woensdag 10 juni 2015

Adem

“Adem in…”, zei L. Ik begreep wat ze bedoelde, maar het lukte me niet. Mijn longen leken wel gevuld met beton. Een grote zware massa drukte op mijn maag en belette bijna mijn hart het kloppen. Mijn wilskracht om te ademen verdampte als een druppel water op een hete steen: onzichtbaar of het nu door de lucht of door de stenen materie werd opgezogen. Ik voelde mijn hoofd opzwellen, mijn lichaam trillen. Alles om me heen implodeerde naar een kille donkere leegte. Een zwart gat waarin elk bewustzijn werd opgeslokt. Als een gootsteenputje slurpte het Niets mij op. Een draaikolk veroorzakend waarin aan de buitenkant alles snel draaide en in de kern helemaal niets meer gebeurde als een voorbode van een eindeloze stilte. Ik werd me nog vaag bewust dat het bijna gedaan was. Nog één, twee seconden en het Niets had me helemaal opgeslokt. “Adem”, hoorde ik. “A-dem”. Mooie klanken. Geen idee wat ze betekenden.

Als een injectie warme vloeistof schoot ineens mijn bewustzijn mijn lichaam in. “Adem”, hoorde ik L. zeggen. Ik trilde en hoorde hoe een luchtstroom mijn keel in schoot. Ik voelde de zalvende lucht die mijn longen masseerde. Mijn lijf schokte. Mijn hoofd schudde oncontroleerbaar heen en weer. Ik knipperde met mijn ogen en realiseerde me dat ik dat al minuten, uren, dagen niet meer had gedaan. Alsof ik ontwaakt was op een andere planeet, nam ik de wereld om me heen in me op. Het duurde even voor ik mijn gordijnen herkende, mijn tafel en de bank waar ik op zat. Ik hoorde de stem van L., licht vervormd door de elektronica van mijn telefoon. Met een zucht blies ik de verse lucht uit mijn longen. En met horten en stoten ademde ik een nieuwe teug naar binnen. En zo zat ik op de bank, langzaam weer bij zinnen te komen bij de troostende aanwezigheid van L. Ze zei niet veel. Net genoeg om me te laten weten dat ze er voor me was. Daarvoor hoefde ze eigenlijk niks te zeggen, want ik kon haar wel voelen. Ik kon voelen hoe ze haar arm om me heen had geslagen en mijn hand vasthield. Ook al zat ze thuis aan de andere kant van de stad.

“Wat gebeurde er?”, vroeg ze. “Ik… ik… weet het niet…”, stamelde ik. Maar ik wist het wel. Stukje bij beetje kwam de herinnering terug. De herinnering aan deze avond, waarop alle verdriet die de afgelopen twee weken weer zo hevig aanwezig was, samen leek te vallen. Ik miste S. Ik wilde hem vasthouden, zijn lijf voelen, zijn adem horen, zijn stem. Ik wilde hem al mijn liefde geven. Liefde die inmiddels tegen mijn innerlijke plinten omhoog klotste omdat het zich al vier maanden niet had kunnen tonen. Ik herinnerde me hoe die grote pijn van het verlies van mijn kind, het verlies van dit mooie mens, het verlies van mijn ouderrol, deze avond op mijn hart drukte. Niet subtiel en geleidelijk zoals het dat de afgelopen maanden had gedaan, maar met een grote scherpe kracht, alsof het staketsel waar de pijn op rustte in één klap was bezweken waardoor de pijn op mijn kwetsbare hart dat daaronder lag, neer kon ploffen. Ik herinnerde me ook de pijn om het verlies van M. Mijn grote liefde, naar wie ik de laatste weken steeds heviger verlangde. Ik wilde haar ruiken, proeven, voelen, totaal sublimeren. Ik hunkerde naar haar liefde, haar troost, haar gezelschap, haar afleiding. Ik wilde dit niet meer alleen doen. Lieve M., kom je terug? De bonzende pijn van mijn liefdesverdriet schoot als een spijkerbed van alle kanten dwars door mijn hart heen. Ik herinnerde me ook hoe toen het gevoel kwam totaal vastgelopen te zijn. Ik herinnerde me het intense verlangen om te stoppen met mijn leven als vrouw. Om te stoppen met deze transformatie. Om het geluk dat ik met S. en met M. beleefd had, terug te krijgen. Ik was van een ongelukkige man een ongelukkige vrouw aan het worden. Een andere leegte, een ander gemis, dat wel. Maar mijn leven was er helemaal niet beter op geworden. Ik leefde in verdriet en angst. Angst dat ik als vrouw nog steeds niet gelukkig zou zijn.

Ik herinnerde me hoe al die pijn, emoties en gedachten mijn keel dichtknepen, mij de adem benamen, en ik wilde niets liever dan dat alles hier en nu zou stoppen. Dat ik niet meer hoefde te vechten. Niet meer hoefde te lijden. Dat mijn leven klaar zou zijn. Dat ik terug mocht naar de oorsprong. In een flits zag ik de haak voor me die hier lange tijd in het plafond had gezeten. Ik zag mezelf er aan bungelen. Ik zag hoe mijn moeder huilde en spijt had dat ze me dood had gewenst. Ik zag S. huilen, ik zag M. huilen. En het deerde me allemaal niet. Voor het eerst deerde dat me niks. Want ik had eindelijk rust. Ik herinnerde hoe mijn hand echter als een spelbreker de telefoon greep en mijn duim op een fotootje in de contactpersonenlijst drukte. Mijn rust werd verstoord door de door het late tijdstip van mijn telefoontje argwanend gemaakte stem van L.: “hee meisje…”. Ik begon meteeen radeloos te janken; de ene radeloze huil na de andere, zo intens dat er geen tijd meer was om tussen de uithalen nog adem te halen. En toen kwam het moment dat alles blokkeerde en mijn longen zich vulden met beton.

“Ik… ik raakte… in paniek”, antwoorde ik op L.’s vraag. “Ik ben bij je”, zei L. en ik huilde zacht. “Ik voel het”, prevelde ik. Heel even voelde ik me niet meer alleen. Niet meer alleen op dit onmenselijke en onbarmhartige pad.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten