woensdag 20 april 2016

Het zoete gif

Ik vermoedde het al. Twee dagen geleden appte ik met S. om af te stemmen wanneer ik de komende week langs zou komen in het ziekenhuis. Toen ik twee dagen dáárvoor bij hem was – hij was inmiddels overgeplaatst van het academische kinderziekenhuis waar we ons tweeëneenhalve maand geleden verenigden, naar het reguliere ziekenhuis in de stad waar hij bij mijn ex woont – had ik nog onvoldoende zicht op mijn werkafspraken, dus zou ik het via de Whatsapp met hem afstemmen. Maar toen ik dat dus twee dagen geleden deed, werd ik achterdochtig. Er speelde iets. Hij wilde niet dat ik vandaag zou langskomen omdat hij een drukke dag verwachtte te hebben. Zijn gezondheid was inmiddels dermate verbeterd dat hij af en toe een uurtje naar huis ging om te wennen aan een terugkeer. Een stage als het ware. Vandaag zou zo’n stagedag zijn en bezoek er bij zou hem teveel vermoeien. Ik schikte me en zei dat we elkaar dan lang niet zouden zien en dat we dan wel konden Skypen. Zijn reactie was: “We kijken even…”. Dit klopte niet. Deze plotselinge afwerende houding paste niet bij wat ik voelde als ik bij hem was. “Wat is er?”, vroeg ik hem en hij herhaalde zijn formulering. “Dat zal toch wel lukken?”, zei ik, “of bedoelde je: we kijken even wannéér we Skypen?”. “Ja”, antwoordde hij en hij sloot af met: “Ik ga ff een rondje rijden in de rolstoel”. Om mezelf gerust te stellen concludeerde ik dat zijn gekke formulering kwam omdat hij zijn aandacht niet bij ons gesprek had, omdat hij op het punt stond om op stap te gaan in het ziekenhuis. “Veel plezier!”, appte ik hem nog na. De achterdocht was even gesust.

Tot vandaag. Ik stuurde een bericht met de vraag of we konden Skypen. En toen bleek alle eerdere achterdocht op zijn plaats geweest: “Nee, ik heb besloten dat ik je even niet meer wil zien”. Bam. De dreun landde midden tussen mijn ogen. Ik moest moeite doen om niet knock-out te gaan. Knipperen met mijn ogen hielp. Ik voelde verontwaardiging opkomen in mij. Verontwaardiging die gefundeerd was op fatalisme, want het zakte weer meteen weg in een gevoel van opgeven. Dit was een verloren strijd. Ik vroeg hem, net als enkele dagen eerder, wat er aan de hand was. “Ik wil je gewoon niet meer zien”, zei hij. Ik antwoordde dat dat niet gewoon was en dat ik niet begreep waarom ons contact ineens moeilijker was geworden terwijl het al die tijd dat hij in het academisch ziekenhuis had gelegen juist zo goed ging. Toen ik dat schreef begreep ik het zelf al. Er was tussen ons niks voorgevallen dat ik als aanleiding kon zien; het contact verliep – gezien de situatie – behoorlijk ontspannen. Doordat hij nu dichter bij zijn leven buiten het ziekenhuis komt, wordt het conflict in hem groter. Hij voelt spanning bij de gedachte dat ik hem thuis ga opzoeken, omdat hij weet dat zijn moeder mij liever buiten beeld wil houden. Het neutrale terrein van het ziekenhuis, waar de regie bij de dokter en de verpleging ligt, werkt deëscalerend. Dat buffer is er thuis niet en hij is bang voor gedoe. De uitnodiging die ik een week eerder aan zijn moeder had gedaan, voor overleg om dat gedoe te voorkomen, was ontwijkend beantwoord. De puzzel was in één klap helder: mama wil geen overleg, ze wil juist papa het liefst op afstand houden; mama verzorgt me; papa blijft toch wel van me houden; ergo: papa moet weg. En zo was ik opnieuw kop-van-jut in het loyaliteitsconflict van mijn zoon.

Ik schreef hem dat ik niet blij was, dat ik (opnieuw) zijn wens zou respecteren en dat ik het niet begreep. Ik vroeg hem of hij het me kon uitleggen. Het antwoord kwam wat later via mijn ex, die zogenaamd positieloos bleef en – zoals vaker – onverantwoord veel verantwoordelijkheid bij S. legde: “In overleg met S. mag ik dit typen: het contact tussen jullie voelt voor hem niet goed. Hij zocht iets anders dan dat hij vond bij jou”. Pardon? Wat is dit? Dit zijn niet S. zijn woorden. Hij is overduidelijk weer eens gesouffleerd. Mijn ex heeft weer eens misbruik gemaakt van de afhankelijke positie waarin S. zit. Ze heeft hem woorden in de mond gelegd die niet de zijne zijn. Op zijn minst heeft ze hem niet geholpen om zijn gevoel ‘het voelt niet goed’ te proberen te doorgronden. Nee hoor; hij mag weer weg lopen van wat hij moeilijk vindt. Zonder er iets van te leren. Zonder uitleg te geven. Zonder verantwoordelijkheid te nemen. Het bekende patroon. Zo zichtbaar dat de arts en de maatschappelijk werker van het academische kinderziekenhuis allebei hadden uitgesproken dat mijn ex ‘te weinig sturing’ bood aan S. Maar ja. Daar blijft het dan bij. En nu trekt ze S. opnieuw haar bubbel in en raken ze weer los van controle en sturing van het ziekenhuis. En los van mijn invloed. En begint de cyclus opnieuw. En S. is opnieuw slachtoffer van dit zoete gif.

Ik smeet mijn telefoon in de hoek met net voldoende beheersing om te zorgen dat hij niet kapot viel. Maar dat bleek dan weer te weinig om af te reageren. Ik stond op en begon te vloeken. Ik liep onrustig heen en weer door mijn huis. Tot ik het niet meer hield en met een harde schreeuw keihard tegen de muur aan trapte. Om vervolgens huilend in elkaar te zakken. Ik ben weer mijn kind kwijt.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten