donderdag 11 februari 2016

Vrolijk

In één vloeiende vastberaden beweging loop ik het halletje van zijn kamer binnen, trek mijn jas uit en hang die op de kapstok. Ik wil mijn bewegingsruimte maximaliseren, want nu gaat het gebeuren. Ik loop door de tweede deur en zie hem liggen. Ik weet dat hij het is. Toch word ik voor één seconde meegesleurd in koortsachtige associaties op specifieke details in een poging het geheel te doorgronden. Ik zie iets van de zoon van mijn oudste zus. Iets van mijn ex. Iets van de man die ik ooit was. Ik zie iets vertrouwds, maar tegelijk klopt er iets niet. Ik zie een doodzieke jongen, moe en vermagerd. Ik zie verbazing, aarzeling en herkenning in zijn ogen. Ik ken die ogen. Ik kijk er in en zie mijn zoon. Ik zie S. Ik loop naar hem toe en pak zijn dunne hand. Ik schrik van de vermagerde krachteloze pols. “Lieve schat”, zeg ik en ik slik een brok weg. “Wat ben je veranderd”, antwoordt hij. “Ja. Jij ook”. Ik buig en kus hem op zijn voorhoofd. Ik voel zijn huid, ik ruik een bekende geur, maar dan intenser dan ik gewend was. Het is de geur waarmee hij altijd bij mij aankwam aan het begin van onze gezamenlijke weekenden. Telkens als hij zondagavond weer naar huis ging, rook hij meer naar mij, alsof zijn stofwisseling zich had gesynchroniseerd met de mijne. Maar na een ruim jaar zonder synchronisatie ruik ik mezelf niet meer in zijn huid. Ik voel tranen opkomen. Ik realiseer me hoezeer ik hem heb gemist en nu, op het moment dat we elkaar weerzien, wil alle verdriet die ik het afgelopen jaar niet heb durven voelen er in één keer uit. Ik slik de brok in mijn keel weg.

“Je stem is anders”, zegt hij. Ik weet niet wat ik moet zeggen. Ik laat zijn woorden en vooral zijn toon bezinken. Wat bedoelt hij? Ik hoor geen afwijzing. Geen verbazing. Het lijkt slechts een constatering. Ik antwoord simpelweg: “Ja”. Dit is niet het moment van woorden. Er is zo veel te voelen. We kijken elkaar aan. Ik kus hem nog een keer. “Ik heb je gemist”, zeg ik. “Ik jou ook”. “Ik ben niet boos op je schat. Je deed wat je dacht dat nodig was. Het was heel verdrietig, maar ik ben niet boos op je. Ik hou van je”. Mijn stem trilt met toenemende wiebeligheid. Mijn ogen worden glanzig. “Ik hou ook van jou”, fluistert hij en er loopt een traan via zijn oor naar het ziekenhuiskussen waar zijn hoofd op ligt. De tweede traan die volgt, kus ik en we omhelzen elkaar. Ik begin te huilen en smoor mijn tranen in zijn kussen. Samen huilen we. Tranen van gemis, van opluchting, van liefde. We zijn samen. Na meer dan een jaar zijn we weer samen. De koude tocht die een jaar lang door mijn hart gierde is verdwenen.

Langzaam komen we los uit onze omhelzing en ik vraag hoe hij zich voelt. Ik weet dat hij doodziek is. Hij is niet voor niks van een provincieziekenhuis overgebracht naar dit academische kinderziekenhuis. Het is hem aan te zien. Hij vertelt over pijn en heel veel ongemakken die bij zijn ziekte horen. Mijn ex vertelt me over bloedwaarden, ontstekingsremmers, pijnstillers. Zware pijnstillers. Ik voel een grote verontwaardiging over wat mijn kind allemaal moet doorstaan. Verdomme, waarom krijgt hij dit voor zijn kiezen? Het lot heeft hem wat mij betreft al genoeg belast met vroeg gescheiden ouders en een vader die vrouw is geworden. Maar deze opstandige gevoelens worden, zodra ze de kop opsteken, steeds weggevaagd door de liefde die ik voel en mijn blijdschap dat ik die liefde weer rechtstreeks in zijn hart kan laten stromen. Ik kus hem en streel hem voor de zoveelste keer door het haar.

Ik was onaangekondigd naar het ziekenhuis gekomen. Ik was het zat om lijdzaam op mijn handen te blijven zitten omdat S. me niet wilde zien. Het duurde te lang. Toen hij ruim een jaar geleden tegen me zei dat hij me niet wilde zien, hoopte ik nog dat het maar even zou duren. Hij was gestart op de middelbare school, ik was fulltime als vrouw gaan leven: de diagnose van zijn chronische ziekte was gewoon net even te veel om te dragen. Dus moest ik weg, want iemand had hem ingefluisterd dat hij ziek was geworden door de stress van mijn transitie. En natuurlijk had hij stress ervaren door mijn proces. En natuurlijk werkt stress altijd nadelig bij elke chronische ziekte. Maar de maatregel om het contact helemaal te verbreken, leek me erger dan de kwaal. Want hij miste mij. Hij had mij nodig. En ik was nodig om nuance en balans aan te brengen in de rigide ideeën die mijn ex had over S. zijn behoeften. Een jaar lang riep ik tegen iedereen die het wilde horen dat hij nooit kon herstellen zonder mij. Zijn weggestopte verdriet om mij en het onderdrukte gemis lag als een onverteerbare brok ellende in zijn emotionele systeem. Emoties kun je niet verwerken als je ze negeert. S. moest mijn transitie meemaken, anders zouden zijn opgekropte emoties gaan rotten.

Naast mij hoor ik een verpleegster binnenkomen. Het is de verpleegster bij wie ik me een paar minuten geleden meldde met het verzoek of zij aan S. wilde vragen of ik even binnen mocht komen. Omdat ik niet zijn kamer wilde binnenstormen omdat ik zijn wens mij niet te zien wilde respecteren, had ik de verpleegster gevraagd mijn aanwezigheid te melden. Waarop mijn ex de gang op kwam lopen, met tranen in haar ogen. S. had deze ochtend naar mij gevraagd, omdat hij bang was dat hij dit niet zou overleven. Mijn ex huilde toen ze het vertelde. Ik was geschokt door S. zijn somberheid, vol twijfels over zijn werkelijke medische situatie omdat ik de informatievoorziening via mijn ex niet vertrouwde en daarbovenop voelde ik compassie voor mijn ex. Ik legde mijn hand op haar bovenarm om te zeggen: we staan hier samen voor, laat me toe en ik ben er voor hem, voor jou.

En nu sta ik hier, de hand van S. in de mijne. Onze liefde stroomt. “Hoe voel je je?”, vraagt de verpleegster. “Ik voel me vrolijk”, antwoord S. De verpleegster kijkt mijn ex verbaasd aan. Mijn ex kijkt verbaasd en opgelucht terug. Ze hadden S. de laatste dagen steeds depressiever zien worden. Steeds wanhopiger. En nu voelt hij zich vrolijk. Ik snap het wel; ik voel me ook vrolijk. Om niet te zeggen dolgelukkig. Mijn kind is doodziek en dat is vreselijk. Maar nu kan ik in elk geval bij hem zijn en hem met mijn liefde en kracht helpen om dit te doorstaan. Ik sluit mijn ogen, til de hand van S. op en geef er een zachte, tedere kus op.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten