zaterdag 30 mei 2015

Oma

Opgetogen geluiden dringen door het openstaande badkamerraampje naar binnen. Kinderen schreeuwen “Oma, oma!” om de aandacht te trekken van hun mater familias. Ik tel zeker wel zes verschillende kinderstemmen en ze lijken van verschillende kanten te komen, met elkaar in competitie om de aandacht en de gunsten van oma. Het gejoel doorbreekt de stilte in dit huisje in dit bungalowpark in Brabant. Terwijl ik me voor de badkamerspiegel sta op te maken, ligt in de kamer naast mij R.’s zoontje een dutje te doen. R. is weg; bezigheden waarvoor ze het hele weekend in het zuiden van het land moest zijn. Ze had mij gevraagd mee te gaan zodat ik voor haar zoontje kon zorgen en zij elkaar tenminste nog bij het slapengaan zouden kunnen zien. Haar zoontje en ik hebben deze dagen veel plezier samen. Dat roept weemoedige gevoelens op en herinneringen aan de tijd dat S. nog een peuter was en de tijd dat M. en haar peuterzoontje bij mij woonden. Hoewel ik het ook met het zoontje van R. soms ingewikkeld vind (wat bedoelt hij nou? Waarom stopt hij nou niet met huilen?) heb ik veel meer rust, liefde en geduld voor hem in petto dan ik destijds kon opbrengen voor S. Schrijnend dat je eigen kind als oefenmateriaal dient opdat je kinderen van anderen beter kunt behandelen. Ik had S. gegund mij destijds te krijgen zoals ik nu ben, maar helaas.

De buiten om aandacht van hun oma schreeuwende kinderen brengen mijn gedachten ook naar de toekomst. Als oma heb je een tweede kans om het vanaf het begin af aan goed te doen. Oma… zal ooit iemand dat tegen mij gaan zeggen? Het vooruitzicht ontroert me en ik voel traantjes opkomen. Ik slik ze maar in; zonde van de net aangebrachte mascara. Ik kijk in de spiegel en zie dat alles er nog piekfijn uit ziet. Ik kan die traantjes sowieso beter bewaren voor als het straks echt mocht gebeuren. Als me dat gegund is. Natuurlijk weet je als ouder niet of je kinderen jou oma (of opa) gaan maken. Dat geldt ook voor mij: misschien wil of krijgt S. wel helemaal geen kinderen. Maar het verdrietige besef dat het nu zelfs niet eens zeker is of ik S. nog wel ooit ga zien, maakt het in mijn geval schrijnender. Misschien krijgt hij prachtige kinderen, maar ga ik die nooit zien en zullen zij mij nooit kennen als oma. O shit, nu komen de tranen alsnog…

maandag 25 mei 2015

Real life

Ooit betekende de term ‘real life’ voor mij ‘alles wat zich buiten social media afspeelt’. Later kwam er een nieuwe betekenis bij: de periode waarin je voor het eerst volledig als vrouw leeft, om jezelf en de VU te bewijzen dat je dit echt wilt. Maar inmiddels heb ik er zelf een derde betekenis aan toegekend: de periode waarin je na een stilteretraite de draad van je leven weer probeert op te pakken. Hoewel de impact van een stilteretraite op mijn leven nog geen splinter is van het kolossale effect van mijn geslachtsverandering, is de overgang van de retraite naar mijn dagelijkse leven ook een betekenisvolle. Na een week in stilte is mijn stressniveau behoorlijk laag. Net als mijn prikkeltolerantie. In vergelijking met de kalmte van de natuur en de stilte en geborgenheid van de retraite is mijn normale leven ontzettend hectisch: volop geluid, informatie, afleiding en verantwoordelijkheden waarvan ik vind dat ik ze moet nemen. En dan is mijn normale leven op dit moment wegens chronisch energiegebrek zelfs nog een slowmotion-variant van wat het ooit was. Terug naar dat normale leven vraagt omschakeling. Liefst zo geleidelijk mogelijk om mijn hele systeem niet meteen weer op tilt te laten slaan.

In de dagen na zo’n retraite komen bij mij ook steevast dezelfde twee vragen op: wat heeft de retraite me gebracht en hoe geef ik dat een plek in mijn dagelijkse leven? Vragen die zich nooit helemaal laten beantwoorden, maar waar nu langzaamaan steeds meer concrete gedachten over komen. Om met de eerste vraag te beginnen: de retraite heeft me dichter bij de man in mezelf gebracht. Bizar om dat te zeggen als kersverse vrouw, maar het is toch waar. De hele week was die man sterk aanwezig in mijn innerlijke beleving en in mijn motoriek. Ik moest vaak ‘vrouw doen’ omdat het even niet vanzelf ging. Door de sfeer van compassie, liefde en oordeelsvrij kijken, lukte het me na een paar dagen van innerlijke frustratie om die man op een dieper niveau te omarmen. Hij mocht er zijn. Die man heeft mij gebracht waar ik ben, die man heeft veel in huis wat nuttig is voor mijn toekomst. Ik ben die man. Naast die vrouw. Ik ben geen vrouw geworden in plaats van de man die ik was, maar ik ben een vrouw naast de man die ik was. Althans van binnen. Door dit idee van binnen volledig de ruimte te geven, voelt het ook ruimer. Completer. Natuurlijk blijft mijn ambitie wel degelijk overeind om aan de buitenkant die man zo goed mogelijk te vervangen door die vrouw. Ik wil als vrouw leven, helemaal, met alles waarvan ik vind dat dat er bij hoort. Maar zonder mezelf en mijn historie te ontkennen. Dit besef had ik al veel eerder gekregen – ik heb er al eerder over geschreven op dit blog – maar zoals dat gaat met diepe inzichten: die mag je telkens verder verdiepen, totdat je de essentie ervan helemaal hebt gezien en gevoeld. De afgelopen week ben ik weer flink dieper gegaan in het besef dat mijn geslachtsverandering aan de buitenkant een transitieproces is en aan de binnenkant juist een proces van integratie. Twee tegenstrijdige bewegingen die elkaar juist ondersteunen. Volgens andere gasten van de retraite was mijn vrouwelijkheid krachtiger en overtuigender geworden aan het eind van de week. Dankzij mijn mannelijkheid.

De tweede vraag is lastiger. Of althans: het gebrekkige antwoord is frustrerender. Hoe geef ik dit alles een plek in mijn dagelijkse leven? Hoe houd ik iets van die rust, compassie en geïntegreerde mannelijkheid/vrouwelijkheid vast in een leven waarin mijn angsten getriggerd worden, er druk op mij gelegd wordt en ik niet de hele dag overal mensen om me heen heb waar ik een knuffel van kan krijgen als ik daar behoefte aan heb? Geen idee. Misschien is het is een kwestie van de herinneringen levend houden en omzetten naar een verlangen: ik wil leven met de kwaliteit van de retraite. En dan met geduld en toewijding dat verlangen stap voor stap realiseren. Mezelf telkens herinneren, telkens bijsturen, telkens uitdagen er mee verder te gaan als de aandacht verslapt is of er angsten zijn om gewoontes om te gooien. In dat opzicht is het vergelijkbaar met de herconditionering die komt kijken bij een geslachtsverandering. Daar ben ik al behoorlijk ver in gekomen, dus dan moet zo’n nieuwe levenshouding toch zeker ook lukken?

woensdag 20 mei 2015

Zeepaard

De zon schijnt op mijn huid. Terwijl ik op het terras van het retraiteterrein geniet van mijn overheerlijke lunch, warmt de zon mijn decolleté op. Mijn shirt heeft een lage hals zodat ik vol trots mijn eerste vrouwelijke welvingen kan tonen aan de buitenwereld. Met mijn siliconen borstprothesen kan ik mijn eigen borstweefsel naar het midden stuwen en dan lijkt het heel wat. Sinds ik dat doe zie ik regelmatig mannen bij me naar binnen staren. Ook P. die tegenover me zit, kijkt. Maar zijn oog valt niet alleen op mijn borsten. “That’s a nice necklace”, zegt hij en hij wijst naar het kleine zilveren zeepaardje om mijn nek. “Yes, it reminds me of a very special person”, zeg ik tegen hem terwijl ik met mijn linkerhand het zeepaardje beetpak. In een flits ben ik terug op Bali; aan de oostkust van het eiland duiken M. en ik samen, tussen het koraal en prachtige vissen. Dat was een van de vele prachtige momenten die ik daar samen met haar beleefde. Ter herinnering gaf ze me deze hanger, die ik sindsdien bijna elke dag heb gedragen.

Ik zie haar voor me, de haren in natte slierten aan haar schouders geplakt. Glinsterende waterdruppels en zandkorrels op haar huid. Ik steek mijn hand uit en laat mijn vingers zachtjes over haar schouder glijden. Ik speel met het zand op haar lichaam. Ze lacht naar me en draait haar lichaam naar me toe. Ik pak met mijn andere hand de hare en langzaam bewegen we onze gezichten naar elkaar toe. Onze lippen raken elkaar heel lichtjes. Langzaam neemt de druk op onze lippen toe en kussen we elkaar. Ik buig mijn hoofd wat, zodat onze lippen langzaam van elkaar komen. Ik voel hoe mijn onderlip lichtjes aan die van haar blijft plakken voordat hij losschiet. Ik druk mijn voorhoofd tegen het hare en we kijken elkaar in de ogen. “Ik hou van jou”, fluister ik. “Ik ook van jou”, antwoordt ze. Ik sluit mijn ogen en geniet minutenlang van het geluk dat me is toebedeeld met M. in mijn leven.

Er dringt een geluid door de roes van gelukzaligheid heen. Ik hoor gehuil. Wanneer ik me op het geluid concentreer merk ik dat ik zelf huil. Ik schrik ervan. In een ruk ben ik weer in het heden. Ik ben weer op het terras; weer in de retraite. En ik huil. Ik huil omdat ik M. mis. Flinke tranen rollen over mijn wangen. Ik voel P. achter me; hij houdt me vast en spreekt troostende woordjes in mijn oor. Troostende woordjes voor een verdriet dat misschien wel nooit meer te stelpen is.

dinsdag 19 mei 2015

You are desirable!

Een stilteretraite als deze maakt innerlijke processen voelbaar waar je in het dagelijkse leven makkelijk aan voorbij gaat. Natuurlijk zijn dat nooit prettige processen; dat is precies de reden dat je hele systeem zo hard werkt om er in het dagelijkse leven aan voorbij te gaan. Mijn processen gaan deze week over mijn mannelijkheid. Ja, je leest het goed: mijn mannelijkheid. Die mannelijkheid heb ik decennialang ruimte gegeven, gecultiveerd zou je kunnen zeggen. Noodgedwongen, dat wel. Uit angst. Puur om te overleven. Die mannelijkheid is deze week heel sterk aanwezig. Ik merk het aan mijn bewegingen, ik merk het aan mijn stem (die ik ondanks de stilteretraite echt nog wel af en toe gebruik). Gelukkig ben ik in een omgeving waarin ruimte is om alles wat zich aandient er gewoon te laten zijn. Ik voel me niet zo heel sterk een ‘man in een jurk’. Ik weet dat ik dat wel gevoeld zou hebben als ik nu met deze energie in mijn normale leven had rondgelopen.

Om de innerlijke processen nog maar wat verder op te porren, besloot ik gisteren een sessie met een SE-therapeut te doen. SE staat voor Somatic Experience en dat is een therapeutische techniek waarbij je diep in je systeem gewortelde overlevingsreacties kunt onderzoeken en verzachten door ze via fysieke ervaring en steun alle ruimte te geven. Belevenissen tijdens dergelijke sessies laten zich niet door aardse wetten beperken en zijn daarom soms surrealistisch. Je doorkruist tijd, plaats en ruimte in een oogwenk zonder er drugs voor te hoeven nemen (niet fronsen dus bij wat ik hierna schrijf; ik heb je gewaarschuwd). Op een bepaald moment tijdens mijn sessie raakte mijn onderste chakra heel sterk geactiveerd. Ik voelde het gloeien tussen mijn testikels en mijn vagina (die energetisch gezien beiden aanwezig zijn; fysiek gezien niet zoals je wel weet inmiddels). Vanuit daar trok de energie eerst mijn vagina in om zich daarna door mijn hele lijf te verplaatsen. De sterke mannelijke energie van de laatste dagen verdween als sneeuw voor de zon, inclusief testikels. Ik voelde me een vrouw, een meisje eigenlijk. Door heel mijn lijf, behalve mijn handen gek genoeg. Mijn handen werden juist steeds mannelijker. Ik herkende die handen. Het waren de handen van mijn vader. Ik voelde de mannelijke kracht van mijn vader in deze handen en ik wilde niets liever dan dat hij mij aan zou raken. De therapeut nodigde uit dat ook te laten gebeuren. Aarzelend bewogen mijn eh.. zijn, eh… de handen over mijn lijf, op zoek naar een plek waar het fijn was. Met een tederheid die extra aandoenlijk was omdat ze voortkwam uit deze krachtige mannenhanden, vonden de vingers mijn kaak. Speels en liefdevol gleden de vingertoppen van wang naar hals en terug, telkens een jubelsprongetje makend over de rand van mijn kaak. Ik vond het heerlijk. Ik voelde me gezien en gekoesterd als vrouw. Alsof de belangrijkste man uit mijn leven hiermee mijn vrouwelijkheid erkende. Ik voelde alle grenzen vervagen en me compleet samensmelten met die mannenenergie. De warmte en siddering van energie deed mijn lijf trillen en tranen stroomden uit mijn ogen. Minutenlang huilde ik met een gelukzalige glimlach op mijn gezicht. Na deze bizarre sessie voelde ik mijn mannenenergie nog veel sterker dan daarvoor. Maar gek genoeg werd mijn vrouwenenergie daar niet door weggedrukt maar juist versterkt. Van binnenuit.
 
’s Avonds bij de bar sprak een van de mannelijke deelnemers me aan. Hij zei: “I can contain it so don’t worry, but I want to say to you that I find you a very desirable woman”. Vrijwel direct gevolgd door een kus op mijn mond. Het was geen kus met bijbedoelingen, dat voelde ik wel. Hij kon zich inderdaad beheersen. Het was een kus om mijn vrouwelijkheid met zijn mannelijkheid te bezegelen. Daarin vielen die mannelijkheid en die vrouwelijkheid samen: een kus van welgemeende liefde. Een geslachtsloze liefde die tegelijk alle geslachten omvat. Ik voelde daardoor mijn eigen mannelijkheid en vrouwelijkheid weer wat dichter tegen elkaar aan schurken; samenvallen haast. Als een soort yin en yang om elkaar heen wentelend in een eindeloze cyclus waarin de ene steeds voortkomt uit de andere. Een speels mengsel van alle mogelijke kwaliteiten. Op de achtergrond hoorde ik een stem in mijn hoofd die zich druk maakte over de toekomst: “Kijk uit met die man in je, straks raak je je vrouwelijkheid nog kwijt. Net nu je als vrouw bent gaan leven”. Maar de toekomst deerde me niet. Ik voelde een diepe scheur in mijn ziel dichtvloeien met mijn liefde voor mezelf. Onwetend en ongeïnteresseerd in de consequenties genoot ik van het moment. Toen ik eindelijk mijn ogen opendeed en diep adem had gehaald voelde ik me krachtiger dan ooit. Een vrouw, die niet op de ijle structuur van een verlangen is gefundeerd, maar op de krachtige basis van het hier en nu. Niet engelachtig en sereen, maar geaard en aanwezig. Dat voelde goed. Goddelijk, mag ik wel zeggen.

Deze ervaring leert me dat ik mijn mannelijke energie niet moet wegwensen als hij zich aan me opdringt. Ik moet deze mannelijke energie toelaten. En dan bedoel ik niet enkel accepteren, maar zelfs zonder reserves volledig omarmen. Misschien moet ik in zulke gevallen Man-ik kussen en tegen hem zeggen: “You are desirable!”.

zondag 17 mei 2015

Raus mit dem Mann!

Omschakelen is lastig. Zeker als je jarenlang gewend bent dingen op een bepaalde manier te doen. De introductie van het tiencijferige telefoonnummer, de euro of wat recenter het IBAN bankrekeningnummer waren veranderingen in vertrouwde systemen die bij veel mensen het nodige gemopper teweegbrachten. Aanpassen is moeilijk, zeker als je die systemen niet zo vaak gebruikt. Kort na de introductie van de euro betaalde ik graag contant, zodat ik er sneller aan zou wennen. Vandaag werd ik geconfronteerd met een systeem dat nog niet omgenummerd was. Een systeem waarvan ik me niet bewust was dat ik dat nog apart moest gaan omnummeren.

De retraite waar ik deze week ben wordt geleid door Isaac Shapiro. Isaac spreekt Engels, dus dat is de voertaal van de retraite. Ook zijn er naast Nederlanders ook veel Duitsers en wat Engelse deelnemers. Nu is het een stilteretraite en veel wordt er dus buiten de satsangs niet gesproken, maar af en toe zijn er toch gesprekken – veelal op fluistertoon maar soms, buiten bereik van de groep, ook op normaal gespreksvolume. Zo wandelde ik deze middag door het prachtige natuurgebied waarin de retraite wordt gehouden. Onderweg kwam ik twee andere retraitegasten tegen en we liepen samen een eindje op. We spraken wat; in het Engels. Ik sprak zo goed mogelijk met mijn aangeleerde vrouwelijke spreekstem als mijn concentratie toeliet en mijn behoefte aan een norm te voldoen nodig achtte. Toen de twee anderen ineens in het Duits iets tegen elkaar zeiden, schakelde ik ook maar over op het Duits. Ik schrok van wat ik hoorde. Het was niet het Duits zelf waar iets mis mee was. Het was de toon. In één klap sprak ik twee tonen lager en alle melodie en lange klinkers die een stem vrouwelijker maken, waren verdwenen. Ik negeerde het, maar toen het gesprek na een paar zinnen weer in het Engels verder ging, veranderde mijn stem meteen weer. Ik spreek regelmatig Engels. Kennelijk was door onbewuste oefening het Engelstalige spraakcentrum in mijn brein al verbonden geraakt met mijn ‘praat-als-een-vrouw’-centrum. Maar Duits had ik al tijden niet meer gesproken. Mijn Duits stamde nog uit de Man-ik periode. Nu is de klank van de Duitse taal intrinsiek wat kortaf – dat is een eigenschap waar de persiflages van Duitse soldaten in de serie ‘Allo Allo’ op drijven – maar dat was toch niet de hele verklaring. De Duitse dames naast me spraken toch echt vrouwelijker Duits dan ik. Mijn Duits was duidelijk nog niet omgenummerd. Nooit geweten dat ik dat dus ook nog bewust zelf moest doen. Raus mit dem Mann!

zaterdag 16 mei 2015

Symbiose en autonomie

In de roes van de overgang tussen slapen en waken open ik mijn ogen. Het ritmische getik van de regen op mijn tent die me in slaap roffelde, is nu verdwenen. Een kiertje zonlicht piept mijn tent in. Ik kreun, rek me uit en draai me op mijn andere zij. Het is duidelijk: mijn middagdutje is voorbij. De zeurende pijn in mijn hoofd van vermoeidheid is nog niet verdwenen, maar toch voel ik me verkwikt. Het middagdutje kon ik wel gebruiken, want mijn eerste nacht in mijn tentje was onrustig. Dat zou aan de nachttemperatuur gelegen kunnen hebben; de aarzelende lente liet het kwik ver buiten de comfortzone vallen. De onrust kon evengoed veroorzaakt zijn door de vele indrukken die ik gisteren opdeed op de aankomstdag van de stilteretraite waar ik deze week aan deelneem. Een weerzien met vele mensen die ik tijdens eerdere retraites had leren kennen. Vol belangstellende vragen omdat ze zagen dat ik stappen had gemaakt; weg van de gender-twijfel waarin ze mij destijds ontmoet hadden. Door hun reactie werd mij duidelijk hoe omvangrijk mijn tussentijdse reis was geweest.

Ik lig op mijn zij en rek me nogmaals uit. Mijn borsten priemen trots naar voren. Voor mijn dutje had ik mijn bh en de prothesen maar aangehouden. De herinnering aan vanochtend lag nog vers in mijn geheugen. Mijn hart bleef toen even stil staan toen ik de gedurende de nacht ijs- en ijskoud geworden siliconenprothesen in mijn bh deed. Brrrrrr…!

Deze retraite brengt me nieuwe ervaringen. Om te beginnen is dit de eerste keer dat ik als vrouw kampeer. Als Man-ik heb ik al heel wat uren in dit tentje doorgebracht, maar nu is het toch wel wennen. Persoonlijke verzorging is een stuk makkelijker voor een man dan voor een vrouw die zich nog moet scheren, haar piemel nog moet wegmoffelen en ijsklompen als borstprothesen gebruikt. Zie dan nog maar eens een beetje patent uit je tent te springen ’s ochtends vroeg. Nog mazzel dat ik geen pruik meer draag. Overigens heb ik het geslaagde experiment van eerder deze week voortgezet: mijn push-up billenbroekje heb ik thuisgelaten.

Maar er zijn nieuwe ervaringen die veel betekenisvoller zijn. En het zijn eigenlijk niet eens helder afgebakende ervaringen, maar een besef dat langzaam begint door te dringen. Tien jaar geleden ontwaakte ik uit de roes van verdringing. Ik werd me weer bewust van mezelf en mijn plek in de wereld. Die realisatie had ik als kind verdrongen omdat de conclusies te pijnlijk waren. Maar drie decennia later gaf het leven me een tweede kans: ik begon mijn bewustzijn te ontwikkelen. Dat bewustzijn had ik als kind in slaap gebracht om te overleven. Tot tien jaar geleden had mijn leven zich afgespeeld in afzondering. Natuurlijk had ik sociale contacten en relaties. Die zagen er op het eerste gezicht prima uit. Maar ik deed niet echt mee. Ik liet mezelf niet zien. Ik was de Man-ik die de wereld wilde zien. Dat wil zeggen: met uitzondering van de momenten dat opgekropte frustratie zich onverbiddelijk een uitweg zocht. Ik kon dan negatief zijn, veeleisend, mopperig en boos. Tien jaar geleden begon de lucht te klaren. Net als het geroffel op mijn tentdoek verstomde ook de donderwolk in mijn leven. Ik opende me en mijn relaties kregen meer diepgang. Sterker nog: ik wilde niets liever dan versmelten met anderen, vooral in mijn liefdesrelaties. Ik voelde me intens gekoesterd wanneer ik complete symbiose ervaarde. In mijn relatie met M. bereikte dit haar hoogtepunt. Nog nooit ben ik met iemand zo intens en allesomvattend samengesmolten geweest als met haar. Een versmelting uit verlangen om eindelijk, na al die jaren, niet meer alleen te zijn. Een symbiose die me echter niet enkel mijn autonomie kostte, maar uiteindelijk ook de relatie. Als een verlangen voortkomt uit de drang iets te vermijden, creëer je juist precies datgene waar je bang voor bent.

Het abrupt losscheuren van de symbiose met M. sleurde me het afgelopen driekwart jaar door heel diep verdriet. Verdriet dat ik alleen maar met mezelf kon delen. Niet omdat er niemand voor me was, maar omdat ik hen nauwelijks toeliet. Uit zelfbescherming was mijn bewustzijn weer ineengeschrompeld. Om mijn vrienden toe te laten had ik me weer voor ze moeten openen, maar als ik dat deed dan voelde ik ook mijn eigen pijn veel sterker. Degenen die me de troost wilden brengen waar ik naar smachtte, brachten me in zekere zin alleen maar meer pijn. Ik was niet alleen M. kwijt; ik kreeg ook de eenzaamheid van mijn jeugd weer terug. Het beschermings­mechanisme dat ik als kind onbewust had gecreëerd, deed het na al die jaren blijkbaar nog prima.

De laatste weken begint er iets te schuiven. Ik ben kalmer. Geduldiger met mijn emoties. Minder geneigd er iets mee te doen. Ze hoeven dan niet weg, ze hoeven dan niet tot uitdrukking gebracht te worden. Ze zijn er dan gewoon. Voor het eerst in een jaar begint mijn vermogen om met andere mensen mee te leven weer toe te nemen in plaats van kleiner te worden. Ik kan me weer ietsje beter met mensen verbinden, zonder dat mijn eigen ontzag oogstende en tranentrekkende levensverhaal daarvoor nodig is. Wanneer ik dan verbinding maak met anderen, voel ik mezelf nog. Of tenminste, ik voel een innerlijke kracht. Een scherm waarop niet alleen die ander afgebeeld wordt, maar ook ikzelf. Mijn hoofd zegt, geheel indachtig de visie van Isaac Shapiro die deze retraite leidt, dat die innerlijke kracht bewustzijn is. Awareness. Ik ken deze staat van zijn goed: in de tijd dat ik M. ontmoette voelde ik me vaak op deze manier aanwezig. Dat maakt me nu onzeker en ik vraag me af: is dit weer de opmaat naar symbiose? Ben ik het bastion Autonomie alleen maar aan het afbreken om mezelf uiteindelijk weer in de kerkers te gooien van het bastion Symbiose? Daar ben ik bang voor omdat de geschiedenis nu eenmaal de hardnekkige neiging heeft zich te herhalen. Er zit niks anders op dan af te wachten op wat komen gaat en te proberen onderweg wat van het uitzicht te genieten.

Ik hoor vogels fluiten. Af en toe tikt een vertraagde regendruppel op mijn tent. De nog natte bomen vervagen de grens tussen regen en zonneschijn. Ik hoor stemmen van andere gasten van de retraite. Ze lopen langs mijn tent. Ik kruip uit mijn slaapzak en kleed me aan. Eens kijken of ik contact met ze kan maken.

donderdag 14 mei 2015

Don't push me

Het proces van mijn transitie is er een van heel veel kleine stapjes. Ik erger me vaak dood aan de traagheid en uitzichtloosheid van dit proces. Aan de andere kant verbaas ik me over hoe snel het soms gaat. Ga maar na: het duurde decennia voordat ik de mogelijkheid van een transitie überhaupt serieus durfde te nemen, daarna duurde het een paar jaar voordat ik besloot dat ik de beslissing al genomen had en de afgelopen maanden heb ik grotere stappen gemaakt dan ooit tevoren. Nou ja, ik maak die stappen niet zelf natuurlijk. Die stappen zetten zichzelf wanneer ik er klaar voor ben. Ik heb gemerkt dat ik niks moet forceren. Als ik eerlijk naar mijn gevoel luister, dan hoor ik wel of ik ergens aan toe ben of niet.

In het begin van mijn zoektocht durfde ik de straat niet op als ik mijn nagels niet had gelakt. Want nagellak was natuurlijk het toonbeeld van vrouwelijkheid. Inmiddels draag ik haast nooit meer nagellak. Ik liep meer dan drie jaar met een pruik op mijn hoofd in de overtuiging dat ik die pruik echt af zou gaan zetten als ik er aan toe was. Maar dat durfde ik natuurlijk niet. Zelfs na mijn eerste haartransplantatie heb ik lang geaarzeld. Inmiddels werkt mijn oude pruik op mijn lachspieren.

Zo roep ik ook al jaren dat ik het push-up broekje dat ik gebruik om mijn billen er vrouwelijk uit te laten zien, niet altijd zal blijven gebruiken. Maar vooralsnog voegt de padding van het broekje echt wat toe; ook met de huidige bescheiden groei van mijn onderkant. En dat zal het waarschijnlijk altijd blijven doen. De kans dat ik door hormonen een mooie volle Creoolse kont krijg is wel zo ongeveer nul. Dus wanneer komt dan het moment dat ik het broekje uit kan laten? Door de ervaring met mijn pruik weet ik dat dat moment niet gemarkeerd zal worden door een gevoel van tevredenheid met het resultaat zonder hulpstukken. Ik ben nog steeds niet tevreden met mijn haar en toch draag ik geen pruik meer. Op een bepaald moment sloeg de balans om. Het ongemak en het neppe gevoel van de pruik was groter geworden dan mijn onzekerheid over mijn uiterlijk zonder pruik. Ik wilde echt zijn, dan maar met dun en wijkend haar. In een opwelling, met een doorslaggevend duwtje in de rug van M., durfde ik het aan om voor één keer zonder pruik er op uit te gaan. Niet lang daarna verdween de pruik in de kast.

Ik voel dat het moment om mijn push-up broekje bij mijn pruik op te bergen dichtbij is. Maar ik aarzel. Ik durf niet. Ik ontleen zekerheid aan dat broekje. Aan die mooie kont die het me geeft. Aan mijn mooie taille die het accentueert. Maar tegelijkertijd wil ik af van al dat nep. Ik wil echt zijn. De blits maken met mijn eigen kont. Als M. nog bij me was geweest had ze me al lang tot een experiment verleid. Want dat is wat ik nodig heb. Een experiment. En dan zien dat het best wel meevalt, zonder push-up broekje.

De intensiteit waarmee deze gedachten over mijn push-up broekje door mijn hoofd gaan terwijl ik onder de douche vandaan stap en me afdroog, maken me duidelijk dat het moment is aangebroken. Vandaag doe ik het experiment. Ik ga naar de slaapkamer en leg demonstratief mijn push-up broekje in de kast. Ik trek mijn onderbroekjes aan en daaroverheen mijn skinny jeans. Dat voelt gek. Normaal bedekt het push-up broekje mijn billen en een klein stukje van mijn bovenbenen. Net zoals ik daarvoor al gewend was van Man-ik’s boxershorts. En nu schuift voor het eerst in decennia de spijkerstof van mijn broek over de blote huid van mijn billen. In de spiegel zie ik dat het best meevalt. Sterker nog: van voren gezien is mijn vrouwelijke vorm best overtuigend. Dankzij mijn supertaille en de eerste effecten van de hormoonbehandeling op mijn dijen. Hoera! Dan draai ik een kwartslag en bekijk mijn billen van opzij. Hmm… da’s een afknapper: mijn skinny jeans hangt er aan de achterkant een beetje bij. Met mijn handen duw ik tegen mijn billen. Okee, het beweegt losjes, duidelijk geen platte mannenbillen meer, maar de mooie ronding die ik daar gewend was is weg. Het moet maar; experiment is experiment. Ik ga naar buiten. Ik fiets en ik loop door de stad. Ik ontmoet een kennis. Ik doe mijn ding. En het gaat goed. Ik voel me niet erg onzeker over mijn kont. Wel herinnert het afzakken van mijn broekrand aan de achterkant me voortdurend aan de leemte bij mijn billen.

Wanneer ik weer thuis kom kijk ik nogmaals in de spiegel. Ik zie dat mijn hempje uit mijn jeans omhoog is gekropen; vermoedelijk door de vrijgekomen speelruimte. Boven mijn broekrand zie ik mijn huid. Ik zie de bovenkant van mijn billen tussen mijn jeans en mijn opgekropen hempje. En midden over die strook bleke huid loopt elegant een strookje zwarte stof. Mijn string. Mijn string piept in een sensuele, lonkende plaagstoot boven mijn skinny jeans uit. Wauw. Dit maakt me vrouwelijker dan welke padding ook. Ik word hier erg blij van. Experiment geslaagd.

woensdag 13 mei 2015

Meneer Lisa

Vorige week schreef ik over de frustratie van het wijzigen van mijn naam en geslacht bij instanties. Ik schreef hoe mijn hypotheekverstrekker ASR moeite had om zowel mijn geslacht als mijn naam te wijzigen. Een paar dagen geleden belde ik ze op om de situatie te bespreken. Een alleraardigste medewerker keek in hun administratie en stelde vast dat mijn gegevens in het systeem goed stonden: zowel mijn naam als mijn geslacht waren aangepast aan de nieuwe situatie. Ook kon hij – tot zijn eigen verbijstering – zien dat ik in de laatste correspondentie inderdaad een brief had gekregen op naam van ‘mevrouw Man-ik’. Hij begreep niet hoe dit kon. Maar bureaucraten hebben altijd grenzeloos vertrouwen in hun eigen bureaucratie. Hij probeerde me gerust te stellen met de woorden “bij de volgende brief zal het vast goed staan”. Woorden die me niet overtuigden, maar wel duidelijk maakten dat hij verder niks voor me wilde betekenen. Ik moest afwachten. Gelukkig niet al te lang.

Vandaag kreeg ik opnieuw post van ze. En inderdaad: de adressering was nu anders dan de vorige keer: mijn naam was nu correct. Knap gedaan, ASR! Maar waarom jullie mijn geslacht weer teruggezet hebben naar ‘man’ is mij niet duidelijk. ‘Meneer Lisa’, prijkt bovenaan de brief. De daadkracht van de bureaucraten van ASR is onthutsend. Twee wijzigingen in korte tijd uitgevoerd. Pfoe, hard werken hoor, op zo’n administratie.

Ik ga ze maar weer bellen. Maar ik weet de reactie al: “hmmm, in het systeem staat het goed. Ik weet ook niet hoe dit kan. Wacht maar op de volgende brief, dan zal het vast wel goed staan”. Vroeger kapte mijn vader als ik zat te klagen mij vaak af met een in zijn familie gangbare dooddoener om iemand de mond te snoeren. Hij zei dan: “Dat gaat wel over tegen de tijd dat je een meisje bent”. Hij moest eens weten hoe ver hij er naast zat…

zondag 10 mei 2015

Als het gras een kontje hoog is

De zon schijnt. De toch nog frisse lentewind speelt met het jurkje om mijn lichaam. Een rilling duwt kippenvel naar buiten op mijn blote benen. Het is minder warm dan ik had gedacht. Gelukkig fiets ik hard, dus warmt mijn lijf van binnenuit nog wat op. Van omkeren en huiswaarts gaan is geen sprake. Ik heb mijn zinnen gezet op een lunch in de buitenlucht. Mijn gedachten fietsen in hoog tempo voor me uit, op zoek naar een mooi rustig plekje om mijn kleedje en mezelf neer te vlijen. Een rustig plekje moet het zijn, liefst zonder aanloop van wandelaars, fietsers of picknickers. Vandaag wil ik het liefst geen mensen tegenkomen. Vandaag heb ik namelijk weer een baard omdat ik morgen weer een epilatiebehandeling krijg. Maar het weer is te mooi om binnen te gaan zitten kniezen.

Mijn gedachten herinneren zich een klein natuurgebiedje, net buiten de stad, met slootjes, houtwallen en weidegrond. Te klein om als populair wandelgebied te dienen maar groot genoeg om de loutering van de natuur te ervaren. Snel fietsen mijn benen erheen. Ik vind een mooi plekje, een klein stukje van het pad af, naast een weide waar wat schapen op grazen en een brede sloot met eenden en een fuut. Ik hoor de jonge lammetjes wat aarzelend mekkeren terwijl ik mijn kleedje op het gras uitspreid en er op ga zitten. Aan de overkant van de sloot komt af en toe een fietser voorbij. Er loopt soms een wandelaar over het pad een meter of tien achter mij. Ik ben zo goed als alleen en op veilige afstand qua baardgroei. Zo zittend tussen het hoge gras voel ik niet veel wind meer en de zon verwarmt mijn lijf dat zich steeds luier begint uit te strekken op het kleedje. Ik eet wat, ik lees wat en ik doe een dutje.

Wanneer ik wakker word, voel ik mijn blaas. Ik heb niet zoveel gedronken sinds ik voor mijn vertrek thuis nog naar het toilet ben geweest. Wellicht heeft het frisse briesje dat af en toe opsteekt mijn blaas laten samentrekken. Toch gek waarom je blaascapaciteit temperatuurafhankelijk is. Hoe dan ook: ik moet plassen. Eh… plassen….? In de natuur? Ik heb dat natuurlijk al wel honderd keer gedaan in mijn leven. Gewoon: rits van mijn broek open, piemel uit mijn onderbroek graaien, wijdbeens gaan staan (let op de windrichting) en plassen maar. Een fluitje van een cent en voorbij voordat een voorbijganger je ziet. Voor mij als man van de zittende klasse was staand plassen een welkome mogelijkheid voor noodgevallen buitenshuis. Een noodgeval zoals nu. Maar ja, ik ben geen man meer. Hoewel de piemel er nog aan zit, lijkt het me toch een raar gezicht als ik nu aan de rand van de sloot ga staan, mijn jurk optil, mijn onderbroekjes (ja twee ja) naar beneden trek en wijdbeens de eenden in de sloot verjaag met mijn urinestraal. Er zijn weinig mensen hier, maar je zult net zien… Daarnaast wil ik het ook echt niet meer staand doen nu. Er is gelukkig nog een logisch alternatief: hurken.

Ik loop naar de slootkant en ga tussen het hoge gras staan. Ik probeer in één vloeiende beweging met mijn handen onder mijn jurkje mijn onderbroekjes naar beneden te trekken en tegelijk te gaan hurken. Ik val bijna om, maar het lukt me om mijn wiebelige evenwicht te bewaren. Al hurkend graai ik naar mijn piemel. Op het toilet houd ik die de laatste maanden al niet meer vast tijdens het plassen; bij het zittengaan duw ik hem vlug tussen mijn benen naar beneden, dan sluit ik mijn benen en blijft de urinestraal keurig recht naar beneden in de pot gericht terwijl ik mijn piemel niet hoef aan te raken. Maar die aanpak lijkt me hier in het gras niet zo handig. Hier loop je een redelijk risico op een nat jurkje of natte enkels. Ik pak met mijn linkerhand mijn piemel en richt hem tussen mijn gehurkte benen door naar voren. Ik ontspan mijn blaas en een krachtige straal schiet tussen mijn benen door. Van een afstand ziet dat er vast raar uit. Maar gelukkig is het gras een kontje hoog en zijn de details van wat ik hier doe aan het oog onttrokken. Van een afstand ziet een voorbijganger gewoon een vrouw gehurkt plassen.

Wanneer de laatste druppels zijn gevloeid wil ik me weer aankleden. Ik probeer mijn onderbroekjes omhoog te trekken terwijl ik langzaam ga staan, maar ik wiebel er zo van dat ik mijn voet moet verzetten om niet om te vallen. In een impuls ga ik ook rechtop staan. Eén seconde sta ik daar, aan de slootkant zichtbaar voor fietsers en wandelaars: mijn handen verbeten aan mijn onderbroekjes trekkend, mijn jurkje aan de achterkant door mijn onderbroekjes gegrepen, mijn piemel triomfantelijk een barrière vormend aan de voorkant. In een flits van kordate paniek trek ik mijn jurk helemaal omhoog, doe mijn onderbroekjes aan en laat mijn jurk weer vallen. Verschrikt kijk ik rond. Niemand. Geen fietsers op het fietspad, geen wandelaars op het pad achter mij. Pfff, gelukkig.

Ik loop terug naar mijn kleedje. Mijn haastig in mijn onderbroekjes gepropte geslachtsdeel zit onprettig. Normaal werk ik mijn testikels en mijn piemel op mijn gemakje weg zodat het prettiger zit en je geen rare bult ziet als ik een jurkje draag. Daar zijn die twee onderbroekjes voor nodig: een string en een heel strak slipje. Maar daar had ik in mijn paniekreactie van zojuist even geen aandacht voor. Er zit niks anders op: ik moet het alsnog doen. Ik kijk om me heen of ik nog alleen ben en ga op mijn kleedje liggen. Ik trek mijn jurkje iets omhoog, mijn onderbroekjes naar beneden en ik pak mijn testikels en piemel en doe wat nodig is om ze te verbergen. In een flits schiet door me heen hoe dit tafereel er uit zou zien voor de onfortuinlijke voorbijganger die het zou aanschouwen: iemand met een baard, gekleed in een jurk ligt hier op een kleedje aan zijn geslachtsdeel te sjorren. Hmmm… beter maar even opschieten…

vrijdag 8 mei 2015

Smogalarm

Vorig jaar maart voerde de Parijse overheid de maatregel in: alternerend rijden. De ene helft van de automobilisten mocht alleen op de even dagen rijden; de andere helft alleen op de oneven dagen. De maatregel was bedoeld om de door een combinatie van factoren ontstane piek in de luchtvervuiling in de stad te verminderen. Sindsdien hanteert men in Parijs een smogalarm; als de omstandigheden het vereisen, dan wordt het alternerend rijden tijdelijk ingevoerd. Zo'n maatregel wordt ook op andere plekken op de wereld gebruikt als een stad dreigt te verstikken onder een dikke laag onprettige chemische mist.

Het smogalarm geldt op dit moment ook voor mij. Ik dreig ook te verstikken onder een dikke laag onprettige chemische mist. Alleen wordt mijn chemische mist niet door uitstoot en gebrek aan wind veroorzaakt, maar door mijn hormoonbehandeling. Ik ben moe. Heel moe. En het enige dat ik kan doen om niet ten onder te gaan is: alternerend rijden.

Gisteren had ik een dag met veel bezigheden. Vroeger noemde ik dat ‘een dagje lekker bezig’. Tegenwoordig noem ik dat ‘een heel drukke dag’. ’s Ochtends werkte ik twee uurtjes. Daarna deed ik wat klusjes in huis: een beetje opruimen, een was doen, wat administratie. ’s Middags ging ik met een vriendin genieten van thee met taart op een terrasje in de zon. ’s Avonds ging ik uit eten met een vriend. Objectief gezien niet echt een dag waar een workaholic blij van zou worden. Ik werd er wel blij van, zeker van de apotheose. De vriend met wie ik ’s avonds at noemde me een ‘aantrekkelijke vrouw’. We knuffelden heerlijk; een beetje flirterig zelfs. Ik kan me niet herinneren dat we dat ooit deden toen ik nog als Man-ik met hem samenwerkte in het theater. Alle reden om tevreden te zijn, zou je zeggen. Dat was ik ook, toen ik gisterenavond naar bed ging.

Maar die mooie en (volgens mijn hedendaagse normen) actieve dag moet ik vandaag bekopen. Ik ben ondanks de acht uur nachtrust vandaag heel moe. Mijn spieren lijken alleen maar in slow-motion te kunnen bewegen. Informatie dringt nauwelijks tot mijn hersenen door. De krachtsinspanning om rechtop te zitten is me al te veel; ik hang op de bank en ik hang achter de computer. Vandaag leef ik in een onprettige verstikkende mist. Vandaag kan ik niet in mijn leven rondrijden vanwege het smogalarm. Ik heb gisteren teveel uitstoot veroorzaakt waardoor ik vandaag thuis moet blijven. Alternerend rijden is mijn levensritme geworden. Waar is die frisse wind die de lucht klaart?

zondag 3 mei 2015

Twee maten

Mijn schouders verkrampen alsof een zweepslag mijn rug raakt. In werkelijkheid is ’t het ijskoude meetlint dat een kille streep dwars over mijn rug trekt. Mijn handen bewegen het koude lint onder mijn oksels door naar de voorkant van mijn lichaam. Ik zie mijn tepels meteen op de kou reageren: ze krimpen; ze trekken zich terug in het weefsel van mijn borsten. “Nee, hier blijven!”, roep ik tevergeefs. Mijn handen brengen de beide delen van het meetlint midden voor mijn borstbeen bij elkaar. Het restant van het lint pijpekrult naar beneden. Het metalen stripje van het begin van het lint leg ik bovenop de maataanduidingen op het andere deel. 92,5 centimeter, concludeer ik. “Hmm”. Met een lichte teleurstelling herinner ik me de 91 centimeter die ik drie maanden geleden opmat. Ik trek zachtjes aan het meetlint en het komt wat strakker om mijn borsten. 90,5 centimeter. Tja, borstgroei meten is geen exacte wetenschap, dat is duidelijk.

Ik gebruik nu ongeveer zeven maanden estradiol. Er is duidelijk wat gebeurd met mijn lijf. Mijn dijen en mijn billen zijn iets voller geworden. Ik kan niet zeggen hoeveel, niet zeggen waar het precies zit, maar de vorm is veranderd. Ze zijn ronder geworden. Aan de pasvorm van mijn skinny jeans zie ik dat het niet veel is, maar toch telt het. Bij mijn borsten is de groei wel duidelijk te lokaliseren. Tussen mijn door testosterongebrek slapper geworden borstspieren en mijn tepels liggen nu twee bultjes weefsel. De meeste groei stamt uit de eerste drie maanden hormoongebruik; daarna vlakte tot mijn grote frustratie de groei af. Het toch al trage groeiproces leek wel stil te vallen. Soms leek het zelfs alsof mijn borsten weer slonken.

Een week of acht geleden besloot ik daarom eigenhandig mijn dosis estradiol te verhogen. Mijn oude non-communicatieve endocrinoloog had me in januari zonder enige toelichting ineens estradiolpillen gegeven ter vervanging van de estradiolpleisters waarvan hij wist dat ik die ik liever niet wilde. Een flinke stapel pleisters lag sindsdien nutteloos in mijn medicijnkastje. Vanwege het belang van het experiment zette ik me over mijn bezwaren tegen de pleisters heen en besloot ik ze weer te gaan plakken. Als extraatje: dus als aanvulling op mijn pillen. Prompt kreeg ik weer jeuk en pijn in mijn tepels. Een gewaarwording die op fysiek niveau onaangenaam was, maar op gevoelsniveau uiterst prettig. Jeuk en pijn zijn immers de symptomen van groei. Na een paar weken waren mijn borsten weer ietsje gegroeid. Dat zag ik in de spiegel en voelde ik als ik mijn handen op mijn borsten legde.

Mijn nieuwe endocrinoloog reageerde een paar weken geleden constructief op mijn experiment; ze voelde zich niet in haar positie aangetast. Naast mijn eigen positieve ervaring kon ze aan het bloed dat ik vlak voor de start van mijn experiment had laten afnemen zien dat het estradiolniveau nog wat aan de lage kant was. Ze besloot mijn dosis pillen aan te passen. Haar dosis was helaas wel wat lager dan de dubbele dosis die ik tijdens mijn experiment had gebruikt, maar ik protesteerde niet. Ik moest zuinig zijn op de goede maar nog kersverse relatie. Ik gaf deze mildere dosis maar het voordeel van de twijfel. In elk geval tot aan het volgende consult. Helaas leek deze mildere dosis ook minder goed te werken. Mijn borsten leken weer te stoppen met groeien. Daarom stond ik nu in de badkamer met een meetlint.

Het doel van de hormoonbehandeling is om mijn lichaam te vervrouwelijken. Daar zijn de VU en ik het over eens. Alleen hanteren de VU en ik niet hetzelfde criterium om te bepalen of de behandeling een succes is: ik kijk in de spiegel; de artsen kijken naar bloedwaarden. De artsen geven toe dat de bloedwaarden geen lineair verband houden met de borstgroei. Maar het is wel een objectief meetbare indicator en daar houden ze wel van, nerds als ze zijn. Maar het is een schijnindicator, want er zijn nog vele andere (grotendeels onbekende) factoren die een rol spelen bij borstgroei. Het is net als met mijn meetlint: de gemeten uitslag is niet alleen een gevolg van de daadwerkelijke borstomvang, maar ook van de trekkracht op het lint. Dus wat zegt dan dat ene getal als je die andere factoren niet kent?

Ik beoordeel mijn borsten dan ook aan de hand van wat ik zie en voel. Ik geef toe, dat is een onwetenschappelijke en subjectieve meting. Maar het is naar mijn idee de enige relevante indicator. Mijn genderdysforie is ook niet te vatten in een getal, in een bloedwaarde. Mijn genderdysforie is een gevoel in mij. Een onwetenschappelijke en subjectieve beleving. Waarom zou je dan de oplossing voor die dysforie niet ook meten met dezelfde onwetenschappelijke en subjectieve maat? De dysforie bestrijden met bloedwaarden is meten met twee maten.

Hoofdschuddend laat ik het meetlint om mijn borst los. 92,5 centimeter. Er had net zo goed onleesbaar abracadabra op het lint kunnen staan. Die 92,5 centimeter zegt me helemaal niets. Ik kijk naar mijn borsten in de spiegel. Ik kneed met mijn rechterhand mijn linkerborst en ik voel het gewicht, de weerstand en de elasticiteit van het borstweefsel. Nee, ze zijn inderdaad niet meer gegroeid de laatste weken.

zaterdag 2 mei 2015

Mevrouw Man-ik

Op een dag na is het op de kop af een half jaar geleden dat ik mijn mannelijke identiteit opgaf. Vanaf dat moment was ik elke dag Lisa. Na jarenlang gedraal en geaarzel durfde ik de grote stap aan. Nou ja, aandurven is een groot woord. Ik was doodsbang en durfde eigenlijk helemaal niet. Maar ik had het gevoel dat ik niet anders meer kon. Ik was een klein meisje dat op de allerhoogste duikplank stond met achter mij tientallen ongeduldige puberjochies die geen millimeter zouden wijken mocht ik via de trap willen ontsnappen. Zij lieten mij geen andere keus: ik moest springen. Dus dat deed ik.

In de paar weken die volgden stak ik veel energie in het doorgeven van mijn nieuwe naam bij allerhande instanties. Bij de een kon ik zelf mijn gegevens aanpassen via de website (chapeau!), maar bij de ander moest ik een mail of zelfs een brief sturen. Het verhaal was telkens hetzelfde: ‘mijn geslacht is veranderd en daarom wil ik graag dat u mijn geslacht, mijn voorletters en mijn emailadres in uw administratie aanpast’. Heldere boodschap. Ongebruikelijk misschien, maar wel helder. Ik stelde me voor hoe van elk van die organisaties een medewerker van de klantenservice of backoffice mijn bericht zou lezen, op zijn of haar computer een scherm zou openen waar overzichtelijk onder elkaar een aantal gegevensvelden getoond werden: geslacht, voorletters, voornaam, achternaam. En dan zag ik in gedachten hoe die medewerker het vinkje bij ‘Vrouw’ zou zetten, mijn voorletters zou wijzigen naar L.M. en mijn voornaam ‘Lisa’ zou maken. Een klik op ‘OK’ en klaar. Een fluitje van een cent. Nou nee dus.

Voor sommige organisaties bleek mijn verzoek haast onuitvoerbaar. In de eerste plaats bleken veel organisaties ondanks al hun megalomane ict-projecten van de afgelopen twee decennia nog steeds niet één centraal systeem te hebben voor de klantgegevens. Zo kon het gebeuren dat in de online omgeving mijn nieuwe gegevens keurig werden getoond, maar op de facturen nog steeds mijn oude naam stond. Of ik kreeg magazines, promoties of andere secundaire post nog op mijn oude naam, terwijl de overeenkomst uit hoofde waarvan ik die post kreeg toch echt al was aangepast aan mijn nieuwe situatie. Sommige organisaties heb ik drie, vier of zelfs vijf keer moeten vragen om de wijziging volledig en correct uit te voeren. Mijn complimenten voor de ABN AMRO, KPN en Vereniging Eigen Huis dat ze het uiteindelijk toch snapten. Ik heb gevloekt, geschreeuwd en gehuild om de kwelling die dit administratieve formaliteitje bleek te zijn. Het begon er steeds meer op te lijken dat mijn medische geslachtswijziging nog sneller klaar zou zijn dan mijn administratieve geslachtswijziging. Maar uiteindelijk kwam er licht aan het eind van de tunnel. Uiteindelijk – met dank aan mijn volharding – was mijn geslacht en mijn naam gewijzigd bij vrijwel alle instanties waar ik geregistreerd stond. Op een enkele instantie na. Zoals bijvoorbeeld ASR, mijn hypotheekverstrekker.

Vandaag, een half jaar na dato heeft ook ASR eindelijk blijk gegeven van het feit dat ze mijn verzoek om aanpassing van mijn gegevens hebben bekeken. Deze dag kreeg ik post van ze. Een fractie van een seconde is te klein om nog op te knippen zonder de menselijke maat te verliezen, maar toch had ik in een flits twee zeer duidelijk van elkaar te onderscheiden sensaties toen ik de envelop van ASR uit de brievenbus haalde. Mijn oog keek naar de adressering: ‘Mevrouw…’ (hoera!!) ‘Man-ik’ (wat!??!?). Zucht. Mevrouw Man-ik. Hoe is het mogelijk!

Als ik mijn frustratie even negeer en klinisch naar de situatie kijk, dan zie ik dat er twee scenario’s denkbaar zijn:
  1. Bij de ASR nemen ze functiescheiding héél erg serieus. De afdeling ‘Wijziging aanhef/geslacht’ werkt sneller dan de afdeling ‘Wijziging voorletters’. Kwestie van afwachten en de voorletters blijken na enige tijd ineens goed te staan.
  2. Bij de ASR werken enorme sukkels die te dom zijn om brieven van klanten goed te lezen. Ik zal er nog minimaal twee telefoontjes en een nieuwe brief aan moeten wijden om de gegevens correct te krijgen.
Gezien mijn ervaringen met andere organisaties in de afgelopen maanden ben ik bang dat het eerste scenario echt te optimistisch is. Grrrr… houdt dit dan nooit op…?