maandag 15 februari 2016

Zachte g

Nu S. in het ziekenhuis ligt en hij mij weer wil zien, wil ik graag veel bij hem zijn. Helaas ligt het ziekenhuis op een uur rijden van mijn huis en het heen en weer gereis vraagt veel van mijn toch wel schaarse energie. Meestal is een bezoekje aan het ziekenhuis voldoende om al mijn energie van de dag op te maken. Werken zit er eigenlijk niet meer in. Dat vindt mijn bankrekening niet zo leuk. En dankzij heen en weer gereis met auto of trein, broodjes op het (tank)station vanwege een onregelmatig dagritme en parkeerkosten bij het ziekenhuis gaat het geld er aan de andere kant met bakken uit. Ik ben nu al eigenlijk door mijn maandbudget heen.

Gelukkig bood een vriendin aan dat ik bij haar mocht slapen. Zij woont op een kwartiertje metro-afstand van het ziekenhuis dus dat scheelt tijd. Ik kan mijn auto bij haar gratis parkeren, dus dat scheelt geld. En hoewel ik op S. gefocust ben en ’s avonds erg moe, is het ook gezellig om bij haar te zijn. De laatste twee jaar was onze vriendschap in een wat aftastende fase gekomen en ik vroeg me wel eens af hoe dat zou aflopen, dus het is fijn om te merken hoeveel vertrouwdheid er nog is.

De vriendschap activeert in mij oude gedragsgewoonten, net als mijn contact met S. mijn vaderrol activeert. Een vaderrol die – door onze breuk van meer dan een jaar – nog nauwelijks tijd heeft gehad om te vervrouwelijken. Daardoor voel ik me mannelijker en praat mannelijker dan ik gemiddeld genomen het afgelopen jaar gedaan heb. Door de vermoeidheid mis ik de discipline om deze diep ingesleten mannelijke patronen effectief te pareren. En daar baal ik een beetje van.

Maar vandaag bleek mijn frustratie niet helemaal nodig. Vandaag ontmoette ik een vriend van mijn vriendin. Zij gaan al jaren intensief met elkaar om, maar er was nooit eerder een moment waarop ik hem ontmoette. Hij kent mij niet als vrouw en ook niet als man. Hij weet wel van mijn bestaan en mijn transitie, want mijn vriendin had hem over mij verteld, net zoals ze mij al het nodige over hem had verteld.

Terwijl ik bij mijn vriendin op de bank zit, komt hij binnen. Ik zit net aan de telefoon, dus ons eerste contact komt niet verder dan een wederzijdse nieuwsgierige blik. Wanneer ik ophang, sta ik op en loop naar hem toe. We geven elkaar een hand en raken in gesprek. Na een paar minuten zegt hij: “Wat gek, het enige dat me aan je opvalt is dat je praat met een zachte g”. Wat een grappig compliment. Hij had zich kennelijk iets voorgesteld bij zijn ontmoeting met deze transvrouw. Kon zich van alles indenken over wat hem aan mij zou opvallen. Maar dan blijkt uiteindelijk niets zo in het oog te springen als mijn zachte g. Nooit geweten dat mijn accent als afleidingsmanoeuvre zo veel bijdraagt aan mijn passabiliteit als vrouw...

donderdag 11 februari 2016

Vrolijk

In één vloeiende vastberaden beweging loop ik het halletje van zijn kamer binnen, trek mijn jas uit en hang die op de kapstok. Ik wil mijn bewegingsruimte maximaliseren, want nu gaat het gebeuren. Ik loop door de tweede deur en zie hem liggen. Ik weet dat hij het is. Toch word ik voor één seconde meegesleurd in koortsachtige associaties op specifieke details in een poging het geheel te doorgronden. Ik zie iets van de zoon van mijn oudste zus. Iets van mijn ex. Iets van de man die ik ooit was. Ik zie iets vertrouwds, maar tegelijk klopt er iets niet. Ik zie een doodzieke jongen, moe en vermagerd. Ik zie verbazing, aarzeling en herkenning in zijn ogen. Ik ken die ogen. Ik kijk er in en zie mijn zoon. Ik zie S. Ik loop naar hem toe en pak zijn dunne hand. Ik schrik van de vermagerde krachteloze pols. “Lieve schat”, zeg ik en ik slik een brok weg. “Wat ben je veranderd”, antwoordt hij. “Ja. Jij ook”. Ik buig en kus hem op zijn voorhoofd. Ik voel zijn huid, ik ruik een bekende geur, maar dan intenser dan ik gewend was. Het is de geur waarmee hij altijd bij mij aankwam aan het begin van onze gezamenlijke weekenden. Telkens als hij zondagavond weer naar huis ging, rook hij meer naar mij, alsof zijn stofwisseling zich had gesynchroniseerd met de mijne. Maar na een ruim jaar zonder synchronisatie ruik ik mezelf niet meer in zijn huid. Ik voel tranen opkomen. Ik realiseer me hoezeer ik hem heb gemist en nu, op het moment dat we elkaar weerzien, wil alle verdriet die ik het afgelopen jaar niet heb durven voelen er in één keer uit. Ik slik de brok in mijn keel weg.

“Je stem is anders”, zegt hij. Ik weet niet wat ik moet zeggen. Ik laat zijn woorden en vooral zijn toon bezinken. Wat bedoelt hij? Ik hoor geen afwijzing. Geen verbazing. Het lijkt slechts een constatering. Ik antwoord simpelweg: “Ja”. Dit is niet het moment van woorden. Er is zo veel te voelen. We kijken elkaar aan. Ik kus hem nog een keer. “Ik heb je gemist”, zeg ik. “Ik jou ook”. “Ik ben niet boos op je schat. Je deed wat je dacht dat nodig was. Het was heel verdrietig, maar ik ben niet boos op je. Ik hou van je”. Mijn stem trilt met toenemende wiebeligheid. Mijn ogen worden glanzig. “Ik hou ook van jou”, fluistert hij en er loopt een traan via zijn oor naar het ziekenhuiskussen waar zijn hoofd op ligt. De tweede traan die volgt, kus ik en we omhelzen elkaar. Ik begin te huilen en smoor mijn tranen in zijn kussen. Samen huilen we. Tranen van gemis, van opluchting, van liefde. We zijn samen. Na meer dan een jaar zijn we weer samen. De koude tocht die een jaar lang door mijn hart gierde is verdwenen.

Langzaam komen we los uit onze omhelzing en ik vraag hoe hij zich voelt. Ik weet dat hij doodziek is. Hij is niet voor niks van een provincieziekenhuis overgebracht naar dit academische kinderziekenhuis. Het is hem aan te zien. Hij vertelt over pijn en heel veel ongemakken die bij zijn ziekte horen. Mijn ex vertelt me over bloedwaarden, ontstekingsremmers, pijnstillers. Zware pijnstillers. Ik voel een grote verontwaardiging over wat mijn kind allemaal moet doorstaan. Verdomme, waarom krijgt hij dit voor zijn kiezen? Het lot heeft hem wat mij betreft al genoeg belast met vroeg gescheiden ouders en een vader die vrouw is geworden. Maar deze opstandige gevoelens worden, zodra ze de kop opsteken, steeds weggevaagd door de liefde die ik voel en mijn blijdschap dat ik die liefde weer rechtstreeks in zijn hart kan laten stromen. Ik kus hem en streel hem voor de zoveelste keer door het haar.

Ik was onaangekondigd naar het ziekenhuis gekomen. Ik was het zat om lijdzaam op mijn handen te blijven zitten omdat S. me niet wilde zien. Het duurde te lang. Toen hij ruim een jaar geleden tegen me zei dat hij me niet wilde zien, hoopte ik nog dat het maar even zou duren. Hij was gestart op de middelbare school, ik was fulltime als vrouw gaan leven: de diagnose van zijn chronische ziekte was gewoon net even te veel om te dragen. Dus moest ik weg, want iemand had hem ingefluisterd dat hij ziek was geworden door de stress van mijn transitie. En natuurlijk had hij stress ervaren door mijn proces. En natuurlijk werkt stress altijd nadelig bij elke chronische ziekte. Maar de maatregel om het contact helemaal te verbreken, leek me erger dan de kwaal. Want hij miste mij. Hij had mij nodig. En ik was nodig om nuance en balans aan te brengen in de rigide ideeën die mijn ex had over S. zijn behoeften. Een jaar lang riep ik tegen iedereen die het wilde horen dat hij nooit kon herstellen zonder mij. Zijn weggestopte verdriet om mij en het onderdrukte gemis lag als een onverteerbare brok ellende in zijn emotionele systeem. Emoties kun je niet verwerken als je ze negeert. S. moest mijn transitie meemaken, anders zouden zijn opgekropte emoties gaan rotten.

Naast mij hoor ik een verpleegster binnenkomen. Het is de verpleegster bij wie ik me een paar minuten geleden meldde met het verzoek of zij aan S. wilde vragen of ik even binnen mocht komen. Omdat ik niet zijn kamer wilde binnenstormen omdat ik zijn wens mij niet te zien wilde respecteren, had ik de verpleegster gevraagd mijn aanwezigheid te melden. Waarop mijn ex de gang op kwam lopen, met tranen in haar ogen. S. had deze ochtend naar mij gevraagd, omdat hij bang was dat hij dit niet zou overleven. Mijn ex huilde toen ze het vertelde. Ik was geschokt door S. zijn somberheid, vol twijfels over zijn werkelijke medische situatie omdat ik de informatievoorziening via mijn ex niet vertrouwde en daarbovenop voelde ik compassie voor mijn ex. Ik legde mijn hand op haar bovenarm om te zeggen: we staan hier samen voor, laat me toe en ik ben er voor hem, voor jou.

En nu sta ik hier, de hand van S. in de mijne. Onze liefde stroomt. “Hoe voel je je?”, vraagt de verpleegster. “Ik voel me vrolijk”, antwoord S. De verpleegster kijkt mijn ex verbaasd aan. Mijn ex kijkt verbaasd en opgelucht terug. Ze hadden S. de laatste dagen steeds depressiever zien worden. Steeds wanhopiger. En nu voelt hij zich vrolijk. Ik snap het wel; ik voel me ook vrolijk. Om niet te zeggen dolgelukkig. Mijn kind is doodziek en dat is vreselijk. Maar nu kan ik in elk geval bij hem zijn en hem met mijn liefde en kracht helpen om dit te doorstaan. Ik sluit mijn ogen, til de hand van S. op en geef er een zachte, tedere kus op.

maandag 8 februari 2016

Aangerand

De muziek pulseert door de zaal. Ik laat mijn lichaam meevoeren op de golven van de beat. Ik dans. Mijn blote voeten stappen en schuiven over de dansvloer alsof ze nooit anders gedaan hebben. Het zweet loopt langs mijn slapen, mijn nek, mijn decolleté in. Ik hijg maar ben niet moe. Dankzij een geheime bezwering word ik volautomatisch gedanst. Ik hoef me alleen maar over te geven aan de flow van de muziek. Beat na beat blijft mijn lijf bewegen. Pas na lange tijd komt het uiteindelijk tot bedaren; simpelweg omdat de muziek wegijlt. Ruim twee uur Ecstatic Dance is voorbij. Ruim twee uur dansen in een sfeer van intuïtief contact zonder woorden, maar met het lichaam. In een sfeer met soepelere sociale codes dan bij dansgelegenheden waar je je schoenen aan hebt. Hier had ik nog niet zo lang geleden mijn allereerste intense fysieke samensmelting met een man. Hier had ik voor het eerst en vol overgave een tongzoen met een man. Hier wordt ecstatic gedanst en dan is er veel mogelijk.

Tevreden plof ik neer op een van de lounge-banken aan de rand van de dansvloer. Om mij heen zitten andere hijgende, bezwete en tevreden lachende mensen. Ik zie twee, drie plekken verderop een vriendin van mij zitten. Ik richt me wat op en zoek oogcontact met haar. Zij is ook blij: haar ogen stralen. Ik lach naar haar en buig nog verder naar haar toe om haar uitgestrekte hand even aan te raken. Om mijn gewicht niet te verliezen, leg ik mijn andere hand op de knie van de man naast mij. Terwijl ik dat doe, voel ik dat dat hem vrolijk maakt. Ik kijk hem aan en hij lacht naar me. Ik lach terug en ik voel dat mijn ogen, mijn gezicht, mijn hele lijf zegt: “o, ik heb het hier toch zo naar mijn zin! Jij ook?”. Ik voel dat hij in gedachten mij vastpakt. Ik voel zijn metafysische handen mijn bovenarmen raken. Ik voel een siddering gaan door mijn hand die nog steeds op zijn knie ligt. Zijn mannelijke, krachtige energie stroomt door mij heen en het jonge pubermeisje in mij dat zo graag de wereld wil verkennen wil niets liever dan zich overgeven aan zijn kracht, zijn leiding, zijn bescherming. Ik haal diep adem. Ik hunker. Ik hunker en mijn lippen volgen de impuls. Ik beweeg ze richting de zijne. We zoenen. Ik ruik zijn zweet, ik voel zijn stoppelbaard en mijn hunkering is zo groot dat het me niet eens interesseert of hij bij mij nu wel of niet een vanochtend door mijn scheermes gemiste stoppel voelt. Ik voel onze tongen over elkaar heen glijden en ik grom. Lekker.

Ik voel me meegesleurd in de sterke stroming van de puberhunkering en vergeet even waar ik ben, wie ik ben en in welke omstandigheden ik verkeer. Ik voel me helemaal niet persé tot deze man aangetrokken, maar hij is mijn kanaal naar vervulling van mijn puberdromen. Puberdromen waarvan ik helemaal vergeten ben dat ik die niet kan realiseren zolang ik nog niet geopereerd ben. Ik hoor hem kreunen. Zijn armen omhelzen me en zijn handen dansen over mijn rug. Totdat ze ineens verdwijnen. Voor ik me kan afvragen waar ze gebleven zijn, voel ik zijn handen op mijn borsten. Zijn beide handen. Op elke borst één. Ik ben verbijsterd. Wat gebeurt er? Dit wil ik niet! In een zachte vloeiende beweging richt ik me op, ik stop met zoenen en schuif mijn handen tussen zijn armen uit elkaar. Hij laat mijn borsten los. “Ik ga zo”, lieg ik. “Ik wil wel met je mee”, zegt hij. “Dat gaat niet gebeuren hoor”, zeg ik en mijn stem klinkt plagerig. Ik sta op en loop naar de wc.

In het sanitaire safehouse kom ik bij zinnen. Ik vraag me af wat er nu eigenlijk gebeurd is. Ik voel verontwaardiging. Waarom pakte hij mijn borsten? Die zijn van mij! Ik wilde ‘gewoon zoenen’. En het begon me te dagen dat ‘gewoon zoenen’ misschien wel helemaal niet bestaat tussen een man en een vrouw. Vaag doemen herinneringen op aan die keren dat ik als man door een vrouw verleid werd. Er was nooit veel voor nodig om mij in de ‘ik wil neuken’-stand te krijgen. Ik durfde daar alleen nooit iets mee te doen, uit onzekerheid en respect. Maar deze man durfde het wel en hij deed het te direct, te egocentrisch, te respectloos. Nu dringt het tot me door dat ik het niet alleen onprettig vond, maar zelfs een brute agressieve daad. Langzaam realiseer ik me dat ik ben aangerand. En tot mijn schrik realiseer ik me dat ik ook een beetje aanleiding heb gegeven. Zonder dat ik het door had. Het voelde alsof ik me had weggegeven, verlaagd alsof ik een hoer was die zichzelf ondergeschikt maakte aan andermans plezier.

Mijn identiteit leeft op verschillende snelheden. Als pubermeisje hunker ik naar seksuele ervaringen met mannen. En pubermeisjes moeten hunkeren, dat is goed voor hun ontwikkeling tot zelfredzame seksuele wezens. Het is helemaal niet de bedoeling dat het pubermeisje resultaat boekt. Ze moet zwijmelend op haar bed kijken naar posters van One Direction en al fantaserend haar eigen seksualiteit ontdekken. Maar het pubermeisje in mij wordt links en rechts ingehaald door de seksueel volwassene die ik ook ben. De seksueel volwassene die al anderhalf jaar geen seks heeft gehad en die de onschuldige flirterige experimenten van het pubermeisje kennelijk de lading geeft van een open uitnodiging. Het pubermeisje in mij dacht dat mijn ogen het signaal “o, ik heb het hier toch zo naar mijn zin!” uitstraalden, maar de volwassene in mij zei feitelijk: “o, ik heb toch zo’n zin!”. Het onschuldige meisje in mij heeft een wijze les geleerd.

donderdag 4 februari 2016

We kennen elkaar

Het was een groot, glimmend kantoorpand. Glas en staal glom me tegemoet op deze heldere en zonnige winterdag. Terwijl ik van de parkeerplaats naar de ingang liep, dacht ik na over het gesprek dat ik in dit pand zou gaan hebben. Het bedrijf dat in dit gebouw was gevestigd wilde me inhuren om een bijdrage te leveren aan een interne bedrijfstraining die ze aan het ontwikkelen waren. Eenmaal door de draaideur meldde ik me bij de receptie. Ik had een afspraak met twee personen, maar ik noemde aan de receptioniste alleen de naam die ik uit mijn hoofd kende. Ik had die persoon – jaren geleden – een aantal keer gesproken ter voorbereiding van een serie workshops die ik destijds voor een andere organisatie begeleidde. Ik wist wie ze was, maar ik was benieuwd of dat wederzijds zou zijn.

De receptioniste belde haar en een minuutje later kwam ze aanlopen. Ze stak haar hand uit en stelde zich voor met een neutrale toon. Geen spoortje herkenning, geen spoortje herinnering. “Ik ben Lisa…”, antwoordde ik terwijl ik haar hand schudde. “Welkom”, zei ze en ze maakte een draaibeweging om me voor te gaan naar de lift. Een ongemakkelijk gevoel borrelde in me op: het voelde raar om met een schone lei te beginnen met een vrouw die ik kende. Ik zei: “We kennen elkaar hoor”. Haar pas vertraagde, ze draaide zich weer om en keek me onderzoekend aan. “O ja? Sorry. Waarvan dan?”. Ik noemde het project van destijds en haar rol als klankbord. Ze bleef me peinzend aankijken. Ze herinnerde zich het project. Maar wie was ik dan? “Ik was de workshopbegeleider”, zei ik, “ik was toen nog een man”. Haar adem stokte, haar ogen werden groot en haar mond viel iets open. Dit zag ze duidelijk niet aankomen. “O, wauw. Maar je naam is anders”, stamelde ze in een poging haar gezicht te redden dat ze wat mij betrof helemaal niet had verloren. Grappig wat een domme dingen mensen zeggen als ze zich geen raad met een situatie weten. Mijn naam veranderd, ja wat dacht je dan?

Terwijl we de lift in stapten zei ze dat ze zich kon voorstellen dat het een ingewikkeld proces was waar ik door was gegaan. Dat bevestigde ik, maar verder wilde ik er niet teveel over kwijt. Ik kwam hier als vrouw. Niet als transvrouw. Natuurlijk voel ik me altijd eventjes heel speciaal als mijn transitie ter sprake komt, en dat is fijn. Maar dat fijne gevoel verdwijnt steeds snel. Het liefst wil ik gewoon zijn. Een heel gewone vrouw van vlees en bloed die een afspraak heeft in een kantoor van glas en staal. Toen we weer de lift uit stapten, realiseerde ik me dat ik het zelf ter sprake had gebracht, zoals ik meestal doe als ik me ongemakkelijk voel omdat ik twijfel of mensen het nu wel of niet doorhebben. Misschien moest ik daar maar eens mee gaan stoppen.

dinsdag 2 februari 2016

Afgewezen en opgevangen

Mijn Airbnb-gasten hebben de afgelopen twee jaar mijn door mijn transitie gekelderde inkomsten op een enigszins leefbaar niveau gehouden, dus ontvang ik ze altijd met alle gastvrijheid die ik heb. Ik verwelkom ze hartelijk, heb bonbons voor ze klaargezet en ik leid ze rond in mijn huis: “hier is jullie slaapkamer, het toilet, de badkamer. Hier zijn jullie handdoeken…”, et cetera. Wanneer we aan het eind van de rit in de keuken uitkomen krijg ik steevast complimentjes over mijn gezellige en ruime huis. “Woon je hier alleen?”, vraagt men dan vaak enigszins onder de indruk. “Mijn zoon woont parttime hier bij me en ik verhuur een kamer via Airbnb als hij bij mijn ex is”, is dan mijn antwoord. Tot gisteren althans. De gasten kwamen, de rondleiding deed ik en de voorspelbare vraag over mijn gezinssamenstelling kwam ook. Maar ik hoorde mezelf ineens zeggen: “Ja, ik woon hier alleen”. Geen verwijzing meer naar S. Ik schrok ervan. Alsof hij niet meer bestond. Kennelijk was ik de hoop kwijtgeraakt hem ooit nog te zullen zien. Meteen schoten mijn gedachten terug naar vorige week.

Totaal onverwacht belde mijn ex dat S. weer was opgenomen in het ziekenhuis. Ik was geschokt dat het weer zo slecht met hem ging, maar bleef kalm. Ik wist dat ik niks kon doen. Nou ja, ik mócht niks doen. Ik mocht me van mijn ex niet bemoeien met de zorg voor S., want zij wist wel hoe het moest en haar ideeën waren het beste. Ik mocht me van S. niet aan hem vertonen om hem te troosten en hem bij te staan. Twee sterke, emotioneel geladen wegduwende bewegingen. Ik kon gewoon niet dichterbij komen. Elke poging die ik het afgelopen jaar had genomen om toenadering te krijgen, werd afgewezen. Ik moest vooral uit de buurt blijven. Ik walste volgens mijn ex altijd over haar heen en ik had volgens S. hem ziek gemaakt. Althans, zo beleefden zij het. De hulpverleners in hun omgeving (GGZ psycholoog, de onderwijsbegeleider en de arts en de medisch psycholoog van het ziekenhuis) dachten anders over beide beschuldigingen, maar frustreerden zich inmiddels net als ik over hoe moeilijk het is om tot mijn ex door te dringen. Inmiddels had mijn ex met haar te beschermende en eigenwijze benadering S. zieker gemaakt dan hij was, geïsoleerd van zijn eigen leven en de ruimte gegeven om te vluchten in doodlopend vermijdingsgedrag in plaats van zijn problemen aan te gaan. En ik kon niks anders dan daarin te berusten.

Mijn aanvankelijke passiviteit bleef niet lang. Ik wilde iets doen. Ik wilde S. zien. Het ging net als begin vorig jaar erg slecht met hem en in de tussenliggende tijd is hij niet gerevalideerd geweest. Hij is heen en weer geschommeld tussen ziek en erg ziek. De ongerustheid die ik voelde over S. was zo hoog dat ik mijn ex vroeg of ik mocht langskomen in het ziekenhuis. Omdat ze deze keer zijn ziekenhuisopname niet voor me had verzwegen hoopte ik te kunnen profiteren van deze vlaag van mildheid. Maar nee. Ik was niet welkom, meldde ze me nadat ze met S. had overlegd. Prompt kreeg ik een heel geïrriteerd berichtje via Whatsapp van S. zelf. Ik was niet welkom en waarom vroeg ik dat nou? Ik had hem ziek gemaakt en moest wegblijven!

Ik zag het berichtje vlak voor ik aan een van de laatste repetities van mijn huidige theaterproject zou beginnen. Ik brak. Huilend kwam ik de repetitieruimte binnen. Mijn totaal overdonderde theatervrienden troostten me. Ze waren geschokt over het nieuws van de opname en het drong tot sommigen nu pas door dat ik S. al een jaar niet had gezien. Ze stelden me allerlei vragen en ik probeerde ze zo kort mogelijk te beantwoorden. Ik wilde niet teveel alle dramatische feiten opsommen, ik had het er zo al moeilijk genoeg mee. Ik wilde gewoon even vastgehouden worden. En dat gebeurde. De knuffel met de regisseur duurde wel een minuut. En een van de spelers die tot nu toe fysiek gezien wat afstandelijk was geweest, pakte me nu ook vast en zei: “ik heb zo veel bewondering voor je. Je maakt zelf zo’n moeilijk proces door en dan krijg je ook dit nog voor je kiezen. Knap hoe je overeind blijft staan zonder je zoon te veroordelen voor wat hij doet”. Dat deed me goed. Ik krijg inderdaad veel voor mijn kiezen. En het kost me moeite om niet weg te zakken in boosheid en verwijt. Het gaat niet vanzelf, maar ik doe het omdat ik weet dat die boosheid geladen is met allerlei frustraties die ik eerder heb opgebouwd: niet in het afgelopen jaar, maar in de tien jaar daarvoor waarin ik parttime vader voor S. was en ook in de relatie met zijn moeder die er aan vooraf ging. Al die frustraties horen niet thuis in het nu. Nu is het heel simpel: ik voel verdriet omdat ik niet bij S. kan zijn. En dat wil ik wel. Omdat ik van hem hou.

maandag 1 februari 2016

Kersenpit

Het was alsof ik een nieuwe schoolfoto van S. had gekregen en ik hem, voordat ik ‘m in de lijst op mijn dressoir stopte, vergeleek met de foto van het voorgaande schooljaar en verbijsterd was over hoe relatief geruisloos er zich zo’n grote ontwikkeling had voorgedaan. Wat een veranderingen in slechts één jaar! Zo’n ervaring had ik gisteren toen ik, na een maandenlange voorbereiding met mijn theatervrienden, op het podium van de Stadsschouwburg in Amsterdam stond. Ik speelde Oerip, een Indische vrouw uit het verhaal De stille kracht van Louis Couperus. Vorig jaar had ik me als kersverse vrouw in een permanente staat van paniek door onze voorstellingen heen geploeterd en er geen seconde van genoten. Toen waren mijn gedachten niet bij de tekst die ik moest uitspreken, maar bij hoe ik er uit zag met mijn mannenhoofd en hoe ik klonk met mijn mannenstem. Ik wilde het liefst onzichtbaar en onhoorbaar zijn. Het verschil met dit jaar kon haast niet groter zijn.

Onze regisseur had bedacht dat ik deze keer bij binnenkomst van het publiek in mijn eentje midden voor op het podium zou staan wachten. In een serene pose, oordeelsvrij, dienstbaar en krachtig tegelijk, passend bij mijn rol. Ondanks de zenuwen die ik daarvoor voelde, wist ik dat ik dat aan zou kunnen. Diep in mij voelde ik een kleine krachtige bron die ik nooit eerder had gevoeld; niet op het podium en niet daarbuiten. En bron ter grootte van een kersenpit, een zaadje, of misschien zelfs maar één atoom. Een heel klein stukje zelf waardoor ik even veilig was.

Toen de toneelmeester ‘zaal open’ riep, schrok ik toch. Het ging gebeuren. Ik kon niet meer terug. Links en rechts in de zaal zwaaiden deuren open en mensen begonnen binnen te lopen op zoek naar hun plekje. Ik zag hen en zij zagen mij. Mijn ademhaling werd hoog en oppervlakkig en ik voelde spieren in mijn lijf aanspannen. Terwijl ik de zaal in keek, keken tien, twintig, vijftig, honderd mensen mij verwachtingsvol aan. Vrienden, bekenden, totale vreemden. Ze werden steeds talrijker. En ik stond daar. Roerloos. Ik concentreerde me op mijn kersenpit, mijn zaadje, mijn atoom. En ik voelde mijn buik ontspannen, mijn ademhaling zakken en mijn spieren losser worden. Met een zachte, compassievolle blik keek ik de zaal rond. ‘Dag vrienden, wat fijn dat jullie gekomen zijn’, zei ik in gedachten om mezelf te kalmeren, terwijl ik keek naar volslagen vreemden die de zaal binnenliepen en hun stoel zochten. Totdat uiteindelijk 450 stoelen gevuld waren. Hier stond Oerip, een Indische vrouw die op het eerste gezicht tussen twee culturen in stond, maar die uiteindelijk boven de partijen uitstak. En iedereen keek naar haar. Hier stond Lisa, de transvrouw die op het eerste gezicht alle reden had om doodsbang te zijn op dit podium, maar die – dankzij haar kersenpit – uiteindelijk boven haar angsten uitstak. En iedereen keek naar haar.


Toen na een kwartier iedereen zat en het zaallicht uitging, kon ik de voorstelling beginnen. Ik bewoog (eindelijk) en liep kalm naar de klaarstaande piano en speelde enkele serene klanken. Daarna liep ik naar voren en sprak mijn eerste monoloog uit. De eerste woorden van het stuk. Mijn eerste woorden in dit grote theater. Mijn eerste theaterwoorden met mijn vrouwenstem, die ik met begeleiding en veel oefenen op mijn mannelijke strottenhoofd had veroverd. Ik hoorde dat het minder ontspannen en minder vrouwelijk klonk dan ik onder andere omstandigheden had gekund. Maar ik hoorde ook dat het goed was. Hier stond ik en ik speelde. Deze transvrouw speelde tijdens haar transitie op een van de belangrijkste toneelpodia van ons land en ze speelde goed. Mijn theatervrienden speelden allemaal goed. Het was alsof niet alleen ik vleugels had gekregen van mijn kersenpitje, maar wij allemaal. Ik voelde me trots: bij het applaus, bij de staande ovatie en bij de bloemen die we kregen. Dit applaus gold in de eerste plaats voor onze theaterprestatie, maar voor mij gold het ook een klein beetje voor mijn lef en doorzettingsvermogen.

Na afloop hoorde ik in het theatercafé dat iedereen, in de zaal en op het podium, onder de indruk was geweest van de rust en kalmte die ik uitstraalde. Mijn logopediste was komen kijken en was supertrots op hoe ik het had gedaan. Mijn stem? “Met vlag en wimpel geslaagd, mevrouw! Gefeliciteerd!”, zei ze. Wildvreemden kwamen me vertellen dat ze net van iemand hadden gehoord dat ik niet als vrouw geboren was en dat ze het niet door hadden gehad. En hoe veel respect ze voor me hadden. Anderen vertelden me dat ze het meteen hadden gezien en gehoord. En hoe veel respect ze voor me hadden. Het zal allemaal wel. Ik stond er: een transvrouw, zichtbaarder en hoorbaarder dan veel stabiele niet-transgenders aan zouden durven. Maar ik wel. Ik stond er: flink gegroeid ten opzichte van vorig jaar. Ik stond er met mijn kersenpit.