maandag 1 februari 2016

Kersenpit

Het was alsof ik een nieuwe schoolfoto van S. had gekregen en ik hem, voordat ik ‘m in de lijst op mijn dressoir stopte, vergeleek met de foto van het voorgaande schooljaar en verbijsterd was over hoe relatief geruisloos er zich zo’n grote ontwikkeling had voorgedaan. Wat een veranderingen in slechts één jaar! Zo’n ervaring had ik gisteren toen ik, na een maandenlange voorbereiding met mijn theatervrienden, op het podium van de Stadsschouwburg in Amsterdam stond. Ik speelde Oerip, een Indische vrouw uit het verhaal De stille kracht van Louis Couperus. Vorig jaar had ik me als kersverse vrouw in een permanente staat van paniek door onze voorstellingen heen geploeterd en er geen seconde van genoten. Toen waren mijn gedachten niet bij de tekst die ik moest uitspreken, maar bij hoe ik er uit zag met mijn mannenhoofd en hoe ik klonk met mijn mannenstem. Ik wilde het liefst onzichtbaar en onhoorbaar zijn. Het verschil met dit jaar kon haast niet groter zijn.

Onze regisseur had bedacht dat ik deze keer bij binnenkomst van het publiek in mijn eentje midden voor op het podium zou staan wachten. In een serene pose, oordeelsvrij, dienstbaar en krachtig tegelijk, passend bij mijn rol. Ondanks de zenuwen die ik daarvoor voelde, wist ik dat ik dat aan zou kunnen. Diep in mij voelde ik een kleine krachtige bron die ik nooit eerder had gevoeld; niet op het podium en niet daarbuiten. En bron ter grootte van een kersenpit, een zaadje, of misschien zelfs maar één atoom. Een heel klein stukje zelf waardoor ik even veilig was.

Toen de toneelmeester ‘zaal open’ riep, schrok ik toch. Het ging gebeuren. Ik kon niet meer terug. Links en rechts in de zaal zwaaiden deuren open en mensen begonnen binnen te lopen op zoek naar hun plekje. Ik zag hen en zij zagen mij. Mijn ademhaling werd hoog en oppervlakkig en ik voelde spieren in mijn lijf aanspannen. Terwijl ik de zaal in keek, keken tien, twintig, vijftig, honderd mensen mij verwachtingsvol aan. Vrienden, bekenden, totale vreemden. Ze werden steeds talrijker. En ik stond daar. Roerloos. Ik concentreerde me op mijn kersenpit, mijn zaadje, mijn atoom. En ik voelde mijn buik ontspannen, mijn ademhaling zakken en mijn spieren losser worden. Met een zachte, compassievolle blik keek ik de zaal rond. ‘Dag vrienden, wat fijn dat jullie gekomen zijn’, zei ik in gedachten om mezelf te kalmeren, terwijl ik keek naar volslagen vreemden die de zaal binnenliepen en hun stoel zochten. Totdat uiteindelijk 450 stoelen gevuld waren. Hier stond Oerip, een Indische vrouw die op het eerste gezicht tussen twee culturen in stond, maar die uiteindelijk boven de partijen uitstak. En iedereen keek naar haar. Hier stond Lisa, de transvrouw die op het eerste gezicht alle reden had om doodsbang te zijn op dit podium, maar die – dankzij haar kersenpit – uiteindelijk boven haar angsten uitstak. En iedereen keek naar haar.


Toen na een kwartier iedereen zat en het zaallicht uitging, kon ik de voorstelling beginnen. Ik bewoog (eindelijk) en liep kalm naar de klaarstaande piano en speelde enkele serene klanken. Daarna liep ik naar voren en sprak mijn eerste monoloog uit. De eerste woorden van het stuk. Mijn eerste woorden in dit grote theater. Mijn eerste theaterwoorden met mijn vrouwenstem, die ik met begeleiding en veel oefenen op mijn mannelijke strottenhoofd had veroverd. Ik hoorde dat het minder ontspannen en minder vrouwelijk klonk dan ik onder andere omstandigheden had gekund. Maar ik hoorde ook dat het goed was. Hier stond ik en ik speelde. Deze transvrouw speelde tijdens haar transitie op een van de belangrijkste toneelpodia van ons land en ze speelde goed. Mijn theatervrienden speelden allemaal goed. Het was alsof niet alleen ik vleugels had gekregen van mijn kersenpitje, maar wij allemaal. Ik voelde me trots: bij het applaus, bij de staande ovatie en bij de bloemen die we kregen. Dit applaus gold in de eerste plaats voor onze theaterprestatie, maar voor mij gold het ook een klein beetje voor mijn lef en doorzettingsvermogen.

Na afloop hoorde ik in het theatercafé dat iedereen, in de zaal en op het podium, onder de indruk was geweest van de rust en kalmte die ik uitstraalde. Mijn logopediste was komen kijken en was supertrots op hoe ik het had gedaan. Mijn stem? “Met vlag en wimpel geslaagd, mevrouw! Gefeliciteerd!”, zei ze. Wildvreemden kwamen me vertellen dat ze net van iemand hadden gehoord dat ik niet als vrouw geboren was en dat ze het niet door hadden gehad. En hoe veel respect ze voor me hadden. Anderen vertelden me dat ze het meteen hadden gezien en gehoord. En hoe veel respect ze voor me hadden. Het zal allemaal wel. Ik stond er: een transvrouw, zichtbaarder en hoorbaarder dan veel stabiele niet-transgenders aan zouden durven. Maar ik wel. Ik stond er: flink gegroeid ten opzichte van vorig jaar. Ik stond er met mijn kersenpit.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten