woensdag 30 december 2015

Wegrijden

Het is donker als ik de doucheruimte uit kom. Ik wandel terug naar de tent. Daar zit S. op mij te wachten. Hij mocht van mij nog heel even gaan spelen als hij maar terug bij de tent zou zijn voor het donker werd. Onze buitenlandse camping loopt vloeiend over in een groot heuvelachtig donker bosgebied waarin een zevenjarige zomaar zou kunnen verdwalen, maar ik vertrouw erop dat S. verantwoordelijk is omgegaan met de vrijheid die ik hem heb gegeven. Dat doet hij namelijk altijd, en daarom mag hij veel van mij. Eenmaal bij de tent blijken de campingstoeltjes leeg. De tent zelf ook. Ik kijk rond of ik hem op het veldje zie. Geen S. Mijn hartslag versnelt zich. “Rustig maar, er is niks aan de hand”, zeg ik tegen mezelf, maar mijn intuïtie zegt iets heel anders. Snel loop ik terug naar het douchegebouw en controleer of hij niet toevallig op het toilet zit. Ik roep zijn naam. Geen reactie. In het donker loop ik over de camping en roep af en toe zijn naam. Eerst nog schuchter, want ik wil geen paniek veroorzaken bij de andere gasten. Maar mijn keel wordt steeds droger en mijn hartslag steeds sneller en uiteindelijk kan ik mijn bezorgdheid niet meer verbergen. S. is niet meer hier. Over mijn emotionele netvlies rollen angstscenario’s over verdwalen in het donkere bos, over kinderverkrachters, over een diepe val van een heuvel en een gebroken been, of erger. Andere campinggasten spreken me aan en voor ik het weet lopen tien mensen met zaklampen over de grote bosrijke camping en roepen ze S. zijn naam. Oh, S. waar ben je nou? Ik zie mezelf ineens op zijn dode lichaam stuiten, midden in dit enge buitenlandse bos. Ik zie mezelf bij zijn begrafenis staan. S. waar ben je? Kom snel weer terug lieve schat. Dikke watten in mijn hoofd leggen een waas over alles wat er gebeurt. Het lijkt zelfs alsof ik mezelf niet meer in de hand heb. Ik loop naar de tent. In het donker breek ik de tent af. Slaapzakken, campingstoeltjes, de tent: alle spullen leg ik in de auto. Terwijl ik op de achtergrond de andere campinggasten S. zijn naam horen roepen, stap ik in. Ik start de auto en rijd weg.

Het dekbed glijdt van me af. Ik zit rechtop in bed. Ik hijg. Mijn handen zijn klam en mijn keel is droog. Ik droomde. Of eigenlijk herinnerde ik me in mijn slaap een werkelijk voorval, jaren geleden, tijdens een vakantie met S. Alles gebeurde toen exact zoals ik het net droomde, alleen brak ik de tent niet af, stapte ik niet in de auto en reed ik niet weg. Ik zou S. nooit in de steek laten. Nooit. Toch?

Het voelt alsof ik al bijna een jaar op een donkere camping rondloop, tevergeefs naar S. roepend. Hij hoort me niet, lijkt het. Hij negeert me in elk geval. Ik mis hem en ik maak me zorgen. Hoe langer het duurt dat we elkaar niet zien, hoe groter de kans dat het niet meer goed komt. Dat het nooit meer zal zijn zoals het was tussen ons. We verloren elkaar uit het oog als genderdysfore vader en puberende zoon. Wie zullen we zijn als we elkaar ooit weer ontmoeten? Hij ontwikkelt zich, gestuurd door de loyaliteit aan zijn moeder. En ik ontwikkel me, gestuurd door mijn verlangen een vrouw te zijn. Bij elke stap in mijn transitie is het alsof ik het voor hem moeilijker maak om de weg terug naar mij te vinden. Alsof ik ons tentje telkens op een andere plek op de camping neerzet. De steeds dichterbij komende Grote Operatie voelt alsof ik in de auto ga stappen, ga wegrijden en S. mij nooit meer zal kunnen vinden. Wat ben ik toch aan het doen?

donderdag 24 december 2015

Tijd voor therapie

De telefoon gaat. Onbekend nummer. Ik adem diep in en uit en laat mijn kaak losjes naar beneden vallen. Eerst mijn strottenhoofd goed ontspannen om zo vrouwelijk mogelijk te klinken door te telefoon. De laatste keer dat ik door de telefoon nog met ‘meneer’ aangesproken werd, ligt gelukkig al meer dan een half jaar achter me. Hoewel ik me nog steeds enorm kwetsbaar voel door de telefoon, ben ik bijna nooit meer in paniek als de telefoon gaat. Maar alert blijf ik wel. Ik wil niet falen als vrouw.

Ik neem op: “Met Lisa”. “Dag mevrouw, u spreekt met de haartransplanteur, we willen graag een afspraak met u maken voor de negen-maanden-controle”. Negen maanden? Is mijn laatste haartransplantatie pas zo kort geleden? Ik was het compleet vergeten. Nou ja, ik kijk nog steeds elke dag vol tevredenheid in de spiegel naar het resultaat, maar ik was vergeten dat ik officieel nog in het nazorg-traject zit van de haartransplanteur. Ik maak een afspraak met de dame aan de andere kant van de lijn en hang op. Al weer een consult in de agenda. De zoveelste. Een gendertransitie slokt niet alleen emotioneel en financieel gezien alle bronnen op, maar het is enkel en alleen al vanwege alle consulten bij de diverse artsen en therapeuten bijna een fulltime baan. In mijn hoofd maak ik een opsomming van alle artsen en therapeuten met wie ik alleen al deze maand contact heb gehad of nog ga hebben vanwege mijn transitie. Het blijkt een indrukwekkende lijst:
  • de arts die mijn haartransplantaties heeft uitgevoerd
  • de huidtherapeut die mijn baard verwijdert
  • mijn logopediste
  • de huidtherapeut die mijn genitale ontharing verzorgt
  • mijn endocrinoloog de mijn hormoonbehandeling voor haar rekening neemt
  • de psycholoog van de VU die als ‘casemanager’ mijn mentaal/emotionele proces monitort
  • de plastisch chirurg die misschien mijn vagina gaat maken
  • de bekkenfysiotherapeut die mij gaat voorbereiden op het dilateren van mijn vagina
  • mijn psycholoog die me al jaren begeleidt
Negen stuks. Negen verschillende therapeuten of artsen in één maand. Het is een wonder dat ik nog tijd en energie over heb om een beetje te werken.

woensdag 23 december 2015

Boobytrap zonder boobies

Stof dwarrelt in mijn gezicht. Ik knipper met mijn ogen en blaas met een ademstoot de wolk dansende deeltjes van me af. Maar mijn arm gaat gestaag door. Het schuurpapier beweegt fanatiek heen en weer over het hout alsof dit het een van de belangrijkste dingen is in mijn leven. Maar dat is het niet, eigenlijk. Ik ben voor een vriend het houtwerk van de schuifdeuren van zijn prachtige kamer en suite aan het renoveren en werk met een ongekende gedrevenheid, focus en resultaatgerichtheid. Nou ja, Man-ik doet het.

Al klussend beweeg ik de mannelijke bewegingen die in de eerste helft van mijn leven zo vertrouwd geworden zijn. Ik herken ze als onderdeel van mij. Mijn Lisa-stem, melodieus dansend rond een A#, twee tonen hoger dan mijn mannenstem, is nergens te bekennen. Ik hoor weer de stem die ik decennia gebruikt heb: de toon een F# en de intonatie mannelijk. Meewarig observeer ik mezelf. God, wat brom ik. Waarom gebeurt dit toch steeds? Waarom val ik steeds terug in Man-ik?

Het is een van de grootste frustraties van elke transvrouw: de mannelijke erfenis. Jaren probeerde ik er aan te ontsnappen door de man zoveel mogelijk te ontkennen, weg te moffelen, te bestrijden. Inmiddels heb ik door dat het beter werkt om in vrede te leven met die man, maar dat valt in de praktijk soms niet mee. Om de haverklap val ik terug in de aloude mannelijke patronen. Als een onzichtbare valstrik ligt mijn mannelijke verleden op mij te wachten. Een boobytrap, maar dan dus juist zónder boobies, klaar om toe te slaan als ik even niet oplet. Mijn nieuwe vrouwelijke patronen gaan steeds meer vanzelf, maar het zal nog wel even duren voor ze net zo ingesleten zijn als de mannelijke. Tot die tijd zal ik dus regelmatig terugvallen in Man-ik.

Inmiddels ben ik wel wat gewend geraakt aan die dynamiek. Maar de frequentie van de terugvallen lijkt toe te nemen en deze keer is de terugval opvallend diep en langdurig. Ik ben al dagen een man. Niet alleen in stem en motoriek, maar ook in hoe ik mezelf van binnen ervaar. Ik droom zelfs weer van seks met vrouwen. Waarbij ik mijn piemel gebruik. Ik schrik er van en mijn hoofd probeert naarstig betekenis toe te kennen aan deze ontwikkeling, met saboterende vragen als ‘is mijn genderdysforie aan het overwaaien?’ of ‘heb ik me dan toch vergist?’. Ik realiseer me dat het vast te maken heeft met de spanning van de steeds dichterbij komende operatie. De man in mij is geschrokken van dat vooruitzicht.

Het is als transgender onmogelijk om je oude identiteit helemaal van je los te schudden, behalve misschien als je al zo jong in transitie bent gegaan dat er van een oude identiteit nauwelijks sprake was. Ik probeer Man-ik niet langer te onderdrukken. Hoewel ik overwegend vrouw ben, is die man ook wie ik ben. En hij wil af en toe buiten spelen. Vaak baal ik van het lompe gebrek aan elegantie, sensitiviteit en verbondenheid dat ik dan tentoonspreid. Maar nu ik zie hoe daadkrachtig, gefocust en resultaatgericht ik deze uitgebreide schilderklus aan het uitvoeren ben, voel ik het verdriet dat je kunt voelen bij het weerzien van een lang verdwenen vriend.

woensdag 16 december 2015

Halverwege

Ik zag het helemaal voor me: een stop-motion filmpje van hoe mijn borsten als gevolg van de hormoonbehandeling in twee jaar tijd zouden uitgroeien tot een mooie cup B. Dus begon ik vorig jaar foto’s te maken: zijaanzichten van mijn borsten. De eerste foto, vijftien maanden geleden, toonde niets meer dan een rode tepel, de foto’s die volgden lieten steeds een ietsiepietsie dikkere welving zien, maar veel was het niet. Na de vierde foto haakte ik af. Niet omdat de onhandig uit de hand geschoten foto’s nooit een mooi filmpje konden opleveren, maar vanwege de frustratie over de tegenvallende groei.

Inmiddels is mijn borstgroei halverwege. Niet halverwege de door mij gewenste omvang, maar halverwege de gemiddelde periode waarin borsten zich ontwikkelen bij transvrouwen. Na een jaar of tweeëneenhalf à drie schijnt de boel wel uitgegroeid te zijn. Wat je dan aan borstomvang mist, moet met implantaten worden opgelost; een optie waar driekwart van de transvrouwen ook voor kiest om zich happy te kunnen voelen met de eigen boezem. Ik wil eigenlijk geen implantaten (vanwege gezondheidsrisico’s en het ‘neppe’ gevoel), maar het lijkt er op dat ik daar toch op af steven. Mijn beslissing om extra hormonen te gaan slikken heeft de boel zeker weer aan het groeien gezet, maar ik ben niet gerust op het trage tempo.

Nee, ik hoef geen cup dubbel-D. En ja, er zijn veel vrouwen met maar een cupje A. En ja, ik ben vrij slank, dus moeten mijn borsten niet te groot zijn. Maar omdat mijn borsten zich bevinden tegen de achtergrond van mijn brede mannelijke torso en omlijst zijn met mijn relatief brede schouders, is een bescheiden A-tje echt uit balans voor een geloofwaardig voorkomen. Is er niet een of ander wondermiddel dat mijn schouders, longinhoud en borstkas zou kunnen doen krimpen naar vrouwelijke proporties?

Mijn borsten vinden het, hoe stereotiep vrouwelijk, nogal moeilijk om ruimte in te nemen. Maar de rest van mijn lichaam reageert behoorlijk goed op de vrouwelijke hormonen. Ik heb een kont, dijen en zachte ronde vormen all over the place. Een maand of twee geleden liet ik me door een artistieke fotograaf naakt fotograferen om dit gekke rare tussenstadium van mijn lichaam vast te leggen. Niet alleen voor mezelf, maar ook om aan een breder publiek zichtbaar te maken welke emoties en fysieke processen een rol spelen bij een transitie. De foto’s zullen komend jaar zeker nog geëxposeerd gaan worden.

Ik kijk regelmatig naar die foto’s. Ze geven me een ander gezichtspunt dan mijn badkamerspiegel. Mijn lichaam is zo aan verandering onderhevig, dat het moeilijk is om me er in thuis te voelen. De foto’s helpen me daar bij. Als ik er naar kijk ben ik steeds dolblij en totaal verbijsterd. Ben ik dat? Is dat vrouwenlichaam mijn lijf? Dat mooie vrouwenlichaam? Ook de borstjes zijn mooi, hoe klein ze ook zijn. Maar wat doet die gekke piemel daar dan nog?

Foto: Izaak P. Slagt

maandag 14 december 2015

Dat zullen we nog wel eens zien!

Mijn lieve hartsvriendin L. belde me vanavond. Zomaar, om bij te kletsen. Gezellig. Nou ja, dat had het kunnen zijn. Maar ik voelde me helemaal niet gezellig. We voelden allebei dat dit niet het moment was en hingen daarom maar snel op. Ik voel me al een tijdje niet gezellig. Okee, soms heb ik goede dagen en dan ben ik actief en dan kan ik oprecht genieten van de dingen die ik doe en van het contact met anderen. Maar de laatste tijd volgen de sombere dagen elkaar weer steeds sneller op. In een eeuwig durende pirouette draait mijn leven om haar as en duikt ze telkens aan de schaduwzijde van haar eigen bestaan, als een planeet die in een eindeloze werveling dag en nacht maakt. Telkens als ik durf te denken dat het beter gaat, komt weer een nacht. En hoewel het afgelopen halfjaar mijn emotionele nachten – in tegenstelling tot de aardse nachten – steeds korter werden en de tijd ertussen steeds langer, heeft zich onlangs in mij in rap tempo een emotionele zonnewende voorgedaan.

Natuurlijk, het is bijna winter en in de aanloop daarvan ben ik traditiegetrouw wat somberder. Natuurlijk, mijn financiële situatie blijft zeer kwetsbaar en daar voel ik me onrustig bij. Natuurlijk, de feestmaand is begonnen en mijn omgeving en de media herinneren me er voortdurend aan dat ik geen gezin, geen familie, geen liefje heb om al die knusse momenten die horen te komen mee te beleven. Dit alles helpt niet. Maar er is iets anders aan de hand. Nu mijn operatie in zicht is wil ik niet meer wachten. Ik wil nú een vagina. Ik wil nú mijn nieuwe lijf gaan ontdekken, ik wil nú seks met een man. Maar het mag nog niet. Het kan nog niet. De verantwoordelijke, verstandige volwassene in mij weet dat. Maar het opgroeiende kind in mij is ongeduldig. Instant behoeftebevrediging is haar kompas. Gemopper is haar taal. Zelfsabotage is haar instrument. Een puber is het, bereid om al het andere dat belangrijk is in het leven op te offeren om die vagina nú te krijgen. Ook al zegt de volwassene dat het zo niet werkt. O nee? Dat zullen we nog wel eens zien!

Ik herken dit gedrag. Vorig jaar voelde ik me in de aanloop naar mijn Real Life fase, mijn totale coming out als vrouw, precies zo. Doodsbang voor wat komen zou, wilde ik liefst zo snel mogelijk weg van de anticipatieangst omdat ik die niet kon verdragen. Een irrationele drang om van een hoge klif af te springen omdat je bang bent dat je zult vallen. En hier sta ik dan, op het zoveelste richeltje van mijn transitie en een stemmetje in mijn hoofd zegt dat ik nog maar even moet wachten. O ja? Dat zullen we nog wel eens zien!

zondag 13 december 2015

Van een ander

Een paar weken geleden schreef ik op dit blog over mijn angst voor De Grote Operatie. Nu ik het teruglees, schrik ik. Niet van de angst zelf; die is sindsdien bij me gebleven en is inmiddels vertrouwd geworden als de irritante oom die elk familiefeestje weer opduikt om halfdronken de sfeer te verzieken. Ik schrik van de formulering die ik onbewust koos: “de operatie waarmee de artsen over een tijdje van mijn penis een vagina zullen gaan maken”. Mijn penis. Een vagina.

Waar komt die identificatie met dat mannelijke geslachtsdeel ineens vandaan? De laatste jaren was de emotionele afstand tussen mijn piemel en mij juist gestaag toegenomen, tot vlak voor het punt van walging waar het zich vroeger, toen ik een puber was, ook bevond. En nu mijn geslachtsaanpassende operatie in zicht kwam, was ik me ineens weer gaan identificeren met mijn piemel? Wat me na mijn pubertijd decennia aan geduld en volharding gekost had, was nu in een paar weken vanzelf gebeurd: ik was mijn piemel weer als onderdeel van mij gaan zien. Een onderdeel dat op het punt stond om door een arts getransformeerd te gaan worden tot een vagina die niet van mij was. Een geconstrueerde kut, ontstaan uit de chirurgische vaardigheden van een ander.

Mijn DNA kreeg ik van mijn ouders, net als mijn eerste naam. Mijn motoriek, mijn zachte g: nagedaan van mijn ouders. Mijn denkbeelden, mijn mannelijke compensatiegedrag, mijn seksuele voorkeur: alles werd me door anderen voorgedaan. Totdat ik op het punt kwam dat ik mezelf begon te heroveren op de dwingende verwachtingen van mijn omgeving. Het punt waarop ik naar mijn hart begon te luisteren en mezelf begon te creëren naar mijn verlangen in plaats van naar de ideeën van anderen. Er kwam een nieuwe naam, een nieuw uiterlijk. Er kwamen hakjes, rokjes en een nieuw stemgeluid. Ik creëerde mezelf. Met hulp van anderen, maar onder regie van mij. Een zware, moeilijke taak waar ik fanatiek, zelfs monomaan mee bezig was om me alles zo goed als mogelijk eigen te maken.

En nu is De Grote Operatie dichtbij. Nog maar een aantal maanden, een half jaar en dan lig ik op de operatietafel. Een ingrijpende fysieke aanpassing, die me dichter bij mezelf moet brengen. Een aanpassing die ik in diepe narcose zal ondergaan. Een overgangsritueel waar ik zelf niet bij ben. Ik zal ontwaken met een vagina van een ander. Datgene wat zo belangrijk voor me is, wat zo bepalend zal zijn voor mijn totale vrouwelijkheid, wordt geconstrueerd waar ik niet bij ben. Een lichaamsdeel dat in het begin misschien wel net zo vreemd zal aanvoelen als mijn piemel tijdens mijn pubertijd. Daar kijk ik niet naar uit.

Een chirurg gaat van mijn penis een vagina maken. Pas daarna mag ik, nog geen idee hoe, van die vagina míjn vagina maken. Mijn langgekoesterde vagina. Hoe lang zal het na de operatie nog duren voordat míjn vagina er eindelijk is?

vrijdag 4 december 2015

Kippenpoten

Voor de tweede keer deze week schrijf ik een Sinterklaasgedicht. Hoewel ik geen gezinnetje meer heb om gezellig Sinterklaasavond mee te beleven, wil ik dit familiefeest toch niet aan me voorbij laten gaan. Gisteren schreef ik al een gedicht voor S., die onlangs dat hij mij niet wil zien, toch iets in zijn schoen krijgt van mij. Al is het dan gewoon via de post in plaats van via de schoorsteen. Vandaag schrijf ik een gedicht voor mijn allerbeste vrienden die me zo onvoorwaardelijk en eindeloos steunen in de moeilijke fase waarin mijn leven zich nu bevindt.

Ik vond het altijd al leuk om Sinterklaasgedichten te schrijven. Vroeger, als kind, herkenden mijn ouders en zussen altijd meteen welke surprise ik had gemaakt: niet vanwege het geknutselde bouwsel, maar vanwege het ellenlange gedicht dat er bij zat. Eerst schreef ik het gedicht in het klad en daarna schreef ik het zo netjes mogelijk over ‘voor het echie’. En hoezeer ik ook mijn best deed, het was nooit enkel de lengte van het gedicht waarmee ik me verraadde; de bijna onleesbare friemelige hanenpoten van mijn onzekere jongenshand waren ook een duidelijke weggever.

Tegenwoordig schrijf ik gedichten in de tekstverwerker. Typen vind ik een prettiger manier van schrijven. Typend hou ik tenminste nog een beetje mijn snelle hoofd bij. Maar als het op Sinterklaasgedichten aankomt (of op persoonlijke brieven for that matter) dan maakt afdrukken van een typesel het nog geen schrijfsel. Een onwrikbare regel in mijn hoofd stelt, dat een Sinterklaasgedicht handgeschreven moet zijn. En dus beweegt mijn hand een pen over het papier en tekent het één voor één alle letters van het beeldscherm over op papier: ik schrijf het gedicht over van het elektronische kladje naar het ‘echie’.

Maar er is wel een verschil met vroeger. De letters die mijn hand nu vormt zijn anders: sierlijker, ronder, groter en goed leesbaar. Ik kijk er naar en schrik. Het daagde me al een tijdje, maar nu ik kijk naar wat mijn schrijfhand voortbrengt, dringt het echt tot me door: mijn handschrift is vrouwelijker geworden. Mijn hanenpoten zijn nu ontegenzeggelijk kippenpoten geworden. Ik weet niet wanneer dat gebeurd is, maar het is onmiskenbaar. Ik heb er niet op geoefend. Ik heb er geen cursus voor gevolgd of therapeut voor bezocht. Het vervrouwelijken van mijn handschrift is gewoon gebeurd.

Mijn hand schrijft gestaag door. Af en toe komt er een gehaaste, ietwat hoekige letter uit mijn pen; een echo van het verleden. Maar meestal glijden de letters in vloeiende bewegingen rond en gezond uit mijn pen. Ik schrijf vrouw. Ik ben vrouw. Jippie!

woensdag 2 december 2015

Twijfel versus aarzeling

Mijn lijf sjokt met lompe bewegingen door het huis. Ik heb mascara op en draag een hempje met spaghettibandjes. Elementen van mijn vrouwelijke expressie die na een ruim jaar fulltime als Lisa geleefd te hebben tot mijn basisuitrusting gerekend mogen worden. De flodderbroek en het fleecevest die ik draag zijn officieel ook vrouwelijk, maar hadden net zo goed uit het rek met mannenkleding gehaald kunnen zijn. Tot dit weekend was ik een vrouw in die kleren. Maar vandaag ben ik een man. Ik beweeg als een man, ik mopper als een man (althans, als de man die ik was), ik boer als een man. Mijn stem is weer achterin mijn keel gezakt. Mijn borst resoneert weer naar hartenlust mee als ik praat. Alles wat ik heb geleerd en geoefend om mijn stem te vervrouwelijken, lijkt vergeten. Ik heb me zelfs al twee dagen niet geschoren, zónder dat er een epilatiebehandeling in het verschiet ligt. Wanneer was dat voor het laatst? Drie jaar geleden?

Al sjokkend wandel ik zigzaggend door mijn dag, angstvallig om mijn emoties heen laverend. Bang om stil te staan omdat mijn gevoel me op de hielen zit. Als ik over mijn schouder kijk, dan schrik ik. Ik schrik van mijn gevoel. Ik durf er de confrontatie niet mee aan. Want ik ben bang. Doodsbang. Ik voel paniek opkomen en vrees herhaling van mijn paniekaanval van twee dagen geleden. Snel waggel ik verder door het mijnenveld van emoties.

Als mensen mij de afgelopen maanden vroegen of ik nooit twijfelde of ik De Grote Operatie wel wilde laten uitvoeren, zei ik altijd: “Ik twijfel niet, maar ik aarzel wel. Het is nogal een ingrijpende stap”. Het lijkt erop alsof dit weekend het besef van de impact pas volledig tot me is doorgedrongen. Of eigenlijk moet ik zeggen: tot Man-ik is doorgedrongen. Op de drempel van de geslachtsaanpassende operatie, realiseert mijn mannelijke deel pas echt wat er gaande is. En hij is boos. Hij verzet zich tegen deze belangrijke stap in mijn lichamelijke transitie. Met de operatie word ik niet alleen in symbolische zin ontmand, maar ook in letterlijke en in praktische zin. Terug naar een leven als man wordt dan definitief onmogelijk.

‘Mijn proces is alleen aan de buitenkant een transitie; van binnen is het een integratie’, schreef ik ooit. Mooie woorden. Maar nu de impact van de operatie daadwerkelijk tot me door aan het dringen is, lijkt het alsof die woorden niet kloppen. De transitie aan de buitenkant maakt totale integratie onmogelijk, zo voelt het nu. Als een bodembedekker, een netwerk van mos, heeft mijn mannelijke deel zich overal in mij genesteld. Niet alleen in mijn DNA, waar ik samen met de medici van het VU tegen strijd, maar ook in mijn conditionering, vaardigheden, ervaring en kennis. Dat alles lijkt onbereikbaarder te worden door de operatie. En het lijkt erop alsof mijn mannelijke deel dat niet wil. Sterker nog, het voelt alsof ík dat niet wil. Wat Man-ik niet wil, wil Lisa niet. Lisa en Man-ik zijn dezelfde. Ze zijn in een bizarre lotsverbondenheid tot elkaar veroordeeld. Ze zijn allebei een expressie van wie ik ben. En allebei laten ze een deel van mij zien dat de ander niet kan laten zien. Het voelt alsof ik ze allebei nodig heb. De Gordiaanse knoop van de genderdysforie trekt weer strakker.

De Grote Operatie is een ingrijpende stap. Ik aarzel. Ik aarzel heel erg. Misschien, op een moment dat niemand het hoort, durf ik zelfs te zeggen dat ik twijfel. Mijn hoofd zegt dat de aarzeling vermomde angst is. En mijn hoofd zal vast gelijk hebben, want daar is hij namelijk erg goed in. Maar dat durf ik op dit moment niet te checken. Ik durf gewoon niet eerlijk naar mijn aarzelingen over de operatie te kijken. Ik voel me namelijk op dit moment niet opgewassen tegen de eventuele vervolgvraag: wat dan?