woensdag 29 juli 2015

Facebookfoto

Zomer is festivaltijd. De kalender puilt uit met niet alleen vette dancefestivals waar je mannen kunt zoenen maar ook met mooie spirituele festivals. Een van mijn kennissen uit de stilteretraites die ik elk jaar bijwoon, plaatste een paar dagen geleden op Facebook wat foto’s van een spiritueel festival waar ze was. Ik kende dat festival van naam. Ik was er zelf nooit geweest, maar M. ging daar voorgaande jaren wel eens heen. Toen ik de post van deze kennis zag, waren mijn gedachten dan ook niet bij deze kennis, maar bij M. Zou ze daar ook zijn? Zou ze mijn kennis nu ook kennen? Zou ze nog aan mij denken, op de manier waarop ik nu aan haar denk? De loden druk op mijn hart en de knellende brok in mijn keel vertelden me dat ik niet naar de foto’s moest gaan kijken en mijn weerstand tegen heftige emoties won het van mijn nieuwsgierigheid.

De dag daarna poste mijn kennis opnieuw een bericht met een verwijzing naar het Facebook fotoalbum dat ze had gemaakt. Ik onderdrukte opnieuw mijn hunkering naar contact met M. –ook al was het maar eenzijdig via een foto. Maar de derde dag dat mijn kennis foto’s postte, zwichtte ik. Ik klikte op de eerste foto van de post en Facebook leidde me naar het fotoalbum met wel tachtig foto’s. Ik zag lachende kinderen met zeepbellen, ik zag tenten bij een bos, ik zag volwassenen knuffelen en lachen met elkaar. Het zag er uit als een ontspannen, fijn feestje. Ik klikte foto na foto weg en besteedde steeds minder aandacht aan wat er precies op de foto stond. Ik kreeg haast. Ik wilde haar zien. Nu. Maar na twintig, dertig tevergeefse klikken begon mijn hoop te verdwijnen. Ze was vast niet op dit festival dit jaar. Teleurgesteld en ongeïnteresseerd klikte ik nog een paar foto’s door. En daar was ze.

Ik twijfelde geen moment. Ze was het. Ik keek naar haar grote lachende mond, haar wipneus en haar stralende ogen. Haar lange haar. Haar lichaam, gehuld in een donker gekleurde soepel vallende jurk. Ze stond tussen twee zittende mannen in, haar linkerhand op de schouder van de man links van haar. Ze keek naar hem. Ze keek iets omlaag omdat ze stond, maar ze keek niet op hem neer. Het was de liefdevolle, omarmende blik die ik zo goed van haar ken. In een flits dacht ik dat de man naar wie ze keek misschien wel haar nieuwe partner was. Maar om de een of andere reden wist ik dat dat niet zo was. Ze had fijn contact met iemand anders op het festival en ze had het naar haar zin. Ik slikte. En huilde. Stilletjes van binnen, zo dacht ik, maar na een paar seconden voelde ik toch ineens een traan over mijn wang lopen. Dat besef zette de kraan open en ik huilde met schokkende schouders en lange halen. Ik wilde haar aanraken. Ik wilde haar zien. Ik wilde dat ze mij zou zien, dat ze mij zou aanraken. Ik wilde… ik wilde… ik wilde…

Hoe diep zit mijn verlangen naar haar niet, als na bijna een jaar zonder contact, na ruim negen maanden haar beeltenis niet gezien te hebben, de hunkering naar haar en het verdriet om het onvervulbare verlangen nog zo snel en intens bezit van me kan nemen. Het is niet mijn liefde voor haar die het onmogelijk maakt om bij haar te zijn. Het is mijn hunkering naar haar liefde voor mij. Terwijl ik me dit weer eens realiseer begint het me te dagen dat een gezonde relatie niet drijft op het genot om liefde van de ander te ontvangen, maar op het plezier liefde aan de ander te kunnen geven.

zondag 19 juli 2015

Flirt

De beat dreunt in mijn onderbuik. Het is een lekker gevoel. Het is precies dit gevoel waarvoor dancefestivals hun volume zo hard oppompen dat je direct voor het podium zonder gehoorbescherming binnen vijf minuten permanent doof zou worden. Het is vervreemdend: keiharde muziek en dansende mensen die allemaal witte, blauwe of groene dopjes in hun oor hebben om de muziek minder goed te horen. Maar ze voelen hem voluit, net als ik. Naast me staat een theatervriendin en de vriendengroep waar zij toe behoort. En ik ook, vandaag. Ik voel me opgenomen in de groep. Volledig erkend als vrouw en door een deel van de groep niet eens herkend als transvrouw, zo bleek toen het ter sprake kwam. Dat heerlijke gevoel verbleekte alle onzekerheid die ik voelde over de ontmoeting met deze mij onbekende vriendengroep.

Ik laat de trilling van de muziek mijn lijf bewegen. Ik dans vol overgave, vol flair en vol vrouwelijkheid. Ik beweeg mijn heupen, billen en ellebogen en de rest van mijn lijf volgt. Ik weet inmiddels dat mijn bewegingen er op deze manier vrouwelijk uitzien en ik kan me daarom redelijk goed overgeven aan de flow van het moment, onbezorgd over of ik wel passabel ben als dansende vrouw. Ik sluit mijn ogen om de intensiteit van de ervaring te vergroten en de flow laat me langzaam door de mensenmassa heen bewegen, de vriendengroep achter me latend. Ik stop met lopen en dans nu op deze nieuw verworven plek. Langzaam open ik mijn ogen. Daar staat hij. Een man van mijn leeftijd met een zongebruind hoofd. Ik zie zweetdruppeltjes op zijn gestileerde haarloze hoofd. Hij danst en ik zie door zijn t-shirt heen dat hij een goed gevormd lijf heeft. Hij kijkt naar me. Vol trots dans ik door. Een lach om mijn mond laat zien dat ik geniet van het dansen én het feit dat deze man nu naar me kijkt. In gedachten laat ik mijn handen op zijn schouders zakken en trek ik hem naar me toe. In werkelijkheid kijk ik hem indringend en uitdagend aan, aarzelend om in actie te komen. Hij lacht en durft wel een stapje dichterbij te komen. Ik voel een connectie ontstaan, alsof hij ineens opduikt in de branding om op dezelfde golf te surfen. We zijn samen op deze golf van trancebeats en onze lijven bewegen. Ik voel dat mijn ogen stralen. Zijn donkere ogen beginnen ook te stralen. Ik stap op hem af en leg een hand op zijn schouder. Of nou ja, eigenlijk nét onder zijn schouder, zodat ik de aanhechting van zijn borstspier voel. De aanraking is zacht en teder, maar vastbesloten. Ik voel een hand in mijn zij; hij pakt me vast. Ik voel de kracht van dit mannenlijf en dwars door de obstinate dreun van de muziek heen voel ik een subtiel verlangen opkomen. Mijn keel wordt ietsje droog. Ik wil neuken. Ik wil dat deze man mij neukt.

Ik schrik van deze sensatie en besef me dat mijn lichaam zich nog in een ongemakkelijke overgangssituatie bevindt. De opkomende geilheid zakt als een plumpudding in elkaar. Om de teleurstelling te verwerken concentreer ik me op de beweging van de man en probeer er helemaal in mee te gaan. Ik voel zijn kracht en leiderschap en ik geniet daarvan. Ik hoor hoe een lach uit mijn mond glijdt en de man lacht hoorbaar terug. Hij buigt zijn hoofd naar me toe en zegt in mijn oor: “Je bent een mooie vrouw”. Ik voel een warme gloed van geluk mijn hart instromen, het ongelovige pessimistische stemmetje in mijn hoofd wegvagend. Ja, ik ben een mooie vrouw. Wooohoooh, ik ben een mooie vrouw!

De upbeat stopt en langzaam wordt de muziek mellow. De man en ik bewegen minder snel en daardoor voel ik zijn lichaam beter. Ik schuifel nog iets dichter naar hem toe. Mijn ene arm vouwt zich tussen ons in terwijl de bijbehorende hand op de borst van de man blijft liggen. Mijn andere hand laat ik via zijn zij naar achteren omhoog richting zijn schouderblad glijden. Ik duw mijn onderbuik tegen die van hem. “Mooie vrouw”, herhaalt hij en zijn hoofd neigt iets naar voren en stopt. Mijn ene hand glijdt van zijn borst omhoog, via zijn nek naar zijn achterhoofd. Met een subtiel duwtje tegen zijn hoofd neem ik de leiding en ik druk voorzichtig mijn mond op die van hem. Ik voel zijn lippen tegen die van mij. Ik sluit mijn ogen en adem zijn lichaamsgeur in via mijn neus. Elke cel in mijn lichaam danst.

Het voelde als een minuut, maar het zal in werkelijkheid niet langer dan twee seconden geweest zijn. Ik trek mijn hoofd terug en onze lippen laten elkaar los. Ik open mijn ogen en mijn greep op zijn lichaam ontspant. Ik laat hem los en schuifel tien centimeter naar achteren. “Dankjewel”, zeg ik. We blijven elkaar aankijken terwijl ik nog een stapje achteruit zet. Hij knikt met zijn hoofd bij wijze van afscheidsgroet. Ik draai me om en loop tussen de dansende massa terug naar de vriendengroep. Ik voel een gelukzalige grijns op mijn gezicht. Een superfijne flirt eindigend met een kus. Afgebroken voor we in ongemakkelijke situaties door zouden schieten. Precies goed. Niets overhaasten, maar genieten van elke kleine stap in mijn groeiproces naar de volwassen vrouw die ik wil zijn.

woensdag 15 juli 2015

Onvermogen en verlangen

Ik heb een groot deel van mijn leven in mijn hoofd geleefd. Bewust zijn van mijn lichaam leverde me zoveel complexe gevoelens op, dat het beter was net te doen alsof dat lijf niets meer was dan een mechanisme om mijn hoofd van A naar B te verplaatsen. Voelen was gewoon een slecht idee. Dat was te ingewikkeld. Toen ik jaren geleden – ik werd vader, verloor kort daarna mijn eigen vader en mijn huwelijk liep op de klippen – compleet was vastgelopen in mijn eigen onderdrukte emoties, kon ik er niet omheen. Ik moest gaan voelen. Ik moest de sensaties van mijn lichaam leren toelaten. Dat lukte. En hoe: sindsdien is mijn lichaam een belangrijke antenne om te bepalen hoe het met me gaat. Ik kan er zelfs mee voelen hoe het met anderen gaat. Natuurlijk levert dat bewustzijn een hoop onrust op. En soms druk ik die gevoelens alsnog even weg, omdat ik er geen zin in heb (dat patroon zit diep). Maar per saldo leef ik nu in sterke mate in mijn lijf in plaats van in mijn hoofd.

Toen ik mijn lichaam leerde kennen, kon eindelijk mijn seksualiteit zich ontwikkelen; eindelijk kreeg ik een actief en emotioneel vrij seksleven. Ook werd fysiek contact buiten de slaapkamer voor mij erg belangrijk. Ik begon te knuffelen in vrijwel al mijn vriendschappen. Ook in het normale sociale verkeer zag ik mezelf steeds vaker iemand even bij de arm aanraken om contact te maken. En natuurlijk kwam door deze ontwikkeling mijn genderdysforie sterker in beeld dan ooit. Mijn wakkere lichaam registreerde steeds meer onbehagen over zichzelf.

Nu sta ik op een moeilijk punt in mijn proces: ik heb veel verloren door mijn beslissing als vrouw te gaan leven en de frustratie over mijn lichaam dat geen vrouw en geen man is, is groot. Het duurt nog een hele tijd voordat mijn lijf ‘klaar’ is en tot die tijd moet ik in dit niemandsland verblijven. Ik voel me eenzaam in het dragen van dit proces. Mijn hele lijf hunkert naar aanraking om me te helpen ontspannen onder al deze druk. En soms hunkert mijn lijf naar seks omdat het zich op een diep niveau wil ontladen. Zoals nu. Die hunkering is al een paar dagen bij me en geeft me onrust. Ik wil seks. Maar er is niemand om het mee te doen en ik durf er ook niet op uit te gaan om iemand te vinden omdat mijn lijf zich in een rare tussenvorm bevindt waar ik zelf, waarschijnlijk meer nog dan die ander, geen raad mee weet.

Ik lig op bed en de onrust in mijn lijf tikt al enige tijd kostbare seconden nachtrust weg. Ik wil mezelf bevredigen, maar iets houdt me tegen. Ik herinner me een van de vragen die ik tijdens de intake bij het genderteam op de vragenlijsten moest beantwoorden: ‘In uw seksuele fantasieën, ziet u zichzelf dan als man of als vrouw?’. Dezelfde onhelderheid die ik toen voelde, ervaar ik nu. Ik wil me overgeven aan seks, volgzaam zijn, ik wil niet de leiding nemen, ik wil vanuit zachtheid en niet vanuit fysieke kracht vrijen. Maar ik wil wel de fysieke kracht van de ander ervaren. O god, ja. Neem me. Deze sensaties in mijn fantasie maken mij stereotiep gesproken een vrouw. En mijn ingebeelde bedpartner een man. Maar mijn lichaam moet ik in mijn fantasie vaag houden, want anders schemert de fysieke mannelijke realiteit door mijn wensbeelden heen. Ik voel mijn piemel als het ware steeds mijn illusie lekprikken. En zonder die illusie is de opwinding niet groot genoeg om mezelf te kunnen bevredigen. Als ik seks met M. had, lukte het me veel beter om mezelf volledig als vrouw te zien. Alsof haar intentie mijn fantasie versterkte en de fysieke realiteit irrelevant maakte. Ik voel tranen van machteloosheid opkomen. Ik zit klem tussen verlangen en onvermogen.

Wanneer ik mijn handen op mijn ontluikende borsten leg en de rondingen voel die zich daar aan het ontwikkelen zijn, flitst ineens een beeld over mijn netvlies van mijn vrouwenlichaam. Ik zie mijn ronde billen, ronder en groter dan ze nu in werkelijkheid zijn, maar duidelijk gebaseerd op de feitelijke situatie. Een hand glijdt van mijn borsten naar mijn bil en streelt de ronding die daar na tien maanden oestrogeengebruik is ontstaan. Jaaaa, ik ben een vrouw. Ik heb een vrouwenlichaam. Ik ontspan, mijn tranen verdwijnen en ik geniet. Ik streel mezelf en ik geniet van mijn vrouwenlichaam. Ik wrijf met mijn ene hand over mijn tepel. Mijn hunkering wordt groter en groter. Ik wil vrijen. Ik wil een piemel in me. Alsof het een volledig autonoom wezen is, waar ik niets over te zeggen heb, glijdt mijn andere hand van mijn bil naar mijn lies. Ik voel hoe de vingers van mijn hand langs mijn venusheuvel en mijn schaamlip naar beneden glijden. Het topje van de middelvinger glijdt over de botrand in mijn bekkenbodem en vindt mijn vagina. De vinger duwt in het weefsel dat daar zit. O ja. Ik heb geen vagina. De intensiteit van de fantasie neemt af door dit besef. Ik zucht. Ik duw mijn vingertop zo ver mogelijk in het spierweefsel dat de plek van mijn toekomstige vagina markeert. Ik ontspan en daardoor glijdt het bovenste vingerkootje met het spierweefsel en al in de holte die daar in mijn lichaam zit. Ik kreun en geniet. Ik geef mijn hand de ruimte en ik voel hoe mijn vingers plagerig weer omhoog glijden langs mijn lies tot aan mijn venusheuvel. Mmmmmm. En weer naar beneden. Ineens verstijf ik. Mijn vingers voelen iets raars. Shit. Mijn piemel. Mijn balzak. Ik probeer deze sensatie te negeren en stuur mijn vingers naar mijn ingebeelde vagina. Maar het lukt niet meer. De fantasie is abrupt verstoord door de realiteit van mijn mannelijke geslachtsdeel. Een kille kramp trekt door mijn buik, via mijn maag naar mijn hart. Mijn hele lichaam spant zich aan en ik begin te huilen. Hoe graag ik het ook anders wil, mijn onvermogen wint het weer van mijn verlangen.

maandag 13 juli 2015

Agendastress

“Aanstaande zondag… eens kijken… Ja, ik kan! Leuk! ..eh… nee kan toch niet”. In mijn stem klinkt lichte teleurstelling door. Maar die teleurstelling is een gefilterde emotie. Omdat ik niet wil laten zien wat ik werkelijk voel; dat noemen we beschaving. Van binnen grom ik van boosheid: het zal weer eens niet waar zijn! Ik word er moedeloos van. Word ik uitgenodigd voor een leuk uitje – in dit geval een relaxed dansfeestje – en dan moet ik verstek laten gaan. Niet omdat ik geen tijd heb, nee mijn agenda is vrijwel leeg die dag. Er staat maar één afspraak in en die afspraak is eigenlijk vooral een herinnering voor mezelf: Niet Scheren. Deze zondag mag ik me niet scheren, net als de zaterdag en de vrijdag ervoor. Want op maandag heb ik weer een epilatiebehandeling gepland staan. Voor de zoveelste keer moet ik een leuk uitje aan me voorbij laten gaan vanwege mijn baard. Grrrrr!

Mijn Real Life Experience bestaat voor een groot deel aan het ervaren van schaamte, ongemak en afzondering omdat ik elke twee weken mezelf drie dagen niet mag scheren om vervolgens nog twee dagen rood (en soms gezwollen) te zijn als nasleep van de behandeling om mijn baardgroei te verwijderen. Ik haat het. Ik haat het. Ik wil mijn leven als vrouw uitbouwen. Mezelf laten zien. Bij vrienden zijn. Nieuwe vrienden maken. En hoewel ik de laatste tijd iets makkelijker mezelf mét baardgroei durf te vertonen (ook omdat deze eindelijk minder zichtbaar begint te worden), is de laatste dag voor de behandeling eigenlijk nog steeds een no-go-area. Bij een goede vriendin zijn lukt me dan nog wel. Maar gezellig zwieren en zwaaien op een dansfeest waar iedereen je ziet… nou nee dank je. Ik kruip maar weer in mijn schulp. De schulp die ik nou juist met mijn transitie probeerde af te werpen.

zondag 12 juli 2015

Route du Soleil

Meerdere keren reed ik in mijn leven over een eindeloze snelweg naar het zuiden, richting de zon. De Route du Soleil is berucht om de files op Zwarte Zaterdag. Maar voor mij staat het symbool voor alle vermoeiende, urenlange autoritten die ik ooit gedaan heb. Niet allemaal in Frankrijk, niet allemaal richting het zuiden. Maar bij al die ritten merkte ik een vreemd fenomeen op: snelheidsgewenning. Na verloop van tijd ben je zo gewend geraakt aan de hoge snelheid waarmee je over de snelweg raast, dat je onbewust het idee hebt dat je langzaam aan het vertragen bent. Automatisch laat je dan je rechtervoet iets zakken. En de auto versnelt. Door de monotone ervaring van het rijden blijft deze cyclus zich herhalen en voor je het weet rijd je 160 km/u. Het venijn zit hem er in dat je dat zelf meestal niet doorhebt. Je hebt mazzel als je dan een reisgenoot hebt die je er (al dan niet fijntjes beschuldigend) op wijst. “O, reed ik zo hard? Jeetje, sorry”. Of er volgen ingewikkelde smoesjes ter rechtvaardiging of gewoon glasharde ontkenning. Dit zelfde gekke fenomeen kom je op meer terreinen tegen. Zo hebben geluidsinstallaties de neiging om gedurende de loop van een feest steeds harder gezet te worden. Tot de buren ingrijpen. Met in het gunstigste geval “O, stond hij zo hard? Jeetje, sorry” als reactie.

Laatst drong het tot me door dat een zelfde soort gewenning misschien ook wel aan de hand zou kunnen zijn in mijn transitieproces. Als mensen mij de afgelopen maanden vroegen naar de voortgang in mijn transitie dan zei ik meestal met een diepe zucht dat het allemaal niet opschoot. Dat ik geen meter verder was gekomen, met alles wat ik wilde bereiken. Veel leek de afgelopen tijd ook stil te staan: ik heb nog steeds S. niet gezien, ik huil nog vrijwel dagelijks om M., ik heb nog steeds geen energie om te werken en dus nog steeds weinig geld om van te leven. Maar er zijn toch ook gebieden in mijn proces waar ik vooruitgang heb geboekt, zonder dat ik het door had. Tot nu dan.

Bijvoorbeeld mijn stem. De afgelopen maanden heb ik me erg gefrustreerd over de moeizame weg om te leren vrouwelijker te praten zónder mijn stem te forceren. Ik had het gevoel dat de logopedie me niet echt vooruit hielp. De oefeningen om de juiste focus en ontspanning in mijn keel en mijn gezicht te krijgen, wilden maar niet vlotten. Ik voelde zelfs steeds meer weerstand om die oefeningen überhaupt nog te doen. Totdat mijn logopediste me laatst vroeg of ik al vaker door de telefoon als vrouw ingeschat wordt. Want dat was immers de doelstelling die we samen hadden bepaald. En terwijl ik alle telefonische succeservaringen opsomde, keek mijn logopediste steeds vrolijker. “Zie je hoe goed het al gaat?”, zei ze. Ik voelde het niet zo. Maar eerlijk is eerlijk, de snelheidsmeter loog niet. Ik heb écht vooruitgang geboekt. Maar ik had het niet door, omdat mijn stem zich met zulke kleine stapjes verbeterde, dat ik elk afzonderlijk nieuw stapje niet als een aanpassing van het ‘uitgangsniveau’ waarnam. Het leek alsof ik kalmpjes voortkroop op de weg naar de beloofde bestemming, maar ik bleek inmiddels toch 160 km/u te scheuren. We zijn er nog niet, het is een lange reis. Maar zo schiet het tenminste toch nog een beetje op.
 

dinsdag 7 juli 2015

Niets om het lijf

Sinds mijn experiment met kleinere borsten gebruik ik nog alleen maar kipfiletjes (push-up-gel-pads) om mijn boezem te vormen. Experiment geslaagd dus. Maar omdat de implementatie naadloos volgde op de proef, was ik niet helemaal voorbereid. Ik moest halsoverkop kleinere bh’s kopen. Mijn eerste verzameling A-cupjes siert nu de kastplank waar mijn ondergoed op ligt. De C-cup-bh’s waar mijn volledige B-prothesen zo mooi onzichtbaar in waren, liggen nu achter in de kast bij de prothesen.

Dit weekend durfde ik een stap verder te gaan. Ik zou naar een strandfeest gaan. Een dagje zon, zee, goede dansmuziek en fijne vriendinnen. Maar er was een probleem. De hitte van de afgelopen week had me geconfronteerd met het feit dat mijn siliconen kipfiletjes (in tegenstelling tot mijn volledige prothesen) niet zelfklevend zijn. Voor het eerst sinds ik serieus aan mijn leven als vrouw bouwde, kon ik niet vertrouwen op de standvastigheid van mijn borsten. Het zweet dat door de warmte van mijn lijf af gutste, had meerdere keren mijn push-up-pads doen wegdrijven. Ik vertrouwde er niet op dat het goed zou gaan wanneer ik dan ook nog zou gaan dansen. Kippen horen al niet te vliegen, maar de gedachte aan over de dansvloer vliegende kipfiletjes was voor mij ondraaglijk. Die vernedering wilde ik me besparen. En een halflege bh dragen is ook niet bevorderlijk voor de aanblik. Bovendien kon ik dan in de hitte mijn bovenkleding niet uitdoen.

In een vlaag van overmoed kocht ik daarom vorige week een bikini-topje. Gezien de situatie tussen mijn benen is een bikini-broekje voorlopig een no-go-area. Maar gelukkig kun je bikini-onderdelen onafhankelijk van elkaar aanschaffen. Dus daar stond ik in het pashokje met een bikini-topje in maat S. Hij paste. De aanblik van enkel mijn eigen borstjes in die twee lapjes stof was niet geweldig, maar er zat wat. Heel klein, maar er zat wat. “Mwah, kan net”, zei ik tegen mezelf in de spiegel. Niet als conclusie, maar als poging om mezelf te overtuigen. Dat lukte, want ik kocht de bikini en een paar dagen later stond ik er mee op het strand. Ik voelde me heel naakt. Voor het eerst had ik als vrouw een blote buik in het openbaar. Lekker luchtig dankzij de bikini en daar was ik blij mee, maar ik voelde me een klein meisje dat bij de grote meiden wilde horen, daar nog niet de benodigde borstgroei voor had en net deed alsof het wel zo was. Ik voelde me heel kwetsbaar. Niets om het lijf. Naakt bijna. Maar mijn vriendinnen reageerden enthousiast op het resultaat en dat gaf me wel vertrouwen. Het was weinig boezem, maar hij was wel helemaal van mij! Dus ik danste naar hartenlust en al het zweet dat van mijn lijf liep deerde me niet. Dit dappere experiment was geslaagd!

Het zijn dit soort kleine overwinningen die me op de been houden. Die me af en toe een beetje hoop geven dat het helemaal goed gaat komen met mijn leven als vrouw. Ik formuleer het hier bewust in de toekomst – gaat komen – want het is nog niet goed nu. Sterker nog, mijn leven op dit moment is uitgekleed. Het heeft net zo weinig om het lijf als ik op het strand had. Ik sleep me door vermoeide dagen heen, waarin veel verdriet en boosheid is. Verdriet om S. die ik vreselijk mis. Ik heb hem al bijna een half jaar niet meer gezien en het lijkt er op dat dat ook nog wel even zal voortduren en dat doet pijn. De onzekerheid over onze toekomst vreet aan me. Ik wil hem vasthouden, knuffelen, liefde geven. Maar hij wil nog steeds alleen maar afstand. Dat blijkt elke keer als ik hem voorzichtig via de Whatsapp pols. “Voor nu”, zegt hij er dan bij en met die opmerking heeft hij mijn emoties aan een touwtje. Ik slinger alle kanten op. Van hoop naar vrees en weer terug. Er is ook veel verdriet over M. Ik mis haar nog steeds en ik heb inmiddels weinig hoop dat we elkaar nog ooit gaan zien. Maar mijn fantasie ensceneert onverwachte ontmoetingen (‘zou ze ook op het standfeest zijn? Dat is wel echt iets voor haar’) die me tergen (‘ze zal me toch niet negeren of boos worden?’) en aan hoop verslaafd maken (‘of zou ze me knuffelen en zeggen dat ze verder wil?’). Boosheid is er over de vreselijke traagheid van het medische proces en het feit dat ik alles zelf moet regelen en overal de druk op moet houden omdat er bij de zorgverleners en de zorgverzekeraar niemand lijkt te zijn die dit proces voor mij comfortabeler wil maken.

Deze parasiterende emotionele krachten zuigen me leeg. Ik heb geen energie om te werken, geen geld om van te leven en geen zin meer om me nog te verweren. Er zijn incidentele oprispingen van pogingen om meer sturing aan mijn leven te geven, maar die pogingen stranden in gebrek aan energie om dat vol te houden. De kwaliteit van mijn leven is laag op dit moment en dat besef drukt de laatste tijd steeds zwaarder. Mijn leven is uitgekleed. Krampachtig probeer ik met leuke dansfeestjes en ontmoetingen met lieve vrienden er nog iets positiefs van te maken. In totale ontkenning en onderdrukking van het lege, verdrietige gevoel van binnen. Ik ben dolblij met mijn gender; daarover is geen twijfel. Mijn gender is het reddingsvlot waar ik me nu al tijden aan vastklamp. Maar de weerslag die het transitieproces heeft op mijn leven is heel erg groot. Op sombere dagen als vandaag geloof ik niet dat het ooit nog beter wordt.

vrijdag 3 juli 2015

Mannenprijs

Het is stil bij mijn kapper om de hoek. Vanwege de zomerhitte zitten zijn klanten liever in het park in plaats van in de kappersstoel. Op het moment dat ik binnen stap zet mijn kapper net voor de laatste keer zijn schaar in het haar van zijn enige klant. “Hee schatje, ben je er weer?”, zegt hij. Schatje… ik moet er even aan wennen. Maar na de amicale zoenen die ik laatst van hem kreeg is alles mogelijk. Toen beloofde ik hem snel voor een knipbeurt langs te komen. En hier was ik dan. Terwijl we in gesprek raken, verliest mijn kapper de aandacht voor de klant die hij net geknipt heeft. Beleefd en correct, maar zonder de enthousiaste betrokkenheid die ik van mijn kapper zo goed ken, helpt hij de klant de deur uit. “Wil je mij een beetje bijpunten?”, vraag ik in het gangbare, maar syntactisch wat vervreemdend kappersjargon.

Voor ik het weet zit ik in de stoel met een kappersmantel over me heen. De eerste keer in mijn bestaan als vrouw. Of het de eerste keer is dat mijn kapper een transvrouw knipt weet ik niet, maar ik vermoed van wel. Het blijkt in elk geval wel de eerste keer te zijn dat hij zich bewust is dat hij getransplanteerde haren knipt. “Mag ik eens kijken?”, vraagt hij nieuwsgierig. Met aandoenlijke voorzichtigheid trekt hij zachtjes aan de kortere plukjes in mijn haarlijn. “Ze zitten vast hoor”, zeg ik tegen hem en we raken in gesprek over hoe dat nou precies gaat, zo’n transplantatie. Na een tijdje begint hij dan toch maar te knippen.

Na een eerste aarzelende vraag, en een geruststellende opmerking van mij, begint mijn kapper me het hemd van het lijf te vragen over mijn transitie en mijn gevoel een vrouw te zijn. Hij vind me dapper en hij vind me een echte vrouw: “Je gezicht is mooi”. Door de manier waarop hij tegen me praat en hoe hij mij behandelt, lijkt het wel alsof hij vergeten is dat hij me jarenlang als man kende. Wanneer hij klaar is met het afknippen van mijn dode haarpuntjes, sta ik op en loop ik mee naar zijn kassa. Daar blijkt mijn kapper zich toch ineens bewust van mijn mannelijke historie en dat levert hem een groot commercieel dilemma op: “Ja, moet ik nu de vrouwenprijs rekenen of toch maar de mannenprijs?”. Ik lach schaapachtig en zeg niet meer dan: “Tja”. “Ach we doen gewoon de mannenprijs”, zegt hij grootmoedig. De mannenprijs. Het voelt voor mij niet als een miskenning van mijn vrouw-zijn, maar juist als een erkenning van onze lange (en tot nu toe mannelijke) klant-kapperrelatie. Het feit dat hij er over twijfelde is genoeg erkenning voor mijn vrouw-zijn. Tevens erkent hij daarmee impliciet een van de vele vreemde ongefundeerde genderconstructies in onze maatschappij: de vrouwenprijs en de mannenprijs bij de kapper. Een verschil in tarief dat niet gebaseerd is op de te verrichten handelingen, maar op het geslacht. Terwijl ik afreken realiseer ik me weer dat ik in een nieuwe wereld terecht gekomen ben. De wereld van de vrouw.