vrijdag 30 oktober 2015

Rolmodel

R. is een van mijn allerdierbaarste vriendinnen. We zien elkaar vaak. Niet alleen omdat het gezellig is, maar ook omdat ik regelmatig voor haar zoontje van twee zorg. R. voedt haar zoon alleen op en ik geef haar regelmatig even de handen vrij door de zorg en verantwoordelijkheid voor haar zoontje op me te nemen. Hij en ik zijn inmiddels erg vertrouwd met elkaar en ik ben opgeklommen in de pikorde. Die is nu: mama, oma, Lisa; alhoewel hij me geen Lisa noemt, maar iets dat het midden houdt tussen Hisa en Sisa. De L is lastig voor prille spraakvermogens. Ik hou van deze kleine schat en het is bijzonder om me nu voor het eerst als vrouw over een klein kind te mogen ontfermen.

Met R. en de kleine jongen ben ik voor een paar dagen in een vakantiehuisje in Friesland. Gezellig samen zijn en vadertje en moedertje spelen. Of nou ja, moedertje en moedertje. ‘Ons’ kind heeft geen mannen in zijn leven. De eerste keer dat hij een andere piemel zag dan die van hemzelf, was een paar maanden geleden. Ik logeerde toen bij R. en hem en hij zag me in de douche. “Piemel”, riep hij en hij wees. Hij straalde er bij; opgelucht dat hij eindelijk iemand zag die hetzelfde lichaamsdeel had als hij. Ik straalde niet maar voelde me opgelaten. “Dit moet hem wel een heel fundamentele verwarring opleveren ten aanzien van sekse”, zei ik tegen R. Maar zij reageerde laconiek en was vooral blij dat hij tenminste een keer een andere piemel zag.

Nu, maanden later, lig ik languit op de bank van het vakantiehuisje; mijn jurk netjes over mijn bovenbenen gedrapeerd. Het jongetje kruipt bij me op de bank, wijst onder mijn jurk en roept: “Piemel!”. Gelukkig waren er geen vreemden bij. R. en ik lachen er even om, maar ineens flitst mijn aandacht naar de toekomst. Hoe is dat straks voor hem als ik dan eindelijk geopereerd ben? Zal dat niet traumatisch voor hem zijn? Zijn moeder is blij met mijn piemel als referentiepunt voor hem. Maar ik ben natuurlijk een rolmodel van lik-me-vestje. Straks denkt hij dat het normaal is voor vrouwen om een piemel te hebben en die vervolgens kwijt te raken. Castratieangst volgens het boekje.

Ik ben al eerder een slecht rolmodel geweest. Een jaar of twee geleden, tijdens een van de gesprekken die ik met S. had over mijn transitie, vroeg hij zich af of wat hij van mij had geleerd eigenlijk wel mannelijk was. Ik was onder de indruk van de wijsheid achter die vraag. Hij realiseerde zich niet alleen dat hij door mijn transitie zijn voorbeeld zou kwijtraken, maar hij ook dat hij zijn vader als mannelijk rolmodel misschien wel met terugwerkende kracht was kwijtgeraakt. Ik analyseerde toen samen met hem vrij nauwkeurig in welke dingen ik een uitgesproken mannelijk voorbeeld was geweest. Gelukkig was dat heel wat, want ik was behoorlijk succesvol geweest in mijn mannelijkheid. Ik was ook eerlijk over wat hij gemist had: stoeien, voetballen, competitief macho gedrag en bierdrinken waren nooit echt mijn ding.

Het zoontje van R. kruipt verder op de bank en klimt bij me op schoot. Ik omhels hem en zijn lijfje smelt in totale ontspanning met het mijne samen. Ik voel onzichtbare handen uit mijn hart oprijzen om dit onschuldige kwetsbare mensje voor altijd te beschermen. Dit lieve kind, waar ik met zoveel geduld en toewijding voor zorg. Ik realiseer me hoe goed ik tegenwoordig in staat ben om een onvoorwaardelijke liefdevolle ruimte te zijn voor zo’n klein mensje dat de wereld nog amper begrijpt. Dat was vroeger met S. wel anders. Wat ik de laatste jaren heb doorgemaakt heeft me een completer mens gemaakt. Weemoedig besef ik het wrange lot dat ik S. destijds de slechtste versie van mezelf heb gegeven en dat ik nu geen kans krijg om het goed te maken. Liefdevolle handen strekken zich uit naar S., maar tasten in het luchtledige. Terwijl ik mijn ogen sluit en de geur van het haar van het zoontje van R. opsnuif, rolt een traan over mijn wang.

vrijdag 23 oktober 2015

De keizer

Ik stap de drukke bus uit. Tijdens de 50 meter tussen bushalte en bestemming haal ik mijn telefoon uit mijn tas. Niet om hem alvast op zwijgstand te zetten voor de werkbespreking die zo volgt, want vandaag heb ik me voorgenomen mijn telefoon aan te laten staan omdat ik een belangrijk telefoontje van de VU verwacht. Ik pak mijn telefoon uit gewoonte. Ik weet dat er niks op te zien is, want ik heb geen bliepje gehoord van een binnenkomend berichtje of het riedeltje van een binnenkomende oproep. En toch kijk ik. En tot mijn schrik zie ik dat ik helemaal niet keek uit dwangneurose, maar omdat een parallel universum mijn onbewuste influisterde dat er iets te zien is. Inderdaad: 1 oproep gemist. Huh? Waarom heb ik dat niet gehoord? Aan het tijdstip zie ik dat het een minuutje of tien geleden tijdens mijn busrit is gebeurd. Ik heb niks gehoord; kennelijk was het toch rumoeriger in de bus dan ik doorhad. De beller heeft geen nummer achtergelaten en geen bericht ingesproken. Een anonieme beller op deze dag? Dat moet de VU zijn; die bellen altijd met een onzichtbaar nummer, cynisch geredeneerd waarschijnlijk om het terugbellen te bemoeilijken.

Vandaag zou mijn VU-psycholoog me bellen om me de uitkomst te vertellen van het multidisciplinaire overleg waarin hij mij eerder deze ochtend heeft besproken met collega psychologen en de gender-medici van Endocrinologie en Plastische Chirurgie. Al deze mensen moeten het eens zijn met de conclusie van mijn psycholoog dat ik de Real Life Experience goed heb doorstaan. Deze proeftijd van een jaar is om te bewijzen dat je min of meer succesvol vrouw kunt zijn en dat je dat ook echt nog steeds wilt. Consensus in het genderteam opent voor mij de weg naar de Grote Operatie, die officieel SRS heet (Sex Reassignment Surgery). Vanwege geblunder van de VU met mijn genitale ontharing duurt het trouwens nog wel even voor ik daadwerkelijk in de operatiekamer lig, maar dat is een ander verhaal. Het genderteam kijkt nu eerst of ze me voldoende geslaagd vinden: zelfredzaam, emotioneel voldoende stabiel (voor zover mogelijk met een hormoonbehandeling), een functionerende sociale structuur om me heen, een bron van inkomsten. Mijn sociale gendertransitie moet in al mijn levensgebieden uitgevoerd zijn en ik moet het overleefd hebben. En nog steeds een vrouw willen zijn. Tja, ondanks de pittige schade die mijn transitie in mijn leven heeft berokkend (mijn zoon, mijn geliefde en mijn moeder uit mijn leven verdwenen) moet ik toch concluderen dat ik het behoorlijk goed gedaan heb. En dat vindt mijn VU-psycholoog gelukkig ook. Wat kan er dan nog fout gaan? Ik had bewust onlangs mijn officiële klacht tegen mijn endocrinoloog maar even ingeslikt om geen vijanden te maken. Dit moet goed gaan nu. Die vergadering is maar een formaliteit. Toch? Maar ja, na mijn examen op de middelbare school wist ik ook dat ik het goed gedaan had, maar toch was het nagelbijten op de dag van de uitslag. Nu bijt ik geen nagels meer, maar de spanning is er niet minder om. Dit is nu nog meer bepalend voor mijn toekomst dan de beslissing van de examencommissie destijds.

Ik sta met mijn telefoon in mijn hand en ik aarzel. Ik weet niet zeker of het inderdaad de VU was die me heeft gebeld. Ik wil ook niet te opdringerig overkomen. Maar ik besluit ze toch te bellen. Ik wil het weten. “Uw psycholoog is net in gesprek gegaan. Ik zal hem vragen u terug te bellen”. Even voel ik ongeduld: waarom kan de secretaresse het me niet gewoon alvast zeggen? Kom op! Maar ik bijt op mijn tong en zeg beleefd: “Ja graag, dankjewel”.

Een uurtje of drie later gaat de telefoon. Ik gris hem uit mijn tas en zie weer geen telefoonnummer vermeld. De VU. “Hoi met Lisa”. “Dag, met de psycholoog”. Mijn hart slaat meteen als een paukenist de galeislaven van mijn schip vol ongeduld vooruit. Zeg het me, zeg het me… “Zoals je weet hebben we vanochtend in het …”. Ik luister al niet meer echt. Ik weet dit al. Schiet op man! Doe niet zo formeel. “Ik had je al verteld dat…”. Ja, ja, ja kom nou! Waarom al dit gedraai? Heb je slecht nieuws soms? Het zal toch niet? Ik voel me boos worden. Ik wil net gaan schreeuwen als mijn psycholoog tot de kern komt. “We zien daarom geen belemmeringen om door te gaan naar de volgende fase”. Yes! YES! YEEESSS!!! “Daar ben ik blij mee”, reageer ik vormelijk. Belangrijke communicatiewet: wat je geeft krijg je terug. We bespreken nog wat praktische details over de vervolgstappen en we hangen op.

Het voelt vreemd dat anderen voor mij moeten beslissen of ik voldoende vrouw ben om geopereerd te mogen worden. Ik snap de waarborgen die het genderteam in het proces heeft gebouwd en die lijken me ook voor mij zinvol. Maar omdat die waarborgen ook zo schrijnend veel tijd kosten en zo veel pijn en frustratie opleveren, zou een beetje compassie wel op zijn plaats zijn. Maar de toon waarmee het genderteam dit doet maakt van hen een Romeinse keizer die met een simpele duimbeweging omhoog of omlaag beslist over mijn leven.

Ik ben een vrouw. Ik heb er lang over gedaan om het zelf vol overtuiging te kunnen zeggen. Mijn omgeving (op enkele pijnlijke uitzonderingen na) zag het al meteen toen ik een jurk aantrok. Ik ben blij dat het genderteam het nu ook gezien heeft. Ik zei het toch!
 

woensdag 21 oktober 2015

Vraag het aan Mona (Lisa)

Soms vraag ik me af voor wie ik mijn blog schrijf. Natuurlijk help ik mezelf ermee: schrijven ordent mijn gedachten. En schrijven in een openbaar dagboek legt enige sociale druk om te blijven schrijven, waardoor er minder ruimte is voor mijn onbewuste patronen om weg te vluchten van de confrontatie met mijn eigen gevoelens en gedachten. De laatste tijd schrijf ik duidelijk minder vaak dan voorheen, dus kennelijk is mijn angst voor mijn eigen gevoelens op dit moment groot. Ik weet ook wel waarom, want zodra ik in de buurt kom van het verdriet dat ik om S. voel, dan lijkt mijn hart wel te splijten.

Toen ik aan dit blog begon, wilde ik mijn zoektocht openbaar maken voor lotgenoten. Ik had zelf tevergeefs op internet gezocht naar goede openhartige en intelligente ervaringsverhalen van lotgenoten die met name hun zoektocht naar identiteit beschreven en niet zozeer de daadwerkelijke transitie. Die transitie was en is voor mij secundair aan het proces dat zich aan de binnenkant afspeelt. Omdat zulke ervaringsverhalen er niet waren, besloot ik mijn proces voor anderen beschikbaar te maken. Dus schreef ik mijn blog ook voor hen.

Regelmatig krijg ik mooie reacties van lotgenoten. Soms via het blog, soms via persoonlijke berichten. Altijd ontroeren ze me vanwege de wederzijdse herkenning. Wanneer ik hen antwoord, realiseer ik me vaak hoe diep ik al gegaan ben in mijn eigen zoektocht. Hoeveel antwoorden ik eigenlijk al heb gevonden op fundamentele vragen die samenhangen met een zoektocht naar identiteit in het algemeen en genderidentiteit in het bijzonder. Soms voel ik me net de iconische biechtmoeder Mona van het tijdschrift Story. En realiseer ik me hoe bijzonder leerzaam en dankbaar dat werk voor Mona zelf geweest moet zijn.

De laatste tijd correspondeer ik af en toe met een lotgenote die nu midden in haar zoektocht naar een keuze zit. Onlangs schreef ze me dat ze er eindelijk enigszins vrede mee had dat ze een meisje bleek te zijn maar dat ze nu opeens weer volop in beweging was geraakt: “Ik ben er weer van overtuigd dat ik mijzelf zit te belazeren”. Herkenbare frustratie. De kern van een gendervraagstuk is de fundamentele vraag wie je bent. Wat bepaalt wie je bent? Welke rol speelt gender? Word je iemand anders als je je gender wijzigt? Word je dan eigenlijk meer jezelf of niet? Ik heb me suf gepiekerd op al die vragen. Ik voelde trots toen ik tijdens het formuleren van mijn reactie naar haar, merkte hoe helder de antwoorden inmiddels voor mij zijn. Natuurlijk zijn het mijn antwoorden en het gaat bij fundamentele antwoorden natuurlijk niet om het antwoord maar om de persoonlijke zoektocht ernaar. Maar dit is wat ik haar schreef: “Dat gevoel dat je jezelf belazert ken ik maar al te goed. Als ik er filosofisch / spiritueel op mag reageren: in zekere zin is het ook zo. Als je gelooft dat jij die man was, dan klopt het niet om hem in te wisselen voor die vrouw. Jij bent die vrouw niet echt, net zoals je die man niet echt bent. Je bent iets veel groter, veel dieper. Jij bent datgene waarin die man en die vrouw zich openbaren. De keuze voor die vrouw is een keuze voor een identiteit. En elke identiteit is een construct. In een veel grotere mate dan ik voor mijn transitie ooit had vermoed. Die identiteit zal nooit helemaal kunnen vertegenwoordigen wat er in je leeft en wie je bent. Voor mij is Lisa veel geschikter om mezelf te manifesteren. Maar spiritueel gezien beschouw ik mezelf niet als Lisa. Lisa is deel van mij. Een veel belangrijker en dierbaarder deel dan Man-ik. Je kunt geen beslissing nemen over ‘iemand anders zijn’, maar wel over ‘als iemand anders leven’. Jij bent jij. Jij blijft jij. De keuze die je te maken hebt ligt op een ander niveau”.

zondag 18 oktober 2015

Nude look

Het mag met recht een glossy heten, want het papier is glimmend en glad. Zo glad zelfs dat ik de bladzijdes bijna niet omgeslagen krijg. Ik zet door, want ik wil dit blad graag lezen. Nou ja, lezen, het is meer een kwestie van doorbladeren, foto’s kijken, producten kijken en vertrouwd raken met de bijbehorende termen, voor zover dat nog niet zo was. Een diepte-interview zal ik niet aantreffen in de Fabulous, het lijfblad van de cosmetica-winkelketen Douglas. Maar daar gaat het me ook niet om. Omdat mijn vrouwenleven pas na mijn veertigste is begonnen, heb ik een hoop in te halen. Ik heb veel gemist omdat ik als kind nooit de Tina, de Yes of de Fancy heb gelezen. Althans, af en toe lukte het me om stiekem wat mee te lezen in de Yes van mijn eerste vriendinnetje, maar dat mocht toen niemand weten. Hoe dan ook: van een geleidelijke opbouw van kennis over make-up, huidverzorging, haarstyling en al die andere fundamentele vrouwenvaardigheden is bij mij geen sprake geweest. Ik ben een laatbloeier, als vrouw. En ook al heb ik de laatste jaren al veel ingehaald, er blijft nog genoeg te leren.

Geïnteresseerd blader ik door het blad en mijn oog valt op een artikel over de nude look. Ik ken die term wel en ik weet dat het een look is om zo naturel mogelijk over te komen. Ik had daar nooit echt interesse in gehad, want in mijn eerste (grotendeels parttime) jaren als vrouw waren er een baardschaduw, mannelijke contouren en een zeer grove en iets vettige huid te verbergen. Dat vroeg meer dan nude. Althans dat dacht ik. Maar nu ik lees wat er allemaal komt kijken bij een officiële nude look, begint het me te dagen dat het niet veel minder is dan wat ik tot voor kort nog elke dag deed: primer, foundation, poeder, oogschaduw, oogpotlood, mascara, lipgloss. Het enige dat in het rijtje ontbreekt is de beardcover. Een hele klus om dat allemaal aan te brengen elke ochtend. Hoewel ik de tijdsduur door ervaring wist terug te dringen van drie kwartier naar twintig minuten, bleef het toch altijd een heel gedoe.

Sinds een klein jaar is het anders. Dankzij mijn hormoongebruik is door de mooier wordende huid de hoeveelheid make-up in rap tempo afgenomen. Tegenwoordig is het een beetje beardcover (tja, dat ontharen schiet écht niet op), een potloodlijntje op mijn oogleden en mascara. Verder niks. Binnen twee minuten gepiept. En ik zie er dan prima uit. Ik kan gewoon mijn neus aanraken als ik verkouden ben, zonder dat mijn zakdoek er beige van wordt en mijn neus kaal. Je kunt gewoon met me knuffelen zonder bang te zijn dat ik afgeef. Je kunt me gewoon op mijn wang zoenen zonder dat je make-up proeft of ruikt. M. zou er heel blij mee geweest zijn, maar nu profiteert niemand van deze – wat ik maar zal noemen – ultra nude look. Behalve ikzelf dan. Ik ben blij dat ik inmiddels steeds minder ‘nep’ nodig heb om de vrouw te zijn die ik wil zijn. En eerlijk is eerlijk: dat komt ook deels omdat mijn ambities realistischer zijn geworden en ik iets meer kan berusten in mijn mannelijke historie.

Een bladzijde verder lees ik in de make-up glossy over de ‘spa at home’: heerlijk je gezicht verwennen met fijne reinigingsproducten en voedende crèmes. Ik denk dat ik dat zo maar eens uitgebreid ga doen. Want ook als je weinig make-up gebruikt is het fijn om lekker te tutten. Kan dat niet bij het aanbrengen, dan maar bij het verwijderen van de make-up. Je moet toch wat, als ultra nude vrouw.

zondag 11 oktober 2015

Zoen

Mijn zwarte jurkje zwiert vrolijk heen en weer terwijl ik van mijn fiets stap. Ik zet de fiets op slot en loop naar binnen. Mijn gedachten zijn bij de jongen met wie ik hier een maandje geleden een bijzonder intense ontmoeting had. Sindsdien ben ik niet meer bij de Ecstatic Dance club geweest. Dat was niet alleen een toevallige samenloop van omstandigheden; ik had ook wel heel makkelijk mezelf wijsgemaakt dat ik het te druk had. Niks gelogen, maar het kwam me wel heel goed uit als smoes voor de angst en onzekerheid die ik voelde om hem nogmaals te gaan ontmoeten. Na onze ontmoeting hebben we elkaar op Facebook gevonden en als hij maar ver genoeg mijn profiel heeft teruggekeken, dan weet hij inmiddels waarom ik de ‘bijzondere vrouw’ ben die hij in me had gezien. Dus ik leef al weken in angst over wat hij wel en niet weet, in onzekerheid over wat zijn intenties zijn, in schaamte over dat ik hem nog niks heb verteld; met daarbij de terechte tegenstem waarom ik hem in dit stadium überhaupt iets zou moeten vertellen. Ik hou mezelf voor dat ik alle signalen dat hij me als een echte vrouw ziet, goed heb gezien. Mijn intuïtie zegt me dat, en ik heb me voorgenomen mijn intuïtie te vertrouwen. Maar toch. Het zou pijnlijk zijn om te ontdekken dat hij van begin af aan heeft doorgehad hoe het zit en dat hem dat nou juist in mij heeft aangetrokken. Het zou ook jammer zijn als hij zich van me af keert wanneer hij de waarheid ontdekt. Dat zou jammer zijn omdat ik hem leuk vind. Ik ben niet verliefd, maar ik geniet van het contact met hem. Ik voel me erg vrouwelijk bij hem en ik geniet van de sterke aantrekkingskracht die er tussen onze lichamen is. Meer opportunistisch geformuleerd geeft hij me tevens de kans mijn vrouwelijke vaardigheden in het verleiden en genieten van mannen te oefenen. Terwijl ik me mijn opportunisme realiseer en daar schaamte over voel, dringt ook tot me door dat dit nu eenmaal hoort bij het spel van een pubermeisje op weg naar volwassenheid. Want dat is wat ik ben.

Eenmaal binnen in de club trek ik mijn jas uit en loop ik de zaal in. Ik voel me nerveus en zoek daarom maar meteen de veiligheid van de bar en neem wat te drinken. Ik ga met mijn drankje op de grote kussens aan de zijkant van de zaal zitten en kijk rond. Met mijn eerste schichtige blikken bij binnenkomst had ik hem gemist, maar nu zie ik hem midden op de dansvloer staan. Wat danst hij leuk eigenlijk…: heel uitgelaten. Terwijl ik zijn lichaam zie bewegen komen herinneringen aan ons intense samenzijn terug en ik voel een glimlach over mijn gezicht dansen. Precies op dat moment kijkt hij mijn kant op en zijn gezicht begint te stralen. Ik lach op mijn verleidelijkst terug: met een mengeling van gecentreerde kracht en zachte onzekerheid geef ik het signaal af dat ik open sta voor overgave aan hem. Om niet te gretig te lijken, wend ik mijn blik weer af en ik voel dat hij zijn blik vrij snel daarna ook op iets anders richt. Maar ons oogcontact duurde lang genoeg om het zeker te weten: hij heeft net als ik nog steeds goede herinneringen aan onze vorige ontmoeting en hij weet nog niets van mijn hoed en mijn rand. Ik voelde verlangen zowel bij hem als bij mij. Een verlangen dat ik op dit moment niet zou kunnen en willen waarmaken met mijn gekke tusseninlijf. Hoe mooi zou het zijn als we ons geflirt nog een jaartje zouden kunnen volhouden. Tegen die tijd ben ik inmiddels geopereerd en kan ik me ook zonder kleren aan volledig aan hem geven. Ik geloof dat ik dat wel zou willen. Meewarig schud ik mijn hoofd over al die vreemde gedachten. Wat een raar idee: ik, seks met een man?

Ik sta op en loop de dansvloer op, helemaal naar de andere kant van de zaal, ver van hem vandaan. Even afstand van al deze gedachten. Even afstand van hem. Ik dans en dans en voor ik het weet is er een half uur voorbij gegaan. Dan zie ik hem in een ooghoek ineens mijn kant op komen, al dansend. Ik draai me naar hem om en we kijken elkaar aan. Daar is die glimlach weer. Ik hap niet toe en gelukkig blijft hij niet bij me staan. O god, dan zou hij misschien aan mijn moves wel zien dat ik geen echte vrouw ben. Ik sluit mijn ogen en concentreer me op mijn beweging. Vrouwelijk dansen, Lisa, vrouwelijk dansen! Ik probeer hem te vergeten en ik dans vol overgave. Ik geniet ervan.

Na een lange tijd, wanneer ik naar de bar loop om weer wat te drinken, zie ik hem staan. We hebben elkaar de afgelopen uren een aantal keer aangekeken, maar geen van ons heeft nog initiatief genomen. Ik zie hoe hij zijn spullen bij elkaar raapt; hij staat duidelijk op het punt om te vertrekken. Ik loop naar hem toe, hij kijkt op en lacht weer zijn brede lach en ik zie weer die twinkeling in zijn ogen. Ik lach ook en ga voor hem staan. Hij neemt mijn drankje uit mijn hand en zet het op een tafeltje naast ons. Wanneer hij zich weer recht draait valt hij bijna automatisch in mijn daartoe uitgestrekte armen. Hij slaat zijn armen om mij en we trekken onze lijven naar elkaar toe. Teder laat ik mijn handen over de spieren in zijn rug glijden. Hij is bezweet van het dansen, net als vorige keer. Ik ben het ook, maar het deert ons niks. Ik voel hoe mijn lijf zich als zacht rubber om hem heen plooit. Een van mijn handen heeft inmiddels al strelend zijn nek bereikt en ik kriebel hem bij zijn haargrens. Ik richt mijn borsten wat op en buig mijn hoofd wat naar achteren om hem te kunnen aankijken. Mijn hand glijdt vanuit zijn nek naar voren, naar zijn borstspier. Mijn hoofd observeert, maar bemoeit zich er niet mee. Mijn lichaam weet wat het moet doen. Mijn hand schuift weer terug in zijn nek en terwijl ik mezelf licht uitrek, duw ik zijn hoofd zachtjes naar voren. Zonder enig misverstand of enige aarzeling vinden onze lippen elkaar. Ik kus hem. Hij kust mij. Ik voel de stoppels van zijn driedagenbaard prikken. Maar ik voel ook zijn tedere lippen. Als vanzelfsprekend open ik mijn mond iets, zijn lippen bewegen mee en onze tongen vinden elkaar. Ik hoor mezelf kreunen. Dit is lekker. Ik voel mijn erectie zich tevergeefs een weg zoeken uit het strakke ondergoed dat ik draag om een bobbel in mijn jurk te voorkomen. Voor de zekerheid neem ik met mijn bekken iets meer afstand van zijn lichaam. Hij mag het niet ontdekken. Nu niet. Nog niet.

We zoenen tien, twintig seconden en dan fluistert hij “Ik moet weg” in mijn oor. Mijn armen laten hem langzaam los, maar ik voel dat we energetisch gezien elkaar nog even vasthouden. “Dag”, zeg ik tegen hem en ik stap opzij. Met mijn linkerhand streel ik nog even zijn bovenarm en ik loop zo nonchalant mogelijk langzaam weer de dansvloer op. Wanneer ik over mijn schouder kijk, zie ik hem mij lachend een handkusje toewerpen. Verlegen lach ik naar hem terug. O god. Wat gebeurt er? Ik heb zojuist voor het eerst in mijn leven een echte tongzoen gehad met een man. Vol van tederheid en aandacht. En het smaakt naar meer. Naar veel meer. Mijn benen beginnen te trillen en ik red het net om aan de andere kant van de zaal de bank te bereiken. Ik ga erop zitten en begin zachtjes te huilen. Het bijzondere moment van zojuist maakt me niet alleen heel verwachtingsvol over wat er nog komen gaat. Het doet me ook op een veel dieper niveau met weemoed realiseren dat het leven dat ik voor mijn transitie leidde voorgoed voorbij is.

vrijdag 9 oktober 2015

Strohalm

Ik zie aan het blauwe vinkje dat hij het gelezen heeft. Maar hij heeft geen reactie gestuurd. Hij gaat dat waarschijnlijk ook niet later nog doen, omdat hij nu even te druk is of zo. Ik weet inmiddels hoe het gaat: ik ga waarschijnlijk niks van hem horen. Nadat S. aangaf mij niet meer te willen zien begon ik hem elke paar dagen een Whatsappje te sturen. Of eigenlijk moet ik zeggen: ging ik door met hem elke paar dagen een Whatsappje te sturen, want we hielden op die manier altijd al contact in de periodes tussen onze gezamenlijke weekends in. Alleen werd het belang ervan in een klap anders. Het was de enige manier geworden die hij mij toestond om nog contact met hem te hebben. Hij wilde me niet zien. Hij wilde me niet spreken. Maar een berichtje af en toe mocht nog wel. Dat zei hij min of meer expliciet en bleek vooral uit het feit dat hij mijn berichtjes beantwoordde. Na een paar weken begon me te dagen dat zijn behoefte mij uit zijn leven te houden geen tijdelijke oprisping was. Zijn aanvankelijke overweldiging kon ik wel meevoelen; er kwam nogal veel op hem af met zijn diagnose van een chronische ziekte. En omdat hij zijn handen al behoorlijk vol had met een vader die een vrouw aan het worden was en de overgang van de basisschool naar de middelbare, moest hij ruimte maken in zijn hoofd. Het deed me verdriet, maar ik begreep het wel. Ik kon naast verdriet ook trots voelen dat hij zo helder voor zichzelf opkwam. Ik hield me vast aan het feit dat ik niet verdwenen was. Dat we dankzij Whatsapp via een dunne strohalm nog aan elkaar verbonden waren. Ik vermeed meestal specifieke vragen over zijn ziekte omdat hij het daar niet over wilde hebben. Ik vermeed mededelingen over mijn proces omdat ik vermoedde dat hij daar niks van wilde weten. Hij wilde me immers niet zien omdat mijn transitie te belastend voor hem was. Omdat we geen gemeenschappelijk leven meer hadden werden die berichtjes steeds oppervlakkiger, tot het niveau van koetjes en kalfjes. Na een tijdje begon hij ook minder te reageren op mijn berichtjes. Het ging heel geleidelijk. Inmiddels zijn we ruim acht maanden verder en krijg ik nauwelijks nog antwoord. Zijn laatste reactie is van een maand geleden.

De laatste twee maanden vind ik het steeds moeilijker worden om berichtjes naar hem te sturen. Ik wil hem graag regelmatig laten weten dat ik aan hem denk en dat ik van hem hou, zodat de drempel voor hem om later ooit weer contact met me op te nemen minder hoog is. Maar het doet me pijn dat ik zo weinig respons krijg. Elk berichtje dat ik stuur is een steek in mijn hart nog voor ik op de verzendknop heb gedrukt. Een steek van onbeantwoorde liefde. Deze dunne lijn van contact is vermoedelijk voor ons allebei pijnlijk. Hij wordt door elk berichtje van mij geconfronteerd met mijn bestaan (en impliciet dus met mijn transitie), met het gemis dat hij ook moet voelen en met gevoelens van boosheid omdat ik ‘hem ziek heb gemaakt’, zoals zijn moeder de situatie begin dit jaar voor hem samenvatte.


Ik durf de situatie niet met hem te bespreken. Ik durf hem niet te vragen hoe hij de berichtjes ervaart. Ik ben als de dood dat hij door die opening de kracht vind om me te zeggen dat hij helemaal geen berichtjes meer wil krijgen. Als de dood dat hij dan onze laatste strohalm uit onze handen rukt. Ik wil geen lege handen. Ik wil hem omhelzen, knuffelen, vasthouden. Mijn lieve jongen. Dus rest mij niks anders dan het staren naar een blauw vinkje en hopen op het beste.

woensdag 7 oktober 2015

Koude douche

Ik sta hier al een tijdje met mijn ogen dicht. Ik kreun er zelfs bij. Het warme water klatert over me heen in een niet aflatende stroom weldaad. Ik geniet met mijn ogen dicht van deze koestering. Mijn lichaam kronkelt zich in wulpse bochten om maar zoveel mogelijk van het goddelijke water op te vangen. Het goddelijke water dat nooit eerder zo overvloedig uit mijn eigen douche liep. Mijn hand glijdt over mijn lichaam, mijn vingertoppen sensueel aquaplanend over mijn zachte huid. Mijn vingers glijden over mijn borsten en ik voel mijn rondingen. Mijn vrouwelijke rondingen. Ik ben een sexy vrouw. Ik weet het zeker. Mijn borsten lijken enorm gegroeid. De laatste keer dat ik keek waren ze lang zo groot niet als ze nu aanvoelen. Ik hoor mezelf tevreden spinnen. Zo groot. Een stemmetje in mij gelooft het niet en wil het met eigen ogen zien. En terwijl ik mijn ogen open en naar beneden kijk, zie ik mijn borsten precies zoals ze gisteren waren. Duidelijke borsten, maar niet zo groot als ik ze net ervaarde. Deze teleurstelling wordt echter ruw overschaduwd door wat ik nog meer zie.

Iets verder naar beneden hangt een piemel. Mijn piemel. Ai. Dat is waar ook. Ik ben geen vrouw. Ik ben een transvrouw. Met nog steeds één been in mijn mannenleven. Dat mannenleven deed me een aantal jaar geleden zoveel pijn dat ik besloot de vrouw in mij eens echt de ruimte te geven. Langzaam kroop ik in een paar jaar tijd naar het punt dat ik me realiseerde dat ik geen keus meer had. Dat ik eigenlijk al aan mijn transitie was begonnen en dat ik die wilde afmaken. Ik wilde een volwaardig leven als vrouw. En dat wil ik nog steeds. Maar mijn god wat duurt het allemaal lang. En wat heeft het veel verlies opgeleverd. Ik ben mijn energie kwijt, mijn zelfvertrouwen. Ik ben M. kwijtgeraakt, de vrouw die ik ondanks alles nog steeds als de liefde van mijn leven beschouw. En ik ben S. kwijtgeraakt. Mijn lieve jongen. Mijn zoon. Ik had hem zo graag nog zoveel willen meegeven. Ik had graag nog zoveel met hem willen beleven. Ik had graag nog zoveel knuffels van hem gehad. Als ik over hem praat, met vrienden of kennissen die er naar vragen, dan zeg ik altijd monter dat we elkaar wel weer gaan zien over een tijdje. Maar ik begin daar steeds vaker aan te twijfelen. Ik ben bang dat ik hem kwijt ben. Dat we elkaar nooit meer gaan zien.

Ik voel een rilling over mijn rug gaan. Ik zie kippenvel op mijn armen. Het water dat uit de douchekop stroomt voelt koud. Is de ketel uitgevallen? Ik draai aan de warmwater-knop, maar het water wordt niet warmer. Ik draai de knop de andere kant op en ineens wordt het water nog kouder. IJskoud. Ik schrik ervan en realiseer me dat niet het water koud was geworden, maar mijn hart.

donderdag 1 oktober 2015

Leegte

Mijn groene jurk wappert in de najaarswind. De zon schijnt alle zonnestralen waar deze zomer geen ruimte voor is geweest en ik geniet ervan. Ik fiets door de stad en voel hoe de wind aan de zomen van mijn jurk trekt. Ik kijk naar beneden en ik zie mijn jurk golven rond de vormen van mijn borsten, mijn taille en mijn heupen. Mijn benen zijn prachtig omhuld met panty. Ik voel dat ik lach. Ik ben blij een vrouw te zijn. Ik ben blij met mijn moed om de moeilijke stappen te zetten om me hier te brengen, in een mooie jurk op de fiets rijdend in mijn nieuwe leven als vrouw. Ik heb deze middag veel dingen te bezorgen, op te halen of in te kopen, en ik verheug me om op deze prachtige nazomerdag kris-kras door de stad te gaan.

Wanneer ik langs de dierentuin fiets, kijk ik over het hek en ik zie de giraffen en zebra’s zich tevreden schikken in hun bestaan op de nagebouwde savanne. Ik zie het terras van het dierentuincafé ernaast behoorlijk vol zitten. Het terras waar S. en ik regelmatig een Fristi (hij) en een thee (ik) hebben gedronken. Mijn gedachten worden wazig en wanneer ik weer helder wordt, realiseer ik me dat ik inmiddels al langs de Botanische Tuin ben gefietst waar S. en ik ’s winters altijd de warmte van de tropische kassen gingen opzoeken. Ik voel dat mijn mond droog is. Ik duw met mijn voeten steviger op de trappers en versnel. Ik kom langs het grote verkeersplein, midden in de stad, waar onder de grond, in een oude in onbruik geraakte autotunnel een kinderklimparadijs is gemaakt. Ik herinner me alle keren – jaren geleden – dat ik daar met S. was: hij min of meer rechtopstaand over alle plateaus van het klimtoestel rennend en ik daar als een bezetene achteraan kruipend; mijn lijf te groot om ook te kunnen lopen. Ik schakel mijn versnelling wat hoger en fiets snel door. Langs de plek waar vroeger de ijswinkel zat waar we altijd een ijsje kochten, de bioscoop waar we regelmatig kwamen, de Apple-winkel, de straat waar het poolcafé zit waar we af en toe kwamen: de fietstocht door mijn stad is een fietstocht door mijn geschiedenis met S. geworden. Er zijn zoveel plekjes die me aan S. doen denken, we hebben zoveel meegemaakt hier, in deze stad. Deze stad waar ik nu alleen woon. Zonder hem.

Mijn tong zit inmiddels aan mijn gehemelte vastgeplakt en mijn keel voelt dik. De rand van mijn jurk wappert achter me aan in een poging nog iets van vrolijkheid te bewaren. “Decorum is belangrijk”, hoor ik in gedachten mijn psycholoog zeggen. Hij zei het vaak tegen me in de tijd dat ik depressief was. Als ik er goed uit zag, voelde ik me daardoor vanzelf beter. Het klopt. Zo werkt het. Als je je goed voelt, zie je er beter uit en als je er voor zorgt dat je er goed uit ziet, voel je je beter. Fake it 'til you make it. Maar ja, zie ik er dan vandaag zo goed uit omdat ik me zo goed voel, of juist niet?

Intussen ben ik weer in mijn eigen buurtje aangekomen, parkeer mijn fiets voor de deur van bakker en ga naar binnen. Het meisje van de winkel groet me vriendelijk, als altijd. Ze ziet een verzorgde, goed geklede vrouw die haar opgewekt terug groet. Decorum is everything. Ik bestel twee zuurdesembroden. “Gesneden?” “Ja”. “In papier of plastic verpakt?” “Plastic graag”. “Anders nog iets…?” Ik kijk in de vitrine voor me. Ik weet dat ik niks meer nodig heb, maar een diep uitgesleten neuraal pad laat zich niet verloochenen. Hoe vaak heb die laatste vraag niet beantwoord met: “ja, en nog één roze donut”. Een roze donut voor mijn lieve schat, want daar is hij zo gek op. “Nee dank je”, antwoord ik en ik reken af. Het eten van een donut was voor hem ooit zo gewoon dat hij het zelfs als referentiepunt voor normaalheid gebruikte toen ik hem voor het eerst over mijn zoektocht naar de vrouw in mij vertelde. Gedurende de anderhalf jaar daarna kreeg ik steeds meer vertrouwen dat onze liefde en onze relatie mijn transitie wel zou overleven. Maar nu, acht maanden na het keerpunt weet ik het niet meer. Ik voel me leeg. Ik mis hem. Ik mis mijn lieve schat. Ik zou zo graag een donut voor hem kopen. Ik zou zo graag een potje met hem poolen, een filmpje met hem pakken, een ijsje met hem eten, naar de rode panda kijken in de dierentuin. Fietsen door de stad, midgetgolf in het park, zwemmen in het zwembad. Samen ontbijten met broodjes en een zachtgekookt eitje op zondagochtend. Samen computerspelletjes spelen. Ik zou zelfs graag nog eens met hem door het kinderklimparadijs klauteren en kruipen, ook al zou dat nu voor ons allebei oncomfortabel krapjes zijn. En ik zou zelfs al die dingen willen opgeven om alleen maar even met hem te knuffelen. Om hem te laten voelen hoeveel ik van hem hou. Maar dat kan allemaal niet. Het enige dat ik nu nog kan is mijn decorum hoog houden. Maar het liefste zou ik nu heel hard huilen. En dan hopen dat ik met al die tranen langzaam de leegte in mij zou kunnen vullen.