donderdag 24 maart 2016

Stereotypering

De gure wind trotserend fiets ik door een mooi historisch stukje van Amsterdam-Noord, op weg naar mijn allereerste figuratie-klus als vrouw. In mijn mannenleven speelde ik af en toe piepkleine rolletjes of ik figureerde in commercials en een enkele bioscoopfilm. Voor wie het niet weet: een figurant is levend decor; een bewegend non-descript mens om het beeld van een film te verlevendigen. Soms herkenbaar in beeld, soms onderdeel van een vage meute op de achtergrond. Ik deed het af en toe om de castingbureaus waar ik toen ingeschreven stond, tevreden te houden in de hoop on top of mind te blijven en af en toe uitgenodigd te worden voor grotere rolletjes. Dat gebeurde ook. Af en toe. Heel af en toe. Een paar jaar geleden besloot ik me uit te schrijven omdat acteerwerk voor een man-onderweg-naar-vrouw niet voor het oprapen ligt. Om nog maar te zwijgen van de alles verterende onzekerheid die me belette me überhaupt te durven presenteren, in welke geslachtsrol dan ook. Kort geleden reageerde ik op een oproep in een besloten Facebookgroep voor transgenders. Men zocht een transgender voor figuratie in een promotiefilm van een ideële stichting. Ik reageerde niet omdat ik het figureren of acteren voor camera weer actief wil oppakken. Nee, ik houd het liever bij theater, daar ligt mijn acteer-hart. Ik reageerde op de oproep omdat ik wilde bijdragen aan het op een positieve manier bij een breed publiek onder de aandacht brengen van transgenders. Ik zie dat als mijn missie op dit moment, mede ingegeven door de positieve reacties op dit blog. Dat schreef ik ook aan het castingbureau die de selectie van de figuranten deed. Ze waren blij met mijn aanmelding en verzekerden me dat ik op een neutrale of positieve manier in beeld gebracht zou worden. Gerustgesteld en vol verwachting fiets ik door een lichte miezer naar de set.

Daar aangekomen meld ik me bij de styliste die kleding voor me had geselecteerd. Haar hand graait in een volgeladen kledingrek en komt terug met een kledinghanger met een goedkoop uitziende lange witte jas, bedrukt met een panterprintje. Ordinair. Beelden van drag queens met behaarde benen, wiebelend op veel te hoge hakken doemen op. Dit gaat niet goed. Vervolgens pakt de styliste een ongelooflijk tuttig Tootsie-achtig bloesje met een gesloten hals met een strik. Want transvrouwen moeten toch hun adamsappel verbergen, zo is duidelijk de aanname geweest. Ik kijk naar de kleding en zie waar ik bang voor was. Stereotypering van transvrouwen als onelegante overdreven lompe mannen in veel te grote oude-vrouwenkleding. Elk moment kan de Dame Edna bril tevoorschijn komen. Ik spreek mijn bezwaar uit en refereer aan de toezegging van het castingbureau. De styliste kijkt me welwillend aan, maar weet niet goed wat ze er mee moet. Ze roept er een collega bij die het alleen maar erger maakt doordat ze de begrippen ‘transgender’ en ‘travestiet’ steeds nonchalant door elkaar mengt. Ik leg geduldig uit wat het verschil is en hoe stereotypering in de media er toe bijdraagt dat sociale acceptatie voor veel transgenders nog steeds een groot probleem is. Dat overtuigt, zo lijkt het. Er wordt geschoven en gezocht en er komt andere kleding tevoorschijn. Neutralere kleding, waar ik wel mee kan leven. Nog steeds een beetje tuttig, maar wel normale kleding. Alleen voor de jas is geen alternatief en mijn eigen jas is te zwart (dat verliest alle nuance, alle textuur, alle diepte op beeld. Daarom zijn zwarte pieten op tv ook altijd bruin). Ik kijk naar de panterjas en aarzel. Ik ben erg bang dat het toch te sterk stereotyperend is en ik voel een drang in me om vriendelijk te bedanken en te vertrekken. “Misschien moet je het totaal zien, met haarstyling en make-up”, zegt de styliste. O, ja. Make-up. Daar kan ook nog van alles misgaan. “We willen dat heel normaal, heel vrouwelijk doen”. Ik aarzel. Zal ik ze die kans geven? “Het komt goed”, verzekert de styliste me. Ik kijk haar in haar ogen en zie dat ze haar best voor me doet.

Er wordt geföhnd, gerold, haarlak gespoten. Vol verbijstering zie ik in de spiegel hoeveel volume er nog uit mijn uitgedunde haar te halen is. Grappig. Ik kijk en leer van de handelingen van de vriendelijke kapster. Even later komt de make-up. Naar mijn persoonlijke smaak wat zwaar aangezet, maar geen overdreven drag. Voor een mooi rond gezicht van een biologische vrouw zou dit prachtig zijn. Voor mijn door de mannenhistorie toch wat hoekige gezicht is het toch wat teveel. Less is more, zo had ik geleerd. Hoe minder make-up, hoe vrouwelijker ik word. Normaal draag ik alleen maar een potloodlijntje en mascara op mijn wimpers.

Ik trek de panterjas aan en bekijk het eindresultaat. Het drag queen schrikbeeld is niet uitgekomen, maar een mooie elegante vrouw zie ik ook niet. Ik vind het wel grappig om te zien hoe mijn uitstraling totaal is veranderd door de jas en het opgepimpte kapsel. Niet ten goede als je het mij vraagt. Zie ik een man? Kweenie. Ik zie in elk geval een ordinaire onelegante vrouw die me aan Tineke Schouten doet denken. “Praachtig, waa?”, probeer ik mijn Utrechtse accent uit. Ik moet lachen en de styliste lacht met me mee. “Tevreden?”, zegt ze. “Nou, ik vind het knap gedaan, maar het leunt nog wel erg tegen stereotiep aan”, antwoord ik. “Valt mee hoor. Dit soort jassen was mode in de tijd van jouw personage”, zegt ze. Ik heb geen idee. Ik droeg toen nog geen dameskleding. Ik was toen nog een man. Ik word uit mijn twijfel wakker geschud door de opnameleider die roept: “Iedereen naar de set komen voor de eerste repetitie!”. Ik voel me verantwoordelijk. Ik kan toch nu niet weglopen? Ik kijk nog vlug in de spiegel en zie een ordinaire vrouw. Ik zie geen man. OK dan. We doen het maar.

Voor ik het weet sta ik met nog een flink aantal andere mensen in een tot filmset omgebouwd woonstraatje. Ik zie om me heen diverse stereotypen. Het is in één klap duidelijk wat voor soort mensen ze moeten voorstellen en uit welk tijdvak ze komen. Ik zie hippies, Boney M, een VN-soldaat, een Syrisch vluchtelingengezin en een meisje met het syndroom van Down. Ik ben de transgender in dit gezelschap. Het Down-meisje en ik zijn de enigen die ook echt zijn wie ze moeten uitbeelden. Typecasting zoals typecasting bedoeld is. Het is lang geleden dat ik me zo veel transgender en zo weinig vrouw heb gevoeld. Terwijl de regisseur instructies geeft, kijk ik naar mijn spiegelbeeld in de ruit van een van de woningen in de straat. Tja. De twijfel blijft.

Wanneer ik aan het eind van de lange dag weer naar huis fiets, voel ik een kater. Dit ging niet zoals ik wilde. Ik wilde, passabel als ik ben, laten zien dat transvrouwen ook mooie vrouwen kunnen zijn. Maar daarvoor moet ik veel meer regie kunnen nemen dan nu het geval was, zoveel is wel duidelijk. Dit doen we niet meer op deze manier. Ik ben bang dat ik nu juist heb bijgedragen aan stereotypering van transgenders, in plaats van het doorbreken daarvan. Sorry lotgenoten!

Geen opmerkingen:

Een reactie posten