dinsdag 29 maart 2016

Tieneridool

Vroeger, tijdens mijn jeugd, had je van die soort kauwgompjes waar je posters mee op de muur kon plakken. Bestaan die eigenlijk nog? Van die roze, zacht rubberen plakkers waarmee je zowel de poster als de muur niet zou beschadigen. Dat laatste verkoopargument was natuurlijk om ouders gerust te stellen dat het behang van de tienerkamertjes niet naar zijn gallemiezen zou gaan. Het eerste verkoopargument sprak vooral de tieners in kwestie aan. Zo zou hun idool voor altijd maagdelijk glanzend afgebeeld blijven, ook als ze deze poster gedurende hun hele leven minimaal vijf keer zouden verhuizen. Want dat ze ooit afscheid zouden nemen van hun idolen was natuurlijk ondenkbaar in de hoofden van de pubers. Maar het bleek een fase. Wie heeft er na zijn vijfentwintigste nog posters hangen van zijn of haar idool van tien jaar daarvoor? Ik niet in elk geval.

Maar wellicht ben ik niet het juiste voorbeeld, want ik had ook tijdens mijn pubertijd geen idolen aan de muur hangen. Ik wist simpelweg niet wie dat moesten zijn. Puberidolen komen in twee soorten, en met beide soorten kon ik niet uit de voeten. De eerste soort is de idool die je het liefst zelf wilde zijn. Je voorbeeld, je rolmodel. De persoon met wie je je kan identificeren om even weg te dromen van de dagelijkse realiteit. De tweede soort is de idool mét wie je het liefst wilde zijn. De persoon waarmee je romantische momenten wilde beleven en later heel oud mee wilde worden. En heel veel kinderen mee wilde maken, zo je wilt. Zo’n persoon die je helpt om even weg te dromen van de dagelijkse realiteit.

Ik ontbeerde beide soorten idolen, als puber. Het was voor mij onmogelijk mezelf te identificeren met wie dan ook. Ik denk dat dat kwam omdat een startpunt ontbrak, een ‘ik’ om vanuit te redeneren. Er was geen enkel mannelijk rolmodel waar ik me mee kon vereenzelvigen. Natuurlijk waren er wel mannen met eigenschappen die ik wel wilde hebben. Eigenschappen die me sterk en onkwetsbaar maakten, zodat ik in de ogen van mijn omgeving ‘echt mannelijk’ was. Maar ook omdat ik dan niets van mezelf hoefde prijs te geven als ik dat niet wilde. En dat wilde ik niet. Ik wilde mezelf niet eens kennen. Te eng. Er was ook geen vrouwelijk idool waarover ik kon dromen hoe we samen later oud zouden worden. Niemand om mijn ontluikende hormonen mee op te porren, laat staan in een intense daad van zelfbevlekking tot bedaren te brengen. Ik had geen idolen.

En nu, dertig jaar later, heb ik nog steeds geen posters van idolen aan mijn muur. Dat hoeft ook niet. Tegenwoordig zijn er andere manieren om dat te doen. Tegenwoordig heb je een lock-screen op je telefoon. Misschien is die wel wat te vergelijken met de versierde, gepersonaliseerde, schoolagenda van vroeger. Die had je meerdere keren per dag in je handen en je werd meerdere keren per dag geconfronteerd met de beeltenissen van alle idolen die je daar op had geplakt. Heel lang hebben op mijn lock-screen wisselende foto’s van S. gezeten. En later van M. En daarna van mezelf, omdat ik met mijn sterk veranderende genderexpressie natuurlijk wel alle veranderingen moest kunnen bijbenen en dan helpt het om vaak in de spiegel te kijken. Of naar een foto van jezelf.

Passend bij de pubertijd waar ik nu in zit in mijn ontwikkeling als vrouw, heb ik sinds een tijdje een idool op mijn lock-screen. Mijn liefje, zoals ik hem me voorstel. Iemand met wie ik me romantisch en erotisch contact zou wensen. Niet dat ik dat daadwerkelijk nastreef; dat is niet de bedoeling met idolen. De onbereikbaarheid ervan geeft juist de vrijheid om te fantaseren. Maar als ik naar zijn foto kijk, en me de films herinner waarin ik hem heb zien spelen, dan word ik blij. Dit is mijn vriendje. In mijn dromen lachen we samen, eten we samen, slapen we samen. In mijn dromen raak ik hem aan en zegt hij schatje tegen me. Ewan McGregor, ik hou van jou.

zondag 27 maart 2016

Pillenroos

Het is weer tijd voor mijn zondag-ritueel. Dat ritueel is geen kerkgang, geen theevisite bij oma, geen wandeling met de hond in het bos. Op zondag vul ik mijn pillendoosje. Mijn pillendoosje is zevenhoekige donut, opgebouwd uit zeven vakjes, met op elk vakje een klepje waar de dag van de week op gedrukt staat. De hoeveelheid pillen die ik elke dag inneem is dusdanig intimiderend, dat ik niet al die apothekersverpakkingen op mijn aanrecht wil hebben slingeren. Daarom doe ik elke zondag, netjes afgepast, alle pillen voor de komende week in mijn pillendoosje in waarna ik de grote apothekersverpakkingen weer in een donkere kast opberg, ver uit het zicht.

Ik klik alle klepjes van mijn pillendoosje open en begin. Eerst de Spironolacton – drie tabletten per dag – om mijn testosteron te blokkeren. Eenentwintig krakjes later ga ik verder met Progynova (estradiol), vier tabletten per dag. Maar de echte uitdaging voor mijn duimnagel vormen de grote capsules progesteron. Na veertien keer een ferme krak is het rondje weer gemaakt. Vervolgens krijgt elke dag nog een pilletje Finasteride, om de laatste restjes dihydrotestosteron die wellicht nog in mijn bloed rondzwerven onschadelijk te maken, zodat mijn duurbetaalde haartransplantaties niet alsnog uitvallen. Om het af te maken verdeel ik ook nog tabletjes vitamine D, tabletjes vitamine B12 en echinacea om het door de voorgaande chemicaliën getergde lijf wat extra ondersteuning te geven.

Ik berg alle pillen op en kijk naar het resultaat in mijn pillendoosje. Alle zeven klepjes staan open. Dat is een geinig gezicht en mijn oog wordt naar binnen gelokt als een bij door bloemblaadjes. Mijn pillendoos als pillenroos. Het is een kleurrijk geheel. Een paar groene tabletjes zouden het helemaal afmaken, maar het is nu al heel wat. Geroutineerd klik ik de klepjes dicht en ik schuif het rammelende doosje van me af.

Jaren geleden, toen ik nog sterk twijfelde wat ik nu aan moest met die vrouw in mij, pleitte een van mijn innerlijke tegenstemmen sterk tegen het toedienen van chemische rommel in mijn lichaam. Die tegenstem is verstomd, zo lijkt het als je naar de inhoud van mijn pillendoos kijkt. Maar dat is niet waar. De tegenstem is er nog en kijkt uit naar het moment van De Grote Operatie. Want dan zullen mijn testikels eindelijk verwijderd worden en wordt een deel van mijn pillen overbodig. Dat zal verlichting geven. Niet alleen aan die innerlijke stem, maar ook aan mijn lijf dat het zwaar heeft met al die pillen. Slaperigheid, lichte duizeligheid en slapte zijn bij mij gaan horen, net als een droge huid, spierkrampen en hartkloppingen. Ik accepteer die bijwerkingen van Spironolacton en Finasteride omdat ik nu eindelijk de vrouw kan zijn die ik ben. Maar wat zou het fijn zijn als ik die pillen niet meer hoef te nemen. Na bijna twee jaar testosteronblokkering ben ik er klaar mee. Kom maar op met die operatie!

donderdag 24 maart 2016

Stereotypering

De gure wind trotserend fiets ik door een mooi historisch stukje van Amsterdam-Noord, op weg naar mijn allereerste figuratie-klus als vrouw. In mijn mannenleven speelde ik af en toe piepkleine rolletjes of ik figureerde in commercials en een enkele bioscoopfilm. Voor wie het niet weet: een figurant is levend decor; een bewegend non-descript mens om het beeld van een film te verlevendigen. Soms herkenbaar in beeld, soms onderdeel van een vage meute op de achtergrond. Ik deed het af en toe om de castingbureaus waar ik toen ingeschreven stond, tevreden te houden in de hoop on top of mind te blijven en af en toe uitgenodigd te worden voor grotere rolletjes. Dat gebeurde ook. Af en toe. Heel af en toe. Een paar jaar geleden besloot ik me uit te schrijven omdat acteerwerk voor een man-onderweg-naar-vrouw niet voor het oprapen ligt. Om nog maar te zwijgen van de alles verterende onzekerheid die me belette me überhaupt te durven presenteren, in welke geslachtsrol dan ook. Kort geleden reageerde ik op een oproep in een besloten Facebookgroep voor transgenders. Men zocht een transgender voor figuratie in een promotiefilm van een ideële stichting. Ik reageerde niet omdat ik het figureren of acteren voor camera weer actief wil oppakken. Nee, ik houd het liever bij theater, daar ligt mijn acteer-hart. Ik reageerde op de oproep omdat ik wilde bijdragen aan het op een positieve manier bij een breed publiek onder de aandacht brengen van transgenders. Ik zie dat als mijn missie op dit moment, mede ingegeven door de positieve reacties op dit blog. Dat schreef ik ook aan het castingbureau die de selectie van de figuranten deed. Ze waren blij met mijn aanmelding en verzekerden me dat ik op een neutrale of positieve manier in beeld gebracht zou worden. Gerustgesteld en vol verwachting fiets ik door een lichte miezer naar de set.

Daar aangekomen meld ik me bij de styliste die kleding voor me had geselecteerd. Haar hand graait in een volgeladen kledingrek en komt terug met een kledinghanger met een goedkoop uitziende lange witte jas, bedrukt met een panterprintje. Ordinair. Beelden van drag queens met behaarde benen, wiebelend op veel te hoge hakken doemen op. Dit gaat niet goed. Vervolgens pakt de styliste een ongelooflijk tuttig Tootsie-achtig bloesje met een gesloten hals met een strik. Want transvrouwen moeten toch hun adamsappel verbergen, zo is duidelijk de aanname geweest. Ik kijk naar de kleding en zie waar ik bang voor was. Stereotypering van transvrouwen als onelegante overdreven lompe mannen in veel te grote oude-vrouwenkleding. Elk moment kan de Dame Edna bril tevoorschijn komen. Ik spreek mijn bezwaar uit en refereer aan de toezegging van het castingbureau. De styliste kijkt me welwillend aan, maar weet niet goed wat ze er mee moet. Ze roept er een collega bij die het alleen maar erger maakt doordat ze de begrippen ‘transgender’ en ‘travestiet’ steeds nonchalant door elkaar mengt. Ik leg geduldig uit wat het verschil is en hoe stereotypering in de media er toe bijdraagt dat sociale acceptatie voor veel transgenders nog steeds een groot probleem is. Dat overtuigt, zo lijkt het. Er wordt geschoven en gezocht en er komt andere kleding tevoorschijn. Neutralere kleding, waar ik wel mee kan leven. Nog steeds een beetje tuttig, maar wel normale kleding. Alleen voor de jas is geen alternatief en mijn eigen jas is te zwart (dat verliest alle nuance, alle textuur, alle diepte op beeld. Daarom zijn zwarte pieten op tv ook altijd bruin). Ik kijk naar de panterjas en aarzel. Ik ben erg bang dat het toch te sterk stereotyperend is en ik voel een drang in me om vriendelijk te bedanken en te vertrekken. “Misschien moet je het totaal zien, met haarstyling en make-up”, zegt de styliste. O, ja. Make-up. Daar kan ook nog van alles misgaan. “We willen dat heel normaal, heel vrouwelijk doen”. Ik aarzel. Zal ik ze die kans geven? “Het komt goed”, verzekert de styliste me. Ik kijk haar in haar ogen en zie dat ze haar best voor me doet.

Er wordt geföhnd, gerold, haarlak gespoten. Vol verbijstering zie ik in de spiegel hoeveel volume er nog uit mijn uitgedunde haar te halen is. Grappig. Ik kijk en leer van de handelingen van de vriendelijke kapster. Even later komt de make-up. Naar mijn persoonlijke smaak wat zwaar aangezet, maar geen overdreven drag. Voor een mooi rond gezicht van een biologische vrouw zou dit prachtig zijn. Voor mijn door de mannenhistorie toch wat hoekige gezicht is het toch wat teveel. Less is more, zo had ik geleerd. Hoe minder make-up, hoe vrouwelijker ik word. Normaal draag ik alleen maar een potloodlijntje en mascara op mijn wimpers.

Ik trek de panterjas aan en bekijk het eindresultaat. Het drag queen schrikbeeld is niet uitgekomen, maar een mooie elegante vrouw zie ik ook niet. Ik vind het wel grappig om te zien hoe mijn uitstraling totaal is veranderd door de jas en het opgepimpte kapsel. Niet ten goede als je het mij vraagt. Zie ik een man? Kweenie. Ik zie in elk geval een ordinaire onelegante vrouw die me aan Tineke Schouten doet denken. “Praachtig, waa?”, probeer ik mijn Utrechtse accent uit. Ik moet lachen en de styliste lacht met me mee. “Tevreden?”, zegt ze. “Nou, ik vind het knap gedaan, maar het leunt nog wel erg tegen stereotiep aan”, antwoord ik. “Valt mee hoor. Dit soort jassen was mode in de tijd van jouw personage”, zegt ze. Ik heb geen idee. Ik droeg toen nog geen dameskleding. Ik was toen nog een man. Ik word uit mijn twijfel wakker geschud door de opnameleider die roept: “Iedereen naar de set komen voor de eerste repetitie!”. Ik voel me verantwoordelijk. Ik kan toch nu niet weglopen? Ik kijk nog vlug in de spiegel en zie een ordinaire vrouw. Ik zie geen man. OK dan. We doen het maar.

Voor ik het weet sta ik met nog een flink aantal andere mensen in een tot filmset omgebouwd woonstraatje. Ik zie om me heen diverse stereotypen. Het is in één klap duidelijk wat voor soort mensen ze moeten voorstellen en uit welk tijdvak ze komen. Ik zie hippies, Boney M, een VN-soldaat, een Syrisch vluchtelingengezin en een meisje met het syndroom van Down. Ik ben de transgender in dit gezelschap. Het Down-meisje en ik zijn de enigen die ook echt zijn wie ze moeten uitbeelden. Typecasting zoals typecasting bedoeld is. Het is lang geleden dat ik me zo veel transgender en zo weinig vrouw heb gevoeld. Terwijl de regisseur instructies geeft, kijk ik naar mijn spiegelbeeld in de ruit van een van de woningen in de straat. Tja. De twijfel blijft.

Wanneer ik aan het eind van de lange dag weer naar huis fiets, voel ik een kater. Dit ging niet zoals ik wilde. Ik wilde, passabel als ik ben, laten zien dat transvrouwen ook mooie vrouwen kunnen zijn. Maar daarvoor moet ik veel meer regie kunnen nemen dan nu het geval was, zoveel is wel duidelijk. Dit doen we niet meer op deze manier. Ik ben bang dat ik nu juist heb bijgedragen aan stereotypering van transgenders, in plaats van het doorbreken daarvan. Sorry lotgenoten!

zaterdag 19 maart 2016

Vertigoshot

Alfred Hitchcock schijnt de techniek niet te hebben uitgevonden, maar doordat hij het toepaste in zijn film Vertigo, uit 1958, is deze cameratechniek bekend geworden en heeft het zijn naam gekregen: het Vertigoshot. Door de camera naar voren te rijden en tegelijkertijd uit te zoomen, lijkt de horizon zich van het centrale punt af te bewegen. De persoon of het ding waarop gefocust wordt blijft staan; het is echt de achtergrond die in de verte verdwijnt. Mijn leven op dit moment voelt als een Vertigoshot.

Mijn dagen zijn tot op de rand toe gevuld. Er kan door het energie-lek dat ‘geslachtstransitie’ heet niet zo veel in mijn emmertje op dit moment, maar het leven blijft druppels en plenzen water in mijn emmer doen. Ik ben dolblij dat ik S. weer zie, maar het vraagt veel van me. En dan heb ik het niet eens over het heen en weer reizen naar het 100 kilometer verderop gelegen ziekenhuis. Het vreet aan me om mijn kind zo ziek te zien. En de dynamiek tussen zijn moeder en mij vreet ook aan me. Ik heb het gevoel dat ik me voortdurend moet bewijzen. Bewijzen dat ik wel een vrouw ben (hoewel niemand in de familie van mijn ex dat ooit zal geloven, zo lijkt het). Bewijzen dat ik wel een goede vader ben. Bewijzen dat ik echt van S. houd. Bewijzen dat ik hem niet opnieuw ziek ga maken, want dat is het paradigma waarin mijn ex hem lang gevangen heeft gehouden. Ik probeer mezelf te blijven, mijn integriteit te bewaren en in contact met mijn zoon te zijn. Maar ik voel een voortdurende strijd, in en om mij.

Daarnaast probeer ik nog zo veel mogelijk te werken, want ik moet eigenlijk extra geld verdienen in plaats van het juist uit te geven aan buitensporige reis- en parkeerkosten. Ik heb extra geld nodig voor de periode dat ik herstellende zal zijn van mijn operatie. Mijn operatie die en passant ook nog maar met een maand is uitgesteld. Zelfs zonder die terugtrekkende beweging voelt mijn operatie verder weg dan ooit. Al mijn aandacht gaat naar mijn strijd om deze belastende en drukke periode te overleven. Ik heb nog geen seconde aan mijn operatie kunnen denken. Als in een Vertigoshot lijkt mijn operatie – mijn poort naar de volgende fase in mijn identiteitsontwikkeling; mijn ontsnapping aan dit vacuüm waarin mijn gendertransitie zich nu bevindt – zich steeds verder van mij vandaan te bewegen. Dat is een beangstigend gevoel. Ik probeer het te sussen met de verstandige gedachte dat het uitstel nu eigenlijk goed uitkomt, omdat er meer tijd is om het herstel van S. helemaal mee te maken voordat ik me op mijn eigen operatie ga voorbereiden. Maar ik ben het wachten meer dan zat.

dinsdag 8 maart 2016

Operatie

De arts spreekt de woorden kalm uit: “Er rest geen andere oplossing meer dan een operatie”. We wisten dat die optie bestond. En omdat S. de laatste week niet echt meer op de medicijnen reageerde, wisten we ook dat die optie dichterbij was gekomen. Toch verzette ik me: “Maar er waren toch nog andere medicijnen die je achter de hand had? Waarom overweeg je die nu niet meer?”. De arts knikte en zei een tikje verslagen: “daar is S. nu te zwak voor. Hij kan die bijwerkingen nu niet aan”. Ik zuchtte. Waarom is het lot hem zo slecht gezind? Verdomme. Deze operatie gaat het probleem wel oplossen, maar de consequenties zijn groot en zullen hem de rest van zijn leven beïnvloeden. Eigenlijk wil ik dit niet. Eigenlijk wil ik een second opinion. Eigenlijk wil ik nachtenlang het internet afstruinen naar nieuwe behandelingen die goede resultaten behalen. Ik wil handelen. Niet passief toezien hoe een arts in mijn kind gaat snijden. Ik voel de drang en tegelijk weet ik dat ik er niet de energie voor heb. Ik ben vaak bij S. om hem te steunen, op te beuren en te laten zien dat ik als vrouw nog steeds een lieve ouder ben. Daarnaast probeer ik 100 kilometer verderop al mijn andere verantwoordelijkheden zoveel mogelijk te nemen, om te voorkomen dat ik helemaal geen inkomsten meer heb. Ik kan er helemaal geen avondstudie geneeskunde bij hebben.

Ik kijk naar S. Hij ligt zwak ademend met zijn ogen dicht in bed, wetend wat er nu besproken wordt. Beelden komen terug van de afgelopen weken. Beelden van pijn, ongemak en een totaal gebrek aan decorum en zelfredzaamheid. Beelden van blijdschap over ons weerzien, blijdschap over de kleine stapjes vooruit die zijn lijf maakte. En beelden over de steeds terugkerende ziekte. In bed ligt mijn zieke zoon. Moe gestreden. Zowel fysiek als mentaal aan het einde van zijn latijn. Wil ik hem vragen nog door te knokken, terwijl ik zoek naar de heilige graal die hem gaat helen? Wil ik de arts onder druk zetten om toch het zware medicijn te gaan proberen? Wil ik een andere koers kiezen, terwijl de arts, mijn ex en mijn zoon alle drie klaar lijken te zijn met vechten? Ik kijk weer naar S. Ik zie zijn mooie lange donkere wimpers. Zijn iets getinte huid, het genetische eerbetoon aan de buitenlandse historie van de familie van zijn moeder. Ik zie zijn ronde neus, zijn mooie volle haar. Deze knappe jongen verdient een beter leven dan dit. Verdomme. Toch maar een operatie dan? We zullen wel met de nare consequenties leren omgaan. Het moet. Hij moet zijn leven terugkrijgen. Ik kijk naar de arts en zeg: “Wanneer kan de operatie plaatsvinden?”.

De uren die volgen staan in het teken van de voorbereidingen voor de operatie. Ik probeer mijn agenda vrij te maken om bij S. te kunnen zijn op de dag van de operatie. Hoewel ik weet dat het slechts om de kus bij de lift zal gaan, want vanzelfsprekend begeleidt mijn ex hem tot aan de deur van de OK. Als hij weer wakker wordt, voelt hij zich zo ziek van de narcose dat hij alleen zijn moeder aan zijn zijde duld. Net als bij zijn geboorte en een eerdere operatie mag ik er dan een hele dag als een jandoedel bij staan. Terwijl ik juist op die dag een goedbetaalde klus heb staan en ik het geld heel hard nodig heb. Even overweeg ik niet bij de operatie te zijn. Nuchter beschouwd een verstandige beslissing. Maar die beslissing knaagt al snel en ik kom er op terug. Ik moet in het ziekenhuis zijn. Ook al zal ik niet echt nabij S. kunnen zijn die dag, toch moet het. Om dat te kunnen doen moet ik allerlei afspraken verplaatsen of iemand anders vragen mij te vervangen. Een uur lang heb ik zo ongeveer permanent mijn telefoon aan mijn oor om alles te regelen.

In dat bel-geweld spreek ik ook het Medisch Centrum Alkmaar; het ziekenhuis dat over ongeveer twee maanden mij gaat opereren. Dat mij mijn vagina gaat geven. Ik hoor een stem me terloops, bijna laconiek vertellen dat mijn operatie een maand uitgesteld wordt. Men was vergeten dat mijn arts nog op vakantie zou gaan. Ik voel me boos over die laconieke houding. Ik voel me bang omdat de lastige tussenfase waarin ik verkeer dus nog langer zal gaan duren. Gefrustreerd omdat ik dus nog langer moet wachten voor ik verder kan met mezelf en mijn lichaam te ontdekken en in de wereld te zetten. Ik hoor de stem aan, spreek mijn teleurstelling uit en beëindig het gesprek snel. Kort en zakelijk. Ik heb er nu geen tijd voor. In de keuze tussen deze twee levensbepalende operaties, gaat die van mijn kind nu even voor.

zaterdag 5 maart 2016

Ambilight

Het is een gewoon geworden in de afgelopen twee weken: mijn loopje door de grote hal van het ziekenhuis, naar de kinderafdeling, trap op, linksaf en dan door de gang naar zijn kamer. Het in het wit geklede personeel kent mij en ik ken hen inmiddels. Bij mij eerste bezoekjes aan S. was dat natuurlijk nog niet zo. Er kwam toen steeds weer een voor mij nieuw verplegend gezicht de kamer binnen. Bij het voorstellen zei ik er altijd bij: “ik ben de andere ouder”. De meesten hadden S. zijn dossier wel gelezen en wisten hoe het zat, qua vader-die-een-vrouw-geworden-was. Sommigen niet. Sommigen hoorden dan niet echt wat ik zei en gingen aan de slag met infuus of wat dan ook; zij het met de gekke vertraging die je ook kunt hebben als je je huis uit gaat met het vage gevoel dat je iets bent vergeten. De typische reactie van iemand die iets ongewoons waarneemt dat meteen wordt weggefiltert door het onbewuste neurologische mechanisme om zo veel mogelijk waarnemingen als irrelevant bekend terrein af te doen. Het bewustzijn krijgt daar dan niks van mee, behalve een onbestemd gevoel.

Eén keer was het een zaalarts die zich aan me voorstelde en ik zei opnieuw “ik ben de andere ouder”. Voor hem was mijn tekst zo ongewoon dat het wel degelijk zijn bewustzijn in denderde. Hij keek me glazig aan. Ik voelde geen enkele behoefte om me nader te verklaren en keek neutraal terug. Mijn ex, aan de andere kant van S. zijn bed, kwam hem te hulp: “Het is de vader”. De arts knipperde met zijn ogen en keek nog eens goed naar de vrouw die hij voor zich zag. Deze onbegrijpelijke toelichting had hem juist verder uit balans gebracht. Ik vond het wel aandoenlijk hoe deze jonge dokter de kluts kwijt was. Uit compassie ging ik hem helpen: “ik ben vrouw geworden”. De arts schrok wakker uit zijn apathie, knikte met zijn hoofd en richtte zich meteen op S. om hem te vragen naar pijn en welbevinden. Binnen een minuut was hij de kamer weer uit. Trots en geruststellend fluisterde ik naar S.: “zie je dat hij het he-le-maal niet kon zien?”.

Later kwam er ook nog een nieuwe verpleegster binnen. Ze zag mij bij het bed staan en zei: “o, u bent de moeder?”. Nog voor ik iets kon zeggen hoorde ik mijn ex over mijn schouder roepen: “nee dat ben ik. Dat is de vader”. Hoewel ik van haar ruimte had gekregen om bij S. te zijn, moest ik me geen illusies maken over mijn plek. Ik ben de vader. Zij is de moeder. Op zich is dat iets waar ik het wel mee eens ben, maar in de wereld van mijn ex betekenen die definities dat zij voor S. zorgt en bepaalt wat er met hem gebeurt, en dat ik er ben voor de alimentatie. Hoe frustrerend ik dat ook vind, ik tel mijn zegeningen. Mijn ex heeft me ruim een jaar geleden uit het veld geruimd door S. er van te overtuigen dat ik hem ziek had gemaakt. En nu ben ik al weer drie weken regelmatig bij hem. De slechte toestand van S. tilt mijn ex en mij over onze schaduw heen: ik probeer bij S. te zijn zonder haar ruimte af te pakken en zij probeert mij toe te laten; nog wel zonder rol en verantwoordelijkheid, maar het is een begin. Ik zie dat ze haar best doet mij als vader-die-een-vrouw-geworden-is toe te laten. En dat is meer dan ik de afgelopen paar jaar heb ervaren. De spanning is soms nog voelbaar en dat merkt S. duidelijk ook, maar het is fijn om te merken dat er soms ook ontspanning voelbaar is.

Hoe anders was het vandaag. Mijn ex, die permanent bij S. op de kamer verblijft, had haar moeder gevraagd haar een weekend te komen aflossen, zodat ze even thuis kon zijn bij haar man en hun kind. Het was onbestaanbaar dat ik haar zou aflossen; toen ik het voorstelde viel er een ijzige stilte. Haar moeder zou het doen. De laatste keer dat ik mijn ex-schoonmoeder had gezien was een jaar of anderhalf geleden toen ze, vrij kort voor ik fulltime als vrouw ging leven, S. bij mij was komen ophalen aan het eind van een weekend samen. Ze was heel gefascineerd door mijn keuze en wilde van me weten hoe het was nu ik me als vrouw manifesteerde. Ik voelde toen geen echte betrokkenheid, vooral nieuwsgierigheid, maar bedacht dat dat S. ook al zou helpen in zijn acceptatieproces. Onbekend maakt onbemind immers en nu had zijn oma mij met eigen ogen gezien. Ergens tussen toen en nu ging het mis: mijn ex vertelde me laatst dat haar moeder erg afwijzend naar mij was. Ik vermoed dat zij ook denkt dat ik S. ziek gemaakt heb (mijn ex kan erg overtuigend zijn). Jammer genoeg zien ze beiden niet dat zij door hun houding S. in een loyaliteitsconflict hebben geduwd dat hem veel stress en verdriet heeft gegeven. Om ziek van te worden…

Terwijl ik aan mijn ex-schoonmoeder denk, loop ik de gang op. Ik had S., zoals afgesproken, tien minuten geleden gemeld dat ik er bijna was, zodat zijn oma even een luchtje kon gaan scheppen om mij te ontlopen. Ik loop naar de deur van S. zijn kamer en zie door het glas zijn oma zitten. Ze is er nog. Ik open de deur, ze kijkt op en slaat haar blik neer. “Hoi”, zeg ik maar ik krijg geen reactie. Ik loop naar S. en geef hem een kus. Terwijl we wat praten en knuffelen lijkt het wel alsof het licht verandert. De kamer lijkt iets donkerder te worden. Subtiel, nauwelijks waarneembaar. Maar ik merk het. Als een Ambilight televisie kleurt de kamer mee met de emotie van mijn ex-schoonmoeder. Als we in een stripverhaal hadden gezeten, zou er boven haar hoofd een zwart donderwolkje getekend zijn. Ik voel haar walging in mijn rug prikken. Ik mag er niet zijn, althans niet volgens haar. Deze afwijzing roept vage herinneringen op aan de afwijzing die ik als kind heb ervaren. Hoewel ik sinds mijn transitie een onbekend soort veiligheid in mij voel groeien, brengt het me toch uit balans. Ik focus me op S. en probeer zijn oma te negeren. Het liefst zou ik tegen haar zeggen: “Doe volwassen. Als je iets te zeggen hebt, zeg het dan”, maar dat durf ik niet. Net als bij mijn ex ben ik bang voor escalatie. Bang om S. zijn dierbaren boos op mij te maken. Bang om S. opnieuw aan een subtiel uitgespeeld loyaliteitsconflict te verliezen. Dat ik hier bij mijn zieke kind sta, zou geen gunst moeten zijn. Maar zo voelt het wel. Een gunst die ik elk moment kan verspelen als ik niet zoet ben.