zondag 29 november 2015

Nachtmerrie

Het eerste dat ik voel zijn mijn kiezen. Ze gloeien; een teken dat ik ze de hele nacht met flinke kracht op elkaar heb gedrukt. Ik probeer mijn kaakspieren te ontspannen, maar dat lukt niet. Het is alsof mijn mondholte vacuüm is gezogen; mijn tong is droog en zit aan mijn gehemelte geplakt. Dan word ik me de kolkende massa gedachten gewaar die mijn hersenen aan alle kanten doet gonzen. Ik voel dat mijn voorhoofd is gefronst, mijn mond is samengetrokken en mijn ogen stijf zijn dichtgeknepen van angst. Het moet er uitzien alsof mijn hele gezicht op het punt staat te verdwijnen in een van de zwarte gaten van mijn neus. Met een zeurderige kreun open ik één oog en kijk ik op de wekker. Zes uurtjes geslapen. De afgelopen paar weken ging het behoorlijk goed met mijn nachtrust, maar het voelt alsof ik vannacht in één keer de balans weer flink in het rood heb gewerkt. Vannacht heb ik niet geslapen, maar kei- en keihard gewerkt. Ik heb in de aanvankelijke ontspanning van de nacht alle informatie en indrukken van de afgelopen week de gelegenheid gegeven zich aan me op te dringen. Als een ruwe, prikkende deken heb ik ze over me heen getrokken en hebben ze me vervolgens belet om in diepe slaap te komen. Ik voel aan mijn gezicht dat ik vol afschuw heb geprobeerd aan die herinneringen te ontsnappen. Ik voel aan de vermoeide druk op mijn hoofd dat dat tevergeefs is geweest. Vannacht begon ik eindelijk alle informatie te verwerken die ik de afgelopen week kreeg over de vaginaplastiek: de operatie waarmee de artsen over een tijdje van mijn penis een vagina zullen gaan maken. In de halfslaap waarin ik me bevind, flitsen echo’s van die informatie in mijn onrustige gemoed voorbij.

Ik zie de klinische, oppervlakkige voorlichtingsbijeenkomst bij de VU van afgelopen woensdag weer voor me. Een medewerker van de afdeling plastische chirurgie laat aan mij en drie andere transvrouwen plaatjes zien van de techniek van de operatie. Die plaatjes had ik al vaker gezien, maar het lijkt alsof ze pas echt tot me doordringen nu de operatie voor mij van een verre, abstracte toekomst een concrete, nabije gebeurtenis is geworden. Ik zie hoe de medewerker probeert zo luchtig mogelijk te doen over het dilateren – een handeling waarbij we zelf onze nieuw gecreëerde vagina met behulp van een klinische dildo moeten beletten weer dicht te groeien. Haast opgewekt spiegelt ze ons voor hoe we dat dilateren in het eerste jaar tweemaal daags een half uur zullen moeten doen, waarbij ze elegant de informatie vermijdt dat we dat eigenlijk de rest van ons leven zullen moeten volhouden en dat de frequentie dan waarschijnlijk wel minder hoog zal worden, maar misschien ook niet. Ik voel de schrik van de andere vrouwen als ik dat ongemakkelijke feitje dat in de voorlichting van de VU in de marge wordt weggemoffeld, ter sprake breng. Wat ik ze dan nog niet heb verteld is dat het half uurtje dilateren in de praktijk zeker een uur zal zijn, want zowel de vagina als de dilatatiehulpmiddelen moeten daarna ook nog gereinigd worden om infecties te voorkomen.

In mijn halfslaap zie ik ook het meetlatje waarmee de medewerker tijdens het individuele consult dat op de groepsbijeenkomst volgde de lengte van mijn penishuid opmat die bepalend zal zijn voor de diepte van mijn vagina. De lengte viel me wat tegen. Ik weet nog hoe groot mijn penis was voordat ik twintig maanden geleden testosteronblokkers begon te slikken. Wegens het wegvallen van de regelmatige erecties die in mijn mannenleven zo gewoon waren, was mijn penishuid in de loop der tijd gekrompen, net als de huid van mijn scrotum die mijn steeds kleiner wordende testikels omhult. Vanuit dat perspectief is het vreemd dat het protocol van de VU voorschrijft dat de geslachtsaanpassende operatie pas wordt uitgevoerd nadat het bronmateriaal is weggekwijnd.

Ik zie de rode zwellingen weer voor me die een transvriendin me liet zien in de eerste week na haar operatie; een levendiger en indringender beeld dan de paar foto’s die die VU daarvan toont. Ik herinner me al haar verhalen van maandenlang pijn en ongemak, van afstervend vlees, van wonden die niet willen helen en van lelijke littekens. Ik zie het resultaat na acht maanden, dat ze me gisteren zo dapper liet zien. De klinische, afstandelijke blik die ik daarbij had, was niet omdat ik angstvallig wilde voorkomen dat er vreemde connotaties zouden ontstaan bij het feit dat ik mijn hoofd tussen haar benen had gestoken, maar omdat ik geschokt was door de rommelige aanblik van haar nieuwe geslacht.

Ik zie foto’s van andere neo-vagina’s en het wordt me duidelijk dat het inderdaad nogal wat uitmaakt welke arts de operatie uitvoert. De geruchten zijn waar: één van de artsen van het VU doet de bijnaam ‘de slager’ eer aan. En ik realiseer me dat de mooie foto’s die ik jaren geleden zag op een openbare voorlichtingsbijeenkomst van de VU uitzonderlijk goede resultaten waren; niet representatief voor wat mij te wachten staat, ongeacht de arts die ik kies. Is de VU onvoldoende transparant en realistisch over de operatie of heb ik tot nu toe alle onwelgevallige informatie onbewust weg gefilterd of vervormd omdat ik anders niet verder kon in mijn proces?

De kolkende stroom gedachten heeft me inmiddels klaarwakker gemaakt. Ik voel me doodmoe, opgejaagd en onveilig. Ik begin onbedaarlijk te huilen. Ik klem me angstvallig vast aan mijn knuffelbeer, maar die is onmachtig tegen zoveel verdriet. Ik voel me bedreigd. Ingeklemd tussen verlangen en angst vraag ik me voor de honderdste keer af of mijn verlangen een vrouw te zijn niet altijd al gewoon de angst was om een man te zijn. Sinds ik meer dan vijf jaar geleden de vrouw in mij serieus begon te nemen vroeg ik me vaak af of het niet een vermomde vlucht was. Ik probeerde van alles om mijn verlangen te ontmaskeren als een copingmechanisme, als een fetisj, als een spiritueel reïncarnatiefoutje. Maar ondanks mijn eigen aarzeling en verzet wees de zoektocht toch steeds weer in de richting van een volledige geslachtsaanpassing. En nu daarvan een van de laatste fasen is aangebroken ben ik doodsbang en verlang ik naar een eenvoudiger oplossing. Een oplossing waarvan ik inmiddels weet dat hij niet bestaat. Dit is het pad dat ik moet gaan. Mijn onbarmhartige pad.

woensdag 11 november 2015

De date

Met een diepe zucht haalde ik de sleutel uit het contact. Ik was er. Ik wilde hier dolgraag zijn en tegelijk wilde ik het liefst naar huis en onder de dekens van mijn bed kruipen om te schuilen. Vanavond had ik een date. Mijn allereerste date met een man. Ik jubelde van blijdschap en voelde me door het bijtende zuur van angst verteerd worden. Ambigue gevoelens waren me inmiddels vertrouwd; mijn transitie is emotioneel zo intens dat eenduidige emoties zelden voorkomen.

Ik zuchtte nog een keer en om me over mijn angsten heen te lokken haalde ik herinneringen op aan de eerste kus die ik onlangs met deze man had. “Jaaaa dat wil ik nog wel een keer”, fluisterde ik en ik lachte om de puberale gevoelens die daardoor in mijn lijf omhoog dansten. Ik nam me heel stoer voor om hem, zodra hij zijn voordeur open zou doen, meteen op zijn mond te zoenen. Doelgericht stapte ik uit mijn auto. De ietwat saaie straat in een buitenwijk van deze provinciestad oogde donker. Aan de overkant van de straat zag ik lichtjes heen en weer schommelen. Een stoet kinderen trok door de straat; het was Sint Maarten. Ze liepen in tegengestelde richting van mij, dus ze moesten zojuist al bij hem aan de deur geweest zijn. Opgetogen zenuwachtig stak ik schuin over naar zijn voordeur en ik belde aan. De deur zwaaide open. In een ongecontroleerde impuls begon ik te zingen: “Sinte, sinte Maarten, de katten hebben staarten…” en hij lachte naar me. Hij boog zich voorover en zoende me drie keer op mijn wangen. Shit, moment gemist. Ik ook met mijn jolige gedoe…

Hij leidde me zijn huis binnen. Onderzoekend keek ik de woonkamer rond. Een functioneel mannenhuis. Overal lagen boeken, cd’s, printjes van artikelen van filosofische en esoterische websites. Op de tafel lagen ongeopende enveloppen, schroefjes en een draadje. Niets wees op een poging het voor mij gezellig te maken. Samenwonen zat er zo niet in, concludeerde ik ver voor de muziek uit. Samenwonen? Dit was een eerste date en ik was niet eens verliefd. Ik was hier vooral vanwege mijn eigen onderzoek. Deze man hielp mij totaal onwetend bij mijn zoektocht naar mezelf en mijn nieuwe seksualiteit. Ik wilde helemaal geen relatie in deze fase van mijn transitie. Maar een deel van mij hunkerde naar gezelschap, naar een partner, en sondeerde ondanks de situatie toch alvast maar de mogelijkheden.

We praatten wat, in een poging voorzichtig het ijs te breken. De chemie die ik tweemaal met hem had gevoeld tijdens het dansen was ver te zoeken. Hij zat in zijn hoofd en deed zijn best mij te leren kennen. Ik was doodsbang en deed mijn best me niet te laten zien. Mijn ademhaling zat op slot en ik kon alleen ontspannen op momenten dat hij de kamer uitliep om zingende kinderen bij de voordeur met snoep het zwijgen op te leggen. Ik was doodsbang ontmaskerd te worden. Ik twijfelde over wat hij wist van mijn situatie. Tijdens ons contact bij het dansen had niets erop gewezen dat hij het doorhad, maar sinds we via Facebook verbonden waren kon hij mijn tijdlijn teruglezen. Je hoefde geen Sherlock Holmes te zijn om daarop te ontdekken dat ik niet altijd een meisje geweest was.

Tijdens ons gesprek ontstonden meerdere momenten waarop had kunnen blijken dat hij wist hoe de vork in de steel zat. Maar het tegenovergestelde gebeurde steeds. Zo vertelde hij over zijn familie en vroeg hij mij in wat voor gezin ik opgegroeid was. Dus ik vertelde over mijn vader, dat die in de bouw gewerkt had en me had geleerd hoe ik stopcontacten, waterleiding en vloerverwarming moest aanleggen, muurtjes moest metselen en badkamers moest betegelen. Blij verrast over mijn skills vroeg mijn date me naar broers of zussen. “Twee zussen”, zei ik en hij zei: “Had je vader niet veel liever een zoon gehad?”. Ehhh… Ik haperde een milliseconde, keek in zijn ogen en zag zijn oprechtheid. Geen bewust gecreëerde gelegenheid voor mij om mijn verhaal op te biechten. Geen plagende ondertoon of knipoog. Hij had echt niks door. Dat verbijsterde me, maar ik kon de neiging onderdrukken er zelf iets over te zeggen. Ik genoot er teveel van om als vrouw gezien te worden. Dat was iets waar ik al mijn hele leven over droomde. Nu het gebeurde wilde ik het niet zelf gaan verpesten. Dus ondanks dat ik me een bedrieger voelde, zweeg ik. Maar ik bleef op mijn hoede.

Tijdens de maaltijd sprak ik bedachtzaam. Natuurlijk wilde ik me niet verspreken, maar belangrijker nog was de klank van mijn stem. Ik was zo bezig met alle tips die ik van mijn logopediste had gekregen dat het soms voelde alsof ik dichter bij haar was dan bij mijn date. Door mijn voet op de rem kwamen we niet nader tot elkaar. Eigenlijk was het nog helemaal geen gezellige date en daar baalde ik van. “Zullen we op de bank gaan zitten?”, stelde ik voor. Fysieke nabijheid zou me misschien wat meer in mijn eigen lijf brengen, doen ontspannen en de kans op een kus vergroten. Hij stond op van de tafel, ging breeduit op de bank zitten en legde zijn arm uitnodigend op de rugleuning. Ik stond op, klakte op mijn hakjes naar hem toe en ging naast hem zitten, omlijst door zijn arm. We keken elkaar een tijdje zwijgend aan. Nu het hekwerk van sociale gesprekjes verdwenen was, kon ik in de diepte van zijn ogen kijken. Ik voelde dezelfde soliditeit, geaardheid en kracht die ik bij het dansen bij hem had gevoeld. Door deze mannelijke energie voelde ik me vrouwelijker en dat stelde me gerust. Ik wilde me graag overgeven aan hem en in gedachten legde ik mijn handen op zijn lichaam. In gedachten pakte ik hem vast, legde ik mijn lippen op die van hem en zoenden we, knuffelden we, streelden we, kleedden we elkaar uit en vrijden we. Ik probeerde mijn fantasie af te remmen, maar de realiteit was al uit de startblokken. Ik had hem al vastgepakt, ik had mijn mond al op de zijne en we zoenden al. Ik verstijfde. O shit! Dit mag niet. Dit kan niet. Ik had me voorgenomen om niet verder te gaan dan zoenen omdat mijn lijf nog niet klaar was voor meer. En nu we zoenden was ik bang dat ik de controle zou verliezen. Ik voelde de opwinding in mijn lijf, de hunkering naar meer, de angst om mezelf te laten zien, de frustratie van mijn situatie en de angst voor ontdekking. Ik verstijfde en kon niks anders doen dan maar blijven zoenen. Ik wilde het niet stoppen, want het was te fijn, maar ik wilde ook niet doorgaan want dat was te gevaarlijk.

Maar ik rekende buiten de doortastende mannelijke energie van mijn date. Hij streelde me – teder en lief – in mijn nek, langs mijn schouder en over het door mijn openvallende bloesje prijsgegeven deel van mijn sleutelbeen. Ik kreunde. O shit, niet lekker vinden. Niet lekker vinden! Mijn verlamming hield me waar ik was: in de positie van gewillige vrouw. Ik voelde hoe zijn hand over de huid op mijn borstbeen gleed, langzaam naar beneden bewegend richting mijn decolleté. Ik voelde hoe zijn vingertop de ronding van mijn borst had bereikt en zachtjes aanstalten maakte deze glooiing te beklimmen. Het wond me erg op. Maar ineens – in een flits – zag ik zijn handelingen vanuit mijn mannelijke achtergrond. Ik bewonderde zijn zachte doortastendheid en realiseerde me dat ik nooit dat niveau van zelfvertrouwen in de mannelijke hofmakerij had bereikt. Hij begreep duidelijk beter wat het inhield om een man te zijn dan ik ooit gedaan had. Doordat ik me mijn mannelijke historie bewust werd, realiseerde ik me ook mijn huidige fysieke realiteit. Dat wekte me uit mijn passiviteit. De transvrouw die niet ontmaskerd wilde worden, greep in. Ik pakte zachtjes en liefdevol zijn hand en leidde die weer omhoog richting sleutelbeen. “Vanavond gaan we alleen maar zoenen”, zei ik. Hij stopte met zoenen en zei: “Wil je niet verder gaan op je eerste date?”. Ik had kunnen reageren met een biecht, maar ik zei: “Een andere keer misschien wel, maar nu nog niet”. Hij respecteerde mijn grens en zei: “Ik heb inmiddels wel geleerd om mijn verlangens los te laten als het nodig is”. Er klonk teleurstelling in door, maar ook een compliment. Hij had verlangens naar meer. Net als ik. “Dat is knap”, reageerde ik, “want ik weet hoe dwingend het mannelijke libido kan zijn”. “Fijn dat je het duidelijk en op tijd aangaf”, zei hij. Niets wees er op dat hij de werkelijke herkomst van mijn kennis van de mannelijke seksdrive doorhad. Opnieuw tot mijn verbijstering.

De intimiteit van het moment bracht ons in gesprek over relaties. We zoenden niet meer, maar ik voelde me toch meer verbonden met hem dan ik die hele avond had gedaan. Wellicht dat het daardoor kwam dat ik achteloos een anekdote begon op te diepen: “Een paar jaar geleden woonde ik samen met mijn toenmalige vriendin…”. Nog voordat ik mijn verhaal kon vervolgen, vroeg hij argwanend: “Eén vriendin of jé vriendin?”. Ik voelde me betrapt. Het was de hele avond goed gegaan maar nu, in een onbewaakt ogenblik, lukte het me niet om zo te formuleren dat mijn verleden op een voor mijn huidige identiteit consistente én feitelijk juiste manier ter sprake kwam. Ik wilde niet liegen, dat voelde niet terecht naar de vrouw met wie ik de meest intense en bijzondere relatie van mijn leven had gehad. Ik realiseerde me dat dit probleem voor de rest van mijn leven aan de orde zou zijn. Ik had nu eenmaal een verleden dat zich alleen liet rijmen met het heden door volledige openheid. Een volledige biecht van mijn transgenderschap. Alhoewel… Met een ondeugende blik zei ik tegen hem: “Míjn vriendin. We hadden een relatie”. Ik voelde dat ik hiermee recht deed aan wat er destijds tussen M. en mij was. Het klonk alsof ik een lesbische relatie had gehad en eerlijk gezegd was het dat voor een deel natuurlijk ook geweest. Ik zag verbijstering in de ogen van mijn date. “Wauw, er zit meer in jou dan je op het eerste gezicht zou denken”, zei hij. Je moest eens weten, dacht ik en met een vrome glimlach legde ik mijn hand op zijn knie.

zaterdag 7 november 2015

Foto van toen

Ik voel me zelfverzekerd vandaag. Vol trots loop ik rond op de opening van een foto-expositie. De exposerend fotograaf is een kennis van mij die me onlangs uitnodigde om hier vandaag te zijn. We kennen elkaar al een jaar of zeven en hij leerde mij dus kennen als Man-ik. Naar aanleiding van mijn coming-out vertelde hij me dat hij nog een andere transgender in zijn kennissenkring had. Dat vond ik bijzonder, want voor de meeste mensen bleek ik de eerste transgender die ze persoonlijk kenden. Zijn andere transgenderkennis was geboren in een meisjeslichaam, voelde zich een man, maar durfde niet in transitie te gaan, vertelde de fotograaf toen.

Dat voorval is vandaag niet in mijn gedachten. Mijn aandacht is bij de geëxposeerde foto’s en beleefd babbelend met andere bezoekers loop ik met een glas jus d’orange rond in de galerie. “Lisa?”, hoor ik achter me en ik draai om. Ik zie de fotograaf staan en hij wijst naar een jongen naast zich. “Ik wil je even aan iemand voorstellen”, zegt hij. We schudden handen en wisselen namen uit. De naam is Aziatisch, net als het uiterlijk van de jongen. Zonder enige toelichting loopt de fotograaf door en de jongen blijft bij me staan. Ik kijk hem aan. Ik voel dat er iets van me verwacht wordt. De jongen neemt geen initiatief en kijkt bewonderend naar me op. Ik doorbreek de stilte met een obligate, beleefde opmerking over de foto’s. “Ben jij ook fotograaf?”, vraag ik aan de jongen. “Nee”, zegt hij kort en hij lacht er schaapachtig bij. Ik word nerveus van zijn onzekerheid en begrijp niet wat hij van me wil. Ik voel hem aan mijn lippen hangen, maar ik weet niet wat ik moet zeggen. Op het moment dat ik beleefd knikkend wil weglopen, vallen me zijn sterke feminiene trekken op. Nu is dat voor een Aziatische jongen niet ongebruikelijk, maar dit is anders. Ineens herinner ik me wat de fotograaf me had verteld bij mijn coming-out. Aha, dit is hem natuurlijk. Ik kijk nog eens goed en zie het meisje steeds duidelijker zichtbaar worden. Dit is geen gewone zachte feminiene Aziatische jongen. Dit is een transgender.

“We hebben iets gemeen, he?”, vraag ik op een wat onbeholpen manier, toch niet helemaal zeker van mijn analyse. De jongen haalt opgelucht adem en bevestigt het. Ik begin hem vragen te stellen over zijn proces en ontdek dat hij nog steeds op het punt zit waar hij was toen de fotograaf me over hem vertelde. Met tranen in zijn ogen vertelt de jongen me dat hij naar zijn familie niet durft uit te komen voor zijn gevoel. Zijn leven staat al ruim tien jaar stil sinds hij tijdens zijn pubertijd ontdekte dat hij geen vrouw wilde zijn. Ik ben verbaasd dat deze jongen al bijna dertig jaar oud blijkt te zijn en dus veel ouder is dan ik vermoedde. Dat is een voordeel van Aziatische genen: je blijft er vrij lang jong uit zien.

Voorzichtig vraagt hij naar mijn ervaringen en ik vertel waar ik nu sta in het transitieproces. Bij alles wat ik vertel moet hij huilen. Hij zit klem in zijn huidige leven als vrouw maar durft niet in transitie te gaan. Hij weet zeker dat hij eigenlijk een man is, maar durft die niet te worden. Hij is doodsbang. Doodsbang alles kwijt te raken. Ik krijg een brok in mijn keel. Ik ken dat gevoel maar al te goed. De totale ontmaskering van je bestaan tot nu toe. De totale opoffering van het idee een normaal leven te kunnen leiden. De totale onzekerheid over waar je heen gaat en of je ooit zult vinden wat je zoekt. De totale paniek bij de gedachte alles te verliezen wat je hebt. Het is de kern van het onmogelijke dilemma van de transgender.

In een impuls sla ik mijn arm om de jongen heen, maar hij kan zich niet ontspannen; hij laat zich niet troosten. Hij is zo gewend zich te verschuilen dat hij niet weet hoe hij met deze gevoelens contact moet maken. Zelfs niet bij iemand die exact weet wat hij doormaakt. Ik was daar ook, ooit. In dat bizarre levensvacuüm waarin je weet dat je een nieuw pad in moet slaan. Door dat besef is de oude route definitief afgesneden, maar je durft simpelweg de stap niet te zetten uit angst alles kwijt te raken, inclusief jezelf. In die leegte doe je je best te ontkennen dat je – in overdrachtelijke zin – eigenlijk alles al kwijt bent. En dat maakt het allemaal nog erger.

Herinneringen aan mijn eigen vacuüm snijden in mijn hart. Ik voel mijn ogen vochtig worden en ik kijk weer naar de huilende jongen. Ineens realiseer ik me waarom ik hem als jongen ervaar en niet als de man van bijna dertig die hij in werkelijkheid is of voor mijn part als de vrouw van bijna dertig die hij biologisch gezien is. Hij voelt als een jongen aan omdat hij nu het kwetsbare kind in hem toont dat geen kans heeft gehad om op te groeien. Dat kind smeekt om aan de hand genomen te worden. Om begeleid te worden op zijn pad naar volwassenheid. Ik herken de behoefte. Jarenlang noemde ik mezelf een meisje van vier. Dat doe ik al een tijdje niet meer, omdat het nu voelt alsof ik in de pubertijd zit. Ik ben nu een jaar of tien ouder dan toen ik vijf jaar geleden aan mijn zoektocht begon.

Terwijl ik mijn emoties met een diepe zucht uitadem, voel ik me trots. Trots op wat ik heb bereikt. Trots op wat ik weet over dit helende identiteitsontwikkelingsproces waarvoor het nodig is om het bizarre pad van de geslachtsverandering te lopen. Ik geef de jongen mijn visitekaartje en zeg hem dat hij me altijd mag bellen of mailen om iets te delen of te vragen over zijn zoektocht. “Je moet dit zelf doen, maar je hoeft het niet alleen te doen”, zeg ik tegen hem. De jongen huilt. Hij huilt herkenbare tranen.

zondag 1 november 2015

1 jaar

Het is een typisch jubileum: een dag die in zichzelf niks bijzonders is, maar die vanwege de grote symbolische betekenis allerlei emoties oproept. Let wel: een symbolische betekenis die alleen gebaseerd is op een door toeval en wetenschap geconstrueerde werkelijkheid: de kalender. De kalender vertelt me dat het een jaar geleden is dat ik de mail de wereld instuurde waarmee ik in werkelijk alle gebieden van mijn leven verkondigde dat ik als vrouw verder zou gaan leven. Vrienden en familie wisten het natuurlijk al. Er was door mijn contacten met lotgenoten ook een levensgebied waar mensen mij niet hadden gekend als Man-ik, ook al wisten ze dat die er wel geweest moest zijn. En er was door mijn vrijwilligerswerk zelfs een levensgebied waar men niet eens wist dat ik ooit Man-ik geweest was. Mijn totale coming out leverde een stortvloed aan positieve, steunende en totaal verraste reacties op. Er waren een paar aarzelende reacties, maar negatieve reacties kreeg ik eigenlijk niet op mijn mail. Sommige mensen communiceerden juist door helemaal niet te reageren ook wat ze er van vonden.

Dat is nu allemaal een jaar geleden. Zo’n jubileum is typisch een moment om de balans op te maken. Om datgene wat geschiedenis is geworden, samen te vatten om een beetje greep te krijgen op de werkelijkheid. Vrees niet: ik heb geen ABC-tje gemaakt, zoals je die vaak te horen krijgt op bruiloften en partijen. Maar ik ontkom niet aan terugkijken. Niet omdat het hoort, maar omdat de datum die de kalender aangeeft, mij in gedachten terugbrengt naar vorig jaar: de eerste dag van mijn fulltime bestaan als vrouw, volledig geopenbaard aan de wereld.

Na een turbulent en moeilijk jaar ben ik opgelucht. Opgelucht dat ik me heb ontworsteld aan het nare, vermoeiende dubbelleven dat ik een aantal jaar leidde, met Lisa-dagen en Man-ik-dagen, levend in werelden die ik angstvallig gescheiden hield. Nu is het helder en dat geeft rust: ik ben Lisa. Punt uit. Als ik terugdenk aan Man-ik dan voel ik minder strijd, minder verzet dan de afgelopen jaren het geval was. Dat wil niet zeggen dat de mannelijke conditionering verdwenen is. Of dat mijn mannelijke belevingswereld ineens is opgelost in een feminiene bloemenweide. Man-ik bestaat nog. Als bron, als achtergrond, als aspect van mij. En vooral wanneer ik moe ben, schemert die conditionering sterker door mijn vrouwelijke expressie heen dan ik graag zou zien. Het is niet anders. Af en toe zie ik ook dat dit me juist completer maakt. Gebalanceerder. Yin en Yang als eenheid en niet als polariteit.

Ik ben blij dat ik nu elke dag vrouw mag zijn. Dat ik mezelf mag laten zien op een manier die veel beter bij me past. Ik zie mezelf elke dag vrouwelijker worden: mijn lijf vervrouwelijkt dankzij de hormonen, mijn stem is ietsje minder mannelijk geworden dankzij logopedie en volcontinue aandacht voor mijn spraak, mijn vrouwelijk gedrag wordt met de dag natuurlijker en vanzelfsprekender. En toch gebeurt het nog meerdere keren per week dat ik aangesproken wordt als ‘mevrouw’ en dat het dan even duurt voor ik door heb dat ze mij bedoelen. Het gebeurt nog dagelijks dat ik een jubeltje in mijn lijf voel rondwentelen in totale blijdschap over mijn vrouw zijn. Alsof iets in mij nog steeds niet kan geloven dat het allemaal echt waar is. Gewoon is vrouw zijn dus nog lang niet geworden.

Ik ben trots. Trots op wat ik heb bereikt. Trots op mijn doorzettingsvermogen. Op mijn trouw aan mezelf. Het voelt goed om nu eindelijk mezelf eens serieus genomen te hebben. Om nu eindelijk te hebben toegegeven aan een vervreemdende en bizarre realiteit die al mijn hele leven deel van mij was en mij regelmatig saboteerde.

Maar er is ook veel verdriet. Verdriet om het verlies. Ik ben emotioneel instabiel, ik heb heel weinig energie, ik ben tot op het bot onzeker. Ik ben aan het ontwaken in een compleet andere beleving van mezelf, mijn emoties, de wereld om me heen en mijn rol daarbinnen. En ik weet niet of wat ik nu ervaar bij de transitiefase hoort of dat het vanaf nu een permanente realiteit zal blijken. Ik ben een ontluikend pubermeisje met de ervaring, verantwoordelijkheden en ambities van een veertiger. Dat contrast frustreert. Om nog maar te zwijgen over het hybride lichaam dat ik nu nog heb. Ik wil weer voluit leven, mijn actieve, kleurrijke en zelfstandige leven terug. Maar het lijkt erop dat dat nog wel even zal duren. Het gaat nu beter dan een half jaar geleden, maar het herstel gaat langzaam.

Bij dit alles klinkt permanent de melancholische achtergrondmuziek van de eenzaamheid. Ik mis S. vreselijk en ik voel me machteloos. Ik voel verdriet over mijn moeder. Ik mis M. nog steeds. Ondanks lieve vriendinnen L. en R. die heel dicht bij me staan, mis ik die ene speciale persoon in mijn leven die zo sterk op mij is afgestemd dat hij of zij (ja zelfs dat is niet helder) weet wat ik voel en bij wie ik me permanent gekoesterd kan voelen.

Ik ben blij met mijn gender. Ik ben trots op mezelf. Maar ik blaas dat ene kaarsje op de jubileumtaart van vandaag uit met een brok in mijn keel en tranen die op het punt van doorbreken staan.