dinsdag 29 maart 2016

Tieneridool

Vroeger, tijdens mijn jeugd, had je van die soort kauwgompjes waar je posters mee op de muur kon plakken. Bestaan die eigenlijk nog? Van die roze, zacht rubberen plakkers waarmee je zowel de poster als de muur niet zou beschadigen. Dat laatste verkoopargument was natuurlijk om ouders gerust te stellen dat het behang van de tienerkamertjes niet naar zijn gallemiezen zou gaan. Het eerste verkoopargument sprak vooral de tieners in kwestie aan. Zo zou hun idool voor altijd maagdelijk glanzend afgebeeld blijven, ook als ze deze poster gedurende hun hele leven minimaal vijf keer zouden verhuizen. Want dat ze ooit afscheid zouden nemen van hun idolen was natuurlijk ondenkbaar in de hoofden van de pubers. Maar het bleek een fase. Wie heeft er na zijn vijfentwintigste nog posters hangen van zijn of haar idool van tien jaar daarvoor? Ik niet in elk geval.

Maar wellicht ben ik niet het juiste voorbeeld, want ik had ook tijdens mijn pubertijd geen idolen aan de muur hangen. Ik wist simpelweg niet wie dat moesten zijn. Puberidolen komen in twee soorten, en met beide soorten kon ik niet uit de voeten. De eerste soort is de idool die je het liefst zelf wilde zijn. Je voorbeeld, je rolmodel. De persoon met wie je je kan identificeren om even weg te dromen van de dagelijkse realiteit. De tweede soort is de idool mét wie je het liefst wilde zijn. De persoon waarmee je romantische momenten wilde beleven en later heel oud mee wilde worden. En heel veel kinderen mee wilde maken, zo je wilt. Zo’n persoon die je helpt om even weg te dromen van de dagelijkse realiteit.

Ik ontbeerde beide soorten idolen, als puber. Het was voor mij onmogelijk mezelf te identificeren met wie dan ook. Ik denk dat dat kwam omdat een startpunt ontbrak, een ‘ik’ om vanuit te redeneren. Er was geen enkel mannelijk rolmodel waar ik me mee kon vereenzelvigen. Natuurlijk waren er wel mannen met eigenschappen die ik wel wilde hebben. Eigenschappen die me sterk en onkwetsbaar maakten, zodat ik in de ogen van mijn omgeving ‘echt mannelijk’ was. Maar ook omdat ik dan niets van mezelf hoefde prijs te geven als ik dat niet wilde. En dat wilde ik niet. Ik wilde mezelf niet eens kennen. Te eng. Er was ook geen vrouwelijk idool waarover ik kon dromen hoe we samen later oud zouden worden. Niemand om mijn ontluikende hormonen mee op te porren, laat staan in een intense daad van zelfbevlekking tot bedaren te brengen. Ik had geen idolen.

En nu, dertig jaar later, heb ik nog steeds geen posters van idolen aan mijn muur. Dat hoeft ook niet. Tegenwoordig zijn er andere manieren om dat te doen. Tegenwoordig heb je een lock-screen op je telefoon. Misschien is die wel wat te vergelijken met de versierde, gepersonaliseerde, schoolagenda van vroeger. Die had je meerdere keren per dag in je handen en je werd meerdere keren per dag geconfronteerd met de beeltenissen van alle idolen die je daar op had geplakt. Heel lang hebben op mijn lock-screen wisselende foto’s van S. gezeten. En later van M. En daarna van mezelf, omdat ik met mijn sterk veranderende genderexpressie natuurlijk wel alle veranderingen moest kunnen bijbenen en dan helpt het om vaak in de spiegel te kijken. Of naar een foto van jezelf.

Passend bij de pubertijd waar ik nu in zit in mijn ontwikkeling als vrouw, heb ik sinds een tijdje een idool op mijn lock-screen. Mijn liefje, zoals ik hem me voorstel. Iemand met wie ik me romantisch en erotisch contact zou wensen. Niet dat ik dat daadwerkelijk nastreef; dat is niet de bedoeling met idolen. De onbereikbaarheid ervan geeft juist de vrijheid om te fantaseren. Maar als ik naar zijn foto kijk, en me de films herinner waarin ik hem heb zien spelen, dan word ik blij. Dit is mijn vriendje. In mijn dromen lachen we samen, eten we samen, slapen we samen. In mijn dromen raak ik hem aan en zegt hij schatje tegen me. Ewan McGregor, ik hou van jou.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten