zondag 10 mei 2015

Als het gras een kontje hoog is

De zon schijnt. De toch nog frisse lentewind speelt met het jurkje om mijn lichaam. Een rilling duwt kippenvel naar buiten op mijn blote benen. Het is minder warm dan ik had gedacht. Gelukkig fiets ik hard, dus warmt mijn lijf van binnenuit nog wat op. Van omkeren en huiswaarts gaan is geen sprake. Ik heb mijn zinnen gezet op een lunch in de buitenlucht. Mijn gedachten fietsen in hoog tempo voor me uit, op zoek naar een mooi rustig plekje om mijn kleedje en mezelf neer te vlijen. Een rustig plekje moet het zijn, liefst zonder aanloop van wandelaars, fietsers of picknickers. Vandaag wil ik het liefst geen mensen tegenkomen. Vandaag heb ik namelijk weer een baard omdat ik morgen weer een epilatiebehandeling krijg. Maar het weer is te mooi om binnen te gaan zitten kniezen.

Mijn gedachten herinneren zich een klein natuurgebiedje, net buiten de stad, met slootjes, houtwallen en weidegrond. Te klein om als populair wandelgebied te dienen maar groot genoeg om de loutering van de natuur te ervaren. Snel fietsen mijn benen erheen. Ik vind een mooi plekje, een klein stukje van het pad af, naast een weide waar wat schapen op grazen en een brede sloot met eenden en een fuut. Ik hoor de jonge lammetjes wat aarzelend mekkeren terwijl ik mijn kleedje op het gras uitspreid en er op ga zitten. Aan de overkant van de sloot komt af en toe een fietser voorbij. Er loopt soms een wandelaar over het pad een meter of tien achter mij. Ik ben zo goed als alleen en op veilige afstand qua baardgroei. Zo zittend tussen het hoge gras voel ik niet veel wind meer en de zon verwarmt mijn lijf dat zich steeds luier begint uit te strekken op het kleedje. Ik eet wat, ik lees wat en ik doe een dutje.

Wanneer ik wakker word, voel ik mijn blaas. Ik heb niet zoveel gedronken sinds ik voor mijn vertrek thuis nog naar het toilet ben geweest. Wellicht heeft het frisse briesje dat af en toe opsteekt mijn blaas laten samentrekken. Toch gek waarom je blaascapaciteit temperatuurafhankelijk is. Hoe dan ook: ik moet plassen. Eh… plassen….? In de natuur? Ik heb dat natuurlijk al wel honderd keer gedaan in mijn leven. Gewoon: rits van mijn broek open, piemel uit mijn onderbroek graaien, wijdbeens gaan staan (let op de windrichting) en plassen maar. Een fluitje van een cent en voorbij voordat een voorbijganger je ziet. Voor mij als man van de zittende klasse was staand plassen een welkome mogelijkheid voor noodgevallen buitenshuis. Een noodgeval zoals nu. Maar ja, ik ben geen man meer. Hoewel de piemel er nog aan zit, lijkt het me toch een raar gezicht als ik nu aan de rand van de sloot ga staan, mijn jurk optil, mijn onderbroekjes (ja twee ja) naar beneden trek en wijdbeens de eenden in de sloot verjaag met mijn urinestraal. Er zijn weinig mensen hier, maar je zult net zien… Daarnaast wil ik het ook echt niet meer staand doen nu. Er is gelukkig nog een logisch alternatief: hurken.

Ik loop naar de slootkant en ga tussen het hoge gras staan. Ik probeer in één vloeiende beweging met mijn handen onder mijn jurkje mijn onderbroekjes naar beneden te trekken en tegelijk te gaan hurken. Ik val bijna om, maar het lukt me om mijn wiebelige evenwicht te bewaren. Al hurkend graai ik naar mijn piemel. Op het toilet houd ik die de laatste maanden al niet meer vast tijdens het plassen; bij het zittengaan duw ik hem vlug tussen mijn benen naar beneden, dan sluit ik mijn benen en blijft de urinestraal keurig recht naar beneden in de pot gericht terwijl ik mijn piemel niet hoef aan te raken. Maar die aanpak lijkt me hier in het gras niet zo handig. Hier loop je een redelijk risico op een nat jurkje of natte enkels. Ik pak met mijn linkerhand mijn piemel en richt hem tussen mijn gehurkte benen door naar voren. Ik ontspan mijn blaas en een krachtige straal schiet tussen mijn benen door. Van een afstand ziet dat er vast raar uit. Maar gelukkig is het gras een kontje hoog en zijn de details van wat ik hier doe aan het oog onttrokken. Van een afstand ziet een voorbijganger gewoon een vrouw gehurkt plassen.

Wanneer de laatste druppels zijn gevloeid wil ik me weer aankleden. Ik probeer mijn onderbroekjes omhoog te trekken terwijl ik langzaam ga staan, maar ik wiebel er zo van dat ik mijn voet moet verzetten om niet om te vallen. In een impuls ga ik ook rechtop staan. Eén seconde sta ik daar, aan de slootkant zichtbaar voor fietsers en wandelaars: mijn handen verbeten aan mijn onderbroekjes trekkend, mijn jurkje aan de achterkant door mijn onderbroekjes gegrepen, mijn piemel triomfantelijk een barrière vormend aan de voorkant. In een flits van kordate paniek trek ik mijn jurk helemaal omhoog, doe mijn onderbroekjes aan en laat mijn jurk weer vallen. Verschrikt kijk ik rond. Niemand. Geen fietsers op het fietspad, geen wandelaars op het pad achter mij. Pfff, gelukkig.

Ik loop terug naar mijn kleedje. Mijn haastig in mijn onderbroekjes gepropte geslachtsdeel zit onprettig. Normaal werk ik mijn testikels en mijn piemel op mijn gemakje weg zodat het prettiger zit en je geen rare bult ziet als ik een jurkje draag. Daar zijn die twee onderbroekjes voor nodig: een string en een heel strak slipje. Maar daar had ik in mijn paniekreactie van zojuist even geen aandacht voor. Er zit niks anders op: ik moet het alsnog doen. Ik kijk om me heen of ik nog alleen ben en ga op mijn kleedje liggen. Ik trek mijn jurkje iets omhoog, mijn onderbroekjes naar beneden en ik pak mijn testikels en piemel en doe wat nodig is om ze te verbergen. In een flits schiet door me heen hoe dit tafereel er uit zou zien voor de onfortuinlijke voorbijganger die het zou aanschouwen: iemand met een baard, gekleed in een jurk ligt hier op een kleedje aan zijn geslachtsdeel te sjorren. Hmmm… beter maar even opschieten…

Geen opmerkingen:

Een reactie posten