maandag 25 april 2016

Van blog naar vlog

Ze hadden me gevonden via Facebook. Of eigenlijk vond ik hen. Ze zochten een transvrouw om te interviewen voor een vrouwenblad. En gezien mijn missie om op een positieve manier bij te dragen aan de bekendheid en acceptatie van transgenders, moest ik natuurlijk reageren. De redacteur was enthousiast toen ze me snel daarna belde. Wilde ik geen vlog maken voor het online magazine? Ze noemde de naam en ik had er nog nooit van gehoord. Maar dat vond ik nogal sneu om te zeggen. En gezien de naam leek het me geen obscuur websiteje: vrouw.nl. “Ja dat wil ik geloof ik wel doen, maar laat me er even over nadenken”, zei ik en ik hing op. De browser gaf uitsluitsel. Vrouw.nl is geen obscure website, maar een digitaal kanaal van de Telegraaf. Op de site stond dat Vrouw een bereik van ruim een miljoen lezers heeft. Dat is ongetwijfeld inclusief de papieren bijlage bij de krant, maar toch. Ik kon vast rekenen op een publiek van meer dan 100.000 lezers. Prima voor mijn missionariswerk. Ik zou met mijn ontwapenende aardigheid de Telegraafvrouwen eens laten zien dat transgenders ook maar gewoon mensen zijn op zoek naar zichzelf. Mijn bijdrage aan de maatschappelijke acceptatie van transgenders. Ik belde terug en zei ja. Onder de voorwaarde dat ik alle filmpjes na montage en voor publicatie mocht zien en een veto mocht uitspreken. Mijn recente slechte ervaring met stereotypering lag me nog vers in het geheugen. Deze voorwaarde was zeer ongebruikelijk voor de redactie, maar ze gingen akkoord. Ze wilden me duidelijk heel graag hebben.

Twee weken geleden filmde ik. Eerst onwennig: wat had ik nou te melden? Mijn leven is voor mij zo gewoon dat ik het niet echt spannend vond. Maar gaandeweg kreeg ik de slag te pakken. Vandaag is het eerste filmpje online gezet, in de rubriek De week van… En dus zag ik zojuist voor het eerst mijn hoofd met daaronder een typische Telegraaf-kop. Prikkelend, maar gelukkig respectvol. Vanaf nu zal elke dag een filmpje verschijnen, zeven keer in totaal. Ik ben heel benieuwd naar de reacties. Ik reken ook op de nodige modder. Maar ja, modder schijnt goed voor je huid te zijn, dus kom maar op.

Dat mijn veto-voorwaarde geen formaliteit is, bewijst de laatste uitzending van BNN’s Spuiten en Slikken, waarin de zogenaamde journalist van dienst de meest ranzige vaginakliniek in Thailand bezocht. Sindsdien krijg ik veel bezorgde reacties. Ga ik het echt daar laten doen? Wat velen niet schijnen te begrijpen is dat BNN en met name het onderhavige programma niet een realistisch beeld van de situatie wil schetsen. Integendeel. Het gaat om sensatie en dat is gelukt. Ze hebben vast lang moeten researchen om deze kliniek te vinden. Nee, mensen, ik ga naar een van de top-klinieken van de wereld. En ja, die staat ook in Thailand. Laten we hopen dat deze framing-actie van BNN geen effecten heeft op mijn crowdfunding.

Met mijn vlog ben ik niet alleen in woorden zichtbaar, maar ook in beeld. Een transgender op zoek naar een manier om haar gender in de wereld te zetten. Op zoek naar een manier om anderen te laten zien dat ze van transgenders niks te vrezen hebben. Ik heb een steen verlegd in de rivier. Precies zoals Bram Vermeulen in zijn prachtige lied beschrijft. Vanaf nu zal de stroom anders lopen. En krijgen transgenders hoop ik minder natte voeten.

zondag 24 april 2016

Kinderen die vragen...

Het is een bekend gezegde en het wordt door veel opvoeders gebruikt: ‘kinderen die vragen worden overgeslagen’. Deze goedbedoelde poging om kinderen wat beleefdheid bij te brengen is misleidend. Door te dreigen dat ze hun wensen helemaal niet meer vervuld zullen krijgen, worden kinderen monddood gemaakt en klein gehouden. Heel vreemd, want het uiten van je wensen lijkt me de eerste stap in de realisatie ervan.

Door de populariteit van dit vreemde gezegde is er een bloeiende markt ontstaan van zelfrealisatie-trainingen waarin de inmiddels volwassen kinderen wordt uitgelegd dat ze er mogen zijn en waarin ze oefenen om hun verlangens en wensen te uiten. Dat is heel handig, want we weten inmiddels allemaal dat je met stilletjes in een hoekje wachten totdat iemand je geeft wat je begeert, niet heel ver komt. Wanneer je je wensen uitspreekt creëer je focus voor jezelf, waardoor je kansen gaat zien. Wanneer je je wensen uitspreekt gaan anderen je helpen die te realiseren. Vanzelf. Lees Martinus Knoope’s boek De Creatiespiraal er maar op na. Ik pleit daarom voor een aanpassing van het gezegde. Mijn voorstel is: ‘kinderen die vragen zullen we behagen’.

Dat neemt niet weg dat het – na eenmaal geconditioneerd te zijn met het oude gebod – heel erg spannend is om je wens te uiten. Ik weet er alles van. Ik vraag niet snel hulp. Ik doe dingen graag zelf. Dat is (ok, ik geef het eerlijk toe) deels omdat ik eigenwijs ben en denk dat ik het écht beter kan. Maar dat is deels zeker ook omdat ik het eng vind om hulp te vragen. Want tja: mensen kunnen die hulp weigeren. En die gedachte alleen al voelt als een afwijzing. Zo was het decennialang in mijn leven.

Inmiddels heb ik dankzij mijn transitie eindelijk wat meer vertrouwen in mezelf gekregen. Dus nu durf ik hulp te vragen. En dat wil ik bij deze ook doen. Mijn besluit om me in Thailand te laten opereren gaat heel veel geld kosten. En dat heb ik niet. Ik heb de afgelopen jaren al veel geld uitgegeven aan mijn transitie en aan inkomenscompensatie omdat ik door het intense proces al een tijd niet volledig kan werken. Dus het spaarpotje is vrij ver leeg. De operatie in Thailand gaat me €15.000,- kosten, waarvan de zorgverzekering me een schamele €3.000,- vergoed (waarover ik later ongetwijfeld nog zal schrijven). De rest van het geld zal ik zelf bij elkaar moeten zien te krijgen. Vandaag lanceerde ik daarom een crowdfundingsactie. De eerste reacties van vrienden op Facebook zijn zeer bemoedigend. Wat een lieve mensen heb ik toch om me heen!

Mijn oprechte vraag aan iedereen die dit blog leest: wil je me ook helpen? Op mijn crowdfundingspagina vind je alle informatie over hoe je dat kunt doen. Dankjewel!

vrijdag 22 april 2016

Vliegtuigtrap

Ik zie vlekken voor mijn ogen wanneer ik op het toilet ga zitten. Ben ik net wakker geworden of ga ik nu juist naar bed? Of droom ik dit? Geen idee. Maar het lijkt alsof ik op het toilet zit en ik voel aandrang, dus ik ontspan de sluitspier van mijn blaas. Ik hoor de urine op het porselein kletteren. Gelukkig. Ik ben niet in bed aan het dromen. Door het plassen wordt ik mij bewust van mijn piemel. Nog twee maanden en dan is hij weg, hoor ik mezelf denken. Ik schrik van die gedachte. Is het echt waar? Is hij dan weg? Ineens voel ik medelijden. “Je bent niet fout”, fluister ik tegen mijn geslachtsdeel. “Ik heb er even over gedaan, dat geef ik toe, maar ik heb je uiteindelijk kunnen zien als deel van mij. Ik heb toen een tijd veel plezier van je gehad. Maar je bent niet hoe het had moeten zijn”. Ik mompel een hele speech, terwijl ik in elkaar gezakt op het toilet zit. Mijn hoofd hangt vermoeid naar beneden, bijna tussen mijn knieën. Alsof ik mijn piemel iets in de oren wil fluisteren. “Sorry”, hoor ik mezelf zachtjes zeggen. En dan huil ik. Het is alsof mijn piemel en ik elkaar huilend in de armen vallen. Het is bijna voorbij. Alsof twee kameraden die geen kameraden wilden zijn, maar het toch werden, afscheid nemen omdat een van hen gaat trouwen en emigreren. Een nieuwe levensfase breekt aan. Een van ons stapt zo meteen de vliegtuigtrap op, om voorgoed uit het leven van de ander te verdwijnen. Maar nog niet nu. Nu huilen we samen om alle strijd die we hebben gehad. Om de verzoening die kwam. Om de mooie momenten waarop we vergaten wat er eerder allemaal gebeurd was. En we huilen om het afscheid. Vaarwel. Het ga je goed.

Ik sta niet op een vliegtuigtrap. Ik zit op de wc. In deze vermoeide sanitaire roes dringt het tot me door wat er staat te gebeuren. Gisteren bevestigde de kliniek in Thailand dat ze mijn aanbetaling hadden ontvangen. De operatiedatum is definitief. 25 juni. Dat betekent dat ik 19 juni ga vliegen. Over minder dan twee maanden.

Een warme rilling glijdt over mijn rug. Ik haal diep adem, pak een velletje wc-papier van de rol en veeg de laatste druppel van mijn piemel. Hoe vaak heb ik dat al niet gedaan? En hoe weinig zal ik dat nog doen? Nog twee maanden. En dan sta ik op de vliegtuigtrap. Vaarwel. Het ga je goed.

woensdag 20 april 2016

Het zoete gif

Ik vermoedde het al. Twee dagen geleden appte ik met S. om af te stemmen wanneer ik de komende week langs zou komen in het ziekenhuis. Toen ik twee dagen dáárvoor bij hem was – hij was inmiddels overgeplaatst van het academische kinderziekenhuis waar we ons tweeëneenhalve maand geleden verenigden, naar het reguliere ziekenhuis in de stad waar hij bij mijn ex woont – had ik nog onvoldoende zicht op mijn werkafspraken, dus zou ik het via de Whatsapp met hem afstemmen. Maar toen ik dat dus twee dagen geleden deed, werd ik achterdochtig. Er speelde iets. Hij wilde niet dat ik vandaag zou langskomen omdat hij een drukke dag verwachtte te hebben. Zijn gezondheid was inmiddels dermate verbeterd dat hij af en toe een uurtje naar huis ging om te wennen aan een terugkeer. Een stage als het ware. Vandaag zou zo’n stagedag zijn en bezoek er bij zou hem teveel vermoeien. Ik schikte me en zei dat we elkaar dan lang niet zouden zien en dat we dan wel konden Skypen. Zijn reactie was: “We kijken even…”. Dit klopte niet. Deze plotselinge afwerende houding paste niet bij wat ik voelde als ik bij hem was. “Wat is er?”, vroeg ik hem en hij herhaalde zijn formulering. “Dat zal toch wel lukken?”, zei ik, “of bedoelde je: we kijken even wannéér we Skypen?”. “Ja”, antwoordde hij en hij sloot af met: “Ik ga ff een rondje rijden in de rolstoel”. Om mezelf gerust te stellen concludeerde ik dat zijn gekke formulering kwam omdat hij zijn aandacht niet bij ons gesprek had, omdat hij op het punt stond om op stap te gaan in het ziekenhuis. “Veel plezier!”, appte ik hem nog na. De achterdocht was even gesust.

Tot vandaag. Ik stuurde een bericht met de vraag of we konden Skypen. En toen bleek alle eerdere achterdocht op zijn plaats geweest: “Nee, ik heb besloten dat ik je even niet meer wil zien”. Bam. De dreun landde midden tussen mijn ogen. Ik moest moeite doen om niet knock-out te gaan. Knipperen met mijn ogen hielp. Ik voelde verontwaardiging opkomen in mij. Verontwaardiging die gefundeerd was op fatalisme, want het zakte weer meteen weg in een gevoel van opgeven. Dit was een verloren strijd. Ik vroeg hem, net als enkele dagen eerder, wat er aan de hand was. “Ik wil je gewoon niet meer zien”, zei hij. Ik antwoordde dat dat niet gewoon was en dat ik niet begreep waarom ons contact ineens moeilijker was geworden terwijl het al die tijd dat hij in het academisch ziekenhuis had gelegen juist zo goed ging. Toen ik dat schreef begreep ik het zelf al. Er was tussen ons niks voorgevallen dat ik als aanleiding kon zien; het contact verliep – gezien de situatie – behoorlijk ontspannen. Doordat hij nu dichter bij zijn leven buiten het ziekenhuis komt, wordt het conflict in hem groter. Hij voelt spanning bij de gedachte dat ik hem thuis ga opzoeken, omdat hij weet dat zijn moeder mij liever buiten beeld wil houden. Het neutrale terrein van het ziekenhuis, waar de regie bij de dokter en de verpleging ligt, werkt deëscalerend. Dat buffer is er thuis niet en hij is bang voor gedoe. De uitnodiging die ik een week eerder aan zijn moeder had gedaan, voor overleg om dat gedoe te voorkomen, was ontwijkend beantwoord. De puzzel was in één klap helder: mama wil geen overleg, ze wil juist papa het liefst op afstand houden; mama verzorgt me; papa blijft toch wel van me houden; ergo: papa moet weg. En zo was ik opnieuw kop-van-jut in het loyaliteitsconflict van mijn zoon.

Ik schreef hem dat ik niet blij was, dat ik (opnieuw) zijn wens zou respecteren en dat ik het niet begreep. Ik vroeg hem of hij het me kon uitleggen. Het antwoord kwam wat later via mijn ex, die zogenaamd positieloos bleef en – zoals vaker – onverantwoord veel verantwoordelijkheid bij S. legde: “In overleg met S. mag ik dit typen: het contact tussen jullie voelt voor hem niet goed. Hij zocht iets anders dan dat hij vond bij jou”. Pardon? Wat is dit? Dit zijn niet S. zijn woorden. Hij is overduidelijk weer eens gesouffleerd. Mijn ex heeft weer eens misbruik gemaakt van de afhankelijke positie waarin S. zit. Ze heeft hem woorden in de mond gelegd die niet de zijne zijn. Op zijn minst heeft ze hem niet geholpen om zijn gevoel ‘het voelt niet goed’ te proberen te doorgronden. Nee hoor; hij mag weer weg lopen van wat hij moeilijk vindt. Zonder er iets van te leren. Zonder uitleg te geven. Zonder verantwoordelijkheid te nemen. Het bekende patroon. Zo zichtbaar dat de arts en de maatschappelijk werker van het academische kinderziekenhuis allebei hadden uitgesproken dat mijn ex ‘te weinig sturing’ bood aan S. Maar ja. Daar blijft het dan bij. En nu trekt ze S. opnieuw haar bubbel in en raken ze weer los van controle en sturing van het ziekenhuis. En los van mijn invloed. En begint de cyclus opnieuw. En S. is opnieuw slachtoffer van dit zoete gif.

Ik smeet mijn telefoon in de hoek met net voldoende beheersing om te zorgen dat hij niet kapot viel. Maar dat bleek dan weer te weinig om af te reageren. Ik stond op en begon te vloeken. Ik liep onrustig heen en weer door mijn huis. Tot ik het niet meer hield en met een harde schreeuw keihard tegen de muur aan trapte. Om vervolgens huilend in elkaar te zakken. Ik ben weer mijn kind kwijt.

woensdag 13 april 2016

Thailand

De vraag stellen is hem beantwoorden. Dit cliché gaat (zoals het hoort met clichés) vaak op. In mijn frustratie over het nieuwe uitstel van mijn operatie verzuchtte ik gisteren, tijdens een woelige nacht: kan ik niet beter naar Thailand gaan? Ja, Thailand is het walhalla van de geslachtsaanpassende operaties; daar leveren ze topkwaliteit: het wordt mooier, met meer gevoel en met relatief minder complicaties en hersteloperaties. Dat wist ik al lang. Toch had ik vorig jaar al besloten dat niet te doen. Ik zag op tegen het verre land voor zo’n intieme ingreep. Alsof je de intimiteit geen recht doet als je het niet van héél dichtbij haalt. Maar belangrijkste tegenargument was de kosten. Ik dacht weinig vergoed te krijgen van de zorgverzekering bij een operatie in Thailand. En ik had veel van mijn reserves al opgemaakt aan haartransplantaties en inkomensaanvulling omdat ik de afgelopen twee jaar vanwege mijn transitie veel te weinig had gewerkt. Ik had de optie afgeschreven.

Maar nu ik nog weer langer moet wachten op de operatie in Nederland, ben ik het vertrouwen verloren. Ik voel me respectloos behandeld. Dat doet de balans enigszins veranderen. Terwijl ik achter mijn computer druk bezig ben me niet te concentreren op het werk dat ik eigenlijk moet doen, start ik de Facebook-chat. Ik vraag een vriendin die toevallig nu in Thailand zit, wat haar operatie heeft gekost. Ik kijk op de website van dr. Chettawut (de kliniek van mijn voorkeur) en vraag ze om een datum-indicatie. Al snel krijg ik antwoord: 25 juni. Ik start internetbankieren om naar mijn spaargeld te kijken. Ik laat een bericht achter via de website van de zorgverzekering met de vraag wat ik van hen kan verwachten. Ik stuur een Whatsappje naar hartsvriendin L. om mijn gedachten te delen en vraag of zij eventueel met me mee zou willen gaan voor de nodige mantelzorg gedurende de maand dat ik daar moet blijven. En zo tekent zich langzaam een mogelijkheid af. Maar ja dat geld.

Er komt een mail binnen. Een zakelijke relatie vraagt hoe het gaat en ik vertel over de situatie. Mailt hij terug: “Waarom doe je geen crowdfundingsactie?”. Makkelijk gezegd, denk ik. “Zou jij daar dan geld aan geven?”, probeer ik zijn voorstel te ridiculiseren. Maar tot mijn verbijstering mailt hij simpelweg: “Ja hoor. Voor jou wel”. Ik word nieuwsgierig en wil eigenlijk vragen hoeveel hij dan zou geven. Maar dat durf ik toch niet. Te impertinent. Maar daardoor begint er wel iets in mijn hoofd te fladderen en tekent zich een beeld af van mijn vele relaties die allemaal €5,- doneren en me zo toch als snel een duizend euro geven. Nog steeds onvoldoende, maar het zou er wel voor zorgen dat ik minder hoef te lenen. Want die optie is er natuurlijk ook. En zo begonnen de puzzelstukjes in elkaar te passen. Zou het dan toch lukken? Kon ik inderdaad naar Thailand gaan?

De grote dip van twee dagen geleden begint zich te keren. Ik voel euforie. Thailand. Waarom niet? Die vraag kan ik zeker wel beantwoorden: geld, gedoe, risico in den vreemde. Maar de kwaliteit van het resultaat lonkt. Ik kijk naar een foto van een neo-vagina van Chettawut en word blij. Zo mooi. Dit gun ik mezelf toch ook? De beslissing is met mijn hart al genomen. Alleen ziet mijn hoofd nog veel hobbels. Per saldo aarzel ik. Maar niet echt.

maandag 11 april 2016

Tantaluskwelling

Het is dat ik het telefoonnummer in mijn telefoon heb gezet, anders zou ik het inmiddels uit mijn hoofd kennen. Ik heb de afgelopen tien weken vaak met de secretaresse van de afdeling plastische chirurgie van het Medisch Centrum Alkmaar gebeld in de hoop de datum te horen waarop ik geopereerd wordt. Helaas tot nu toe tevergeefs. Ze heeft moeite om de planning rond te krijgen, omdat ze steeds minder OK-ruimte van het ziekenhuis krijgt dan zij en dr. Kanhai zouden willen. Maar ik hoop dat het vandaag gaat lukken. De vorige keer dat ik belde (half maart) hoorde ik dat er nog twee mensen voor me op de wachtlijst stonden en dat die in mei ingepland zouden worden. Dus dan kon ik in juni komen. Maar iets in mij vertrouwde het niet. Misschien was het omdat ik bij de intake hoorde dat ik ‘eind april, begin mei’ aan de beurt zou zijn, wat na twee weken ‘toch echt pas mei’ bleek te zijn en drie weken daarna bleek het ‘helaas toch juni te worden’. Door al dat geschuif kon ik als zelfstandige alvast een inkomensdip tegemoet zien vóór mijn operatie. Ik was gestopt met opdrachten aannemen voor mei, omdat ik aanvankelijk dacht die niet te kunnen doen en daarna kreeg ik dat gat niet zomaar weer opgevuld. Maar goed. Nu april al weer flink op weg is, zouden ze toch iets moeten kunnen zeggen over juni. Of verwachten ze echt dat iemand in minder dan zes weken zijn leven (werk, gezin, financiën) voor de benodigde drie maanden revalidatie kan leegvegen en mantelzorg voor die hele periode kan organiseren? Het feit dat ik nog niks gehoord had, stemde me ook weinig gerust. Als je een patiënt inplant, dan bel je die toch meteen?

Ik bel het nummer van het ziekenhuis. De secretaresse neemt op. “Ik sta op de rol voor juni”, zeg ik. “Twee weken geleden zei u dat u nu wel een precieze datum zou hebben. Wat is die?”. De secretaresse aarzelt geen seconde: “Juni zegt u? Nee dat gaat het niet worden. Er zijn nog twee patiënten voor u en die moet ik eerst inplannen in juni”. Ik stok even en begin dan te stamelen: “Juni nog steeds niet ingepland? Nog steeds twee mensen voor me? Hoe kan dat? Die waren in mei toch al geweest? Of kruipen er mensen voor? En wacht even… ik niet in juni? Dan wordt het dus wéér een maand later”. Maar de secretaresse stelt me gerust: “Nee, u begrijpt het verkeerd”. O gelukkig. “U wordt niet in juli geopereerd, omdat de dokter dan geen operaties wil uitvoeren omdat hij eind juli een maand weg gaat en dan de nazorg niet meer zou kunnen doen. Rekent u maar op september”. De toon van de stem van de secretaresse ken ik. Het is dezelfde luchtige toon waarmee de supermarkt-manager je mededeelt dat het product dat je zoekt er helaas even niet is, maar morgen weer geleverd wordt. Zal ik er eentje voor u apart houden?

Ik sputter tegen en met dezelfde luchtigheid legt de secretaresse me uit dat het toch echt zo is. Ik hang op. September. September? September godverdomme! Nog drie maanden langer wachten! In september ben ik al een jaar uit mijn Real Life fase. Waarom ben ik nog steeds niet geopereerd? Waarom duurt het zo lang? Nou ja, dat weet ik wel: eerst verprutste het VUmc het omdat ze me niet op tijd naar de genitale ontharingsbehandelingen hadden gestuurd. En nu ben ik, na acht, negen zeer pijnlijke behandelingen helemaal kaal op de plekken die daar beneden kaal moeten zijn, en dan moet ik nog eens vijf maanden wachten? Drie maanden langer dan de drie maanden die ik nu al wacht op wat een ‘wachtlijst van drie maanden’ genoemd werd? Nee! Ik staar naar buiten en in de weerspiegeling van de ruit zie ik een zeer verschrikt gezicht. Ik zie tranen uit de ogen lopen. Het hoofd schudt heen en weer en laat zich plots zakken. Ik hoor gehuil. Heel hard gehuil. Ik voel niet alleen de tranen over mijn wangen lopen, maar ook het snot uit mijn neus.

Ik zit vast. Al negen maanden zit ik vast. Ik kan niet verder groeien als vrouw dan tot dit punt. Ik ben vorig jaar al in mijn pubertijd aanbeland. Ik ben sindsdien veertien jaar en meisjes van veertien horen hun lichaam en hun seksualiteit te ontdekken. Maar dat lukt me al negen maanden niet omdat er een lelijke piemel aan mijn lijf zit. En de chagrijnige, nare mannelijke fase van anticipatieangst waar ik nu al weken in zit, zou ik dan ook nog vijf maanden moeten volhouden? Dat kan echt niet. Dat kan echt niet. Alsof je je adem inhoudt en iemand steeds roept dat je dat nóg een minuutje moet volhouden. Godverdomme, dat kan echt niet! En wie zegt me dat het ook echt september wordt? Ik heb al eerder vooruitzichten gehad die ze vervolgens als in een Tantaluskwelling steeds voor mijn neus wegtrokken. Zolang ik geen concrete datum heb, kan het ook zo maar oktober worden. Of november… Dit komt niet meer goed. Dit komt echt niet meer goed. Godverdomme!

woensdag 6 april 2016

Anticipatieangst

Mijn keel maakt een geluid dat het midden houdt tussen grommen en zuchten. Mijn lompe lijf hijst zichzelf van de bank om naar de rinkelende telefoon te gaan. Ik zat net zo lekker. Dankzij het feit dat de telefoon in een van mijn handtassen was verstopt (maar ja, welke?) was ik net op tijd om te kunnen zien wie er ophing. Grrrr. Zonder terug te bellen kwakte ik de telefoon op de plek waar hij hoort te liggen en sjokte terug naar de bank. Ik wist, ik voelde, dat ik me mannelijk bewoog. Geen sprankje van de elegantie te bekennen die bij mijn vrouwelijke identiteit hoort. Ik was vandaag een man. Een chagrijnige man. Net als gisteren. En de dag daarvoor. En de dag daarvoor.

Het lijkt wel alsof ik vergeten ben dat ik besloten had als vrouw te leven. Het lukt niet meer. Ik beweeg zoals vroeger, ik praat zoals vroeger en ik ben zo chagrijnig als vroeger. Alhoewel dat laatste vast ook te maken heeft met mijn vermoeidheid. Het lijkt wel alsof de geschiedenis zich herhaalt. Aangezien het die neiging heeft, zal het wel. Wat er nu gebeurt lijkt erg op de periode voor de start van mijn Real Life fase. De maanden voor het moment waarop ik 100% van de tijd als vrouw ging leven en mijn dubbele identiteit opgaf, werd ik steeds prikkelbaarder. Mijn incasseringsvermogen daalde tot het niveau van een peuter en ik was moe. Heel moe. En het leek alsof het leven me juist steeds meer uitdagingen gaf, praktische en emotionele. Uitdagingen die ik eigenlijk niet aan kon. Ik had steeds het gevoel te bezwijken en mijn lijf onderstreepte dat met allerlei fysieke klachten en kwaaltjes.

Net zoals nu. Ik ben niet alleen moe, maar ik ben ook weer vaak duizelig. Die klacht had ik in het begin van mijn behandeling met testosteron-blokkers ook. De switch van Androcur naar Spironolacton verlichtte toen mijn klachten, maar het lijkt erop alsof mijn lijf nu resistent aan het worden is voor die pillen. Alsof de testosteron weer ruimschoots door mijn aderen stroomt. Mijn borsten lijken te slinken en ik meen weer steeds meer donkere baardharen te zien. Iets wat ik niet zo goed kan accepteren in mijn huidige ongeduldige staat.

Het is de kramp, de angst voor de grote verandering die aanstaande is. De angst om een belangrijke mijlpaal te slechten en niet meer terug te kunnen. Destijds was het de start van mijn brede sociale transitie, mijn volledige coming out. Nu is het mijn operatie die steeds dichterbij komt. Alsof mijn mannelijke geschiedenis nog even nadrukkelijk van zich laat horen: “Hallo, ik ben er ook nog!”. Ja, Man-ik dat weet ik. Je bent en blijft onderdeel van mij. Wil je nu alsjeblieft weer op de achterbank gaan zitten, in plaats van aan mijn stuur te trekken?

Ik sta op de rol voor een operatie in juni. Een concrete datum heb ik nog steeds niet gekregen, maar lang zal dat niet meer duren. Dat hoop ik en dat kan eigenlijk ook niet anders, want ik moet allerlei praktische voorbereidingen treffen voor de periode van drie maanden dat ik niet of nauwelijks kan werken. Dat kan ik niet pas twee weken van tevoren regelen. Volgende week kan ik bellen, dan is de dame van de planning weer terug van vakantie. Ik heb haar de afgelopen drie maanden regelmatig gesproken om een concrete operatiedatum te verkrijgen, maar tot nu toe zonder resultaat. Ik ben toe aan een datum. Een concreet punt om naar toe te leven. Uitzicht op het einde van deze nare, angstige aanloopfase waarin ik in een kramp lijk te leven. De kramp van de anticipatieangst; angst voor wat komen gaat: de onontkoombare nieuwe stap in het loslaten van een opgedrongen leven dat niet het mijne was en het omarmen van het onzekere nieuwe leven als vrouw waar ik voor gekozen heb.