vrijdag 9 oktober 2015

Strohalm

Ik zie aan het blauwe vinkje dat hij het gelezen heeft. Maar hij heeft geen reactie gestuurd. Hij gaat dat waarschijnlijk ook niet later nog doen, omdat hij nu even te druk is of zo. Ik weet inmiddels hoe het gaat: ik ga waarschijnlijk niks van hem horen. Nadat S. aangaf mij niet meer te willen zien begon ik hem elke paar dagen een Whatsappje te sturen. Of eigenlijk moet ik zeggen: ging ik door met hem elke paar dagen een Whatsappje te sturen, want we hielden op die manier altijd al contact in de periodes tussen onze gezamenlijke weekends in. Alleen werd het belang ervan in een klap anders. Het was de enige manier geworden die hij mij toestond om nog contact met hem te hebben. Hij wilde me niet zien. Hij wilde me niet spreken. Maar een berichtje af en toe mocht nog wel. Dat zei hij min of meer expliciet en bleek vooral uit het feit dat hij mijn berichtjes beantwoordde. Na een paar weken begon me te dagen dat zijn behoefte mij uit zijn leven te houden geen tijdelijke oprisping was. Zijn aanvankelijke overweldiging kon ik wel meevoelen; er kwam nogal veel op hem af met zijn diagnose van een chronische ziekte. En omdat hij zijn handen al behoorlijk vol had met een vader die een vrouw aan het worden was en de overgang van de basisschool naar de middelbare, moest hij ruimte maken in zijn hoofd. Het deed me verdriet, maar ik begreep het wel. Ik kon naast verdriet ook trots voelen dat hij zo helder voor zichzelf opkwam. Ik hield me vast aan het feit dat ik niet verdwenen was. Dat we dankzij Whatsapp via een dunne strohalm nog aan elkaar verbonden waren. Ik vermeed meestal specifieke vragen over zijn ziekte omdat hij het daar niet over wilde hebben. Ik vermeed mededelingen over mijn proces omdat ik vermoedde dat hij daar niks van wilde weten. Hij wilde me immers niet zien omdat mijn transitie te belastend voor hem was. Omdat we geen gemeenschappelijk leven meer hadden werden die berichtjes steeds oppervlakkiger, tot het niveau van koetjes en kalfjes. Na een tijdje begon hij ook minder te reageren op mijn berichtjes. Het ging heel geleidelijk. Inmiddels zijn we ruim acht maanden verder en krijg ik nauwelijks nog antwoord. Zijn laatste reactie is van een maand geleden.

De laatste twee maanden vind ik het steeds moeilijker worden om berichtjes naar hem te sturen. Ik wil hem graag regelmatig laten weten dat ik aan hem denk en dat ik van hem hou, zodat de drempel voor hem om later ooit weer contact met me op te nemen minder hoog is. Maar het doet me pijn dat ik zo weinig respons krijg. Elk berichtje dat ik stuur is een steek in mijn hart nog voor ik op de verzendknop heb gedrukt. Een steek van onbeantwoorde liefde. Deze dunne lijn van contact is vermoedelijk voor ons allebei pijnlijk. Hij wordt door elk berichtje van mij geconfronteerd met mijn bestaan (en impliciet dus met mijn transitie), met het gemis dat hij ook moet voelen en met gevoelens van boosheid omdat ik ‘hem ziek heb gemaakt’, zoals zijn moeder de situatie begin dit jaar voor hem samenvatte.


Ik durf de situatie niet met hem te bespreken. Ik durf hem niet te vragen hoe hij de berichtjes ervaart. Ik ben als de dood dat hij door die opening de kracht vind om me te zeggen dat hij helemaal geen berichtjes meer wil krijgen. Als de dood dat hij dan onze laatste strohalm uit onze handen rukt. Ik wil geen lege handen. Ik wil hem omhelzen, knuffelen, vasthouden. Mijn lieve jongen. Dus rest mij niks anders dan het staren naar een blauw vinkje en hopen op het beste.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten