woensdag 7 december 2016

Eerbetoon

Ik lig in bed. Met een hand druk ik de dilatatie-pelotte aan die mijn neo-vagina open moet houden. Werktuiglijk, zonder speciale aandacht. In mijn andere hand heb ik een boek en ik lees. Ik lees The Danish Girl; het boek waarop de gelijknamige film is gebaseerd. Het verhaal gaat over Einar Wegener, een Deense kunstschilder die door de liefde en het non-conformisme van zijn vrouw Gerda voor het eerst in zijn leven de ruimte voelt om de vrouw die in hem leeft te laten zien. En zo wordt, tijdens het interbellum, Lili Elbe uit hem geboren. Gerda steunt Lili voorbij de angst, de vervreemding en de grenzen van hun relatie.

Mijn ogen glijden koortsachtig over de woorden in het boek. Elke bladzijde brengt me terug bij een moment in de afgelopen zes jaar. Terug bij M. en onze liefde voor elkaar. Haar non-conformisme en haar steun en liefde voor mij. Het boek is een eerbetoon aan Gerda en Lili. Een eerbetoon aan M. en mij. Een eerbetoon aan grenzeloze liefde, voorbij ideeën van hoe het zou moeten zijn. Liefde die strandt in het onvermogen om twee levens in gezamenlijkheid vorm te geven. Ik lees de woorden, op zoek naar antwoorden, verlossing zelfs. Maar ze brengen me niets dan intense herinneringen en de diepe pijn van verlies. Ik huil op bijna elke bladzijde. Ik huil zelfs nog meer dan ik tijdens de film al deed. Misschien is dat omdat ik nu in de intimiteit van mijn eigen slaapkamer ben. Misschien omdat het boek veel meer nuances en gebeurtenissen beschrijft dan de film. Misschien omdat ik sinds mijn operatie in een transformerende periode ben geraakt. Zulke periodes heb ik vaker gehad in mijn transitie: een sterke innerlijke concentratie, onttrokken aan zelfobservatie en analyse, maar voelbaar.

De laatste twee maanden leefde ik erg teruggetrokken. Ik had weinig contact met vrienden, met mijn meditatiegroep. Ik weet dat aan mijn enorm drukke werk-agenda en het moordende dilateerschema. Maar terwijl ik huilend opnieuw een bladzijde van dit confronterende boek omsla, realiseer ik me dat er iets anders is waardoor ik in hard werken verdween. Ik vlucht, uit angst om de realiteit ten volle onder ogen te zien. De realiteit die in de woorden van Lili als een harde dreun tot me komt: “Ze dacht aan bange Einar, van de rest van hen gescheiden, op de een of andere manier weg – voorgoed weg”.

Ja ik mis Man-ik. Ja ik mis dat leven. Niet dat ik dat leven wilde, niet dat het makkelijk was om het te leven, maar in elk geval was duidelijk wat er van me verwacht werd. Mijn toekomst boezemt me angst in. Niet vanwege de vrijheid te zijn wie ik wil, maar vanwege de verantwoordelijkheid het te laten slagen. Als een verplicht eerbetoon aan het grote offer dat Man-ik gebracht heeft. Er wacht nog zoveel op me: de ontdekking van mijn nieuwe seksualiteit, een relatie, het opnieuw vervullen van het ouderschap, het lijmen van brokstukken uit mijn oude leven. Ik ben bang voor wat er komt. Bang voor wat er moet. Bang voor de verantwoordelijkheid van het lot in eigen hand nemen.

vrijdag 2 december 2016

Loszittende tegels

Vandaag durfde ik het aan: fietsen. Drie maanden lang mocht het niet van dr. Chettawut. Het tere weefsel van mijn vagina moest eerst goed helen, hechten en doorbloeden. Mijn dappere (of moet ik zeggen: ongeduldige) eerste poging aan het begin van de vierde maand was geen succes. Toen mijn vagina mijn fietszadel raakte, leek het alsof mijn clitoris door de druk er af geperst werd. En ik gebruik hier geen metafoor. Ik leefde al maanden met de angst dat het meest tere onderdeel van mijn nieuwe vagina zou afsterven of anderszins gevoelloos zou blijven en mijn onbarmhartige zadel perste gewoon alle bloed uit mijn schaamlippen en zitvlees; ik voelde het omhoog stuwen. Eigenwijs als ik ben, ging ik toch fietsen. Staand, dat wel.

Na een paar weken volgde de tweede poging en die verliep iets beter, qua pijn. Wel ging ik steeds bij elk hobbeltje (en ja een takje is ook een hobbeltje) even uit het zadel. Dat moest een grappig gezicht geweest zijn. De nasleep was echter niet grappig: dagenlang was mijn vagina rood en gevoelig. Toen sprak ik een quotum met mezelf af: maximaal eens in de vier dagen en dan niet langer dan tien minuten. In de praktijk vond ik mezelf na elke fietspoging weer minimaal een week bij de tramhalte. Fietsen was te oncomfortabel.

Het is inmiddels ruim vijf maanden sinds mijn operatie. Brak van een te korte nacht (niet van een spannend avontuur, maar van de werkstress helaas) snak ik vandaag naar frisse lucht en beweging en de zoveelste epilatiebehandeling van mijn baard is een mooie gelegenheid om er op uit te gaan. Ik pomp de te weinig gebruikte achterband op, pak mijn fiets uit de berging, en stap op de trapper. Voorzichtig ga ik zitten. Ik voel hoe eerst mijn jas het zadel raakt, dan mijn broek en dan mijn billen. Heel voorzichtig ontspan ik mijn benen iets. Ik voel me langzaam iets zwaarder worden op het zadel. En nog iets. En nog iets. Ja ik zit. Ik zit en het voelt oké. En terwijl ik mijn benen rondjes laat draaien op de trappers, concentreer ik me op het gevoel in mijn vagina. Het voelt goed. Een lichte druk, maar niet alarmerend. Voelt wel normaal eigenlijk. Fietsen op een scrotum was ook nooit een pretje. Na een minuutje kom ik bij een roodbetegeld fietspad. Mijn aandacht wordt getrokken door een knalgeel bord aan het begin ervan: “Pas op: loszittende tegels”. Meteen flitsen mijn ogen over het wegdek en ik veer instinctief omhoog. Hmmm, nee ziet er goed uit hier. Ik fiets door en laat me ontspannen op mijn zadel zakken.

Terwijl ik geniet van de lichaamsbeweging en het gevoel van vrijheid dat het fietsen me geeft, doolt mijn aandacht tussen mijn gedachten en alles wat er om me heen te zien is in deze levendige straat. Ineens voel ik het stuur in mijn handen licht schudden en ik hoor het typische rommeldebommel-geluid van wiebelende betonnen stoeptegels. Ik kijk naar beneden en ja: loszittende tegels. Meteen til ik mijn vagina van het zadel. Tegelijk realiseer ik me het vreemde daarvan: ik ga omhoog omdat ik de tegels zie, niet omdat ik een naar gevoel had in mijn vagina. Zou het dan inmiddels toch…? Voorzichtig ga ik weer zitten, terwijl de tegels onder mij blijven rammelen. Ik voel… Ik voel… Ik voel niks bijzonders. Ik fiets! Ik fiets over hobbels! Meteen vertelt een glimlach op mijn gezicht hoe blij ik ben dat ik weer een klein stukje van mijn normale leven op mijn revalidatie heb veroverd.

dinsdag 29 november 2016

Orgasmeschien?

Wanneer ik vroeger geil was, had ik een permanent opgejaagd gevoel in mijn lijf. Onbewust stuurde ik mijn ogen dan koortsachtig heen en weer op zoek naar neukmateriaal. Niet concreet, want daar was ik veel te onzeker en onhandig voor als man, maar dan toch in elk geval om mezelf de opwinding te gunnen van aantrekkelijke vrouwen. Mijn hormoonbehandeling had mijn geilheid fundamenteel herijkt. Het duurde heel lang voor ik het kon herkennen. Geen opgejaagd gevoel. Geen koortsachtig gedoe. Het is een kalme ondertoon van ontvankelijkheid. Een soort ‘ja ik wil’ die aan niemand in het bijzonder is gericht.

Zo’n ‘ja ik wil’ had ik vanochtend ook. Ik lag in bed te dilateren. Sinds ik weer aan het werk was dilateerde ik nog maar twee keer per dag. Het was gewoon onmogelijk om – zoals de dokter me had opgedragen – driemaal daags een uur de tijd te vinden om mijn vagina te behoeden voor krimp. Wel probeerde ik nu per keer iets langer te dilateren, om mijn geweten te sussen. Vanochtend lag ik weer gedwee mijn eerste ronde dagelijks corvee uit te voeren. Het dilateren in Thaise stijl is in het geheel niet opwindend: ik moet gewoon de pelotte (de dilatatiedildo) zo ver mogelijk inbrengen en dan stevig aan blijven drukken. Maar toch voelde ik deze ochtend een verlangen. Ik voelde de volheid van mijn vagina en ik voelde de warmte van mijn hand tussen mijn benen. En toen voelde ik ineens ‘ja ik wil’. Zonder aarzelen ging mijn andere hand ook naar mijn vagina. Mijn middelvinger gleed even langs de met pelotte gevulde opening van mijn vagina om wat glijmiddel te verzamelen, om vervolgens langzaam omhoog te glijden tussen mijn schaamlippen door. Mijn vingertop streelde mijn kleine schaamlippen en toen ik iets harder drukte schoven ze uit elkaar. En daar was zij. Clit. Mijn clitoris. Ik had die natuurlijk inmiddels al vaker aangeraakt, maar nu voelde het anders. Zachter. Fijner. Mijn vinger deed haar pulserende werk, ondersteund door pelotte in mijn vagina die ineens heen- en weer was gaan bewegen. Het voelde fijn. Geborgen. Vol. Ik voelde me ontspannen. Ging hijgen. En toen schokte mijn been. Nu doet hij dat wel vaker als ik me ontspan, maar toen hij nog eens schokte en nog eens, voelde ik me gretig worden. Mijn handen verhoogden het tempo. Ik werd warm van binnen. Hijgde. Schokte. En toen kwam er een diepe zucht en minderde ik vaart. Langzaam strelend hield ik mijn beide handen tussen mijn benen, tot het wekkertje me vertelde dat de verplichte dilatatietijd er op zat.

Verward bleef ik liggen. Dit was heerlijk. Zo fijn was het nog niet eerder geweest als ik mezelf daar beneden aanraakte. Ik was er ontspannen van geworden. Tevreden. Ik wilde wel knuffelen, maar buiten Beer was er niemand in mijn bed. Met de pluizige randjes van Beers oren tegen mijn wang vroeg ik me af of ik nu was klaargekomen of niet. De sensaties waren fijn. Vervullend. Maar van een totaal andere orde dan het mannelijke orgasme dat ik zo goed kende. Ik had niet de intense, allesverslindende warmte gevoeld van endorfine die de bloedvaten van mijn brein in spoot, zoals hete thee je slokdarm kan verwarmen op het randje van aangenaam en pijnlijk. Niet de seconde van totale leegte, totale eenwording met alles en iedereen die ik ken van mijn mannelijke orgasme. Niet de verkramping in mijn schaamstreek. En geen ejaculaat. Was ik nu klaargekomen? Was dit mijn nieuwe orgasme? Misschien. Even voelde ik teleurstelling. En tegelijk was het goed zoals het was. Dit was sinds mijn operatie de eerste keer dat ik mezelf seksueel zover had gestimuleerd dat mijn lichaam duidelijk een piek bereikte in genot. Of dit de ultieme piek was of dat er nog een heel gebergte aan intense piekervaringen op me wachtte, deed er nu niet toe. Het was fijn zoals het was.

vrijdag 18 november 2016

Schoolfoto

De gewoonte steekt de kop op als ik me opgejaagd voel. Dan lijkt het een halszaak om het dagelijkse leven te optimaliseren. Dan minimaliseer ik mijn stappen door mijn huis door zoveel mogelijk dingen tegelijk te doen. Dan loop ik met een tandenborstel in mijn mond (die ik alleen in gedachten ook daadwerkelijk heen en weer beweeg), met een lege shampoofles naar de prullenbak in de keuken, terwijl ik onderweg nog een kledingstuk van het wasrek in de studeerkamer haal, waar ik dan alvast maar de computer aan zet omdat ik er zo op wil werken en neem ik onder mijn arm meteen maar de telefoonoplader mee om mijn telefoon op te laden die in de woonkamer ligt, waar ik dan – met mijn handen vol – ook nog maar een raam probeer open te zetten om het huis te luchten. Efficiënt qua passen, maar mijn prefrontale cortex loopt er meestal van over. Het levert me juist meer stress op in plaats van dat het me een gevoel van controle geeft. Ik weet het. Maar ja, stop er maar eens mee… Wanneer ik met deze doenerigheid en gejaagdheid thuiskom, in de hal de brievenbus leeg en de trap op loop naar mijn appartement, dan is de post natuurlijk al open, gelezen en gesorteerd voor ik boven ben. En nee, ik woon niet op de 12e verdieping.

In zo’n haastperiode leef ik nu ook. Ik heb het heel erg druk in mijn werk. Ik heb sinds jaren niet zoveel uren kunnen maken. Lang had ik niet de energie en het basisvertrouwen in mezelf om zoveel klussen aan te trekken en uit te voeren. Sinds mijn operatie kan het blijkbaar wel. Er is iets veranderd in mij. Ik schijn het uit te stralen, men ziet het in mijn ogen: “Je bent er weer”. Alsof ik het gevoel heb dat ik wat in te halen heb (wat volgens mijn bankrekening overigens ook echt zo is) ga ik harder dan eigenlijk goed is gezien de fase van mijn herstel. Ik moet mezelf er steeds aan herinneren dat ik nog geen vijf maanden geleden een hele zware en emotioneel ingrijpende operatie heb gehad.

Toen ik vandaag de brievenbus opende zag ik een envelop waarvan ik wist dat ik die meteen ging openen. Niet uit haast. Maar omdat ik het handschrift herkende en wist dat deze envelop me een boodschap zou brengen die me vast en zeker zou raken. Het handschrift was van mijn ex, de moeder van S. Ik scheurde de envelop meteen open en mijn oog viel op het kleine briefje in hetzelfde handschrift. Achter dit briefje vandaan stak een volle donkere bos ietwat warrig haar. Ik schoof het briefje opzij en keek in de ogen van S. Een schoolfoto. Even voelde ik verbazing en dankbaarheid naar mijn ex. En toen keek ik naar mijn zoon. Ik herkende hem meteen en dat verbaasde me. Want hoe langer ik hem aanstaarde in die donkere toegeknepen ogen van hem, hoe meer hij als een vreemde ging voelen. Ik zag een jongen die leek op de foto’s die ik in de woonkamer had staan. Hij leek ook op mijn ex. En op haar broer. Maar leek hij op mijn zoon? Wie is mijn zoon eigenlijk? Is mijn zoon de jongen uit mijn herinneringen van twee jaar geleden? Is mijn zoon de erg zieke jongen die ik eerder dit jaar een aantal keer mocht zien toen hij in het ziekenhuis lag? Of is mijn zoon die grote knul, jonge man bijna, die me nu vanaf het fotopapier aankeek? Kleur op zijn gezicht, zijn haar in volle glorie hersteld sinds zijn ziekbed: het gaat goed met hem. Ik was blij dat te zien. Maar de pijn in mijn hart vertelde me hoe groot de afstand tussen hem en mij was geworden. We waren elkaar aan het verliezen. Deze foto maakte voelbaar dat het niet langer mogelijk was om de draad op te pakken mochten we elkaar ooit weer zien. We zullen dan samen aan een nieuwe draad moeten beginnen. Een draad gesponnen uit het diepe besef hoeveel steken we hebben laten vallen.

woensdag 12 oktober 2016

Familie

Het went nooit. Dat je ergens heen gaat en vooraf al weet dat je er bekenden zult ontmoeten en dat er toch niemand is die jou kent. Ik open de deur van mijn auto die ik na een lange rit zojuist naast de haag van dit restaurant parkeerde. Ik stap uit en stel me voor dat ik me thuis zal voelen komen als ik de geur van de omgeving opsnuif. Ik haal een diepe teug… jakkes! Koeienpoep. Het is niet door deze geur maar toch ervaar ik een veilig, vertrouwd gevoel – het zal wel iets subliminaals zijn. Dit is mijn geboortegrond. Niet letterlijk deze plek, maar deze regio. Misschien voelt het alleen maar zo omdat ik weet dat ik zo meteen een paar tiental van mijn neven en nichten ga ontmoeten. Een deel heb ik voor het laatst gezien op de vorige Neven&Nichtendag, acht jaar geleden toen ik nog een neef was. De rest heb ik op zijn best 15 jaar geleden gezien op de uitvaart van onze oma.

Ik ben bewust niet te vroeg gekomen, zodat ik mijn feitelijke coming-out niet uit hoef te smeren over het uur waarin iedereen binnendruppelt. Nu is zo ongeveer iedereen er vast al. Ik loop van de parkeerplaats af en voor ik de deur van het zaaltje naast het restaurant open trek, haal ik diep adem en terwijl ik me realiseer dat de geur van koeienpoep snel went, stap ik naar binnen. Daar staan mijn neven en nichten – met aanhang – geanimeerd met elkaar te praten. Wanneer de eerste mij opmerkt, draait iedereen haast synchroon het hoofd mijn richting op. Ze wisten dat ik kwam. Ze wisten inmiddels ook wel van mijn transitie. Dat het roddelcircuit goed werkt wist ik al nadat ik vorig jaar een nicht had bezocht. De dagen erna kreeg ik via Facebook veel vriendschapsverzoeken van bijna alle andere nichten en neven die me nu aanstaren. Nu zien ze me voor het eerst in het echt. Ik stap de groep in en begin de eersten te begroeten. Iedereen haalt adem en zakt ontspannen terug in hun eigen gesprekken, met een nieuwsgierig half oog controlerend of ik ook nog wel bij hun langs ga komen. Mijn sociale flair helpt me daar zwierig en energiek doorheen. Obligate vragen – terecht en welgemeend, daar niet van – passeren. Antwoorden komen. Ik moet meerdere keren de zin “Goh wat ben jij veranderd” inslikken omdat het op de een of andere manier ongepast voelt om te zeggen tegen een neef wiens transitie beperkt bleef tot het aankomen van een kilo of 15.

We praten en we eten. We eten en we drinken. En terwijl ik kijk en luister naar deze mensen dringt tot me door dat hun stemmen, hun bewegingen en hun grappen me vertrouwd zijn. En toch is er iets nieuws: het gevoel dat ze me toelaten; dat ze contact met me maken. Dat voelt niet vertrouwd maar toch vanzelfsprekend. Het is dat vreemde gevoel dat je kunt hebben als je voor het eerst na 10 jaar een persoonlijk gesprek met een collega hebt. Toen een neef me zei dat hij me zo leuk geworden vond (“Vroeger kon ik zo moeilijk echt contact met je maken. Probeerde ik nevendingen met je te doen, maar het leek altijd of je ergens anders was, alsof je er niet bij was”), drong tot me door wat het was: het zijn niet mijn neven en nichten die nu contact met mij maken. Ik ben het zelf. Voor het eerst in mijn leven maak ik echt contact met hén. En dan sijpelt er een gevoel van onvoorwaardelijke verbondenheid binnen dat me ontroert. Ik ben verbonden met deze mensen. Zij zijn mijn familie. Ik heb een familie! Ik ben niet alleen!

Er komen steeds meer verhalen over vroeger over tafel. Ik herken het decor van die verhalen. Het huis van oma en opa. Het bos daar vlak bij. De vrachtwagens van het transportbedrijf van mijn oom. Ooms en tantes. Hun huizen. De geur van het bed op hun logeerkamer. De verhalen echoën beelden in mijn hoofd. Maar de feitelijke gebeurtenissen kan ik me nauwelijks herinneren. Ik was er bij; de beelden in mijn hoofd zijn daar bewijs van. Maar het voelt alsof ik er geen deelgenoot van was. Alsof ik inderdaad ergens anders was zoals mijn neef zei. Op een plek waar ik geen concrete herinneringen aan gebeurtenissen kon opslaan, maar slechts het zware gevoel van de grijze eenzaamheid van mijn jeugd. Mijn herinneringen zijn leeg. Flintertjes indrukken die ver van de essentie afstaan omdat in die essentie een genderdysforie opgesloten zat die ik niet wilde voelen. En terwijl ik mijn neven en nichten geestdriftig elkaars verhalen zie aanvullen omdat ze er allemaal bij waren, voel ik me opnieuw eenzaam.

Wie je bent wordt mede bepaald door wat je hebt meegemaakt. Goede en slechte herinneringen bepalen je voorkeuren en gedrag. Alsof je in je dagelijkse doen een constant lijntje hebt met je afstamming, met je geschiedenis. Als mijn herinneringen mij definiëren, dan ben ik niemand. Ik ben niet de man gebleken die ik probeerde te zijn. Maar ben ik de vrouw die ik nu wil zijn, als die gefundeerd is op een flinterdunne laag ambigue versnipperde indrukken uit het verleden die de naam ‘herinnering’ niet eens mogen dragen? Mijn leven zweeft. Vandaag ben ik onderdeel van een familie geworden die ik niet zozeer kwijt was geraakt, maar die ik feitelijk nooit heb gehad. Nu ik zie hoe stevig mijn familieleden staan in een consistente persona die hun verleden en hun toekomst definieert, voel ik hoe mijn levenspad me voor altijd een beetje uit balans zal houden. Mijn verleden heeft geen toekomst en mijn toekomst geen verleden. Dankzij mijn paradoxale geboorte in een halfgeleefd leven.

vrijdag 7 oktober 2016

Geslaagd

De stoppels van mijn pas geschoren schaamhaar raspen wanneer ik met mijn vingers over mijn venusheuvel ga. Ooit raspte mijn gezicht ook zo, en ondanks dat ik verwacht nog wel anderhalf jaar ontharingsbehandelingen nodig te hebben en soms de uitzichtloosheid daarvan niet kan verdragen, is mijn baard inmiddels toch behoorlijk uitgedund. Mocht ik ooit nog eens een vrouw beffen, dan weet ik zeker dat de rollen omgedraaid zullen zijn, qua prikken. Ik laat mijn hand rusten aan de bovenkant van mijn schaamlippen. Rusten, dat is het. Ik onderzoek niet. Ik probeer niet te duiden. Ik doe geen poging mijn nieuwe lichaamsdeel te snappen. Het lijkt alsof ik al mijn hele leven een vagina heb gehad. Niks bijzonders. Behalve dan die nare ontsteking.

Sinds een week of twee verlies ik af en toe een drupje bloed. Als ik een baarmoeder en eierstokken gehad zou hebben, zou dat alleen maar mijn vrouwelijkheid en – prettig idee – mijn jeugdigheid bewijzen. Maar helaas: het weefsel van mijn vagina is al een tijdje onrustig en een paar dagen geleden had ik een heuse plas bloed in mijn inlegkruisje. Soms komt het bloed kort na het dilateren, dat overigens ook pijnlijk geworden is – vooral wanneer ik Mr. Big probeer in te brengen. Maar soms bloedt het totaal onverwacht. Eergisteren zwol mijn vagina op. Zomaar. De pijntjes die ik al eerder voelde, groeiden ineens uit tot heuse pijnlijke steken, zoals ik die ook kort na de operatie gevoeld heb. Alles daar beneden is nu rood, gevoelig en stinkt.

Gisteren ging ik naar de huisarts. Ik had me al een tijdje geleden verheugd het resultaat van de operatie vol trots aan mijn dokter te laten zien en ik baalde dat het er nu niet zo lekker bij hing. Als een wiebelige en onwillige dreinende dreumes wanneer je nét vol trots aan je visite wilt laten zien hoe goed je kindje al zonder handjes kan lopen. Maar het lot was me goed gestemd, mijn huisarts was op vakantie en ik zou een waarnemer te spreken krijgen.

De vrouw was heel kalm en open en hoorde mijn verhaal aan. Nou ja, ze moest goed luisteren want vanwege een zware verkoudheid had ik geen stem meer. Aandachtig keek ze me aan toen ik vertelde over mijn vaginale ongemak. “Zou je een SOA kunnen hebben?”, vroeg ze. “Nee, want ik mocht de afgelopen maanden geen seks hebben van de arts”, antwoordde ik. Haar pupillen werden vraagtekens. “Ik ben ruim drie maanden geleden in Thailand geopereerd aan mijn vagina”, probeerde ik. En toen ze reageerde met “Wat voor operatie was dat?”, werd ik blij. Ze zag het niet. “Ik ben transgender en ik heb net mijn vagina gekregen”. In verwarring keek ze gauw naar haar computerscherm alsof ze iets gemist had in mijn elektronische patiëntendossier. Ik keek met haar mee en ik zag het er ook niet met koeienletters bovenop staan. En dat staat het dus kennelijk ook niet op mijn voorhoofd.

Natuurlijk ging ze even naar mijn vagina kijken, dus daar lag ik op een vers afgerold stuk papier op haar behandeltafel. Doelgericht keek ze naar de roodheid en de kleine wondjes die ik zelf – hannesend met een spiegeltje – al had gevonden. Drie wondjes, vlak bij de plasbuis. Ze vermoedde een bacteriële infectie, geen schimmel, en wilde een kweekje laten maken. Ze inspecteerde ook nog de binnenkant – met een smalle eendenbek, want na pas drie maanden dilateren is mijn vagina nog niet superwijd. Het maagdenspeculum noemde ze het en ik vond dat wel toepasselijk. Ik ben immers weer maagd geworden. Zo voelt het althans.

Ik was opgelucht te horen dat er geen wondjes aan de binnenkant zaten, wel gelige afscheiding die haar vermoeden van een infectie verder bevestigde. Terwijl ze het speculum in haar bakje legde vroeg ik wat ze van mijn vagina vond. Ze had er immers al heel wat gezien in haar beroepsleven, zo nam ik aan. Ik zag haar ogen uitzoomen van de rode huid en de gelige aanslag naar het totaalplaatje en haar gezicht werd opener, om niet te zeggen verrast. “Het is echt prachtig gedaan. Ik kan hier ook niet aan zien dat je ooit een man geweest bent. Wat mij betreft ben je geslaagd als vrouw”. Ik glimlachte blij en nu ik op de bank lig en met mijn hand op mijn venusheuvel aan deze arts terugdenk, voel ik die blijdschap weer. Natuurlijk kan haar opmerking opvatten als een onbewust en onbedoeld opgedrongen norm: er is kennelijk iets om aan te voldoen. Maar aangezien ik mezelf sinds mijn operatie zo stoor aan de mannelijke echo van mijn lijf en recent zelfs met ‘hey kerel’ ben nageroepen, steek ik het compliment maar al te graag in mijn zak. Een lichtpuntje in deze periode van malaise. Ik ben geslaagd. Nu nog gezond en fit worden.

woensdag 5 oktober 2016

Laat maar...

Bij elke knippering met mijn ogen voel ik de huid van mijn wangen – of beter gezegd: van mijn wallen – trekken. Het komt vast door het zout dat zich er heeft afgezet toen mijn tranen eindelijk droogden na mijn lange huilbui van zojuist. Ik knipper vaak, want het licht van het scherm van mijn computer is fel in de pikdonkere kamer. Het schijnsel van een eenzame lantaarnpaal in mijn straat is de enige lichtbron die het scherm gezelschap probeert te houden. Terwijl de emoties en gedachten na mijn uitbarsting van zojuist langzaam neerdwarrelen in mijn gemoed, probeer ik voor het eerst sinds weken weer eens iets te schrijven op dit blog. Niet dat er zich eerder geen onderwerpen aandienden, geen emoties lieten voelen, geen interessante gebeurtenissen voordeden. Eerder het tegenovergestelde. Ik maak me zorgen om S.; hij voelt met de dag verder weg. Ik maak me zorgen om de kilte tussen mij en zijn moeder die ik maar niet weet te doorbreken. Ik maak me zorgen om mijn duurbetaalde getransplanteerde haar, dat sinds de operatie in Thailand in rap tempo uitvalt. Alsof die haren niet belangrijk waren om de mannelijkheid van mijn gezicht te verzachtten. Ik maak me zorgen om mijn vagina, die is gaan stinken en tegen alle verwachting in ook is gaan bloeden. En ik plas nog steeds mezelf aan alle kanten nat. Ik had gehoopt na de operatie mijn nieuwe lichaamsdeel langzaam maar zeker te mogen ontdekken. Langzaam maar zeker in mijn hart te mogen sluiten. Maar mijn vagina maakt me moedeloos. Ik heb er ongemak van als was het een jonge hond die maar niet zindelijk wil worden, ondanks dat je er tien keer per dag mee gaat wandelen. De jonge hond die alle poten van de meubels kapot heeft gekrabd en die alle schoenen heeft stukgebeten. Een jonge hond die je voor je plezier in huis had genomen, maar die je vooral heel veel last bezorgt. Het is dat die hond zo schattig is. Het is dat mijn vagina zo mooi is.

Mijn dagen vullen zich met geploeter. Niet alleen met de ongemakken van mijn lijf en de zware verzorging die ik het moet geven. Maar ook met werk dat ik deels uit misplaatst optimisme en deels noodgedwongen had aangenomen. Het is fijn dat ik, na de operatiekosten en maanden geen inkomen vanwege de revalidatie, op dit moment meer verdien dan ik tot nu toe dit jaar hebt gedaan; mijn bankrekening en mijn geldverstrekker halen opgelucht adem. Maar het werk – en mijn gebrek aan energie om het uit te voeren – zit me in de weg. Ik heb net een onvoorstelbaar grote stap genomen in mijn transitie. Een enorme ingreep in mijn lichaam gedaan. Ik heb het universum verlaten en ben aangekomen in een nieuwe, fundamenteel andere, werkelijkheid. Ik voel de impact, maar het kan allemaal niet echt tot me doordringen, omdat ik de poort gesloten houdt. Ik vlucht in werk. Ik vlucht in frustraties om S. Ik vlucht in duizend-en-een stomme onbevredigende klusjes die op me afkomen en waarvan ik denk dat ze belangrijk zijn; zoals een bezwaar indienen bij de zorgverzekering tegen de abominabel lage vergoeding die ze me voor mijn operatie hebben gegeven; zoals protesteren tegen onterechte facturen die leveranciers me ineens menen te moeten sturen; zoals verstopte afvoeren en haperende auto’s. En dat terwijl er grootse dingen op me liggen te wachten.

Ik zou graag mijn lijf liefdevol ontdekken. Seksueel actief willen worden als vrouw. Op reis gaan, niet naar een operatiekamer, maar naar een fijn wandelgebied in ruige, zonnige natuur. En ik zou eindelijk eens dat boek willen gaan schrijven, gebaseerd op dit blog. Ik ben een schrijver, vind ik. Vinden anderen. Maar zonder boek ben ik geen echte schrijver en mijn verhaal is belangwekkend genoeg voor een groter publiek. Mijn verhaal is informatief, ja zelfs inspirerend, voor iedereen die zoekt naar identiteit of die dierbaren heeft die die barre tocht ondernemen. Niet omdat ik nu zo bijzonder ben of omdat mijn proces nu zo bijzonder is. Maar omdat ik mezelf toen ik aan dit blog begon had beloofd onverbiddelijk eerlijk en open te zijn en daar behoorlijk in geslaagd ben. Ik laat alles zien. Zodat anderen begrijpen. Dat was mijn voornemen, maar de laatste weken is dat commitment wankel geworden. Ik begin af te haken omdat er maar geen eind aan komt.

Ik voel me als een lezer die koortsachtig honderden pagina’s heeft doorgelezen; hunkerend naar een apotheose, een verlossing, die maar niet wil komen en die zich afvraagt of je het eigenlijk wel kunt maken om een boek weg te leggen als je al zo ver bent gekomen. Om het niet uit te lezen. Als ik nu stop met schrijven aan mijn blog, voorbode van mijn voorgenomen boek, dan zal niemand mijn verhaal kunnen uitlezen. Dan zal niemand weten hoe het afloopt. Erger nog, dat voelt alsof ik dan zelf, zonder de gewoonte om al schrijvend te reflecteren, nooit zal weten hoe mijn verhaal afloopt. Het verlangen om ooit te ontdekken hoe mijn verhaal afloopt hield me lang op de been, schrijversgewijs. Maar ik heb er steeds minder zin in. Het voortdurende geploeter in mijn leven dat maar niet lijkt te willen floreren is te confronterend geworden. Laat dat blog maar. Laat dat ploeterende leven maar. Laat maar. Geen opbeurende conclusie. Verontrustend ook, zo op de drempel van de invallende herfst, met depressie in haar kielzog. Maar zo is het. Laat maar…

maandag 12 september 2016

Nummer Tien

Geroutineerd stuur ik mijn auto de parkeerplaats op; de route naar deze GGZ instelling is inmiddels vertrouwd geworden. Op de laatste tien kilometer na is het ook de route die ik jarenlang elke twee weken aflegde om S. op te halen voor een weekend met mij om hem – twee dagen later – via dezelfde weg weer thuis te brengen. De laatste keer dat ik dat ook daadwerkelijk deed was meer dan anderhalf jaar geleden en inmiddels is de route naar de GGZ instelling haast vertrouwder geworden: het afgelopen jaar ben ik hier zeker wel een keer of zeven, acht geweest. Vandaag zou ik een nieuwe therapeut ontmoeten die zich over S. zou gaan ontfermen. Ik heb de afgelopen anderhalf jaar veel hulpverleners zien komen en gaan, vaak moest ik mijn rechtmatige positie als ouder dan opnieuw claimen omdat hulpverleners er voor hun eigen gemak maar vanuit gaan dat ouder A ouder B vertegenwoordigt; zelfs in een dossier waarin expliciet sprake is van verstoorde relaties. En hier was ik dan, voor een kennismakingsgesprek met hulpverlener Nummer Tien. Ik voel de hoop dat deze de begeleiding van S. serieus en voortvarend gaat oppakken en dat hij ook zal blijven. Die hoop had ik de negen keer hiervoor ook, maar steeds werd die verijdeld omdat de therapeut ziek werd, S. geen klik bleek te hebben, of de zorg weer naar een andere instelling werd overgeheveld omdat de ondoorgrondelijke logica van jeugdzorg dat dicteerde. Met als gevolg dat S. er al anderhalf jaar alleen voor stond in de verwerking van mijn transitie en zijn eigen ziekte. Nou ja, niet helemaal alleen, maar mijn ex heeft zo haar eigen agenda – onbewust, zo houd ik mezelf uit zelfbescherming maar steeds voor.

Eenmaal binnen schudt Nummer Tien mij de hand. Ik kijk in een vriendelijk gezicht. En verder zie ik niks. Het is een gezicht, een masker. Tijdens het gesprek lukt het niet om wezenlijk contact met deze man te krijgen. Hij heeft meningen over de situatie die overtuigend klinken, soms hout snijden en even zo vaak nergens op slaan. En zelden gebaseerd op deugdelijk overgedragen kennis van de voorgeschiedenis. Daar gaan we weer… terug naar Start. Ik ben zo druk bezig mezelf te laten zien als stabiele, liefhebbende en redelijke ouder dat me pas achteraf zal doordringen dat niet alleen de therapeut veranderd is, maar ook de therapie. Waar de vorige therapeut contactherstel tussen S. en mij nog als een instrument zag om S. vooruit te helpen in zijn proces, zo ziet deze dat voorlopig zeker niet gebeuren. Mijn rol in de marge wordt dus impliciet, maar officieel, verlengd. Tot nader order.

Na afloop van het gesprek loop ik door het gebouw naar de uitgang. De stralende nazomerzon begeleidt me over de parkeerplaats naar mijn auto. Mijn gedachten zijn nog bij het gesprek en ik vergeet de mogelijkheid dat ik mijn ex nu tegen zou kunnen komen. Ze heeft immers vandaag ook een afspraak hier. Een zilvergrijze Mercedes draait de parkeerplaats op en ik weet meteen dat zij het is, ook al spiegelt de voorruit in de felle zon en heb ik geen flauw benul wat het kenteken van haar auto is. Ik sta stil en kijk op om haar te begroeten met een knik en een opgestoken hand. Maar mijn hand blijft op zijn weg omhoog steken. Mijn ex is niet alleen. Naast haar zit S. Hij ziet er goed uit. Bleek, maar gezond. Geen uitgemergeld gezicht van ondervoeding, geen opgeblazen gezicht van Prednison. Het gaat goed met hem en dat doet me deugd. Hij kijkt me aan, met een kalme blik. Geen ontwijkende gebaren, geen afgewend hoofd. Hij kijkt naar me en steekt zijn hand op. Mijn ademhaling is stilgevallen. Ik voel verlangen, een impuls om achter de Mercedes aan te rennen, om die te stoppen, om de portier op te rukken en mijn zoon te omhelzen. Maar mijn voeten zijn met honderdtwintig tentharingen in de zandgrond verankerd. Vlak voor de bocht die S. en mij het zicht op elkaar zal ontnemen, lach ik naar hem en lukt het me eindelijk om mijn hand verder omhoog te bewegen. S. heeft het gezien. S. heeft me gezien. En ik hem. Mijn hart loopt vol van hoop. Wanneer even later de tranen komen, realiseer ik me dat die hoop het enige is dat ons op dit moment verbindt.

zondag 11 september 2016

Het ene gat met het andere

Sinds ik terug ben uit Thailand ben ik me bewuster van de tijd. Secondes tikken nu met de donderslag van een kanonschot weg. Ik ben in Thailand niet alleen een lichaamsdeel kwijt geraakt, maar ook vijf uur van mijn dag. Het moordende regime van driemaal daags ruim anderhalf uur dilateren en masseren dwingt me om heel efficiënt met mijn tijd om te gaan. Zeker nu ik, gedwongen door de holle echo op mijn bankrekening, weer aan het werk gegaan ben; zo’n vier uur per dag wat in mijn geval nu gelijk staat aan fulltime. Meer ruimte zit er gewoon niet in mijn agenda. Niet dat ik energie had gehad voor meer, want ik ben doodmoe. Liever had ik het werken nog een maandje uitgesteld en met weemoed denk ik nu wel eens terug aan de tijd dat ik nog gewoon een comfortabel dienstverband met dito ziekte-uitkering had. En er is meer om me weemoedig over te voelen.

Vandaag had ik twee uur van mijn schaarse tijd gereserveerd om te gaan wandelen in het voormalige veenwinningsgebied ten zuidoosten van mijn stad. Ik stond me deze oncalvinistische verpozing toe, niet alleen omdat het zondag was, maar ook omdat ik me moe en gefrustreerd voelde. Beweging van mijn lijf en de zachtmoedige kalmte die de natuur zo eigen is zouden me goed doen. En zo gebeurde het ook. Ik voelde hoe mijn lijf bij mijn eerste stappen door de natuur bedachtzaam de teugels liet vieren: mijn spieren ontspanden zich ietsjes en mijn ademhaling zakte soms ineens onder mijn middenrif, de plek waar normaal gesproken ontspanning zich bevindt. Maar steeds trok ik terug, als een aarzelende teen boven een ijskoud zwembad. Onder mijn middenrif bleek geen ontspanning te zitten, maar emotie. Natuurlijk wist ik wel dat die er zat. Dat wist ik al weken.

Ik liep over het pad langs de wilgen en het riet, op de smalle strook aarde met links en rechts water. Ik zag het water golven en dacht terug aan afgelopen winter, toen ik hier ook liep en het water bevroren en bezaaid met schaatsers was en ik dacht aan het schaatsen met S. op de schaatsbaan bij mij in de buurt, vast ritueel in elk winterweekend dat hij bij mij was. Even verderop zag ik hop zich door de bomen en struiken slingeren en ik dacht aan mijn gewoonte om mijn kennis van de wereld aan S. over te brengen en ik hoorde mezelf het recept van bier aan hem uitleggen. Ik zag een roeiboot op de kant geduldig wachten op schippers en ik dacht met een brok in mijn keel aan de kanovakantie in Noorwegen en hoe stoer S. zich had gevoeld met het zakmes dat hij van mij had gekregen. Op een terras waar ik een welverdiend stukje appeltaart nam, zag ik een zoon die een tosti at – met ketchup – en de taart verloor haar smaak. In het dorpje dat het eind van mijn wandeling markeerde, liep ik langs een knusse basisschool en mijn gedachten gingen terug naar het schoolplein van de basisschool van S., waar ooit onze weekends samen telkens begonnen. Eenmaal terug bij mijn auto kwamen de tranen. In hevige golven die de rest van dag niet meer weg zouden gaan.

Het is niet toevallig dat het gemis van S. vandaag zo’n hoogtepunt beleeft. Morgen heb ik een gesprek met de psycholoog die S. – eindelijk – gaat helpen om zijn ziekteproces, mijn transitie en de scheiding van zijn ouders te verwerken. Met een ex die de afstand die S. van mij genomen heeft wel comfortabel vindt en die voorafgaand aan de scheiding mijn inbreng in de opvoeding al nauwelijks kon waarderen, is zo’n psycholoog voor mij de strohalm waarmee ik als liefdevolle ouder aan mijn kind verbonden ben. Zo’n gesprek is een van de schaarse momenten waarop ik de negatieve beelden kan bijstellen die mijn ex en S. met zich meedragen. Zodat ik de psycholoog help om S. te helpen dingen ook eens vanuit een andere kant te bekijken. Morgen moet ik mezelf van mijn beste, stabielste, redelijkste en liefdevolste kant laten zien. Met niets minder dan de relatie met mijn kind op het spel. Mijn kind, die ik zo vreselijk mis.

Eén van de belangrijkste aarzelingen die ik had om in transitie te gaan, was de angst om S. te verliezen. Uiteindelijk kon ik niets anders dan het risico nemen. Ik moest wel. Ik leefde te lang met een groot gat in mezelf en dat gat was stukje bij beetje inmiddels onmetelijk zwaar gaan wegen. Het voelt zuur dat ik door het ene gat te vullen er een andere leegte voor in de plaats heb gekregen.

donderdag 8 september 2016

Mijn vagina

Naast het dilateren en masseren is er sinds mijn operatie nog een routine in mijn dag gekomen. Elke ochtend en elke avond bij het tandenpoetsen bekijk ik mijn naakte lichaam in de grote spiegel die aan mijn badkamerdeur hangt. Meestal begrijp ik niet wat ik zie en dat is precies de reden dat ik kijk. Sinds mijn operatie voel ik me mannelijker. Mijn motoriek gaat minder vanzelf, mijn stem wil maar niet op een ontspannen manier vrouwelijk klinken. Alsof mijn verworven vrouwelijkheid is verdwenen met het verwijderen van mijn testikels. Dat maakt het contrast met wat ik in de spiegel zie zo groot. Ik zie een vrouwenlijf – prachtig, al zeg ik het zelf – waar ik niks van begrijp. Ben ik dit?

De afgelopen weken gebeurde het vaak dat ik tijdens het tandenpoetsen voor de spiegel stilviel, mijn tandenborstel als verlamd in mijn mond bevroren. Verbijsterd vroeg ik me dan af waar mijn piemel was gebleven. Soms bewoog mijn hand zich naar mijn kruis omdat het mijn ogen niet geloofde. In de spiegel was daar een spleetje te zien en mijn vingertoppen die al tastend het weefsel monsterden dat zich om dat spleetje plooide, bevestigden de aanblik. Shit, wat heb ik gedaan? Mijn piemel is weg! Onhanteerbare paniek en schaamte deden me dan steeds omdraaien, mijn hoofd afwenden.

Vanavond lag ik moe op de bank mijn eetlust aan te wakkeren met een kookprogramma. De nazomer had de kamertemperatuur behoorlijk opgevoerd en ik droeg niets anders dan een slipje en een hempje met spaghetti-bandjes. Mijn knieën had ik wat opgetrokken en ik liet onelegant mijn benen uit elkaar vallen. Tijdens het reclameblokje op tv keek ik naar de gladde, licht glanzende zachte rode stof van mijn slipje en ik zag hoe deze mijn venusheuvel rondde. Onwillekeurig gleed mijn hand er naar toe. Mijn vingers sloten zich en legden zich te rusten op mijn vagina. Mijn vingers onderzochten niet, deden niet voorzichtig om het tere weefsel te ontzien, nee, ze vleiden zich over mijn nieuwe geslachtsdeel en lagen daar gewoon. Te rusten. Het was alsof dat voorbeeld mijn hele lijf deed ontspannen. Een lange diepe zucht ontsnapte aan mijn longen en het was alsof er een ballon leegliep die me lang had neergedrukt. Als een springvloed welde ik op in mijn lichaam en mijn hand smolt samen met mijn vagina. De gedachte dat dit geslachtsdeel me de laatste weken zo had bevreemd was met de ballon van zojuist leeggelopen. Het klopte nu. Dit was mijn geslachtsdeel. Mijn vagina. Mijn mooie vrouwenlijf. Een plotselinge heftige schok deed mijn benen sidderen. En tranen welden op in mijn ogen. Op de lange golven van mijn schokkende lijf huilde ik en ontlaadde ik spanning. Ik kwam thuis.

zondag 4 september 2016

Deurbel

Terwijl ik de was sta op te hangen, gaat de deurbel. Ik gooi het vochtige kanten hempje terug in de wasmand, loop naar de voordeur en doe die open. Voor me staat een vrolijke zelfbewuste jonge vrouw en ze stelt zich aan me voor. “Ik ben de vriendin van S.”, zegt ze, “en ik vind het stom dat jullie elkaar niet meer zien”. “Ik ook, lieverd”, antwoord ik en ik laat haar binnen. En dan word ik wakker. Ik huil.

Het is niet de eerste keer dat ik deze droom heb. Deze droom is bij me sinds een aantal maanden. Eerdere keren bereikte S. z’n vriendin nog de woonkamer, de bank, het kopje thee. Maar altijd breekt de droom net zo abrupt af als nu. En net als altijd is het decor – mijn huis – niet het huis waar ik nu woon. De hint van mijn onderbewuste is duidelijk: het zal nog wel even duren voor S. en ik elkaar gaan zien. Ik moet er eerst nog voor verhuizen en ik heb in het geheel geen plannen in die richting. En S. moet eerst nog verkering krijgen en de leeftijd van de jonge vrouw uit mijn droom lijkt ook te willen zeggen dat het nog wel even zal duren. Toen S. ruim anderhalf jaar geleden het contact verbrak zei mijn gevoel dat het misschien wel twee, drie jaar zou duren. Maar de droom met de vriendin van S. lijkt me te willen zeggen dat die inschatting nog te optimistisch was.

Ineengedoken onder het dekbed, met Beer in mijn handen, huil ik mijn tranen. Om me minder alleen te voelen stel ik me voor dat S. nu ook in zijn bed ligt, met zijn beer in zijn armen. En dat hij me ook zo mist. In gedachten sla ik mijn arm om hem heen en heel even voel ik hem, ruik ik hem, zie ik hem. Heel even, in het verdriet van het gemis, zijn we samen.

vrijdag 26 augustus 2016

Professionele distantie

Geïnteresseerd hoort hij mijn verhaal aan. Ik vertel over Thailand, mijn operatie, mijn tweede borstoperatie, mijn tijd in mijn cocon in Bangkok, de steun van L. en Y., mijn thuiskomst en de brisante emotionele cocktail die het hele avontuur met zich meebracht. Mijn psycholoog van het VU heeft zijn oren gespitst, want hij weet nauwelijks iets van de gang van zaken in Thailand en de verschillen met de operatietechnieken die zijn eigen genderteam hanteert. Toch gek, voor iemand die mijn verwijsbrief heeft geschreven en formeel de casemanager is bij het VU. Zoals eerder, krijg ik ook in dit gesprek het gevoel dat ik mijn VU-psycholoog aan het opleiden ben, zoals al sinds het begin van ons contact in 2013. Mijn psycholoog was nog niet zo lang daarvoor afgestudeerd en had (zoals alle net afgestudeerde psychologen) weinig kennis van genderdysforie. Hij heeft veel geleerd van mij. Dat bedoel ik niet arrogant, maar ik was een van zijn eerste transgendercliënten en vermoedelijk de eerste met zoveel kritische gedetailleerde zelfreflectie, ontvankelijkheid voor feedback en kennis van psychologie. Mijn eigen psycholoog zei me wel eens dat de VU-psycholoog “in zijn handjes mocht knijpen” met mij als cliënt.

Ik vond van het begin af aan mijn VU-psycholoog iets aandoenlijks hebben in de manier waarmee hij ‘professionele distantie’ probeerde te behouden. Hij zei stelselmatig ‘U’ tegen mij en probeerde angstvallig te verbergen dat hij af en toe de weg kwijt was in de complexe materie van genderdysforie. Voor mij hoefde hij dat niet te verbergen, want dat was zo duidelijk als wat. Meestal redde ik hem door het gesprek dan zo te sturen dat hij weer op een coherent spoor terecht kwam. Hij deed teveel zijn best, waardoor het allemaal iets krampachtigs en iets ongemakkelijks kreeg.

Tijdens onze eerste gesprekken vroeg ik hem steeds mij te tutoyeren omdat al dat ge-u een voor mij onwenselijke afstand creëerde. Als hij van mij verwacht dat ik mijn diepste gevoelens en angsten met hem deel, dan moet hij uit de ivoren toren komen, anders voelt het voor mij niet veilig. Professionele distantie is prima, maar moet in balans zijn met ‘therapeutische nabijheid’. Dat had hij vast toch geleerd op de opleiding. Alle begin is moeilijk, zo bleek maar weer. Gelukkig ontdooide hij in de loop der tijd, maar nog altijd wordt hij nerveus als ik iets te persoonlijk naar hem ben. Zoals ook in dit gesprek zou blijken.

Na mijn relaas over Thailand ronden we niet alleen het gesprek, maar ook ons traject af. In het perspectief van de VU ben je na de operatie medisch gezien immers klaar (gewoon een kwestie van hormoonbehandeling monitoren, verder niks) – dus case closed – en zo voelde het voor mij ook. Althans, dat ik klaar ben bij het VU tenminste. Misschien wil ik nog wel eens ooit de mannelijke weggevers in mijn gezicht aanpakken, maar voorlopig niet; eerst maar eens landen in mijn nieuwe lijf en daar heb ik het VU niet bij nodig. Misschien zoek ik wel binnenkort een andere endocrinoloog voor mijn hormoonbehandeling, want ik heb eigenlijk mijn buik wel vol van het VU Genderteam met hun arrogante, bureaucratische ‘u-vraagt-wij-draaien-wat-wij-willen’ mentaliteit. Ik heb het nog lang volgehouden, al zeg ik het zelf.

Mijn psycholoog en ik staan op. “We gaan wel zoenen, hoor”, zeg ik en voor hij kan reageren geef ik hem drie zoenen op zijn wangen; dwars door zijn professionele pantser heen. Ietwat beduusd en duidelijk uit evenwicht gebracht zegt hij: “ik ben niet zo goed in afscheid nemen”. In zijn ogen glanst traanvocht. Ik glimlach en loop de kamer uit. Het is de VU-psycholoog in mijn geval duidelijk niet gelukt om zijn professionele distantie te bewaren.

woensdag 24 augustus 2016

Gendereuforie

Voor mijn operatie had ik af en toe de fantasie dat ik, wanneer ik uit de narcose zou ontwaken, in één klap in een nieuw universum zou arriveren. Dat ik in één klap die nare nachtmerrie van een leven in een verkeerd lichaam achter me zou hebben. Dat alles zou kloppen. Dat ik gillend van blijdschap de hele dag door het huis zou dansen en zou roepen: “ik ben een meisje, ik ben een meisje!”. Een pathologische blijdschap die je best gendereuforie zou kunnen noemen. Ik kende de grilligheid van een transitie inmiddels goed genoeg om te weten dat het zo niet zou gaan, maar deze naïeve hoop bleef zich af en toe aan me opdringen. Als een voorbode van teleurstelling.

Inmiddels ben ik ontwaakt uit mijn narcose. En ik ben niet in een nieuw universum gekomen, maar gewoon in een volgende fase in het bestaande universum. Ik zit nu in de vervreemdende periode van inbetween-bodies: mijn vertrouwde mannenlijf is verdwenen en mijn nieuwe vrouwenlijf voelt nog vreemd. Ik besef me dat de herinnering aan mijn mannenlijf nog springlevend is, op termijn wellicht minder levendig zal zijn, maar misschien nooit helemaal zal verdwijnen. Omdat mijn weemoed het levend zal houden. Er is een stukje van mezelf voorgoed verdwenen (dat bedoel ik niet letterlijk) en daar voel ik niet alleen opluchting bij. En toch is het goed. Ik weet dat het goed komt. Dat mijn nieuwe lijf en ik straks dikke maatjes zullen zijn.

Regelmatig vragen mensen in mijn omgeving nu aan me hoe het met me gaat. Steeds vaker moet ik de neiging onderdrukken om niet mijn rokje en mijn slipje naar beneden te trekken om het prachtige resultaat te laten zien. Alsof het een net ontvangen verlovingsring is die je glunderend aan iedereen wilt tonen, als materialisatie van de prachtige, levenslange verbintenis die je op korte termijn zult aanvaarden. Gelukkig ben ik beschaafd genoeg om mijn kleren aan te houden. Alleen aan mijn trouwe mantelzorgers L., Y. en R. heb mijn vagina laten zien, wat gezien hun rol nauwelijks te vermijden was geweest als ik dat had gewild. Met mijn borsten ligt het anders. Sinds ik terug ben uit Thailand draag ik vooral laag uitgesneden jurkjes en tops. Mijn prachtige boezem gloort de hele dag en als mijn borstvergroting ter sprake komt, dan trek ik regelmatig mijn kleding nog wat open om de omstanders in volle glorie mijn prachtige rondingen te laten zien. Ja, ik ben trots. Ik ben trots op het resultaat en ik ben trots dat ik het heb gehaald. Dat ik mijn transitie, ondanks alle tegenslagen, ondanks alle verliezen, ondanks intense momenten waarop ik werkelijk alles wilde opgeven, tot hier heb volbracht; tot de meest symbolische mijlpaal in het hele proces. Heel jammer dat beschaving me weerhoudt om me niet steeds naakt te tonen aan wie het maar wil zien. En zelfs aan wie het niet wil zien.

zaterdag 20 augustus 2016

Prinses op de erwt

Terwijl ik langsloop, zwaait hij. Ik zwaai terug en hij komt op me aflopen. Hij was mijn buurman tot hij een jaar geleden met Buurvrouw en Buurkinderen verhuisde naar een buurtje verderop; het buurtje waar ik nu doorheen loop, op weg naar de Hema. We zoenen ter begroeting en hij zegt: “Kom je zo even bij ons langs, wat drinken?”. Ik bevestig en ik wijs naar mijn bestemming: “Eerst nog even een boodschap doen. Tot zo!”. Blij loop ik door, totdat ik me realiseer dat ik mijn donut niet bij me heb. Mijn grote gele zitkussen met een gat in het midden dat me in staat stelt te zitten zonder mijn kwetsbare operatiegebied te pletten. Een beetje tegendruk is natuurlijk goed tegen zwelling en aangezien zwelling het wondherstel vertraagt moet je zeker niet alle druk op het operatiegebied voorkomen. Maar omdat mijn vagina de nodige kwetsbare stukjes weefsel bevat – volledig losgesneden om zich op een nieuwe plek te hechten aan bloedvaten en zenuwen van onbekend naburig weefsel – mocht ik van de arts enkel op het speciale zitkussen zitten dat hij me had verstrekt: de donut. De donut die ik nu niet bij me had.

Ik herinner me een situatie vorige week. Ik zou gaan eten bij R. en haar kleine schat. Voor het eerst sinds mijn terugkeer was ik fit genoeg om deze wekelijkse gewoonte weer op te pakken. Aangezien de arts het me nog niet had toegestaan om te fietsen (en ik daar eerlijk gezegd ook niet aan moest denken) zou ik met de tram gaan. De tram kwam, ik stapte in en liep naar een vrije zitplaats. Terwijl de tram begon te rijden, pakte ik me vast aan een paal, draaide gedachteloos mijn billen tussen twee bankjes en boog mijn knieën. En ik schrok op. Vlak voor mijn billen de zitting raakten realiseerde ik me dat mijn donutkussen nog thuis lag. Vlug keek ik nog even naar de zitting: keihard materiaal bekleed met dikke stugge stof. Onmogelijk om op te zitten, wist ik. Ik had kort daarvoor thuis een keertje geprobeerd om op een zacht dik kussen te gaan zitten en dat ging nog maar net. Het deed een beetje pijn en ik kon – uit angst om mijn clitoris er door de overdruk af te persen – niet echt ontspannen zitten; mijn beenspieren bleven aangespannen om mijn rug zo goed mogelijk tegen de rugleuning aan te drukken om het gewicht op mijn zitvlak te verminderen. Het was dus duidelijk: zonder donut naar R. gaan kon echt nog niet. Ik drukte op de stopknop. De tram stopte en ik liep gauw naar huis. Als ik opschoot kon ik de volgende tram nog halen… mét donutkussen.

Hoe zou dat nu gaan? Ik had sinds het tramavontuur al wat meer geoefend met het zitten op een normaal kussen en dat ging inmiddels al ietsje beter. Het was nog gevoelig, maar ik kon inmiddels wel meer druk verdragen en kon mijn benen daarom ook echt ontspannen. Zolang het kussen maar echt dik en zacht was en ik er maar niet langer dan een uurtje op zat. Ik besloot het er op te wagen. Ik zou toch niet zo lang bij mijn oude buren blijven, want het middagprogramma dilateren en masseren stond ook nog op de rol.

Een hartelijke begroeting later maakt Buurman thee en leg ik mijn zitsituatie uit aan Buurvrouw. Ze duikt een kast in en komt er met twee dikke kussens weer uit. Gewapend met de kussens en de thee lopen we de tuin in. Ik zie dat de tuinstoelen al zijn voorzien van mooie kussens, ik leg een van de extra kussens er bovenop en ga zitten. Terwijl ik langzaam mijn gewicht in de stoel laat zakken door mijn benen te ontspannen, voel ik al dat het niet goed is. Ik sta op, pak het tweede extra kussen en maak een mooie stapel op mijn stoel. De toren van drie kussens doet me aan een sprookje denken en terwijl ik glimlach denk ik aan het kwetsbare erwtje tussen mijn kleine schaamlippen. Ik ga opnieuw zitten en zowaar: het zit comfortabel. De hoge stapel kussens doet me ietsje deinen en natuurlijk steek ik ver boven Buurvrouw en Buurman uit, maar ik zit. Ik zit zelfs zo comfortabel dat ik pas na een uur heel even ga verzitten om de doorbloeding van mijn schaamstreek weer even optimale ruimte te geven. Mijn oude buren en ik kletsen en drinken thee en wat sterkers. Het is zo gezellig dat ik de tijd vergeet en mijn middagdilatatie voorbij laat gaan. Wiebelend op mijn toren met kussens geniet ik van de spontane ongedwongenheid die zo schaars is geworden in mijn revaliderende leven met drie dilatatierondes per dag.

woensdag 17 augustus 2016

Prioriteiten

Het licht van mijn bedlampje werpt een lichtgele gloed op mijn plafond. Zojuist heb ik de dilator (die eigenlijk pelotte heet, maar dat klinkt me teveel alsof ik er krullen mee in mijn haar moet zetten) in mijn vagina gestoken zonder mijn schattige Hello Kitty-spiegeltje te gebruiken. Ik vond dat ik moest voelen in plaats van kijken; het spiegeltje maakt de hele handeling klinischer, afstandelijker en ik wilde dichterbij mijn vagina zijn. Mijn vagina die nu nog zo onbekend is. Dus ik legde mijn spiegeltje terug in de lade van mijn nachtkastje en voelde. Ik voelde hoe de met glijmiddel ingesmeerde dilator de onderkant van mijn kleine schaamlippen raakte. Het veroorzaakte een licht drukverschil dat mijn clitoris meteen registreerde. De dilator gleed vervolgens van de kleine schaamlippen naar de rand van de schede. Ik duwde en het topje nestelde zich in de opening. Ik duwde de dilator horizontaler en vervolgens gleed hij langzaam naar binnen.

Nu kijk ik naar het plafond, zonder werkelijk te zien. Mijn aandacht is bij mijn vagina. Ik voel hoe de dilator mij opvult. Ik voel waar hij de opening raakt en ik voel het topje tegen het einde duwen. En voor het eerst voel ik ook hoe hij de huid die daar tussen zit raakt. Mijn schede is voor het eerst geen verzameling vage en onbekende sensaties meer; ik kan de holte nu helemaal voelen en ik voel hoe de dilator alle ruimte opvult. Het voelt fijn. Met mijn ene hand draai ik zachtjes de dilator rond. Ja, ik voel alles, de gehele lengte. Mijn andere hand streelt mijn grote schaamlippen, van boven naar beneden en terug. Via mijn venusheuvel van de ene naar de andere. Wat fijn is dit. Ik voel een gretigheid in mij opkomen en langzaam maakt mijn ene hand met de dilator op- en neergaande bewegingen. Heel zachtjes, voorzichtig. Ik voel opwinding. Mijn andere hand weet dat hij mijn clitoris niet mag aanraken – dat mag pas over anderhalve maand – en blijft keurig enkel de buitenste schaamlippen beroeren, maar wel iets sensueler dan zojuist. Ik sluit mijn ogen en geniet. Ik geniet totdat mijn wekkertje laat horen dat de 50 minuten dilatatietijd er weer op zit. Het is tijd om te gaan slapen. Ik haal de dilator er uit, maak hem schoon en draai me op mijn zij.

Terwijl ik het licht uit doe neem ik volautomatisch Beer in mijn armen. Beer die elke nacht trouw bij me is sinds ik hem anderhalf jaar geleden in bed nam. Altijd genegen om me te knuffelen. Maar terwijl ik zo in het donker lig, is het niet Beer die ik het sterkst voel. Het is mijn vagina en mijn vagina verlangt. Als een uitgehongerde mond hunkert hij er naar dat er iets in hem gestopt wordt. Een vaag beeld van een penis doemt op, van een man, van seks. Ik kreun en draai me op mijn andere zij, Beer geroutineerd meenemend in mijn armen. Tja, Beer. Ik voel zijn pluizige oortje mijn kin kriebelen. De laatste weken lijkt er iets veranderd in onze relatie. Ik realiseer me dat hij vaker vooral uit gewoonte in mijn armen lag. Ik ben nog wel aan hem gehecht, maar minder krampachtig dan voorheen, lijkt het. Minder symbiotisch, alsof ik hem minder nodig heb om te overleven. Ik voel me veiliger. Een glimlach vormt zich op mijn gezicht. Minder Beer en meer leven in mijn vagina: ben ik nu echt in de puberteit aanbeland? Zijn mijn prioriteiten aan het verschuiven?

vrijdag 12 augustus 2016

As van het kwaad

Ik slaap niet echt, maar wakker ben ik ook niet. Als bijna dagelijks voorprogramma op mijn middagronde dilateren probeer ik een dutje te doen. Ik lig op mijn zij met mijn benen iets opgetrokken. Mijn beide benen liggen precies op elkaar; ik voel hoe mijn dijen elkaar raken. Ik voel ook hoe mijn testikels aan de achterkant tussen mijn benen uit bungelen en hoe mijn piemel zich aan de voorkant bewegingsvrijheid heeft verworven. Zoals het altijd was. Ondanks mijn lichtelijke dissociatie realiseer ik me de realiteit: er is geen piemel meer; wat ik voel is een fantoomfallus. Ik zucht en ik voel hoe mijn herinnerde penis uiteenspat naar verschillende plekjes op mijn vagina. Mijn penishuid is er nog wel, maar niet meer in één stuk. Hij is versneden naar alle hoeken van mijn vagina, zo voelt het althans. Mijn vagina begint minder als een vreemde te voelen, maar zo’n zeven weken na de operatie kan ik ook nog niet zeggen dat mijn vagina me al echt vertrouwd is. Nu ik me op mijn schaamstreek concentreer voel ik de vreemde smeltkroes aan emoties die ik al weken voel.

Maar één gevoel begint de laatste dagen steeds duidelijker te worden: een gevoel van veiligheid. Eerst dacht ik dat het opluchting was – en daar lijkt het ook wel wat op – maar het is groter, belangrijker. Opluchting hoort bij iets achter de rug hebben. Wat ik voel gaat over de toekomst. Een gevoel van veiligheid dat me in de toekomst nooit meer datgene zal gebeuren wat me mijn leven tot nu toe zo dwars heeft gezeten: dat iedereen van me verwacht dat ik een jongen ben.

Toen ik geboren werd, stelde de verloskundige met één blik tussen mijn benen overtuigend mijn lot vast: “het is een jongetje”. Mijn ouders zagen het ook: ik had een piemel en dus was ik een jongetje. En dus moest ik ook zo opgevoed worden. Moest ik me ook zo gedragen. Het staafje weefsel tussen mijn benen – de as van het kwaad – sorteerde mij naar een knellend leven als jongen.

Ik heb – met uitzondering van een korte periode in mijn pubertijd – mijn piemel nooit echt verfoeid. Het grootste deel van mijn leven was ik onverschillig naar mijn piemel. Het was een ding om mee te plassen en om periodiek de opgehoopte druk van het libido mee te ontladen. Lelijk, dat wel, maar functioneel. En toen mijn piemel en ik uiteindelijk vriendschap sloten stond mijn coming-out als transgender al weer voor de deur. En nu is hij er niet meer. Eerlijk gezegd voel ik me daar wel eens melancholiek over. Maar wat overheerst is het gevoel dat ik nu veilig ben. Want als iemand me nu ooit nog tussen de benen kijkt, zal de conclusie onomstotelijk zijn: “het is een meisje!”.

maandag 1 augustus 2016

Eat, pray, sleep

Ik heb het al eerder gezegd: mijn transitie is alleen aan de buitenkant een transitie. Binnen in mij is het juist een integratie; een heelwording. Ik heb mijn proces dan ook meer dan eens vergeleken met een spirituele reis. In de zoektocht naar mezelf ontdek ik diepere lagen van bestaan, waarin het bijvoorbeeld mogelijk blijkt om de man die ik ooit was ook een plek te geven in plaats van er alleen maar vandaan te willen gaan. Als mijn proces een spirituele reis is, dan ben ik in zekere zin een monnik (m/v). In elke spirituele traditie is een monnik iemand die zijn of haar leven wijdt aan spirituele wijsheidsvinding. Ik zeg hier bewust wijsheidsvinding in plaats van waarheidsvinding, want zodra een geloofsbeoefenaar denkt dat zijn geloof de enige waarheid omvat, gaat het mis. Religieus fanatisme heeft door de eeuwen heen en tot op de dag van vandaag veel moois vernietigd. Een spirituele reis gaat volgens mij over de dialoog met jezelf en met je omgeving om te komen tot diepere hoogstpersoonlijke inzichten. Niet over het klakkeloos overnemen van een door iemand anders geschreven bijbel, maar research plegen alsof je zelf een bijbel wilt schrijven. Een monnik geeft zo’n proces van wijsheidsvinding maximaal de ruimte door zich af te zonderen van het wereldlijke en zich naar binnen te keren, door zich terug te trekken in afzondering en het gestructureerde en gedisciplineerde leven van een kloosterling te leiden. Zo voelt mijn leven op dit moment ook.

Mijn reis naar mezelf heeft een kloosterlinge van me gemaakt. Ik ben een non; zonder habijt weliswaar. Sinds mijn operatie leef ik volgens een zeer streng dagritme, vol met vaste rituelen. Rituelen die me niet zijn opgelegd door een liturgie of een bijbel, maar door een arts. Ik voer die rituelen uit; niet gedreven door de wil tot onthechting zoals een boeddhist zijn meditatie uitvoert, maar juist gedreven door gehechtheid: gehechtheid aan een mooie vagina en borsten. Daarom masseer en dilateer ik.

Elizabeth Gilbert heeft haar eigen transformerende spirituele reis in haar gelijknamige boek samengevat in drie woorden: eat, pray, love. Voor haar symboliseren die woorden de drie fasen in haar proces. Voor mij staan ze model voor mijn persoonlijke mantra van dit moment: eat, pray, sleep. Mijn dagen bestaan op dit moment vrijwel volledig uit die drie elementen, elke dag opnieuw. Ik eet, ik slaap en de overige tijd besteed ik grotendeels aan mijn ‘gebed’ bestaande uit borstmassage in zeven stappen en dilateren in drie stappen. Dit gebed duurt anderhalf uur en moet ik drie keer per dag herhalen: zodra ik wakker wordt, halverwege de middag en voor ik ga slapen. En omdat ik moe ben doe ik vrijwel elke middag ook nog een dutje, waardoor er per saldo op een dag maar een paar uur over blijft om iets anders te doen. Mijn wereldlijke leven is dus heel klein op dit moment en dat frustreert me. De afgelopen maand baalde ik er al regelmatig van, maar toen ik nog in Thailand was, viel er ook niet zoveel anders te doen. Maar eenmaal thuis voel ik meer verlangen om mijn leven weer op te pakken; ook omdat ik me langzaam iets fitter begin te voelen en mijn lijf me iets meer bewegingsvrijheid begint te geven. Maar ik zit klem in het dwingende regime van mijn leven als non in de Orde der Revalidatie. Volgens de arts moet ik dit regime minimaal een jaar volhouden – nog bijna elf maanden dus – en dat intimideert me. Ik zie niet voor me hoe ik dit combineer met mijn werk en mijn sociale leven en beide wil ik toch echt weer oppakken. Zelfs het vinden van tijd om te bloggen is lastig. Of het effect gaat hebben op de lengte van mijn blogposts weet ik niet. Daar kan ik nu ook niet over nadenken, want ik hoor de kloosterbel alweer: tijd om te dilateren…

woensdag 20 juli 2016

Blik op oneindig

Het monotone gebrom van de vliegtuigmotoren dringt zich weer aan me op. Urenlang wisten mijn hersenen – na enige gewenning – dit geluid weg te filteren, maar dat lukt niet meer. Mijn donut-kussen ligt in mijn rug; onderuitgezakt op de stoelen die ik tot mijn beschikking heb probeer ik comfort te zoeken, maar het lijkt alsof het comfort een half uurtje geleden met een parachute het vliegtuig verlaten heeft. Netjes rechtop zitten op mijn donutkussen doet pijn. Liggen doet pijn. Om te lopen ben ik te moe en inmiddels voelt het alsof ik te stijf geworden ben om mezelf überhaupt nog tussen deze stoelenrij uit te persen. Het voelt alsof de hechtingen uit mijn vagina aan het losscheuren zijn en alsof het pus uit de ontsteking loopt die ik daar heb. Maar de vorige controle op de wc (ik had vooruitziend een spiegeltje meegenomen) wees loos alarm uit. Net als die daarvoor. Ik ben te moe om het zekere voor het onzekere te nemen. Het lukt me gewoonweg niet om in beweging te komen. Ik ben kapot. Uitgeput. Het liefst zou ik dit alles in één klap beëindigen. Weg met de herrie in mijn oren. Weg met deze klotestoelen. Weg met dit vliegtuig. Weg met mijn lijf. Ik wil thuis zijn, in mijn eigen bed, en dat alles even weer normaal is. Ik voel een brok in mijn keel tranen omhoog duwen. Ik slik. Voor de zoveelste keer. Het liefst zou ik mijn misère wegjanken. Maar iets weerhoudt me. Ik probeer het spreekwoord ‘verstand op nul, blik op oneindig’ te belichamen. Maar het lukt me niet meer. Ik zucht. Ik draai. Ik kreun. Ik wil naar huis!

Wanneer een uur of twee later eindelijk het vliegtuig geland is op Schiphol, voel ik opluchting. Samen met Y. wacht ik tot de meute het toestel verlaten heeft. Op de passagierslijst staat een vinkje achter mijn naam, waardoor ik als eerste het toestel in mocht en het nu als laatste moet verlaten. In de slurf staat een man met een rolstoel op me te wachten. Blij dat ik nu weer een etappe dichterbij huis ben begroet ik de man en ga – op mijn donut – op de rolstoel zitten. De man brengt me al zigzaggend snel bij de paspoortcontrole, waar een enorme rij staat te wachten. En net als op de luchthaven van Bangkok, sjees ik met mijn rolstoel langs de rij. Y.mag, als mijn begeleider, mee voorkruipen. Een hekje zwiept open en ik sta ineens voor de medewerker van de marechaussee. Ik zie hem vanaf mijn lage positie nog maar net boven zijn balie uitsteken. Mijn paspoort wordt gecontroleerd en voor ik het weet sta ik bij de bagageband te wachten. Dit ging lekker vlot! Het is heel fijn dat Schiphol 300 mensen op de loonlijst heeft staan om rolstoelbegeleiding te bieden, dankjewel naar jullie allemaal. Even later gaan we met koffer en rolstoel onder het bordje “Nothing to declare” door en ben ik op Schiphol Plaza. Daar staat L. op mij te wachten. Ik voel opluchting als ik haar zie en ik kan nog maar net mijn tranen bedwingen als we elkaar omhelzen.

Ik neem afscheid van Y. alsof we een avondje samen hebben gegeten en elkaar morgen weer gaan zien. Ik ben moe. Ik wil maar één ding: zo snel mogelijk naar huis. Voordat ik bij L. in de auto stap knuffelen we nog een keer en dan komen de eerste tranen. We rijden even later de parkeergarage uit, de snelweg op, richting mijn huis. De auto draait mijn straat in en opgelucht stel ik vast dat mijn huis er nog is en dat mijn auto nog keurig geparkeerd staat. Alsof dat ooit anders was na terugkeer van een reis, maar goed. Ik waggel met mijn vermoeide lijf naar de deur, pak mijn sleutels, open de deur en stap mijn trappenhuis in. Voor mij doemt de trap op: 42 treden scheiden mij van mijn voordeur. Moe, stijf, met pijn maar zeer gemotiveerd til ik mijn voet op de eerste trede en de andere voet op de volgende. Ik waggel en schuifel omhoog, gevolgd door L. die mijn koffer draagt. Wanneer ik bijna boven ben, zie ik mijn voordeur open staan. R. kijkt me aan met een mengeling van blijdschap en medelijden. Het is fijn om haar een paar pasjes later in de armen te sluiten. Ik wist dat ze mijn huis klaar zou maken voor mijn komst: schoonmaken na het vertrek van de tijdelijke huurder die ik had gevonden en de koelkast vullen met eten. Ik wist niet dat ze me letterlijk met open armen zou verwelkomen. Ik wist niet dat ze vannacht bij me zou blijven, zodat ze voor me kon zorgen. Als ik, na knuffels en een kop thee eindelijk in bed glijd, realiseer ik me de onmetelijke rijkdom van zoveel lieve vrienden.

dinsdag 19 juli 2016

Uit mijn cocon

Met een droge klik sluit het slotje van mijn koffer. Mijn spullen zijn gepakt. Morgenochtend worden we al vroeg opgehaald en naar het vliegveld gebracht. Dit ritje is het laatste deel van Chettawuts dienstverlening, maar afscheid hadden we al genomen. Tijdens de laatste controle, een paar dagen geleden, had Chettawut tevreden tussen mijn benen gestaard. Als een timmerman die monsterend naar zijn net getimmerde kozijnen keek, had hij het resultaat in zich opgenomen en trots gezegd: “It looks very good”. Gek genoeg heb ik zelf nog niet gezien wat hij zag, want ik mag mijn binnenste schaamlippen nog niet van elkaar halen, omdat het weefsel daaronder nog teer is. Ik neem die waarschuwing zeer serieus, want het laatste wat ik wil is dat ik in mijn overmoed mijn clitoris beschadig. Ik lijk wel een godsdienstige, want ik volg deze regel gedwee ten faveure van een enigmatische clitoris waarvan men zegt dat die bestaat, maar waarvan ik nog weinig bewijs heb gezien, behalve dan die incidentele pijnscheuten die ik voel en die ergens uit dat gebied lijken te komen. Het dichtst bij een bewijs kwam het moment dat Chettawut tijdens de laatste controle met een wattenstaafje rondom mijn clitoris draaide om de hechtingen waarmee dit stukje eikelweefsel was vastgezet van alle kanten goed te kunnen zien: ik voelde een sterke prikkel, duidelijk gelokaliseerd, niet pijnlijk, eerder raar en onbestemd, geruststellend en tegelijk uitnodigend. Een klinische aanraking als een sneak preview van wat me in de toekomst te wachten staat.

Mijn koffer zit vol. Het grootste deel van de kleding die ik had meegenomen is ongebruikt weer ingepakt. Tweederde van mijn tijd hier lag ik in bed, zonder kleren aan. En de overige tijd droeg ik steeds dezelfde jurk en dezelfde paar onderbroeken, elke paar dagen opgefrist door de wasmachine. Als souvenirs neem ik, behalve een klein Buddha-amulet, enkel voorwerpen mee die met mijn operatie te maken hebben: mijn dilatatieset, maandverband, medicijnen (antibiotica en anti-zwelling) en een grote voorraad glijmiddel omdat dat in Nederland veel duurder is dan hier. En natuurlijk mijn speciale, gesigneerde zitkussen – in de vorm van een donut om druk op mijn nieuwe, nog licht gezwollen en hypergevoelige vagina te voorkomen.

Morgen vlieg ik mijn cocon uit. Het was fijn om voor deze fysieke transformatie ver weg te zijn van mijn normale biotoop. Een overgangsritueel om in afzondering uit te voeren, zoals Aboriginal jongens alleen in de wildernis moeten overleven om man te worden of zoals een olifant de kudde verlaat om in stilte te sterven. Alleen keer ik al terug voordat mijn overgangsritueel klaar is. Mijn lijf is nog niet hersteld van de operaties. Ik heb nog zwelling bij mijn borsten en mijn schaamlippen. Ik heb nog lichte ontstekingen bij enkele hechtingen bij mijn schaamlippen. Een deel van mijn vagina is gevoelloos en de rest is juist overgevoelig. Zitten is moeilijk en door het vele liggen is mijn algehele conditie erg achteruitgegaan. Mijn hoofd is heel snel overprikkeld; zo’n 80% van mijn hersencapaciteit is bewust en onbewust bezig om mijn nieuwe lijf eigen te maken, dus is er weinig over voor ervaringen buiten mij. Het nieuwe lichaam roept vervreemding, angst en verdriet op. Ik heb een lijf dat nog niet het mijne is en omdat het nog gehavend is kan ik het ook nog niet ten volle ontdekken. Op sommige momenten sta ik voor de spiegel en huil ik van opluchting dat ik eindelijk een vagina heb. Op andere momenten kijk ik vol afgrijzen naar de plek waar ooit mijn oude vertrouwde piemel zat. Ik weet van anderen dat het maanden vergt om in je nieuwe lichaam thuis te komen. Ik maak me dan ook geen zorgen. Maar de overgang van het ongewenste vertrouwde lichaam naar het felbegeerde onbekende lichaam maakt me onrustig en onzeker.

Midden in mijn overgangsritueel vlieg ik uit. Het lichaam is klaar. Maar mooie vleugels maken nog geen vlinder. Eerst zal ik stapje voor stapje mijn lichaam verzorgen, helen, me eigen maken. Ik verheug me er op om weer dierbare vrienden te gaan zien, om weer in mijn eigen huis te zijn, om langzaam in praktisch opzicht mijn leven weer op te pakken. Vaste grond onder mijn voeten, zodat ik weer kan gaan staan. Langzaam zal ik me de komende maanden oprichten, mijn vleugels spreiden en uitvliegen, naar ik hoop de zon tegemoet.

zaterdag 16 juli 2016

Heiligschennis

Vanmiddag deed ik mijn borstmassage. Met mijn volle gewicht duwde ik mijn borst tegen de muis van mijn hand die tegen het raamkozijn aan lag. Ik voelde weerstand. Een stevige elastische substantie verzette zich, maar door mijn volledige gewicht tegen het kozijn te drukken lukte het me om voldoende druk te genereren. Ik voelde mijn borst platgedrukt worden. Of althans, ik voelde mijn huid, mijn borstweefsel, mijn borstspier zich uitrekken, onder druk van het siliconen implantaat dat er onder zat. Ineens zag ik de implantaten weer voor me die ik tijdens de intake bij dr. Chettawut in mijn handen had gehad. Zwaar, koud, ruw van oppervlak. Ik zag hoe mijn vinger zich in het implantaat boorde. De siliconen voegden zich gewillig om het drukpunt heen; de schil van het implantaat bolde op en werd iets meer doorschijnend. Mijn vinger trok zich terug en in een flits had het implantaat haar oorspronkelijke vorm weer aangenomen. Barbapapa was er niks bij. Nu, tijdens de borstmassage, speelde dit alles zich in mijn borst af. De 350cc van het implantaat voegde zich naar de omstandigheden, de schil onzichtbaar maar evengoed doorschijnend, klaar om terug te keren naar de oorspronkelijke toestand zodra ik de druk op mijn borst zou verminderen. Deze kunstmatige kwab was, in tweevoud, vanaf nu onderdeel van mij.

Halverwege 2012 schreef ik een heel heldere samenvatting van de worsteling in mijn zoektocht naar mijn gender. De wens om vrouw te zijn had negen tegenstemmen die ik eerst allemaal nog maar eens goed moest onderzoeken, vond ik toen. Ook al was de beslissing toen eigenlijk al onvermijdelijk. Eén van die tegenstemmen was mijn levensvisie dat je je lichaam moet eren. Ik ben geen gezondheidsfreak of foodie, maar ik probeer mijn lijf gezond en ongeschonden te houden. De ongeschonden puurheid van je lijf is voor mij een teken van respect aan de natuur waar je uit voortgekomen bent en onderdeel van uitmaakt. Daarom keek ik altijd meewarig naar mensen met een tatoeage of piercing.

En kijk me nu eens. Kon ik mijn haartransplantaties nog afdoen als ‘het herstellen van de natuurlijke uitgangssituatie’, het verwijderen van mijn baardgroei was ontegenzeglijk al een vernietiging van mijn oorspronkelijke natuur. Om van het chemische bombardement van de hormoonbehandeling maar te zwijgen. En nu? Nu is mijn aangeboren geslachtsdeel versneden tot een vagina en draag ik onder elke borstspier een flinke hand siliconengel. Dit was iets minder oppervlakkig dan een tatoeage. Had iets meer massa dan een piercing. En ik had het toegestaan. Ik had mijn tempel geschonden. Onomkeerbaar geschonden. Door trouw te zijn aan mijn verlangen was ik ontrouw geweest aan een voor mij belangrijke waarde. De stappen die ik hier in Thailand had gezet om mijn lijf aan te passen, waren niks minder dan heiligschennis. Geoorloofd, dat wel. Het belang van mezelf fundamenteel erkennen als vrouw woog zwaarder. Ik kon simpelweg niet beide belangen honoreren.

In dit onvermijdelijke conflict had ik mijn lichaam teleurgesteld. Ik had mijn impliciete eed gebroken dat ik goed voor dit lijf zou zorgen. Ik voelde me een verrader. Een verrader van mezelf. Ik was vies. Mijn lijf voelde vies. Het had voor altijd haar puurheid verloren. Mijn hoofd boog zich langs het raamkozijn en nederig liet ik mijn voorhoofd tegen de ruit vallen. Mijn tranen lieten het raam beslaan. Vanmiddag was mijn heiligschennis, mijn verraad aan mijn eigen lijf, ten diepste tot me doorgedrongen.

vrijdag 15 juli 2016

De liefde niet

Vijf dagen geleden begon ik er in. Het was er nog niet van gekomen omdat ik steeds te moe was om me te kunnen concentreren, maar na drie weken Candy Crush in bed, trok de verveling me toch over de streep: ik ging het boek lezen dat ik had meegenomen. Ik kocht het boek al een half jaar geleden, naar aanleiding van een recensie, maar het had al die tijd ongeopend thuis op tafel gelegen. Geen energie voor. Ik kon me niet eens concentreren op een krantenartikel, laat staan op een roman. Maar nu, in de stille overzichtelijke cocon van mijn herstel hier in Thailand, durfde ik het aan en sloeg ik het boek open: De liefde niet van Margriet van der Linden. Het is een autobiografisch coming-of-age verhaal waarin Margriet schrijft hoe ze, opgroeiend in een orthodox christelijk milieu, het onbestaanbare en onacceptabele ontdekt: dat ze op vrouwen valt. In een vlotte en trefzekere stijl sleurde ze me de afgelopen dagen door haar leven tot aan het punt dat ze als student, na een paar jaar niet meer thuis te hebben gewoond, aan zichzelf en haar omgeving durft toe te geven dat ze inderdaad lesbisch is. Het boek besluit met het moment waarop ze het haar ouders gaat vertellen: een zekere afwijzing en excommunicatie tegemoet.

Het lezen is ten einde. Tillend bedek ik de laatste bladzijde met de achterkaft. Ik sluit mijn ogen. Ik voel een traan op mijn linkerwang. Rechts ook een. Ik huil. Dit intense verhaal dwong me de afgelopen dagen tot doorlezen, alleen beperkt door mijn weinige energie en het moordende schema van dilateren en borstmassages. Ik identificeerde me met Margriet. Ik herkende het knellende gevoel van een door de buitenwereld opgelegde dogmatische norm waarvan je diep van binnen weet dat die niet voor jou geldt, maar waarvan het onmogelijk afstand nemen is. Ik tintelde bij de lesbische flirts en seks die Margriet meemaakt in haar leven of in haar fantasie, zag mezelf, met mijn nieuw verworven vrouwenlijf, naakt tegen een andere vrouw aanschurken, een verlangen aanwakkerend waarvan ik dacht dat die een lagere prioriteit zou hebben dan intimiteit met mannen. Ik voelde haar nederige, bijna fatalistische humeur van het moment vlak voor haar coming-out naar haar ouders en familie; overtuigd van de dramatische afloop. Een onafwendbare afloop, wilde Margriet zichzelf niet verloochenen.

Tijdens mijn lange zoektocht naar mezelf heb ik vaak geaarzeld. Niet over of ik een vrouw was, of over of ik als vrouw zou willen leven, maar over of ik de stap wel zou wagen, over of ik wel het risico wilde lopen dierbaren te verliezen. Ik was er vaak bang voor en helaas zijn al mijn angsten waarheid geworden. M., S., mijn familie: ze zijn allemaal ergens onderweg uit mijn leven verdwenen of nog maar met zo’n dun lijntje verbonden dat er van een relatie geen sprake meer is. Ik heb gegokt, en verloren. En net als in het verhaal van Margriet was het onafwendbaar: wat er ook ging gebeuren, het moest gebeuren. Net als Margriet wilde ik mezelf niet verloochenen; dat had ik al veel te lang gedaan. En ik heb mezelf niet verloochend: hier sta ik… ik ben een vrouw.

De titel van het boek van Margriet is ontleend aan een Bijbeltekst uit 1 Korintiërs 13: “Al ware het, dat ik met de tongen der mensen en der engelen sprak, maar had de liefde niet, ik ware schallend koper of een rinkelende cimbaal. Al ware het, dat ik profetische gaven had, en alle geheimenissen en alles, wat te weten is, wist, en al het geloof had, zodat ik bergen verzette, maar had de liefde niet, ik ware niets… Al ware het, dat ik al wat ik heb tot spijs uitdeelde, en al ware het, dat ik mijn lichaam gaf om te worden verbrand, maar had de liefde niet… het baatte mij niets”. Deze tekst raakte mij toen ik het in Margriets boek las en ik vermoed dat het haar ooit om dezelfde reden geraakt had. Je kunt je leven nog zo mooi inrichten, nog zoveel goeds doen, maar als je niet leeft vanuit een diepe erkenning van wie je werkelijk bent, dan is alles leeg en betekenisloos. Wanneer je daden zich vullen met de liefde voor het leven zelf, de liefde voor je eigen leven, dan deugen ze. Ongeacht de consequenties.

maandag 11 juli 2016

Koude douche

Ik maak zachte kreungeluidjes terwijl het warme water over mijn lijf stroomt. Mijn handen glijden door mijn haar en de laatste restjes conditioner vinden glijdend over mijn lichaam hun weg naar het doucheputje. Wat is dit heerlijk. De vorige douchebeurt was vanwege de tweede operatie inmiddels bijna een week geleden en voor mij is douchen toch wel een primaire levensbehoefte. Ik voel mijn lijf zich ontspannen onder de zachte, warme waterstraal. Zojuist heb ik mijn haren gewassen, mijn lijf gewassen en mijn gezicht geschoren. Als vaste afsluiter van mijn doucheritueel pak ik de sproeikop in mijn hand en was de laatste restjes zeep en stress van mijn lichaam. Wanneer ik met de douchekop in de buurt van mijn kruis kom, maakt mijn andere hand automatisch een grijpbeweging om mijn piemel te pakken en de voorhuid terug te trekken om de laatste waterstraal ook daar nog even langs te laten gaan. Licht gedesoriënteerd schudt de realiteit me wakker uit mijn automatisme en ik moet lachen. “Dat hoeft niet meer hoor”, zeg ik tegen mezelf en mijn gedachten gaan terug naar het dilateren van gisterenavond. Toen reageerde ik minder monter.

Ik heb alle attributen klaargelegd en wil beginnen met het dilateren. Het gekke klusje heeft de neiging corvee te worden: drie maal daags veertig minuten, volgens het schema nu. Daarom neem ik nu even de tijd om me bewust te worden van mijn vagina. Ik kijk tevreden naar mijn venusheuvel – nog een tikje gehavend door drains die daar gezeten hebben – en doe wat ik in het verleden wel eens bij mijn bedpartners deed: ik leg de bal van mijn hand tegen de helling van de heuvel en drapeer langzaam mijn hele hand en al mijn vingers over de vagina. Het binnenste deel van het weefsel voelt nog doof, maar de rest voelt ontspannen en levend. De zwelling van de buitenste schaamlippen is al een flink stuk minder en ze voelen natuurlijk aan nu. Een tevreden glimlach begint mijn mond te vormen, maar stokt snel. Een onbehaaglijk gevoel trekt aan me en verschrikt trek ik mijn hand van mijn vagina en pak het spiegeltje dat ik voor het dilateren gebruik. Via het spiegeltje kijk ik naar mijn vagina en ik schrik me rot. Mijn piemel is weg! Ineens realiseer ik me dat Man-ik nu aan het kijken is, door de euforie van Lisa tot nu toe steeds op de achtergrond geduwd, maar op dit moment aanweziger dan ooit, lijkt het.

Mijn piemel is weg. De piemel die veertig jaar niet alleen mijn lichaam, maar ook mijn hele leven definieerde. Verdwenen. Man-ik, de mannelijke identiteit die ik op die piemel had gebouwd, begint te huilen. Dit is onherstelbaar. De piemel, niet alleen symbool maar ook bron van de mannelijke identiteit is totaal verminkt tot een vagina. Er is niks meer van over. Man-ik realiseert zich dat hiermee niet alleen zijn periode in mijn leven wordt afgesloten, maar ook dat deze periode nooit meer terug zal komen. Man-ik is een man met een kut en vraagt zich angstig af wat dit betekent: zal hij nu zijn lichaam is verdwenen ook als identiteit moeten verdwijnen? Ik voel zijn paniek. Ik kan hem niet geruststellen. Ik weet het niet. Tot nu toe was de mannelijke identiteit altijd nog op de achtergrond aanwezig, als referentiepunt en als bron van verzet. Ik weet niet wat er nu gaat gebeuren. Het enige dat ik weet is dat het loslaten nu in een volgende fase is gekomen. Het loslaten van Man-ik, die ondanks alles zo aan zijn leven hechtte. Het loslaten van Man-ik, van wie ik ondanks alles toch ook zo ben gaan houden. Er rollen tranen over mijn wangen. Ik huil met Man-ik mee. Ik huil om Man-ik. Lieve schat, het spijt me.

vrijdag 8 juli 2016

Aziatische tijger

De Strenge Zuster (Chettawut’s hoofdzuster die de dagelijkse patiëntbezoeken in de hotels doet) liet lang op zich wachten. De toegezegde ochtend was al lang voorbij. Ik lag al de hele dag reikhalzend op haar te wachten, want ik wilde graag mijn drains uit mijn lijf hebben. Ik had er de afgelopen dagen zoveel pijn aan gehad, dat ik nauwelijks had kunnen slapen, hooguit twee, drie uurtjes per nacht, versnipperd over blokjes van een half uur, waardoor ik al twee dagen niet meer in een diepe slaap was geweest. Ik was inmiddels heel erg moe en dat leek me niet bevorderlijk voor mijn herstel. Daarnaast was ik er strontchagrijnig van geworden. Geen leuke ontvangst voor Y…

Uiteindelijk belde ze aan. Y. deed open en de zuster kwam mijn kamer binnen. Ik vertelde haar het probleem met de drains en ze keek naar de maatstreepjes. De rechter had zo goed als geen productie gehad sinds gisteren. De linker nog behoorlijk veel. En dus moesten ze blijven zitten. “Maar kan de rechter er dan niet uit? Dan heb ik minder last en kan ik op mijn rechterzij liggen en wat beter slapen”, vroeg ik. “Nee, ze gaan er tegelijk uit. De linker is nog niet klaar, dus blijven ze alle twee zitten”, reageerde ze kortaf; haar always-on Thaise glimlach in beton gebeiteld. Ik wilde protesteren, maar mijn reactie stokte toen ik in haar strenge ogen keek. Ik moest mijn persoonlijke behoeften ondergeschikt maken. Ik gedroeg me veel te Westers door bij een autoriteit voor mezelf op te komen. Ik realiseerde me ineens dat de arrogantie die me bij Nederlandse zorgverleners steeds zo stoorde, hier via een Aziatisch-culturele u-bocht ook speelde. Jammer. Vooral omdat het hier over mijn nachtrust ging.

Voordat ik me kon herpakken en een tweede poging kon wagen om de last van mijn drains te verlichten, zei ze: “Het katheter gaat er wel uit”. Nu had ik ook al twee dagen last van het gebied boven mijn rechterlies – mijn lijf leek het katheter na dertien dagen ook meer dan zat te zijn – dus dit zou mijn situatie ook verbeteren. Alleen voelde het voor mij als het minste probleem. Maar voor ik het wist was ze via de katheterslang het ballonnetje waarmee het zich in mijn blaas had verankerd aan het leegzuigen. Ze zei daarna dat ik moest ontspannen en elke aandrang om te plassen kon negeren. Die werd veroorzaakt door het uittrekken van de katheterslang. Ik wist direct wat ze daarmee bedoelde toen ze trok aan het gele slangetje dat ergens tussen mijn schaamlippen verdween. Meteen voelde ik een ijzige scherpe pijn in mijn onderbuik. Ik moest heel nodig plassen, maar dan met een blaas vol met accuzuur in plaats van met urine. Mijn lichaam verkrampte en dat was natuurlijk niet de bedoeling. Het uittrekken ging langzaam, met horten en stoten. Toen uiteindelijk de slang uit mijn urinebuis was verdwenen, bleef de nare scherpe aandrang hangen. Die moest ik negeren volgens de zuster. “Pas als deze aandrang is verdwenen en je voelt een nieuwe komen, dan moet je gaan plassen. Veel drinken vandaag, dan doet het geen pijn”, zei ze terwijl ze haar tas inpakte en vertrok.

Toen de pijn eenmaal begon te zakken, vroeg ik me af wat dat was, plassen. Ik had het al twee weken niet meer gedaan en ik had gehoord van mensen uit mijn omgeving die al eens een katheter hadden gehad, dat je dan niet meer weet hoe dat moet. Dat het even duurt voordat je lichaam weer het programma gevonden had om te plassen. En ik had van transvrouwen uit mijn omgeving gehoord dat je lichaam helemaal geen programma heeft om na de operatie te kunnen plassen. De hardware daar beneden was zo grondig gewijzigd, dat de oude software er echt niet meer op werkte. Ik moest dus opnieuw beginnen. Plassen zonder enig referentiepunt, behalve dan de vage aanbeveling dat je moest ontspannen.

Mijn eerste poging duurde lang, maar na een paar minuten kwam er toch een klein beetje urine uitlopen. Geen idee waar dat precies uitkwam en hoe dat daar was gekomen. Dit was de nieuwe blinde vlek in mijn zenuwstelsel; het ontbrekende stukje software. Het enige dat ik voelde was mijn drukkende volle blaas en een scherpe pijnscheut toen de urine begon te lopen. Alle spieren in mijn bekkenbodem trokken samen en het plassen stokte. Mijn tweede poging een uurtje later ging hetzelfde. Weinig resultaat, veel pijn en – door het vele drinken – een steeds vollere blaas. Maar bij de derde poging lukte het. De urine stroomde en bleef stromen. De pijn viel mee. Alleen stroomde de urine niet vanuit mijn plasbuis de toiletpot in, maar sproeide ik het naar achter als een tijger die zijn geurvlag uitzet. Ik voelde de warme urine tegen mijn billen, mijn anus en de verse hechtingen aan de onderkant van mijn schaamlippen spuiten. Het prikte. Fijn was het niet, maar de opluchting om de druk op mijn blaas te kunnen verlichten, had de overhand.

Sindsdien plas ik als een tijger. Ik maak me er niet heel veel zorgen over, gezien de nog gezwollen toestand van mijn binnenste schaamlippen. Dit komt heel veel voor en gaat vanzelf over, weet ik van transvrouwen die me voorgegaan zijn. Maar jammer is het wel. Ik zal morgen aan de Strenge Zuster vragen wat ik van het herstel kan verwachten op dit punt. Haar antwoord zal vermoedelijk hetzelfde zijn als op bijna al mijn vragen: “It’s normal. Just wait”. Geduld is een schone zaak. En vooral een Aziatische zaak, geloof ik.