het vraagt maar één tussenstap van stoer naar gestoord: stoer, gestoerd, gestoord. Waarom doe ik dit? Waarom ga ik zo’n intense confrontatie aan met mijn rare lijf? Met al die blikken en meningen van anderen? Het antwoord is simpel: omdat ik me mijn vrijheid niet wil laten afnemen. Ik leefde als een vrij man. Ik wil ook leven als een vrije vrouw. Dit hele proces vraagt al zoveel compromissen van me. Niet meer naar de sauna kunnen is er een te veel. Tenminste, zolang ik deze confrontatie nog aan kan. Ik wist niet dat een dagje ontspannen zo heftig kon zijn.