woensdag 30 december 2015

Wegrijden

Het is donker als ik de doucheruimte uit kom. Ik wandel terug naar de tent. Daar zit S. op mij te wachten. Hij mocht van mij nog heel even gaan spelen als hij maar terug bij de tent zou zijn voor het donker werd. Onze buitenlandse camping loopt vloeiend over in een groot heuvelachtig donker bosgebied waarin een zevenjarige zomaar zou kunnen verdwalen, maar ik vertrouw erop dat S. verantwoordelijk is omgegaan met de vrijheid die ik hem heb gegeven. Dat doet hij namelijk altijd, en daarom mag hij veel van mij. Eenmaal bij de tent blijken de campingstoeltjes leeg. De tent zelf ook. Ik kijk rond of ik hem op het veldje zie. Geen S. Mijn hartslag versnelt zich. “Rustig maar, er is niks aan de hand”, zeg ik tegen mezelf, maar mijn intu├»tie zegt iets heel anders. Snel loop ik terug naar het douchegebouw en controleer of hij niet toevallig op het toilet zit. Ik roep zijn naam. Geen reactie. In het donker loop ik over de camping en roep af en toe zijn naam. Eerst nog schuchter, want ik wil geen paniek veroorzaken bij de andere gasten. Maar mijn keel wordt steeds droger en mijn hartslag steeds sneller en uiteindelijk kan ik mijn bezorgdheid niet meer verbergen. S. is niet meer hier. Over mijn emotionele netvlies rollen angstscenario’s over verdwalen in het donkere bos, over kinderverkrachters, over een diepe val van een heuvel en een gebroken been, of erger. Andere campinggasten spreken me aan en voor ik het weet lopen tien mensen met zaklampen over de grote bosrijke camping en roepen ze S. zijn naam. Oh, S. waar ben je nou? Ik zie mezelf ineens op zijn dode lichaam stuiten, midden in dit enge buitenlandse bos. Ik zie mezelf bij zijn begrafenis staan. S. waar ben je? Kom snel weer terug lieve schat. Dikke watten in mijn hoofd leggen een waas over alles wat er gebeurt. Het lijkt zelfs alsof ik mezelf niet meer in de hand heb. Ik loop naar de tent. In het donker breek ik de tent af. Slaapzakken, campingstoeltjes, de tent: alle spullen leg ik in de auto. Terwijl ik op de achtergrond de andere campinggasten S. zijn naam horen roepen, stap ik in. Ik start de auto en rijd weg.

Het dekbed glijdt van me af. Ik zit rechtop in bed. Ik hijg. Mijn handen zijn klam en mijn keel is droog. Ik droomde. Of eigenlijk herinnerde ik me in mijn slaap een werkelijk voorval, jaren geleden, tijdens een vakantie met S. Alles gebeurde toen exact zoals ik het net droomde, alleen brak ik de tent niet af, stapte ik niet in de auto en reed ik niet weg. Ik zou S. nooit in de steek laten. Nooit. Toch?

Het voelt alsof ik al bijna een jaar op een donkere camping rondloop, tevergeefs naar S. roepend. Hij hoort me niet, lijkt het. Hij negeert me in elk geval. Ik mis hem en ik maak me zorgen. Hoe langer het duurt dat we elkaar niet zien, hoe groter de kans dat het niet meer goed komt. Dat het nooit meer zal zijn zoals het was tussen ons. We verloren elkaar uit het oog als genderdysfore vader en puberende zoon. Wie zullen we zijn als we elkaar ooit weer ontmoeten? Hij ontwikkelt zich, gestuurd door de loyaliteit aan zijn moeder. En ik ontwikkel me, gestuurd door mijn verlangen een vrouw te zijn. Bij elke stap in mijn transitie is het alsof ik het voor hem moeilijker maak om de weg terug naar mij te vinden. Alsof ik ons tentje telkens op een andere plek op de camping neerzet. De steeds dichterbij komende Grote Operatie voelt alsof ik in de auto ga stappen, ga wegrijden en S. mij nooit meer zal kunnen vinden. Wat ben ik toch aan het doen?

Geen opmerkingen:

Een reactie posten