donderdag 17 september 2015

Naar school

Ik ben al bijna twee uur wakker. Onrust had me uit de diepe slaap en in broeierige dromen gehouden. Terwijl ik op mijn balkon sta, rennen kinderen joelend door de straat in de richting van de deur van het schoolgebouw recht tegenover mijn huis. Het is een behoorlijk kabaal, maar het is in zichzelf geen naar geluid. Het is vervuld van uitgelatenheid, speelsheid, verlangen en spanning. Heel wat anders dan het snerpende geluid van de glasbak tegenover mijn huis wanneer deze ’s ochtends vroeg om kwart over zeven door de milieudienst van mijn stad geleegd wordt. Dat moet gebeuren natuurlijk, maar tot nu toe is me onhelder gebleven waarom dat zo vroeg moet. Op de glasbak zit een vermanende sticker die me ertoe moet bewegen toch vooral geen glas in te werpen vóór acht uur ’s ochtends in verband met geluidoverlast voor de buren. Voor het inwerpen van een jampotje is kwart over zeven te vroeg maar voor het in de vuilniswagen storten van ettelijke tonnen glas is het een prima tijdstip. Het geluid van de joelende kinderen is gelukkig een stuk minder onaangenaam. Een stuk later ook, want het is nu ongeveer kwart over acht.

Toen ik hier kwam wonen was ik net gescheiden. Ik was net een parttime vader geworden. Ik miste S. veel. In het begin vond ik het gejoel van de kinderen rond de school moeilijk om te horen. Als een vliegenverdelgingslamp trok het altijd mijn aandacht en kon ik de neiging om te gaan kijken niet onderdrukken. Altijd zag ik S. dan door de straat rennen. Tikkertje doen. Voetballen. Maar ik wist dat hij het niet was. Dat het slechts een gelijkende jas was, een zelfde kleur haar, een gelijkende tred of gewoon het overweldigend sterke gemis waardoor ik in elk jongetje S. wilde zien. Gelukkig ebde dit weg. Ik raakte gewend aan de kinderen in mijn straat en aan het feit dat ik S. niet meer elke dag zag.

Nu sta ik in het kille ochtendgloren op mijn balkon en zie de schoolkinderen rondrennen. S. is de basisschoolleeftijd al ontstegen inmiddels, maar toch zie ik hem daar weer tussen lopen. Ik weet dat het niet zo is, maar ik zou het zo graag willen. Ik zou zo graag willen dat hij hier door de straat liep. Zo vlakbij. Dat ik hem kon zien. Dat hij naar me zwaaide. Dat ik een handkus van het balkon op hem neer liet dwarrelen. Maar de harde realiteit is dat S. me al bijna negen maanden niet wil zien. De harde realiteit is dat ik hem mis. De harde realiteit is dat ik niks anders kan doen dan hem ruimte geven en wachten. En elke ochtend opnieuw vanaf mijn balkon uitkijken naar zijn komst.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten