maandag 11 januari 2016

Lage ambitie

Onlangs was mijn neefje jarig. Ik had me voorgenomen op het feestje te komen. De kinderen van mijn zus hadden mij inmiddels al een paar keer eerder als vrouw gezien. De enige voor mij merkbare aanpassing die ze hadden gedaan, is dat ze mij geen ‘oompie’ meer noemden. Tot mijn spijt, want ik voelde achter die koosnaam altijd een ontspannen gevoel van gelijkwaardigheid die me wel beviel. Geen misplaatst artificieel ‘respect’ omdat ik volwassen ben. In kennis en ervaring ben ik duidelijk hun meerdere. Maar in het verlangen gezien te worden zijn alle mensen gelijk. Met het wegvallen van het koosnaampje werd ook de ontspanning in ons contact iets minder. Maar ik vertrouwde er op dat het zou terugkomen.

Mijn zus was vanaf het begin kritisch op mijn transitie. Ze wist zeker dat het mijn rusteloze ziel was die me een loer draaide en ze was bang dat ik spijt zou krijgen. Meningen die niet gebaseerd waren op kennis van mijn situatie en mijn gevoelens, want daar vroeg ze nooit naar. Als ik zelfs eens iets vertelde, werd er meteen een stevige opinie tegenover gezet waardoor ik in de verdediging geduwd werd. Ik moest haar maar overtuigen dat mijn genderdysforie écht was, zo voelde het. Ik voelde geen betrokkenheid, geen nieuwsgierigheid. Ik voelde dezelfde tegenwind van oppervlakkige opinies die ik als kind in ons gezin altijd al had ervaren en ik deed wat ik vroeger ook deed. Ik sloot me af en het contact werd nog oppervlakkiger. De laatste maanden werd mijn zus iets milder. Niet dat ze nieuwsgieriger werd naar mijn keuze, maar ze stopte met haar mening te geven en we spraken er gewoon niet meer over. Ik had me in de dagen voor het feestje mentaal voorbereid op wederom een oppervlakkig contact met haar. Maar dat was niet de grootste dreigende teleurstelling die ik voelde.

Mijn moeder kwetste me de laatste keer dat we elkaar zagen genadeloos. De regelrechte doodsverwensing die ik toen van haar kreeg, maakte van alle eerdere uitspraken ‘dat ik beter niet geboren had kunnen zijn’ ineens bijna plaagstootjes. Sindsdien had ik haar niet meer gezien of gesproken. Ook niet toen ze jarig was, of tijdens Kerstmis. Ik wilde haar liever niet zien, maar ze zou ongetwijfeld ook op het verjaardagsfeestje zijn en ik wilde me ook niet laten wegjagen. Ik nam me voor om, zodra ze opnieuw een tirade met egocentrische verwijten zou afsteken, meteen op te staan en te vertrekken.

Ik belde aan en mijn zus deed open. Ik kuste en feliciteerde haar en liep naar binnen. In de woonkamer begroette ik de aanwezigen als collectief met één ‘hallo’ en een armzwaai om aan te geven dat die begroeting voor iedereen bedoeld was. Deze onpersoonlijke manier van begroeten past me niet, maar ik vermeed ermee dat ik mijn moeder persoonlijk zou moeten begroeten. Daar had ik geen zin in. In mijn afstandelijke familie kwam ik natuurlijk moeiteloos weg met zo’n entree. Na wat er tussen mij en mijn moeder was voorgevallen kon ik niet overgaan tot de orde van de dag alsof er niks gebeurd was. Ze had me voor van alles uitgemaakt voor ze me dood wenste en nu zat ze hier de aardige oma uit te hangen alsof dat allemaal niet gebeurd was. Maar ik was ook te bang om er zelf over te beginnen. Dit was natuurlijk ook niet de gelegenheid om dat te doen.

Ik ging op de bank zitten met thee en taart en voelde me eenzaam tussen alle oppervlakkige gesprekken die vooral bestonden uit meningen poneren en vertellen wat je zelf hebt meegemaakt en elke oprechte vraag vermijden. Het gespreksonderwerp moest minstens elke minuut veranderd worden omdat je anders het risico liep de diepte in te moeten gaan. Ik sloot me verder af en knikte me beleefd door het eerste kwartier heen. Toen sprak mijn moeder me aan. Althans, ze riep mijn oude naam. Geschrokken, bijna schichtig keek ik haar aan. Ik voelde verontwaardiging dat ze me met Man-ik aansprak en ik voelde angst voor een herhaling van haar tirade. Ik blokkeerde even en dat moment greep mijn moeder aan om een verhaal op te hangen over een van haar andere kleinkinderen. Ik was verbijsterd. Alsof er niets gebeurd was, alsof ik niet een vrouw was geworden, alsof ze me niet had doodgewenst, vertelde ze over koetjes en kalfjes. Ik was opgelucht dat de heftige, kwetsende aanval waar ik bang voor was, uitbleef. Ze had op de een of andere manier een stapje gemaakt in het proces van acceptatie van mijn transitie. Ik telde mijn zegeningen en liet het er verder maar bij.

In transitie betekent verwachtingen bijstellen. Over het tempo van het proces. Over het uiterlijke resultaat. Over hoe dierbaren op je reageren. De valkuil is om je verwachtingen naar het cynische lage niveau te brengen dat alles er wel aan voldoet, maar dat je toch niet tevreden bent.

Als je geen verwachting hebt, dan kan een reactie niet teleurstellen. Er kan wel over je grenzen worden gegaan en daar kun je op reageren. Maar er is dan geen vervlogen hoop op een andere uitkomst. Het is dan zoals het is. Maar de crux van een onveilige hechting als kind is dat je altijd, let wel: altijd, blijft hopen op nog zo’n spaarzaam moment van onvoorwaardelijke liefde van je moeder. Er blijft een abstracte, fundamentele verwachting sluimeren. Als je dan gekwetst wordt in plaats van gekoesterd, dan voelt dat bijna levensbedreigend omdat je het beleeft vanuit het onbevredigde kleine kind dat onmachtig is de wereld alleen aan te kunnen. Dat kleine kind in mij hoopte tijdens deze ontmoeting met mijn moeder op meer, maar de volwassen vrouw in mij ziet gelaten dat het allemaal veel slechter had kunnen gaan.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten