zondag 30 augustus 2015

Ecstatic

Het is de tweede keer dat ik er ben. Niet in de club, want daar was ik al vaker voor een heerlijk avondje dansen. Maar ik was pas één keer eerder bij Ecstatic Dance. Dansen op je blote voeten, vanuit de flow van je hart. Niet als uitje maar als meditatie. Zonder woorden en zonder regels. Aan de zijkant van de dansvloer zit ik op grote kussens even bij te komen van mijn eigen dansescapades. Met dank aan mijn hormoonbehandeling lukt het niet meer om heel lang achter elkaar zo intensief te dansen. Op de vloer zie ik een grote diversiteit in hoe mensen hun lichaam gebruiken om zich uit te drukken; zelfstandig of in contact met iemand anders. De serene vrouw die sierlijk als een primaballerina danst. De gespierde man en de stoere vrouw die samen capoeira-achtig over elkaar heen rollen. Letterlijk.

Ik zit ook mentaal bij te komen, want een paar minuten geleden liep ik gefrustreerd de dansvloer af, richting wc, omdat door de combinatie van zweet en beweging mijn bh-vulling het zichtbare gebied van mijn decolleté was binnengeschoven. Tijdens een fijne dans met een man merkte ik ineens die twee siliconen halve maantjes op. Kut! Hoe lang zaten die daar al? Ik voelde ijdele hoop dat niemand ze gezien had en vluchtte naar de wc om ze op hun plaats te duwen. Ik was hier al vaak bang voor geweest maar deze keer had ik er niet aan gedacht om ze elke paar minuten even te controleren. Het is pijnlijk duidelijk dat ik het me gewoon niet kan permitteren om me met de flow mee te laten nemen. Nog een minuutje later en mijn bh-vulling was in een vernederende grijns over de dansvloer gevlogen. In de veilige privacy van het toilet huilde ik. Waarom groeien mijn borsten niet meer? Ik wil die protheses niet!

Nu zit ik in lotushouding te ontspannen op heerlijke kussens. De beat van de muziek houdt me onderdeel van de vibe, ook al dans ik even niet mee. Ik sluit mijn ogen en concentreer me op mijn lichaam. Mijn lijf geniet na van alle beweging die het gemaakt heeft, vervuld van blijdschap dat het weer eens volledig speels en vrij heeft mogen bewegen. Nou ja, vrij… ik heb natuurlijk wel enige regie gehouden opdat het er niet te mannelijk uit zou zien. Evengoed voel ik tevredenheid in mijn lijf.

Ik voel ook dat er iemand naar me toe komt en ik open mijn ogen. Het is die leuke jongen met wie ik vorige keer na afloop even heb staan praten. Hij lacht naar me en komt bij me zitten, recht tegenover me. Ik kijk in zijn ogen en lach naar hem terug. Mijn hand schuift van mijn knie naar die van hem en hij legt zijn hand op de mijne. Zo kijken we een tijdje in elkaars ogen. Open en eerlijk contact zonder woorden, alhoewel het lijkt alsof ik hem toch hoor praten. Alsof ik zijn gedachten kan lezen. Hij vindt me bijzonder en hij is nieuwsgierig naar me. Ik voel dat onze lichamen voorbij ons handcontact verbinding aangaan. Ik voel de energie die door zijn lijf stroomt en ik weet dat hij mij ook voelt. Het voelt goed maar tegelijk hoor ik een paniekerige stem in mijn hoofd: “O als hij mijn mannelijkheid maar niet voelt. Ik ben bang”. Mijn energetische verdedigingsschild komt telkens op en telkens laat mijn verlangen om deze jongen te ontmoeten het schild weer zakken. Het gaat heen en weer in een onrustige flow van besluiteloosheid. De jongen is besluitvaardiger. Hij spreidt zijn benen en met zijn blik nodigt hij me uit om dichterbij te komen zitten. Ik voel hoe een zweem verlegenheid mijn gezicht iets ontwapenends geeft en hij glimlacht naar me. Een verlangen welt speels in mij op. Ik spreid ook mijn benen en steek ze over die van hem achter zijn rug terwijl ik naar hem toe schuif. Achter mijn billen sluit hij zijn benen weer en ik voel hoe zijn handen op mijn onderrug mij omhoog dirigeren totdat ik bij hem op schoot zit. Ik leg mijn handen op zijn schouderbladen en voel hoe nat zijn rug is van het zweet van het dansen. Ik weet dat hij dat bij mij ook voelt, maar het deert me niet. Ik voel de mannelijke kracht van zijn rug, zijn beschermende handen op mijn rug en zijn gespierde bovenbenen onder me. Ik voel een druppel zweet op mijn arm lopen en ik vraag me af of die van mij of van hem afkomstig is. Ik blijf hem recht in zijn ogen aankijken. Het beeld is onscherp geworden omdat onze gezichten nu zo dicht bij elkaar zijn. De muziek pompt onverminderd steeds herhalende riedeltjes in onze oren. Het versterkt de actieve staat van bewustzijn van onze lichamen. Ik voel hoe mijn bekken haar klauwen uitslaat om zijn lijf vast te grijpen met de greep van een vleesetende plant, om hem vervolgens helemaal te verteren. Mijn benen omhelzen zijn billen en mijn ogen sluiten zich. Ik voel me een aantrekkelijke vrouw. Ik geniet van het energetische contact en mijn lijf hunkert naar een fysieke samensmelting. Maar dan grijpt mijn verdedigingsschild weer in: “Kijk uit, laat jezelf niet teveel zien! Die frons in zijn gezicht daarnet, zag je dat? Hij voelde dat je een man bent”. “Ik ben geen man, ik ben een vrouw”, protesteer ik nog. “Maar je kunt niet verder gaan dan dit punt hoor”, blokkeert mijn verdedigingsmechanisme mijn verlangens. Ik voel boosheid opkomen en om me af te leiden concentreer ik me op het contact van mijn handen met zijn rug. Ik merk dat mijn duim een van zijn spieren streelt. Ineens verschuift hij zijn hand van mijn onderrug naar mijn ontblote schouder en ik voel hoe zijn vingers naar mijn nek glijden. Hij speelt wat met het pluishaar aan de onderkant van mijn haarlijn. Terwijl ik dankbaarheid voel naar de hormoonbehandeling die mijn mannelijke nekhaar grotendeels heeft doen verdwijnen, hoor ik mezelf zachtjes kreunen. Ho, let op de toonhoogte, niet teveel borstresonantie, niet te mannelijk. Ik open mijn ogen weer en lach naar hem. Ik voel een neiging om hem te kussen, maar ik aarzel. Ik ben bang dat ik nu zo opgewonden ben dat het op een tongzoen uitdraait en god weet wat allemaal nog meer. Ik ben bang. Ik ben bang voor mijn mannelijkheid en zijn reactie. Zijn afwijzing zou ik niet kunnen verdragen maar ik wil hem ook niet zelf afwijzen uit zelfverdediging. Dit is gewoon te fijn. Maar tegelijk voel ik me een bedrieger. Ik ben niet eerlijk. Arme jongen, haal je maar niks in je hoofd, je wil me echt niet als je de waarheid zou kennen. Ik moet het hem vertellen. Ik haal adem, open mijn mond en… ineens voel ik zijn kriebelende vingers zich naar voren bewegen, richting mijn kaak. Stoppels! Straks voelt hij de stoppels van mijn baard! Het is immers toch al weer aardig wat uren geleden dat ik me heb geschoren. Ik draai mijn hoofd opzij en omhels hem inniger. Mijn hoofd leg ik op zijn schouder, veilig buiten bereik van zijn vingers. Pfff, wat ben ik aan het doen? Ik voel zijn ademhaling in mijn nek en ik merk dat we alle twee een beetje opgewonden zijn. Voel ik daar zijn erectie onder me? Maar die vraag heeft even geen prioriteit want tot mijn schrik voel ik mijn eigen erectie. Neee! Ik buig mijn onderrug, zodat mijn bekken wat kantelt, in de hoop dat hij mijn erectie niet kan voelen. Ik realiseer me dat dat nogal een uitnodigende sensuele beweging is en ik voel zijn lijf lichtjes schokken. Deze kleine energetische ontlading van hem, stroomt door mijn lijf en ik zucht om het de ruimte te geven. Onze tantrische ontmoeting raakt hem. Raakt mij. Raakt ons allebei. Ik denk aan M., met wie ik dit soort ervaringen heel vaak had. Ik mis haar. Ik voel me zelfs schuldig, alsof ik aan het vreemdgaan ben. Sorry, M. Een traan loopt over mijn wang, of is het toch gewoon zweet? Dit is teveel. Ik richt me weer op en kijk hem weer in zijn ogen. Het voelt alsof een licht magnetische kracht van zijn lijf me weer terug wil trekken in de samensmeltende omhelzing. Om dat te voorkomen, leg ik mijn rechterhand op zijn borstspier, mijn arm ontspannen gebogen tussen ons in. Ik voel me meteen veiliger, maar dat duurt niet lang. Hij legt zijn hand ook op mijn borst en verschrikt controleer ik mijn decolleté: gelukkig, geen prothesen te zien. Ook heeft hij zijn hand veilig hoog op mijn borst gelegd en ik voel zijn krampachtigheid om me toch vooral niet te laag en respectloos aan te raken. Wat een lieverd. Ik kijk hem aan en lach naar hem. Hij lacht terug. Synchroon met het langzaam wegvloeien van onze seksuele spanning, ebt ook de muziek weg. In stilte zitten we nog een tijdje zo: onze lichamen verstrengeld, onze aura’s aan elkaar gesmolten. Ik sluit nog even mijn ogen. Ik voel een sterke aandrang om op te staan en heel hard weg te rennen. Alsof onze ontmoeting door de stilte ineens veel zichtbaarder is voor de andere bezoekers. Maar hard wegrennen maakt alles alleen nog maar zichtbaarder en eigenlijk wil ik niet wegrennen, maar deze jongen nog even vasthouden. Ik schaam me. Ik schaam me voor mijn lichaam, ik schaam me over mijn oneerlijkheid naar hem. En ik baal van mijn voet op de rem. Mijn verstandige voet op de rem. Wanneer mag ik me eindelijk volledig in vrouwelijke overgave storten?

vrijdag 21 augustus 2015

Epilaaiend

De rand van de wastafel drukt in mijn onderbuik. Ik leun wat voorover om goed in de spiegel te kunnen kijken. Zag ik het nou goed? Het lijken er zoveel. Dichterbij de spiegel gekomen blijk ik het goed gezien te hebben. Het zijn er veel. Immens veel. Ik tel er in de gauwigheid al zo een stuk of 30 à 40 op mijn bovenlip. Haren. Donkere haren. Grrrr, waar komen die nu vandaan? Ik grom hardop: “Grrrr”. De galm in de badkamer versterkt niet alleen het geluid, maar ook mijn frustratie zo lijkt het, want ineens roep ik: “Godverdomme! Het moeten er minder worden, niet meer! Waarom groeien die kutdingen nu ineens weer allemaal terug? Ze waren toch bijna weg op mijn lip? Wat is dit? Zeker omdat die kut-hormonen voortdurend heen en weer schommelen omdat die kutpillen niet goed werken!! Al die klote epilatiebehandelingen helpen dus ook niet echt. Ben al negen maanden bezig! En ik had er al anderhalf jaar IPL opzitten! Mijn epilatiebudget is op. Hoe krijg ik die gore kutharen weg? Ze moeten weg, ze moeten weheheg!!”. Ik mep met mijn hand op mijn gezicht alsof ik die haren eigenhandig wel even terug naar binnen zal slaan. Omdat dat pijn doet stop ik er mee. Ik begin te huilen. Trillend en snotterend laat ik me op de vloer zakken. Ik krimp in elkaar en huil. Vandaag blijf ik maar binnen. Ik voel me niet sterk genoeg om de wereld te trotseren met mijn driedagenbaard. Ik heb geen vertrouwen meer in de epilatiebehandeling die ik morgen krijg. Geen vertrouwen in de goedhartigheid van de zorgverzekering om me nog extra geld te geven voor het verwijderen van mijn baardgroei. Geen vertrouwen dat het ooit nog wat wordt met mij als vrouw.

’s Avonds hang ik op de bank, met Facebook op schoot, te proberen de wereld in mijn huis te halen, als ik een nieuwe mail ontvang. Mijn tablet bliept even naar me, als een lonkende knipoog. Ik weersta de verleiding niet en ik open mijn mail. De mail is van mijn zorgverzekeraar: “u heeft een nieuw bericht. Ga naar de berichtenbox op onze site”. Het is mij een raadsel waarom ze niet meteen de inhoud van het bericht in de mail meesturen, maar nu is het mijn redding. Want ik durf niet. Ik durf het bericht niet te gaan lezen. Het gaat vast over mijn aanvraag voor extra budget voor gezichtsontharing. Ik had onlangs de zorgverzekeraar zelf maar een brief geschreven om het verzoek te motiveren omdat ik het gestuntel en gedraal van de VU die dat moest regelen een beetje zat was. En dit is vast de afwijzing van de zorgverzekeraar: de VU gaf me namelijk weinig kans. Pfff, een afwijzing. Die kan ik er nu niet bij hebben. De woedeuitbarsting van vanochtend ligt me nog vers in het geheugen. Ik besluit het bericht niet te gaan bekijken. Ik ga slapen. Ik ben moe. Het was een emotionele dag.

De volgende ochtend zit ik te ontbijten. Ik moet een beetje opschieten want ik moet naar mijn ‘epileuze’, zoals ik de huidtherapeute noem die mijn baard epileert. Het is de laatste behandeling die ik nog uit mijn budget kan betalen. Zonder nieuw budget weet ik niet hoe ik de behandelingen voort moet zetten. Ik herinner me het bericht van mijn zorgverzekeraar en ik zet mijn tablet aan. Ik voel angst voor de afwijzing en een lichte paniek maakt zich van mij meester. Ik dissocieer: ik zie hoe mijn trillende vingers inloggen op de website van mijn zorgverzekeraar, maar het lijkt alsof ik het niet zelf doe. Mijn trillende vingers openen het bericht. Mijn ogen schieten over de tekst op het scherm, maar ik neem niks waar. Het is één letterbrij. Nee toch niet: zie ik daar het woord ‘akkoord’ staan? Nee dat kan niet. Nog eens lezen: ‘akkoord’. Huh? Wacht, er staat vast het woordje ’niet’ voor. Ik lees:“We gaan akkoord met uw aanvraag”. Wat? Akkoord? Akkoord! Jaaa, ze gaan akkoord! Ik heb weer geld!! Ik begin te huilen. Het zijn geen tranen van frustratie, zoals gisteren. Het zijn tranen van opluchting. Ik voel mijn lichaam ontspannen. Heel even voelt het alsof ik de hele wereld aan kan. Alsof het me niks uitmaakt dat ik zometeen met mijn driedagenbaard naar mijn epileuze fiets en de hele weg aangestaard ga worden.

woensdag 19 augustus 2015

Zadelpijn

Je hoeft geen wielrenner te zijn om het fenomeen te kennen. Zadelpijn. Je hoeft niet eens een man te zijn, maar zadelpijn ken ik aan de hand van sensaties die alleen mannen kunnen ervaren. De dode piemel. Langdurige afknelling van de nervus pudendi is daar de oorzaak van. Ambities als wielrenner is dáár dan vaak weer de oorzaak van. Nu heb ik die ambities nooit gehad, maar ik kan me nog genoeg fietstochtjes herinneren waarbij ik een dof gevoel in mijn broek had, dat bij elke oneffenheid in de weg als het ware even pijnlijk omcirkeld werd door prikkelingen van omliggende zenuwen die nog wel signalen verstuurden. Heel naar.

Afstappen hielp altijd, dan kwam langzaam het gevoel in de piemel terug. Dat ging natuurlijk gepaard met tintelingen en stijfheid, net als wanneer je twintig minuten op je eigen voet hebt gezeten. Maar het vreemdst was het om dan te gaan plassen. Als ik dan met mijn vingers mijn piemel vastpakte, voelde het heel raar. Alsof het ding niet helemaal van mij was. Nu had ik dat gevoel toch altijd al, maar bij zadelpijn werd dit op een nare manier fysiek gematerialiseerd. Het voelde alsof mijn piemel slechts met een paar kwetsbare rafeltjes aan mijn lijf vast zat. Qua zenuwactiviteit was dat natuurlijk ook zo op die momenten.

De herinneringen aan zadelpijn komen op nu ik hier lig. Op deze behandeltafel. Ik ben op de fiets naar de kliniek gekomen. Twintig minuutjes door de stad. Maar de fietstocht is niet wat me aan zadelpijn doet denken. Het is mijn dode piemel. Ik zie dat ik hem met twee vingers optil. Ik voel het warme weefsel via mijn vingertoppen. Maar verder voel ik zo goed als niks. Alleen een heel vage sensatie via de piemel zelf. Geen tintelingen, zoals bij zadelpijn. Alleen een dood, dof gevoel. Ik durf de piemel bijna niet te bewegen, want ik ben bang dat hij dan afbreekt. Hij voelde nooit eerder zo ver van mijn lichaam verwijderd als nu. Nu wil ik die piemel toch niet, maar de artsen hebben het weefsel over een tijdje hard nodig om mijn vagina en clitoris te construeren, dus ik ben er toch zuinig op. In zekere zin heb ik niet mijn piemel vast, maar mijn toekomstige kut.

Mijn piemel is verdoofd. Niet door een afgeknelde zenuw, maar door Emla zalf. Dit smeerseltje van lidocaïne en prilocaïne heb ik een ruim uur geleden thuis op de huid van mijn piemel, mijn balzak en mijn perineum aangebracht en meteen afgedekt met een weinig flatteuze zelfgeconstrueerde luier van vershoudfolie. Door de verstikking trekt het middel goed in de huid en verdooft het. Een beetje. Niet meer dan een beetje. Dat weet ik inmiddels van eerdere behandelingen.

Bij de eerste flits aan de bovenrand van mijn piemel valt het nog mee. Maar zodra de huidtherapeut het laserapparaat verder richting mijn scrotum beweegt, begint het meer pijn te doen. Inmiddels weet ik welke plekjes het pijnlijkst zijn. “Dit is nog niks”, zegt een cynische stem in mijn hoofd. “Wacht maar tot ze richting je anus gaat”. Ik weet het. Ontharen van alle huid die straks tussen mijn schaamlippen en in mijn schede terecht gaat komen is een pijnlijke aangelegenheid. Ik probeer te ontspannen. Adem in, adem uit. Ik stel me voor dat ik heel breed ben, zo breed dat alle pijn van de wereld met gemak door mijn lijf heen kan stromen zonder ergens te blijven hangen. Want ik weet: pijn die stroomt is minder erg dan pijn die je vasthoudt. Maar bij de volgende flits van het laserapparaat verkrampen mijn benen en mijn voeten. Fuck, wat doet dit pijn. Ontspan Lisa, ontspan. Nog maar acht à tien behandelingen en dan ben je klaar om geopereerd te worden. Nog maar acht à tien maanden. En dan zal je pijnen gaan voelen die deze pijn doen verbleken.

maandag 10 augustus 2015

Trauma Bond

Elf jaar geleden zei de moeder van S. tegen me dat ze van me wilde scheiden. Ik was geschokt. Toen ze het tegen me vertelde, begreep ik wel dat ze de partner miste die ze ooit aan me had; ik was langzaamaan steeds ontevredener en chagrijniger geworden. Een half jaar eerder was ik zelfs behoorlijk door mijn hoeven gezakt met een burn-out omdat ik me frustreerde over het leven dat ik leefde en ik kon de uitweg uit dat dal nog niet echt vinden. Omdat ik in die periode zo met mezelf bezig was, zag ik haar onaangekondigde stap totaal niet aankomen. Er was toch onvoorwaardelijke liefde? Tenminste, dat dacht ik. De liefde die ik voor haar voelde en die ik van haar ontving, was zo veel dieper dan wat ik in mijn kinderjaren aan liefde had ervaren, dat ik dacht dat dit het ultieme was.

Door de scheiding en de paar kortere relaties die er de jaren erna op volgden leerde ik veel over hoe liefdesrelaties in elkaar steken. Ik begon steeds duidelijker te zien dat in al mijn liefdesrelaties (en in vrijwel elke relatie die ik in mijn omgeving zag) een bindende factor zat die gebaseerd was op symbiotische onbewuste patronen. Het gedrag van de een honoreerde op een onbewust niveau een behoefte van de ander en vice versa. En die onbewuste behoeften kwamen niet voort uit het heden, maar uit gevoelens van miskenning uit het verleden. Ik mijn geval werd me steeds duidelijker dat mijn gemiste moederliefde me onbewust in een subtiel bedelende en afhankelijke positie duwde: ik bestond enkel bij de gratie van de liefde van de ander. Precies zoals ik dat als kind met mijn moeder had ervaren. En ik legde hetzelfde onvermogen aan de dag als mijn moeder had gedaan in het geven van echte, onvoorwaardelijke liefde. Het was pijnlijk, heel pijnlijk om dat te zien. Na vele gesprekken met psychologen, vele trainingen voor persoonlijke ontwikkeling en heel hard aan mezelf werken was ik zo bewust van mijn patronen in gedachten en gedrag (mijn Systeem) dat ik me gelukkiger, vrijer en positiever begon te voelen.

Toen leerde ik M. kennen. In de ongelijkwaardige omstandigheden van onze ontmoeting lag liefde op het allereerste gezicht niet direct voor de hand (want dat hoorde daar niet), maar onze passie en aantrekkingskracht knetterde er toch al snel doorheen. Ik dacht dat ik de hemel gevonden had. Bij alle vrouwen met wie ik na de moeder van S. een relatie had gehad, voelde ik telkens een sterkere en diepere liefde. Maar met M. maakte dit zo’n grote sprong dat je dat wel een positieve trendbreuk mocht noemen. Deze liefde was zo ruim, groot en vrij dat ik zeker wist dat onze relatie voor altijd zou zijn. Ik voelde me aanvankelijk zo zeker van mezelf en onze liefde, dat ik elke dag opnieuw voor haar kon kiezen, zonder onbewuste drijfveren ter compensatie van oude pijn. Ik opende me naar M. op een diepte die ik daarvoor niet eens ooit had benaderd. En dat was wederzijds. In die totale openheid durfden we allebei alles aan de ander te laten zien wat zich in onze donkere binnenwereld afspeelde. We herkenden elkaars oude pijn en zagen hoe die ons volwassen leven nog beïnvloedde. Niemand had ons ooit beter begrepen en beter gekend dan wij elkaar begrepen en kenden. We voelden ons daardoor sterk verbonden. We noemden dat ‘soulmates’.

Ik zei toen wel eens tegen M. (en tegen vrienden wanneer ik over het wonder van onze liefde sprak) dat we ‘allebei gekwetste zieltjes’ waren, ‘en dat schept een band’. Ik verwees daarmee naar wat ik in de jaren voor M. had geleerd over symbiotische onbewuste patronen, maar het duurde lang voordat tot me doordrong dat ik daarmee mijn vrijheid om elke dag voor M. te kiezen was kwijtgeraakt. Ik was gehecht, afhankelijk, verslaafd aan haar geraakt. Intussen hadden we een heftige dynamiek van aantrekken en afstoten in onze relatie gekregen en putten we elkaar uit met intense ervaringen en heftige emoties. Toen het onderzoek naar mijn gender serieuzer werd, zette een constante dreiging van verlies onze relatie én mijn onderzoeksproces onder druk. Zou zij nog wel met mij verder gaan nu ik zo aan het veranderen was? Zou ik nog wel echt met haar, met een vrouw, een relatie willen? Deze onzekerheid was de gifangel die onze relatie uiteindelijk om zeep hielp. Ik was kapot van het verlies. Niet het verlies van onze liefde, want die zijn we niet verloren. Ik was kapot van het verlies van de relatie die zo fundamenteel mijn pijn uit het verleden erkende. Die míj zo fundamenteel erkende. Toch wist ik intuïtief dat ik het contact met haar definitief moest verbreken, om te voorkomen dat onze breuk opnieuw een cyclus van aantrekken en afstoten zou worden. Zo’n cyclus hadden we namelijk al drie keer eerder doorlopen. Ik wist dat ik verslaafd was aan haar en zij aan mij. Ik wist dat alleen cold-turkey afkicken zou helpen. Maar mijn hart lag aan diggelen.

Na tien maanden van dagelijkse huilbuien en intense gevoelens van gemis die slechts langzaam afnamen, leerde ik onlangs het werk van Patrick Carnes kennen. Zijn boek The Betrayal Bond: Breaking Free of Exploitive Relationships beschrijft hoe relaties er uit zien als ze gebaseerd zijn op een gedeeld of complementair trauma. Zijn beschrijving van een trauma bond past behoorlijk naadloos op de relatie die M. en ik hadden. Alle argumenten waarmee ik bij vrienden (en bij mezelf) mijn relatie met M. altijd verdedigd had (grenzeloos overweldigende liefde, veel avontuurlijke gezamenlijke ervaringen, veel bijzondere positieve eigenschappen van M.), zijn volgens dr. Carnes zijn overtuigende visie juist een bevestiging van het bestaan van de trauma bond. Die boodschap was een klap in mijn gezicht. Een wake-up call van jewelste. En het frustrerende is: ik wist het altijd al. Ik noemde ons niet voor niks ‘twee gekwetste zieltjes’. En intuïtief bleek ik ook de volgens dr. Carnes enig juiste oplossing gekozen te hebben: het contact volledig verbreken.

Mijn gekwetste, getraumatiseerde zieltje is niet zomaar genezen van deze trauma bond. Dit gaat jaren duren, zo voorspelt dr. Carnes. Met alles wat ik nu begrijp van trauma bonds weet ik dat ik de nog steeds stil sluimerende hoop op een toekomstige hereniging met M. moet laten varen. Maar dat besef doet vreselijk veel pijn. Als ik deze pijn probeer volledig toe te laten, dan dissocieer ik en huil ik zo hard dat ik er bijna in stik. Ik voel mijn hart zich uitstrekken naar M. Ik voel verlangen, hunkering naar haar. Maar al deze signalen brengen me dankzij dr. Carnes nu alleen nog maar meer in verwarring. Lieve M., ik hou van je. Maar helaas ben ik ook verslaafd aan je.

donderdag 6 augustus 2015

Slaapzaal

De houten treden kraken onder mijn voeten wanneer ik naar boven loop, op weg naar de slaapzaal in deze berghut in het uiterste zuiden van Duitsland. Een van de geneugten van bergwandelen is het slapen in een bedompte donkere zaal waar je schouder aan schouder ligt met andere, deels snurkende, bergwandelaars. Ik verheug me er met enig cynisme op, temeer omdat ik mijn oordopjes vergeten ben mee te nemen. Gelukkig zijn er belangrijker zorgen: hoe krijg ik in een slaapzaal voldoende privacy om me niet opgelaten te voelen over de bobbel in mijn onderbroek en de siliconen vulling in mijn bh? Ik zie geen enkele echt ontspannen oplossing. Wat zou het fijn zijn geweest als ik de zaal zou delen met bekenden die wisten hoe mijn vork in mijn steel zat. Maar goed, het is niet anders.

Mijn gedachten hebben me inmiddels boven gebracht en ik loop de slaapzaal in. Er staan drie volwassenen hun slaapzak uit te rollen en een jongetje van een jaar of vijf jaar houdt zijn papa daarbij van het werk. “Servus”, zeg ik ter begroeting en de volwassenen kijken me aan en groeten terug. Het jongetje kijkt me met prachtige donkerbruine ogen aan en zegt: “Bist du ein Mann?”. De adem van zijn vader stokt. Ook ik aarzel heel even en voel frustratie over mijn mannenstem die ik, zeker in het Duits, nog steeds niet onder controle heb. Dan lach ik ontspannen naar het jongetje en ik zeg: “Ja dass ist keine einfache Frage. Ich war damals ein Mann”. Ik zie drie verbijsterde volwassenen naar me staren, maar het jongetje blijft ontwapenend nuchter: “Bist du jetzt ein Frau?”. “Ja dass bin ich. Aber du hast es nicht falsch gesehen”. De vader kijkt me met een mengeling van onbegrip en opluchting aan. “Ok”, zegt het jongetje en hij laat zich speels op het bed vallen. De kous is af, dat is duidelijk. Ik voel ook opluchting omdat ik me dankzij het jongetje aan de volwassenen heb verklaard. Wanneer zal de behoefte om mezelf uit te leggen om me minder opgelaten te voelen eens overgaan?

Weemoed

Terwijl de zon de spieren in mijn benen warm houdt, staar ik voor me uit. Mijn benen liggen uitgestrekt op een bankje. Mijn rug rust tegen mijn rugzak die ik strategisch heb opgesteld aan het eind van het bankje. Ik zit op een stil plekje op het terras van een berghut om bij te komen van deze eerste dag van mijn bergwandeltocht. De eerste tocht die ik sinds jaren doe en de allereerste die ik onderneem als vrouw. Ik laat het uitzicht tot me doordringen: vijf, zes, zeven, acht rijen bergtoppen onderscheid ik in de verte. Als lonkende coulissen nodigen ze me uit om ze allemaal te doorkruisen. Mijn hart vermoedt dat er een Shangri-La, een Eldorado achter de laatste rij bergen ligt. Mijn hoofd protesteert met de nuchtere constatering dat we dan gewoon in Oostenrijk zouden zijn en dat het beloofde land alleen in jezelf bestaat. Mijn benen protesteren mee: geen verdere bergwandelingen meer vandaag graag! We blijven vannacht in deze berghut slapen. Morgen gaan we over de eerste bergrug heen, en dan via het dal terug naar de bewoonde wereld.

Deze eerste dag viel me zwaar. Dat kwam maar een klein beetje door de hoogtemeters: ik ben nu nog net onder de 2000 meter en mijn start lag 900 meter lager; ik heb in het verleden wel meer meters geklommen in één dag. Deze dag was deels zwaar door de onbarmhartige zon die mijn hele wandeltocht verwarmde naar tegen de 30 graden. Ook het traject was soms steil, maar mijn benen hebben wel heftiger bergwandel-omstandigheden gezien. Het probleem zat hem niet in alle omstandigheden van vandaag, maar in mijn benen zelf. Mijn veelgeprezen mooie vrouwenbenen hebben niet de spierkracht meer die mijn mannenbenen ooit hadden. Het gebrek aan testosteron maakte deze wandeltocht voor mij minstens 30% zwaarder dan hij in verleden geweest zou zijn. Ik miste de chemische middelen om me er met botte kracht doorheen te beuken als het even pittig werd. Daarnaast wilde ik graag een klein beetje van mijn vrouwelijke elegantie bewaren. Niet dat ik de hele dag met mijn heupen liep te zwaaien – dat gaat niet eens met een rugzak om – maar al te lompe mannenbewegingen wilde ik toch graag vermijden. Volgens mij lukte dat aardig.

Dankzij het warme weer kon ik gewoon in mijn hotpants en topje met spagettibandjes de paden op. De outdoor herenkleding die ik voor de zekerheid nog had bewaard toen ik vorig jaar mijn mannelijke garderobe in vuilniszakken stopte, wilde ik eigenlijk niet meer aan: het oog wil ook wat. Wanneer ik mensen op het pad tegenkwam, werd ik naar Alpien gebruik gegroet en groette ik terug (“Servus”, “Grüss Gott”). Maar o, wat klonk ik mannelijk! Ik had al eerder ervaren dat het voor mijn brein ingewikkeld is om alle nieuwe technieken van het vrouwelijk spreken toe te passen in combinatie met mijn Duitse taalcentrum. Vandaag kwam daar ook nog mijn constante gehijg bij. Pfff, mijn conditie is echt naar de knoppen dankzij de hormoonbehandeling...

Ik voel weemoed naar de tijd dat mijn leven stabiel en duidelijk was. Het was niet mijn leven, maar dat van de persoon die ik dacht te moeten zijn. Dat leven had heel veel vanzelfsprekendheden die ik door mijn transitie ben kwijtgeraakt, zoals bijvoorbeeld in deze context: conditie, spierkracht en de gewoonte om regelmatig de bergen in te trekken. Alsof deze Dirndl van schrik het dienblad waarop ze haar leven droeg prompt op de grond liet kletteren toen ze ontdekte dat haar heimelijke wens als vrouw te leven waarheid aan het worden was. Het duurt nog wel even voor ze alle scherven weer heeft opgeraapt. Vandaag heb ik met mijn eerste bergwandelavontuur als vrouw er weer eentje teruggebracht in mijn leven.

Ik ontwaak uit mijn ‘feminisatie-evaluatie’ en word me weer het terras bij de berghut gewaar. Ik zucht en staar naar de rijen bergen voor me. Ze worden steeds blauwer van kleur tot aan het punt waarop niet meer te zien is of het verre bergen zijn of het begin van de wolkenlucht aan de horizon. De emoties die ik voel laten zich evenmin eenduidig benoemen. Ik voel opluchting over weer een succesvolle mijlpaal in mijn leven als vrouw. Ik voel verdriet dat er nu niemand is om deze mijlpaal mee te delen. Ik voel verdriet dat S. er niet bij is. Ik voel een grote ontspanning door het prachtige uitzicht. Ik voel trots over mijn prestatie van vandaag. Welk van die emoties mijn lijf nu precies wil uiten weet ik niet, maar ineens begin ik te huilen. Mijn ogen mengen al mijn gevoelens tot zilt vocht. Ik huil stilletjes, maar gestaag. Na een tijdje zucht ik diep en droog ik mijn tranen. Ik kijk nog eens naar de prachtige bergen voor me. De plompe onverzettelijkheid van deze enorme rotsige kreukels in de aardkorst relativeren mijn sores. Deze bergen zullen nog heel veel weemoedige transgenders zien komen en gaan.


woensdag 5 augustus 2015

Dirndl

Een van mijn jongensdromen was altijd om een mooie Dirndl-jurk te hebben. Nu ik inmiddels een meisje ben én op dit moment in Beieren ben voor mijn vakantie, staat me weinig meer in de weg om deze droom te realiseren. Behalve dan een chronisch gebrek aan geld. Mijn vakantieadres in München kan ik door middel van een tijdelijke huizenruil gratis bewonen, maar ik geloof niet dat ik een Dirndl-jurk kan krijgen door een flodderig zomerjurkje uit mijn koffer aan te bieden. Maar niets staat me in de weg er eentje te passen natuurlijk. In een opwelling realiseer ik me die mogelijkheid wanneer ik langs een warenhuis loop met Dirndls in de etalage. Ik ga naar binnen en zoek een mooie uit. Met een blik van ‘ja ik zoek er nog eentje voor het aankomende Oktoberfest’ loop ik langs de verkoopster bij de pashokjes.

Ik trek de jurk aan. Het lijfje zit strak om mijn lichaam zoals het hoort. Ik arrangeer mijn beperkte hoeveelheid borstweefsel zodat mijn boezem er niet helemaal belachelijk uitziet en ik trek de veters aan de voorkant strak aan voor een extra boost. Oncomfortabel is dat niet; het zit zoals ik me een korset voorstel en het geeft veel steun. Ik kijk in de spiegel naar het resultaat. Okee, mijn boezem zou niet door de castings voor erotische Tiroler films heen komen, maar het valt me zeker niet tegen. De jurk staat me prachtig. Dag Liesl! Mijn enorme grijns verraad dat er een heel blij meisje in die jurk zit. En met terugwerkende kracht ook een heel blij jongetje. Het jongetje dat zichzelf nooit lang toestond om te dromen over een voor hem verboden wens. Hij mocht dit niet willen, dus durfde hij het eigenlijk ook niet stiekem te willen. In een opwelling van blijdschap wil ik de jurk kopen en ik kijk nogmaals op het prijslabel. Gelukkig redt mijn verstand mijn maandbudget nog net op tijd. Met een gelukzalig gevoel van trots én een paar mooie foto's op zak, trek ik de jurk weer uit en verlaat ik de winkel.

dinsdag 4 augustus 2015

Traumatisch verhaal

Ik voel me wiebelig. Al een paar weken. En het gaat maar niet over. Ik bedoel niet mijn fysieke duizeligheid van de hormoonbehandeling, maar een interne wiebeligheid. Ik weet dat dit een teken is dat er dingen aan het loskomen zijn in mijn Systeem, zoals ik het samenstel van ongecontroleerde gedachten, onbewuste emoties en automatische gedragspatronen meestal noem. Dit Systeem is een product van alle ervaringen die ik in dit leven – en dan vooral in mijn jeugd – heb opgedaan. Elke gebeurtenis die emotioneel gezien van betekenis was, heeft invloed uitgeoefend op mijn denkbeelden en mijn gedrag. Alle emoties die destijds te groot en te heftig waren om volledig te kunnen voelen (een trauma dus), zijn opgeslagen in mijn lichaam en in mijn zenuwstelsel. Die onverwerkte emoties vormen nog steeds de brandstof voor belemmerende overtuigingen (‘ik ben het niet waard om van gehouden te worden’), saboterend gedrag (vooral als iemand het tóch waagt om van me te houden) en energie slurpende gevoelens van onbehagen.

De afgelopen tien jaar heb ik veel aandacht besteed aan het leren kennen en helpen ontspannen van mijn Systeem. Veel negatieve overtuigingen en gedragingen zijn milder geworden. Veel opgekropte energie en emoties zijn ontladen. Dat alles leerde me beter naar mezelf te luisteren en, zoals eerder gezegd, gaf dat me een veel helderder blik op mijn gevoel het verkeerde gender te hebben. De afgelopen paar jaar heb ik kritisch onderzocht of mijn genderdysforie niet ook ‘gewoon’ een verhaal was dat mijn Systeem construeerde als gevolg van een vroeg trauma. Wilde ik niet gewoon vrouw zijn omdat dat verhaal een ‘logische’ verklaring was voor het traumatische feit dat ik onvoldoende liefde kreeg? Of was mijn gender onbehagen toch echt het trauma zelf? Voor mij is de afgelopen jaren vast komen te staan dat dit laatste het geval is. Maar de criticus in mij roept dat dat best wishful thinking kan zijn. Zo’n wishful verhaal is immers cruciaal als motor achter het moeilijke proces van een geslachtstransitie. Als je zelf twijfelt, dan kom je nergens. Maar goed, een dieper antwoord op de betekenis van mijn genderdysforie heb ik in vier decennia nog niet gevonden, dus ik doe het er maar mee.

Sinds de stilteretraite van afgelopen mei broeit er iets. Ik ben niet gaan twijfelen aan mijn proces: ik wil vrouw zijn en ik doe nog steeds alles wat nodig is om de transitie zo goed mogelijk te maken. Maar het verhaal achter mijn gender begint meer nuances te krijgen, begint zich meer te verdiepen. Ik wist al dat mijn genderexpressie en genderbeleving niets te maken hebben met mijn diepe kern: mijn Unieke Zelf, mijn innerlijke Boeddha, mijn grote Ik omvat al het mannelijke en al het vrouwelijke en is daarmee de facto geslachtsloos. Mijn gender, en de dysforie die daar in mijn geval bij hoort, ligt op het relatief oppervlakkige niveau van mijn identiteit.

De afgelopen twee maanden heb ik me wat meer verdiept in het traumawerk van Peter Levine. Zijn denkkader en werkmethode vormen een belangrijke inspiratiebron voor mijn spirituele leraar Isaac Shapiro en zo kwam het dus al een paar jaar geleden op mijn pad. Maar onlangs deed ik voor het eerst een tweetal therapeutische Somatic Experience sessies en voerde ik veel informele gesprekken met een therapeut uit mijn vriendenkring. Daardoor kreeg ik meer zicht op hoe mijn Systeem omgaat met stress en trauma. Ik werd me bewuster van het moment waarop ik mezelf bescherm door te dissociëren. Dit psychologisch afweermechanisme is effectief op het moment zelf, maar levert veel diep in je Systeem verankerde onverwerkte herinneringen en emoties op. Met jarenlange onbewuste negatieve invloed tot gevolg. Tot mijn schrik realiseer ik me inmiddels hoe vaak mijn Systeem ook nu nog elke dag dissocieert. Meer dan goed voor me is. Maar ja, wat wil je als je decennialang de pijn van het verkeerde lichaam hebt vermeden met dissociatie? Dissociëren is net zo gewoon voor me geworden als drie keer per dag eten. Leer dat maar eens af.

Ik ben ook sterker gaan zien hoe niet alleen actuele gebeurtenissen, maar ook mijn herinneringen vaak tot dissociatie leiden. Alsof de emoties van die herinnering bij het oprakelen nog steeds te groot blijken om te verwerken. En toch blijft mijn Systeem het maar proberen in een voortdurende recycling van emotionele lading. Misschien is dit ook wel de reden dat ik de laatste weken minder aan dit blog schrijf dan ik voorheen deed. Een blog schrijven is meestal niets anders dan verhalen oprakelen die op het moment van schrijven niet plaatsvinden. Ik heb daar op dit moment niet zoveel zin meer in. Ik ben de laatste week voorzichtig aan het oefenen met het doorbreken van mijn hardnekkige dissociatie-patroon, door te proberen in het hier en nu te blijven. Elke keer als het me lukt om de impuls van dissociatie te weerstaan, voel ik mijn Systeem zich wat verder ontspannen. Ik voel de verhalen langzaam vervagen. Dat voelt als vrijheid. Vrij van alle verhalen. Maar dat creëert ook onrust. Want wat als mijn werkelijkheid heel anders blijkt te zijn zonder al die verhalen? Ben ik dan nog wel genderdysfoor? Ik zou heel verlicht kunnen zeggen dat ik zelfs bereid ben dát verhaal op te geven. Maar dat is helemaal niet zo. Ik hecht aan dat verhaal. Ik weet het, hechting is weinig spiritueel. Maar toch: het veroveren van mijn gender op mijn biologie en opvoeding voelt voor mij juist als een diep spirituele daad. Door mijn ene genderidentiteit te vervangen door de andere ontdek ik hoe veel van mijn gedachten, gevoelens en gedrag een product zijn geweest van conditionering. Door te zien wat er allemaal schuift door mijn gendertransitie krijg ik beter zicht op wat er niet schuift: mijn kern, mijn ik. Dankzij mijn gendertransitie leer ik mezelf op een fundamenteel niveau beter kennen. Maar ja, deze hele redenering zal ook wel weer een verhaal zijn waarmee ik aan de realiteit probeer te ontsnappen…