woensdag 15 april 2015

Kappen

“Wat mag het wezen, mevrouw”, zei de ijscoman met een vriendelijke blik in zijn ogen. “Stel je niet zo aan man…”, hoorde ik een stem in mijn hoofd zeggen, “… we weten alle twee dat het niet zo is”. “Eén bolletje walnotenijs in een kuipje graag”, antwoordde ik vriendelijk. “Alstublieft. U kunt bij mij broer afrekenen, mevrouw”, zei de man terwijl hij naar de man naast de koelvitrine wees. “Ja, ja nu weten we het wel”, vervolgde de stem in mijn hoofd zijn gemopper. Ik rekende af en de stem in mijn hoofd trotseerde nog een “tot ziens, mevrouw”.

Ik liep naar buiten, de zon in. Wat begon met het voornemen om van de lente te genieten, bleek een worsteling. Als eerbetoon aan de zon en Martin Bril had ik besloten dat vandaag een rokjesdag was. Met blote gladgeschoren spierwitte winterbenen onder een fleurig zomerjurkje was ik de straat opgegaan. Maar ik bleek me helemaal niet zwierig of fleurig te voelen. Ik voelde me een man in een jurk. Lomp en lelijk. Mijn bewegingen wilden maar niet vloeiend worden. Het hielp niet erg mee dat ik besloten had om vandaag maar eens platte schoenen aan te doen. Normaal loop ik vrijwel altijd op hakjes en daarvan ga je vanzelf eleganter lopen (ik wel althans; ik zie soms vrouwen het tegendeel bewijzen). Ook lijken mijn voeten kleiner in gehakte schoenen (gezichtsbedrog, ik weet het, maar hé: mijn hele presentatie hangt van gezichtsbedrog aan elkaar; je moet wat als je je mannelijke historie wilt verbergen). Maar vandaag liep ik met de platvoeten van een Hobbit rond; zo voelde het en zo zag het er naar mijn gevoel ook uit. Ik probeerde mijn heupen te wiegen, maar dat lukte haast niet. Met hakjes aan je voeten moest je dat wel doen om niet om te vallen, maar op deze platte maat 42 leek het haast anatomisch onmogelijk. Een olifant in de porseleinkast was er lichtvoetig bij.

Omdat ik naast mijn schoenen niks anders droeg dan mijn ondergoed en een dun jurkje met korte mouwen, voelde ik me kwetsbaar. Mijn mannenlijf was nauwelijks aan het zicht onttrokken. Geen panty om mijn benen de boost te geven die ze verdienden. Geen mouwen om het haar op mijn armen te bedekken. Het was dat ik – om de plotseling door hormoonschommelingen opgekomen acne te verbergen – nog een dikke laag make-up droeg, anders was ik helemaal naakt geweest. Dit was niet de eerste keer dat mijn mannelijkheid zich onaangenaam aan me opdrong, dwars door de vrouwelijke buitenkant heen. Maar het was lang geleden dat het zo heftig was. Ik voelde me vandaag een rariteit en ik wist zeker dat mijn gendertransitie een vergissing was. Een heel, heel slecht idee.

Met de nodige flair aan de buitenkant verborg ik mijn innerlijke twijfels. Terwijl ik met mijn ijsje door de straat richting het park liep, lachte ik vriendelijk naar alle mensen die me aanstaarden. Maar van binnen schreeuwde ik het uit van frustratie. “Ik wil dit niet meer. Kappen nu”, nam de stem in mijn hoofd het woord weer. Ik concentreerde me op mijn motoriek. Schouders ontspannen naar beneden, ellebogen dichtbij mijn lichaam, heupen zo soepel mogelijk wiegend bij elke stap. “Kappen!”, schreeuwde de stem. “Kappen! Je bent een man!” Tot mijn eigen verbazing liep ik ineens rechtsaf. Weg van het park waar ik naar onderweg was. Al snel zag ik mijn voordeur. Ik zag mijn hand de sleutels uit mijn tasje halen en de deur openen. Ik stapte naar binnen. Toen mijn deur achter me in het slot viel, liet ik mijn tas, de sleutels en mezelf op de grond vallen. En ik huilde. Ik huilde van angst dat dit gevoel nooit helemaal zal weggaan. Dat de man in mij altijd door me heen blijft schijnen. Dat hij zich tot aan mijn dood blijft opdringen. En er is niks wat ik daar aan kan doen. Ik heb geen keus. Ik ga verder op mijn pad. Dit is mijn pad. Mijn onverbiddelijke pad.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten