donderdag 30 juni 2016

Tieten

Langzaam rol ik op mijn zij en duw voorzichtig mijn bovenlijf schuin omhoog terwijl ik mijn benen uit bed laat glijden. Ik ben aan het opstaan, voor het eerst in 24 uur. De afgelopen dag heeft L. alles voor me gedaan. Thee gebracht, pillen gebracht, eten gebracht, liefde en aandacht gegeven. Ik lag hier mijn narcose uit te wasemen voor zover dat kon met de sterke pijnstillers die ik had. L. heeft ook een flink aantal keer de zak van mijn katheter geleegd. Maar ik voel me nu al best eventjes fit en wakker en mijn ‘zelf doen’ patroon is ook ontwaakt. Dus wil ik uit bed om mijn plaszak bij de wc te gaan legen. Het is ook goed om te bewegen. Dat is goed voor mijn fysieke herstel en mijn gevoel van eigenwaarde. Dus ik trotseer alle pijn, de stijfheid en de bewegingsbeperking van de pakking rond mijn schaamstreek en sta op. Heel voorzichtig waggel ik de vier meter naar de wc in de badkamer hier vlak naast mijn bed. Ik ga bij de wc-pot staan, houdt de katheterzak erboven en open het kraantje. Mijn opgespaarde urine klettert de wc in. Ik moet lachen. Als man heb ik vrijwel nooit staand geplast en nu ik geen piemel meer heb is dat zo ongeveer het eerste wat ik doe. Het leven zit vol humor.

Ik sluit het kraantje, schud mijn tijdelijke kunststof piemeltje even af en dep de laatste druppel met een wc-papiertje. Pff, dit was zwaar werk. Snel terug naar bed. Ik draai me om en zie mezelf in de spiegel. En ik schrik. Niet vanwege mijn vermoeide gezicht. Niet vanwege mijn ongewassen en ongekamde haren. Maar vanwege mijn borsten. Ze zijn kolossaal. Voetballen, zo groot lijken ze me. Dit zijn geen borsten. Dit zijn tieten. Tieten uit een slechte pornofilm. Sinds twee dagen geleden de strakke pakking van mijn borsten af ging had ik ze niet in de spiegel gezien. Ze leken me al erg groot, maar liggend in bed naar beneden kijkend gaf natuurlijk het niet het beste beeld. En ik wist dat ze na de operatie hard en gezwollen zouden zijn. Maar dit is meer dan hard en gezwollen. Dit is monstrueus. Het voelt alsof de rest van mijn lijf twee keer in die bulten past. Dit is uit verhouding. Compleet uit verhouding.

Ik roep L. Samen kijken we naar mijn borsten. Zij vindt ze ook groot, maar herhaalt de informatie dat ze gezwollen zijn en nog zullen krimpen. En na een paar maanden gaan ze meer hangen en dan vallen ze natuurlijker. Ze heeft gelijk. Dat gaat allemaal gebeuren. Maar ik vertrouw het niet. Dit lijkt wel een cup D en ik ging voor cup B. Heb ik nu echt twee cups wondvocht? Straks als ik thuis ben en weer mijn hormoonbehandeling mag hervatten, gaan mijn borsten juist ook nog datgene aangroeien wat ik de laatste maand kwijt was geraakt omdat ik voor de operatie moest stoppen met deze pillen. Hoe kan dit ooit nog een cup B worden? Ik begin te huilen. Dit is niet goed. Dit is niet goed. Ik heb te grote borsten. Tieten die mijn toch al brede mannelijke bovenlijf alleen maar benadrukken. Dit maakt me niet vrouwelijker. Dit maakt me lelijk. Heel lelijk.

Huilend strompel ik naar bed en L. komt naast me liggen en pakt mijn hand. Samen nemen we door hoe het ook weer zat met de protheses die ik in mijn bh droeg voor de hormoonbehandeling en de kipfiletjes die ik de laatste anderhalf jaar gebruikte om mijn eigen borstjes een beetje te boosten. 300cc en 150cc, zo had ik onlangs vastgesteld door ze in een maatbeker met water te gooien. En die nepborsten brachten me in beide gevallen te weinig boezem naar mijn zin dus ik moest ietjse meer laten plaatsen, zo had ik geconcludeerd: 400cc. Op advies van dr. Chettawut hadden we vorige week besloten tot 435cc omdat hij aangaf dat het uiteindelijke resultaat meestal zo ongeveer 20% kleiner zou ogen. Maar wat ik net in de spiegel had gezien was geen 20% kleiner, maar 100% groter.

Allerlei hypothesen schoten door mijn paniekerige hoofd. De dokter had de verkeerde maat geplaatst? Ik had thuis verkeerd gemeten? We hadden zijn opmerking over 20% kleiner verkeerd geïnterpreteerd en hij bedoelde eigenlijk 20% groter? Ik moest een tweede operatie! Deze implantaten moesten er zo snel mogelijk uit en er moesten kleinere in. Waarom wilde ik eigenlijk 400cc, terwijl ik de prothesen van 300cc vóór de hormoonbehandeling droeg toen ik nog geen eigen borstgroei had? Die 100cc extra had ik toch inmiddels ruimschoots van mezelf? Waarom had dr. Chettawut geen fatsoenlijke spiegel in zijn spreekkamer gehad waarop ik vooraf het resultaat wat beter had kunnen zien? Ik kon toch geen totaalplaatje krijgen via een handspiegel? Het totaalplaatje kreeg ik zojuist, hier in de badkamerspiegel in het hotel. Nu het te laat is.

woensdag 29 juni 2016

Mijn ivoren toren

Alle spulletjes die ik bij me heb hier in de kliniek passen in één kleine schoudertas. En vrijwel al die spulletjes zijn mijn hele verblijf in de tas gebleven. Ik was te moe voor wat dan ook. Trots van zelfredzaamheid draag ik nu deze tas over mijn schouder terwijl ik de kliniek verlaat. Een auto staat voor de deur en gaat me in tien minuten terugbrengen naar het hotel. Naast me loopt de Lieve Zuster met nog een tas. Een tas van de kliniek, volgestouwd met de eerste levensbehoeften van een net geopereerde transvrouw: antibiotica, spierverslappers, antizwellingspillen, pijnstillers in twee smaken, ondermatjes voor in bed, maandverband, een dilatatieset, glijmiddel en billendoekjes. En natuurlijk het speciale gesigneerde dr. Chettawut zitkussen: een donutvormig okergeel kussen waarop ik kan zitten om druk op het operatiegebied te voorkomen. Dat kussen zal na gebruik tijdens het autoritje een tijdje werkloos blijven, want in het hotel zal ik nog een week vooral bedrust moeten houden.

Ik loop wankel en waggel, net als een paar dagen geleden bij de interne verhuizing ondersteund door de zusters van de kliniek; vlugzout in de aanslag. “You strong patient”. Ik voelde me helemaal het mannetje (kan deze uitdrukking eigenlijk nog wel?) toen ik daarnet uit bed stapte, maar dit korte wandelingetje toont me wel dat ik me geen illusies moet maken: mijn lijf heeft een flinke opdoffer gehad door de operatie. Ik ben opgelucht wanneer de autodeur openzwaait en ik – op mijn okergele donut – er in ga zitten. Bestemming bereikt. Althans, de eerste halte.

Tijdens de rit durf ik mijn benen niet te ontspannen; ik druk me zo goed mogelijk in de rugleuning van de stoel om mijn nog dik ingepakte bekkengebied uit mijn kussen omhoog te duwen. Ik ben bang dat de vele hechtingen en verplaatste stukjes weefsel in mijn schaamstreek onder de druk van mijn eigen lichaamsgewicht zullen bezwijken. Ik wil niet tijdens dit ritje door het drukke verkeer van Bangkok mijn clitoris of een schaamlip verliezen, nog voor ik die überhaupt gezien heb. Chettawut’s chauffeur glimlacht naar me. “You OK?”, vraagt hij bijna minzaam. Ik ben natuurlijk niet de eerste vermoeide, onzekere en bange transtoerist die hij voor Chettawut vervoert.

Eenmaal bij ons hotel gekomen – een opvallende hoge toren waar we op de 14e verdieping een appartement hebben – kan ik iets ontspannen. Ik werk me uit de auto omhoog, geholpen door talloze handen waarvan ik niet weet waar die ineens vandaan gekomen zijn, en voor ik het weet zit ik in de klaargezette rolstoel. Op mijn donut natuurlijk. De afstand die ik hier moet afleggen voor ik weer in mijn hotelkamer ben is echt veel te groot om zelf te waggelen. In de kamer wacht L. op me. Ik krijg een kus en een knuffel en ze begeleidt me naar mijn bed. Mijn gespreide bedje. Met veel gezucht en gekreun ga ik liggen. Ik ben gesloopt. Maar ik heb het gehaald. Ik ben in het hotel. Voorlopig ga ik nergens meer heen. Ik lig op bed, het slangetje van mijn katheter slingert vanuit mijn bekkenpakking onder de deken vandaan naar de grond. Daar ligt de opvangzak voor mijn urine. De zak die L. regelmatig voor me zal moeten legen, naast de vele andere taken die haar te wachten staan. Ik ben blij bij haar te zijn. De komende dagen trek ik me terug in deze ivoren toren en geef me over aan de verzorging, liefde en aandacht van mijn allerliefste hartsvriendin.

dinsdag 28 juni 2016

Uitpakken

De afgelopen dagen waren een aaneenrijging van slapen, wakker worden voor een pil, slapen, wakker worden voor bloeddrukonderzoek, slapen, wakker worden voor vloeibaar eten, slapen, wakker worden voor een knuffel van L. (oh, is het alweer bezoekuur?), slapen en wakker worden om tanden te poetsen om te gaan slapen. In drie dagen tijd heb ik ongeveer evenzoveel levels van Candy Crush gespeeld, dus erg actief was ik niet. Behalve gisteren.

Gisteren ben ik van de verkoeverkamer naar mijn eigen kamer gegaan. Vanwege mijn bloedverlies moest ik een dagje langer op de verkoeverkamer blijven, maar uiteindelijk mocht ik dan toch naar mijn eigen kamer gaan. Lopend, welteverstaan. Ik werd daarbij ondersteund door drie kleine Thaise verpleegsters waarvan je je kon afvragen of die mijn gewicht wel konden dragen in geval van nood. Maar ik vroeg me niks af. Als de verpleegsters het vertrouwden, waarom zou ik dat dan niet doen? Dus ik stond op en liep gewoon van kamer A naar kamer B. Nou ja, gewoon… ik schuifelde, voetje voor voetje. Wiebelde. Bibberde. Twee wattenstaafjes met vlugzout onder mijn neus hielden me bij bewustzijn.“You strong patient”, zeiden de zusters. Ja ja.

Vandaag was ik jarig en L. bracht cadeautjes voor me mee, van haarzelf en iets dat R. bij het afscheid nemen op Schiphol ongezien nog snel aan L. had gegeven. Ik voelde me geliefd en toch een beetje jarig, dwars door het delirium van de Tramadol pijnstillers heen. Later op de dag kwam de verpleegster de pakking van mijn borst verwijderen, inclusief de drains. Ik mocht mijn belangrijkste cadeau van de dag niet eens zelf uitpakken. Met een schaar knipte ze het verband door en in een pijnlijke zucht van ontspanning kwamen mijn borsten tevoorschijn. Ik schrok er van. Wat groot! Een paar dagen geleden had ik nog een vrijwel mannelijk torso (omdat mijn borsten door het stoppen van de hormoonbehandeling vrijwel helemaal waren gekrompen) en nu zaten daar ineens die… dingen. Wauw. Ze stonden rechtovereind en waren knalhard. Veel en geduldig masseren zou dat langzaam moeten verminderen en na een paar maanden zouden ze natuurlijker vallen en voelen, dat wist ik wel. Vooralsnog deden ze vooral pijn. Ik streelde de strakgespannen huid om kennis te maken en huilde. Eindelijk borsten. Nog niet mijn borsten. Ze voelden nog vreemd, maar het waren borsten. Dat ze zo groot lijken komt door de plotselinge overgang en misschien zijn ze nog iets gezwollen van de operatie. Komt wel goed; het worden vast nog wel mijn borsten. Tevreden dutte ik weer in slaap.

Aan het eind van de dag kwam dr. Chettawut me vertellen dat ik morgen naar het hotel overgebracht zou worden om verder te herstellen. Maar dat deed hij niet voordat hij met zijn voltallige staf een verjaardagsliedje voor me gezongen had. Hieperdepiep… Hoera!

zondag 26 juni 2016

Verkoever

Het licht is gedimd in de kamer. Ik open mijn tweede oog om beter te kunnen zien. De kamer komt me niet vreemd voor, maar van herkenning kan ik ook niet echt spreken. Eigenlijk vind ik er niks van. Voor ik me kan afvragen waarom ik wakker werd, verdwijn ik weer in een mistige slaap. Dit wiegen tussen slaap en waak herhaalt zich een aantal keer totdat ik zo helder ben dat ik meer registreer dan het gedimde licht in de kamer. Ik voel een grote druk op mijn borst. Pijn. Ik zie een groot wit verband er strak omheen gewikkeld. Over de rest van mijn lijf ligt een deken, tenminste ik neem aan dat daar de rest van mijn lijf is; ik voel er namelijk niks. Ik til mijn hand op omdat mijn gezicht jeukt. Mijn arm is zwaar. Dat zal niet door het gewicht van het infuus zijn dat er in zit. Een beetje wiebelend raakt mijn hand mijn gezicht en ik ontdek een slangetje dat zuurstof mijn neus in blaast.

De deur gaat open en de Lieve Zuster komt de kamer binnen. Ze streelt mijn arm en haalt haar hand door mijn haar. “Lisa”, zegt ze. “Lisa are you awake?”. Ze herhaalt de informatie die ik voor de operatie al had gekregen: dat ik wakker zou worden met drains in elke borst en bij mijn vagina. Dat alles strak ingepakt zou zijn. Dat ik een epiduraal infuus voor pijnstilling zou hebben dat mijn hele onderlijf praktisch bewegingsloos en gevoelloos zou maken. Dat ik een infuus in mijn arm zou hebben en pijn in mijn keel vanwege de beademingsbuis. Check. Alles klopte. Alles was er inderdaad. De zuster vraagt of ik misselijk ben en ik schud van nee. Ze haalt het zuurstofslangetje weg en bied me wat te drinken aan. Ik richt me op om beter te kunnen drinken. Ik voel me een vis op het droge die niet veel meer dan een paar zijvinnetjes heeft om zich te verplaatsen, maar het lukt. “You strong patient”, lacht de Lieve Zuster. Ik drink; door een rietje. Of het water, melk of whisky is zou ik je niet kunnen zeggen. Het is vast water. Ik laat me weer zakken en doezel weg.

Even later ben ik weer wakker en kijk de kamer rond. Ik ben duidelijk wakkerder nu. Dr. Chettawut komt binnen, pakt liefdevol mijn hand en zegt: “The surgery went very well. But you lost a lot of blood”. De zuster aait weer over mijn bol en er wordt iets gezegd over dat ik langer op de verkoeverkamer moet blijven. Het zal wel. Ik lig hier prima. Ik sluit mijn ogen en slaap weer in.

zaterdag 25 juni 2016

Breathe deeply in and out

Dezelfde gebouwen schuiven voorbij. Dezelfde taxichauffeur zit vriendelijk lachend achter het stuur. Ook L. zit weer naast me. Maar het ritje is totaal anders dan drie dagen geleden toen we naar het intakegesprek met dr. Chettawut reden. Toen kletste ik honderduit van de zenuwen, maar nu ben ik stil. Mijn hand spreekt boekdelen: liggend in de hand van L. roep ik om hulp. Ik ben bang. Zo meteen gaat het gebeuren. Zo meteen krijg ik De Grote Operatie waar ik al jaren naar toe heb geleefd. De operatie die mijn lichaam definitief zal veranderen. De operatie die van mij volledig vrouw zal maken. Een hartenwens die intimiderender is geworden hoe meer de realisatie ervan dichterbij is gekomen.

Bij binnenkomst van de kliniek moeten L. en ik meteen afscheid nemen. Dat overvalt ons. Ik had graag nog even L.’s handje vastgehouden. Nu moet ik het met Beer doen. Ook fijn, maar toch niet hetzelfde. Maar er zit niks anders op. Ze hebben het hier in de kliniek al honderden keren gedaan, dus het zal wel goed komen. De Lieve Zuster (elk ziekenhuis heeft wel zo’n eindeloze bron van liefde rondlopen) neemt me mee naar boven nadat ik mijn slippers heb vervangen door fijne slofjes om het straatvuil beneden te houden. Binnen vijf minuten ben ik uitgekleed en heb ik een operatieschort aan en een haarnetje op. Even bekruipt me het gevoel dat dit allemaal wel heel snel gaat en dan zegt de lieve zuster: “you lie down here, I will come and shave the surgery area soon”. Ik ga op het bed liggen, wordt lekker toegedekt door de zuster en ze wrijft nog even over mijn arm voor ze de kamer verlaat. Het zou niet hebben misstaan als ze me ook nog een kus op de wang had gegeven en me welterusten had gewenst, zo huiselijk gaat het er aan toe. Het stelt me op mijn gemak. Rustig neem ik de ruimte in me op: een kleine, functionele, wat kale ruimte. Om het wat op te fleuren stal ik wat dierbare spulletjes uit op het tafeltje naast me, zodat ik die zie als ik straks weer wakker word.

Ik hoor stemmen op de gang en de deur gaat open. Daar is de zuster met het scheermes en ze scheert mijn hele schaamstreek kaal. Het geeft me rillingen, alsof het nu pas tot me doordringt waar de operatie eigenlijk uitgevoerd gaat worden. Ze verdwijnt weer, richting de andere stemmen op de gang. Ik sluit mijn ogen en adem diep. Ik ben ontspannen en toch huil ik. Een leeg universum dat alleen gevuld is met verwachtingen van wat komen gaat. Alsof je van de duikplank bent gesprongen en weet dat je ooit het water zult raken, maar niet wanneer en hoe hard. In dat tussengebied krimpt alles ineen in één punt van stilte en totale overgave.

Daar is de zuster weer. “Come”, zegt ze monter en ze neemt me bij de arm alsof we gezellig samen een terrasje gaan pakken. Ik loop met haar mee en een deur zwaait open. De operatiekamer. Drie in groen geklede mensen kijken me aan. Iedereen hier is zo lief en vol aandacht voor me. Eentje steekt zijn hand uit en stelt zich voor als anesthesist. Ik kijk in zachte vriendelijke ogen terwijl hij over mijn hand wrijft. Ik lach vriendelijk terug en praat wat over dat hij wel een paar mooie dromen voor me mag maken. Dr. Chettawut is er niet bij. Eerst heeft de anesthesist nog het nodige met me te doen. Ik ga op het operatiebed liggen en hij wrijft en klopt teder over de rug van mijn hand. Het voelt geruststellend maar ik snap heel goed dat hij op zoek is naar een geschikte ader voor het infuus. Mijn andere arm wordt liefjes gemasseerd door de Lieve Zuster. Een van de operatieassistenten staat naast mijn hoofd met een zuurstofkapje. Er wordt een bloeddrukmeter om mijn arm geschoven, een hartritmeklem op mijn wijsvinger gezet. Er verschijnen plakkers op mijn borst. Straks, nadat ik slaap, zal ik nog een buis in mijn keel geschoven krijgen voor beademing en zal de anesthesist nog een epiduraal infuus aanbrengen; pijnstilling via mijn ruggenwervel waardoor ik vanaf mijn middel verslapt en vrijwel zonder pijn zal zijn. Ook als ik weer wakker wordt.

Maar zover is het nog niet. De anesthesist praat tegen me. “Relax. I will give you this injection and it will feel cold. You just breathe deeply in and out”. Ik realiseer me dat het moment gekomen is. Ik draai mijn hoofd rond om voor de laatste keer de ruimte in me op te nemen waarin ik geopereerd ga worden en een voor een kijk ik de mensen aan die daarbij gaan assisteren. Ik ben er klaar voor. Ik kijk weer naar de anesthesist die mijn gedachten in mijn ogen leest en de injectie toedient. Ik voel de ijzige vloeistof door mijn hand naar mijn onderarm stromen. “Yes it is indeed very cold”, zeg ik nog lachend. “You just breathe deeply in and out”, zegt de vriendelijke anesthesist. De assistente komt dichterbij met het mondkapje en ik adem diep in en…

Tijdperk

Nog anderhalf uur wachten en dan worden we naar de kliniek gebracht. Ik had gehoopt mijn voorbereidingen naadloos te kunnen laten aansluiten op dat moment, zodat ik niet hoefde te wachten. Maar helaas was mijn nacht zo kort dat inmiddels alle voorbereidingen achter de rug zijn. Ik heb zojuist mezelf gedoucht, mijn gezicht, oksels en benen geschoren, mijn haren gewassen en mijn nagels verzorgd. Want daar zal het voorlopig allemaal niet van komen. Ik deed alle handelingen heel kalm en geconcentreerd, want ik wilde heel bewust deze aandacht aan mijn lichaam geven. Mijn lijf krijgt nogal wat te verduren de komende uren. Beter maar even extra lief tegen zijn.

Terwijl ik douchte voelde ik me zwaar en melancholiek. Ik beleefde dit dagelijkse ritueel als iemand die op weg is naar de galg. Mijn vreselijk knorrende maag herinnerde me eraan dat mijn galgenmaal al weer drie dagen geleden was. Gelukkig kan ik al die handelingen straks gewoon weer doen, ook al gaat het nog wel even duren. De komende week zal mijn kruis ingepakt zijn om zwelling en infectie te voorkomen en de weken daarna mag ik niet douchen. Maar het ritueel van vanochtend wordt vanzelf weer een dagelijks ritueel. Op één ding na.

Nadat ik mijn lichaam goed had ingesponst met ruim schuimende douchegel, spoelde ik met de waterstraal alles van mijn lichaam af. Automatisch pakte ik mijn piemel vast. Toen stokte ik. Ik realiseerde me dat dit de laatste keer ging zijn dat ik hem waste. Ik trok mijn voorhuid tussen duim en wijsvinger naar achteren en terwijl het warme water van de douche mijn eikel waste, gleden tranen over mijn gezicht.

Het tijdperk van de piemel is voorbij. Een tijdperk waarin, tegen mijn wil, een identiteit ontwikkelde als man en daar voor het oog van de buitenwereld succesvol in was. Dit tijdperk wordt nu met terugwerkende kracht gesymboliseerd door mijn piemel. Hij was me vaak tot last en het duurde lang voordat ik hem kon zien als onderdeel van mijn lichaam. Maar mijn piemel bracht me ook mooie momenten in intimiteit met vrouwen. En mijn piemel bracht me S. Ik mis hem. Hij mist mij ook, dat weet ik. Als we elkaar later weer ontmoeten (wat ik hoop en waar ik vanuit ga) dan ben ik een vreemde voor hem. Dit proces is voor mij zo transformerend, dat hij me niet meer terug zal kennen. En dan bedoel ik niet het fysieke aspect. Het feit dat hij dan zal weten dat ik geen piemel meer heb maar een vagina, zal hem voorzichtig maken denk ik. Uit angst voor het onbekende. Ik ben geen onbekende, maar ik ben verder getrokken in mijn leven. Net als hij dat zal zijn. Mijn hart breekt bij het besef dat we dat dan niet samen hebben kunnen doen.

Queeste

Het gonst in mijn hoofd. Ik heb een onrustige vijf uurtjes geslapen. Niet echt gepiekerd, geen nachtmerries gehad. Maar wel erg onrustig. Spieren in mijn lijf zijn stijf. Ik voel stress. Stress over mijn operatie vandaag. Morgen heb ik het lichaam van een vrouw. Weliswaar nog flink ingepakt en voorzien van katheter en drains, maar het is het lichaam van een vrouw. De grote transformatie is dan voltrokken. Het elixer verkregen, zoals Joseph Campbell het noemde in zijn boek De held met de duizend gezichten. De mythen van de wereld – uit alle tijden – voltrekken zich volgens een universeel patroon, zo toonde Campbell aan. Ontvlamd door een grote inspiratie gaat de held alleen op reis – dierbaren achterlatend. Hij ontmoet zowel ontberingen en tegenslagen als vrienden die hem helpen. Uiteindelijk vind hij het elixer, de morele schat (een beetje held gaat tenslotte voor iets hogers dan zelfverrijking), en keert hij huiswaarts. Om daar te merken dat de reis hem zo veranderd heeft dat hij niet meer terug kan in zijn oude leven.

In zekere zin is mijn operatie ook wel zo’n archetypisch heldenverhaal. Mijn fundamentele inspiratie een vrouw te willen zijn bracht me naar dit verre, vreemd oord en ik liet ook dierbaren achter. Althans, het voelt alsof de operatie me verder van S. verwijdert. Ik ontmoette vele tegenslagen, zowel tijdens de voorbereidingen als tijdens de reis zelf (dure nieuwe tickets moeten kopen vanwege het missen van een aansluiting staat me nog vers in het geheugen). Vrienden als L. (en Y. die later nog hierheen zal komen) helpen me onderweg. Vandaag zal ik van magiër Chettawut het elixer ontvangen: een vrouwenlichaam. De weken van herstel die volgen zijn onderdeel van de overdrachtelijke thuisreis zoals Campbell bedoelde. Wanneer ik over een week of vier daadwerkelijk thuis ben begint – volgens lotgenoten – langzaam de nieuwe werkelijkheid door te dringen dat het leven fundamenteel veranderd is. Dat ik fundamenteel veranderd ben. Dat mijn queeste ten einde is.

Maar eerst moet ik nog het elixer bemachtigen. Een heilige graal uit een grot veroveren. Een ring in een vulkaan smijten. Een geslachtsaanpassende operatie ondergaan. Volgens Campbell wordt de held vlak voor het grijpen van het elixer vervuld van twijfel. Een onbewust vermoeden dat hij nooit meer hetzelfde zal zijn, doet de held aarzelen. Zal hij het doen? Ja natuurlijk doet hij het, de lokroep waarmee het avontuur ooit begon is te sterk. De held doet het. Ongeacht de consequenties. Omdat hij nu eenmaal niet anders kan.

vrijdag 24 juni 2016

Ik ben er klaar voor

Voor de zoveelste keer vandaag loop ik van de wc terug naar de woonkamer in onze hotelsuite; het laxeren is dankzij twee keer een flink glas afgewerkte motorolie (althans, zo smaakte het) flink op gang. Mijn darmen zijn inmiddels leeg en zo goed als schoon. Mijn ontlasting is niks meer dan een plens water die lichter gekleurd is dan urine. Mijn darmen zijn er klaar voor.

In de woonkamer ga ik naast L. op de bank zitten. We praten wat over de betrekkelijke rust waarmee ik de laatste dagen heb doorgebracht. Niet eten, laxeren en op de drempel van een ingrijpende operatie. En dan, op een paar emotionele uitbarstingen na, zo rustig. Ben ik er klaar voor, vragen we ons af. Ik leg mijn hand op haar knie en kijk L. aan. Onze vijfentwintig jaar vriendschap heeft een flinke ontwikkeling doorgemaakt. Bijna parallel aan de ontwikkeling die ik heb doorgemaakt. Ik ben blij dat zij hier is. Bij mij. Met mij. Voor mij. Terwijl ik haar in de ogen kijk, probeer ik te ontdekken of ik me hulpbehoevend voel. Of bang. Of verdoofd. Nee. Ik voel me helder. Heel helder. Misschien is het een effect van de onvrijwillige detox kuur die ik nu doe. Misschien toont het waar ik sta in mijn proces.

Terwijl ik me dat afvraag voel ik een drukverschil optreden in mijn lijf. Als een aanstormende Bangkokse regenbui voel ik een emotie opwellen. Ik adem diep in om hem toe te laten. En ik begin te huilen. Heel hard en onbedaarlijk jammerend. L. slaat haar arm om me heen. Ze pakt mijn hand in de hare en legt deze bij haar op haar op schoot. In die koestering sluit ik mijn ogen om beter te kunnen voelen dat ik huil en dat mijn lijf schokt en trilt. Primitieve, premature tranen stromen uit mijn ogen. Ik stel me voor dat ik heel groot ben. Heel breed vooral; in mijn borst en in mijn bekken. En dan, als een explosie, wolkt de emotie van onderaf door heel mijn lijf. Ik stop met huilen en voel de trilling van de emotie, alsof deze een chemische reactie aangaat mijn stoffen in mijn lijf. Dat moest haast wel echt zo zijn, want er komt heel veel warmte vrij; die voel ik van boven naar beneden stromen. Ik begin hortend en stotend te zuchten en bij elke zucht voel ik mijn lijf ontspannen. Voel ik mezelf op aarde komen; stoppen met zweven. Wanneer mijn voeten allebei de grond raken zucht ik diep en beginnen mijn ledematen te schokken als bij een slapende hond. En net als bij de hond het schokken gepaard gaat met het via dromen verwerken van alle indrukken, voel ik bij elke schok een stukje gewicht uit mijn rugzak verdwijnen. Alsof ik letterlijk iets loslaat en lichter wordt. Een lichtheid die me niet doet zweven, maar juist doet landen. Landen hier op aarde. Landen in mijn lijf. Landen in mezelf.

Deze hele cyclus herhaalt zich een paar keer in verschillende tinten: boosheid, wanhoop, verdriet, totale paniek, blijdschap. Terwijl het zich voltrekt stel ik af en toe L. gerust dat ik deze sensaties en deze schokken ken, hoewel nauwelijks zo intens. Ik ben aan het loslaten, dat is duidelijk. Loslaten van mijn leven als man, van de frustratie geen vrouw te zijn, van de boosheid afgewezen te zijn als kind, van het verdriet S. en M. te zijn kwijtgeraakt tijdens mijn transitie. Ik laat de angst los dat het resultaat tegenvalt, dat ik de rest van mijn leven bezig blijf met deze transitie zonder ooit het punt te bereiken dat ik ‘gewoon’ kan leven. Ik laat de boosheid los dat het lot mij zo’n moeilijk pad heeft gegeven.

Bij mijn laatste zucht voel ik opluchting. Diepe en grote opluchting. Als een echo schokt af en toe nog een ledemaat wat na. Ik voel me vol en warm. Helder en fit, ondanks het feit dat ik de afgelopen nachten erg slecht heb geslapen en dat ik al drie dagen niks heb gegeten. Ik voel rust. Ik kijk L. aan en zeg: “Ja, ik ben er klaar voor. Ik ben er helemaal klaar voor”.

donderdag 23 juni 2016

Ramadanders

Het glas voelt warm in mijn hand. Terwijl ik gedachteloos naar buiten staar naar de dagelijks terugkerende avond-hoosbui van het Bangkokse regenseizoen, neem ik een slok. Ik proef heerlijke kippenbouillon, die me in de lach doet schieten. Kippenbouillon? Was dat maar waar. Het is gewoon een glas heet water met wat zout. Een hoogtepunt in mijn zeer beperkte menu. Ik heb al twee dagen niks gegeten als voorbereiding op mijn operatie. De darmen moeten helemaal leeg zijn, zodat dr. Chettawut ruimte heeft om te manoeuvreren bij maken van de holte van mijn vagina. Ook is het fijn dat, mocht hij toch per ongeluk in de dikke darm prikken, er niet meteen allemaal ontlasting in het operatiegebied loopt. De kans op infecties is van zichzelf al groot genoeg. Daarom mag ik sinds gisteren niets meer eten en alleen heldere vloeistoffen drinken. Let wel: dat zijn vloeistoffen waar geen vetten, eiwitten of vezels in mogen zitten. Dus eigenlijk alleen maar water met suiker, zout en/of smaakstof. Mijn menu bestaat dus uit enkel thee, water en energiedrank. Dat laatste is natuurlijk om er voor te zorgen dat ik niet van mijn houtje ga. Na de operatie is het menu nog zeker een dag of vier hetzelfde. De benedenboel wordt strak ingepakt in een pakking om zwelling te voorkomen. Goed idee natuurlijk, behalve dan dat ik dus niet kan poepen. En niet poepen betekent niet eten. Gelukkig mag ik twee dagen voor de pakking er af gaat mijn menu weer uitbreiden met bouillon en vruchtensap.

Het is best te doen om niet te eten, zolang je maar niet gaat tellen hoe vaak je aan eten denkt. Vandaag trok ik er met L. op uit om nog iets van Bangkok te zien voor ik het ziekbed in moet: het Koninklijk Paleis en het tempelcomplex Wat Pho. Precies de afleiding die ik nodig had, ware het niet dat ik de hele dag overal eten zag en rook. Steeds opnieuw trok mijn hongerige buik verlangend samen. En steeds opnieuw suste ik mijn spijsvertering eventjes met een flinke slok Gatorade.

Terwijl het buiten hoost en bliksemt, besef ik me dat mijn hunkering naar eten langzaam wel sterker begint te worden. Ik had niet verwacht te gaan hallucineren, en zeker geen waanbeelden van kippenbouillon, maar het gebeurde zojuist toch. Na twee dagen vasten – Ramadanders: een soort Ramadan, maar dan anders – begrijp ik iets meer waarom in veel religies vasten gezien wordt als een spiritueel offer: het vraagt heel wat zelfbeheersing om alle verleidingen te weerstaan en om helder van geest te blijven. Net als in de spirituele tradities is mijn vastenperiode ook bedoeld om een transformatie van het oude naar het nieuwe mogelijk te maken. Schoon schip maken. Boete doen voor alle zondes uit het verleden en jezelf reinigen om dichterbij het licht te komen. Alleen reinig ik me niet van zondes, maar van een verleden als man dat ik met de operatie over twee dagen definitief afsluit.

woensdag 22 juni 2016

Dr. Chettawut

Omdat we gisterenochtend in de lobby van het hotel toch wat ongerust werden over de taxi die maar niet kwam om ons naar dr. Chettawut te brengen, checkte ik de papieren die we op het vliegveld van de medewerker van de kliniek hadden gekregen. Daarin stond toch echt duidelijk… dat we ons vergist hadden. De afspraak was niet op dinsdag maar op woensdag. Kennelijk had de intensieve reis haar tol geëist van de prefrontale cortex van zowel L. als van mij. We hadden het allebei verkeerd gelezen. Dat betekende dat we een dagje onbezorgd toeristisch konden doen.

Vandaag stond de taxichauffeur dus wel op ons te wachten toen we na het ontbijt de lobby in liepen. Na elkaar beleefd “Sawadee ka” toegeknikt te hebben, stapten we in de taxi. De chauffeur zette vrijwel meteen een cd-tje aan met ontspannende new age muziek. “Dit is vast op instructie van Chettawut om de patiënt al een beetje op het gemak te stellen”, lachte ik naar L. Mooie mindtrick natuurlijk, want ik was het zelf die zenuwachtig was: mijn vingers bleven maar met mijn kettinkje spelen en ik babbelde honderduit. Na tien minuutjes waren we bij de kliniek. Een nette – ietwat saaie – gevel in een straat met winkels. Als je niet zou weten dat daar vagina’s gemaakt werden, zou je er zo aan voorbij lopen. Binnen wachtten twee allervriendelijkste assistentes op ons. Ik voelde dat de “Welcome, how are you?” geen beleefd Aziatisch automatisme was, maar werkelijk gemeend was, dus ik antwoordde eerlijk: “Nervous”. Om mij op mijn gemak te stellen begonnen ze een geanimeerd gesprek over hoe het hotel ons beviel, maar ze merkten wel dat ik daar vanwege mijn zenuwen niet veel mee kon. Ter zake dus: er moest nog het nodige papierwerk afgehandeld worden.

Na tien minuutjes werd ik meegenomen naar de spreekkamer van de dokter. Mijn slippers moesten uit en ik kreeg mooie (en vooral schone) pantoffeltjes aan. Dat gaf wel vertrouwen, hygiënegewijs. De smalle deur naar de net zo smalle spreekkamer ging open en daar stond hij: dr. Chettawut. De man die van mijn penis een vagina gaat maken. De man die mijn borsten gaat vergroten tot mooie vrouwelijke proporties. Hij zag er net zo vriendelijk en zacht uit als op de foto’s die ik van hem had gezien. Het bleek dat we allebei graag cultuurverschil wilden overbruggen: hij stak zijn hand uitnodigend uit op hetzelfde moment waarop ik mijn handen tegen elkaar voor mijn borst hield en “Sawadee ka” zei. Ik lachte en ik meende te zien dat hij dat ook deed. Toen schudde ik zijn hand. Warm en zacht. Fijn. Ik keek hem diep in de ogen en zei hem dat ik dankbaar was dat hij me kon en wilde helpen. Ik voelde zijn kalmte, aanwezigheid en gerichtheid op mij. Hij was er voor mij en ik was in goede handen; twee dingen die ik bij de Nederlandse transgenderzorg nogal eens gemist had. Ik voelde mijn zenuwen wegglijden als een te warm geworden ijsje van zijn stokje. Toen hij even later vroeg of ik me wilde uitkleden, voelde ik dan ook geen enkele gêne, trok mijn jurk, ondergoed en bh uit. Dr. Chettawut maakte foto’s en keek naar de staat van het bronmateriaal. “No extra skin groin needed”, zei hij. Gelukkig, mijn scrotumhuid was groot genoeg om de vagina voldoende diep te kunnen maken. Ik was blij dat ik vroeg was begonnen met het afbouwen van de hormonen, zodat mijn testikels weer gingen groeien. En blij dat ik al een maand elke ochtend onder de douche aan mijn balzak had staan trekken om de huid op te rekken en soepel te maken. Als er te weinig huid is, dan haalt de dokter een stuk uit de lies en dat betekent extra werk (dus extra kosten) en extra littekens in mijn lies en aan de binnenkant van mijn vagina. Fijn dat dat niet nodig is.

Daarna pakte hij een doos met wat er uitzag als een lading aangespoelde kwallen. Het waren de borstprothesen, in allerlei maten. Ik had gelukkig een bh meegenomen uit de tijd dat ik nog volledige siliconenborsten in mijn bh droeg. De omvang die ik toen had beviel me wel, maar toen mijn eigen borsten gingen groeien, paste dat niet meer en moest ik kipfiletjes gaan gebruiken. Maar daarmee vulde ik die cup B niet meer en moest ik terug naar A. En door het afbouwen van mijn hormoonbehandeling waren mijn borstjes nog verder geslonken tot de troosteloze aanblik die ze nu hadden. Dus daar stond ik: mijn oude bh aan, met in elke borst een andere maat prothese en in elke hand andere maten om te proberen. Alsof ik nieuwe schoenen ging kopen. L. zat naast me een keek mee zoals ze dat ook in de schoenenwinkel gedaan zou hebben. We waren er snel uit: 435cc zou het worden. “Dat wordt bij jou een cup B”, zei Chettawut. “Precies wat ik wilde”, zei ik tevreden. Daarna spraken we nog over de operatie, de voorbereiding en de nazorg. Aangezien de operatie vergt dat mijn darmen helemaal leeg zijn, mag ik drie dagen lang niks eten en alleen heldere vloeistoffen drinken. In essentie dus een dieet van enkel water, suiker en zout. In de praktijk Gatorade en thee.

Een kwartiertje later zaten L. en ik in een cafeetje thee te drinken alsof er niks gebeurd was. Maar aan de hyperactieve opluchting waarmee ik alles nog eens zat te bespreken was duidelijk te zien dat het heel spannend voor me was geweest. Met de assertieve flair die me de laatste paar jaar steeds eigener was geworden, had ik me door het gesprek met Chettawut heen gebabbeld. Maar stiekem voelde ik de grootsheid van het moment achter dat masker drukken. Bij de thee kwam deze emotie er – gesublimeerd in hyperactief gebabbel – al een beetje uit. Maar het zou tot de avond duren voor de echte tranen kwamen. Ik had de man ontmoet die van mij een vrouw gaat maken. De laatste fase is gestart. Jippie!

maandag 20 juni 2016

Trui

Vanaf de veertiende verdieping van het hotel kijk ik naar buiten. De lucht is pikkedonker. Beneden beweegt het nachtelijke autoverkeer van Bangkok zich over de wegen alsof het niet midden in de nacht is. Regen klettert over de nachtelijke forensen neer. Het is hier regentijd en de donkere hemel wordt elke paar minuten opgeflitst door bliksem. Ik hoor geen donder. Misschien omdat die te ver weg is, of omdat het geluid overstemd wordt door het gezoem van de airco. Want ondanks het late uur en het regenachtige weer voelt de lucht hier buiten nog als een warme trui.

Ik kan niet slapen. Misschien is het jetlag. De reis hierheen was best enerverend en vermoeiend. L. – die me de eerste helft van mijn verblijf hier zal verzorgen – en ik misten onze overstap in Istanbul waardoor we daar vijf uur langer moesten wachten en in totaal € 2000,- extra moesten betalen voor nieuwe tickets. Ik was zo blij met de opbrengst van mijn crowdfunding, maar dat geld verdampte snel op deze manier. Kennelijk wordt niet alleen je gemiste vlucht geannuleerd als je niet op tijd komt, maar ook de meegeboekte retourvlucht. Deze luchtvaartlogica ontgaat mij volkomen, maar goed. Het leverde in elk geval een lange zoektocht over het vliegveld van Istanbul op voordat we eindelijk de persoon gevonden hadden die ons dit slechte nieuws kon vertellen. Lamgeslagen door dit bericht en moe van alle stress en wachttijd vlogen we dan uiteindelijk toch nog door naar Thailand. Het fijne afscheid op Schiphol, waar niet alleen L.’s man en kinderen, maar ook R. en haar lieve zoontje ons uitzwaaiden (en -knuffelden) leek al weer lang geleden. Sterker: het wás ook al weer lang geleden; toen we gisteren in ons hotel aankwamen was het 24 uur nadat ik thuis vertrokken was. We douchten, deden wat boodschappen, aten lekker Thais en gingen op tijd naar bed. Maar inmiddels ben ik al weer een uur wakker. Over vijf uurtjes moeten we opstaan. We gaan opgehaald worden door de taxi van de kliniek voor het intakegesprek met dr. Chettawut. Dat wordt eerste keer dat ik de man ga ontmoeten die mij een vagina gaat geven. En grotere borsten. De man die een nieuwe fase in mijn proces in gaat luiden. Doodeng. Het is niet de jetlag die me wakker houdt; het is het besef wat ik hier kom doen.

Gisteren heb ik een paar momenten gehad waarop ik de paniek die ik hierover voel even kon toelaten. Traantjes en een knuffel van L. volgden. Ik ben erg blij dat ze hier is om me te steunen. De eerste dagen is het vooral emotionele steun, maar na de operatie zal ze vol aan de bak moeten om mij te verzorgen. Er wacht haar nog een intensieve tijd. Nu ligt ze te slapen. Ik ben zo dankbaar voor onze vriendschap; die gaat de komende weken na vijfentwintig jaar geleidelijk gegroeide liefde een intense verdieping krijgen.

Wat broeit er eigenlijk in mij? Het is angst, dat is wel duidelijk. Ik ga deze operatie doen, daarover twijfel ik niet. Ik wil verder kunnen groeien in mijn vrouwelijke identiteit en dat kan inmiddels echt niet meer zonder een echt vrouwelijk lichaam te hebben. Maar ik ben doodsbang voor wat er nu komen gaat. Er is een vage angst voor de operatie, want ook al is dr. Chettawut een van de gender-topchirurgen van de wereld, het blijft toch een grote ingreep, onder narcose. Veel duidelijker voel ik angst voor de herstelperiode: veel pijn en totale afhankelijkheid, die maar langzaam zal afnemen om te convergeren naar een leven lang dagelijks intensief dilateren om de vagina open te houden. En ik ben ook bang voor het zwarte gat. Nu ben ik een transvrouw die haar leven wijdt aan haar transitie. En straks? Wie ben ik eigenlijk als ik ‘klaar’ ben? Niks meer om naar toe te leven, niks meer wat mij bijzonder maakt. De bijzondere geschiedenis blijft natuurlijk. Maar als het zich niet meer in het heden afspeelt, verliest het toch wat glans.

De grootste angst is toch eigenlijk de angst voor het onbekende. De fantasie en het verlangen hebben me altijd overeind gehouden, maar ik weet natuurlijk niet echt wat me te wachten staat daar aan de andere kant van de operatietafel. En dus heb ik de neiging me vast te klampen aan wat ik wel weet en die neiging is de laatste twee weken sterker geworden. De huidige situatie voelt vertrouwd. Nostalgie verbloemt dat ik bang ben om los te laten. Alsof je moeite hebt om afscheid te nemen van die oude trui – vol vlekken en gaten – omdat aan elke vlek en elk gat een persoonlijke herinnering is verbonden. De nieuwe trui heb je al vaak gedragen en daar ben je heel blij mee. Maar ja, die oude trui en jij hebben zoveel meegemaakt, die ga je toch niet wegdoen? Dit soort ontroerende nostalgie kent iedereen wel, alleen gaat het in mijn geval niet om een oude trui, maar om mijn piemel. Die piemel markeert een tijdperk; een half leven. Die piemel heeft me een zoon geschonken die door mijn aanstaande operatie verder weg voelt dan ooit. Ik zie dat ik zelf onbewust die afstand creëer om me minder schuldig te voelen. Schuldig dat ik niet de stabiele en inspirerende papa voor hem was die hij graag had gewild. Schuldig dat ik mijn verlangen – hoe fundamenteel ook – boven zijn behoeften plaats. Ik weet dat er geen mogelijkheid was om zijn vader te blijven. Hij was die vader hoe dan ook kwijtgeraakt en dat kon beter komen door een geslachtstransitie dan door een zelfmoord. Maar toch. Hij heeft verdriet en dat heb ik veroorzaakt. En nu sta ik op het punt om het laatste deel van mijn lichaam dat nog onomwonden naar mijn mannelijkheid verwijst, te laten aanpassen naar een vagina. Een prachtige nieuwe trui, waar ik erg blij mee zal zijn. Maar kan ik dan echt nooit meer die oude aan?

donderdag 16 juni 2016

Spiegeltje, spiegeltje aan de wand

Het is al laat wanneer ik eindelijk toegeef aan het feit dat ik doodmoe ben en naar bed moet. De hele avond ben ik gevlucht in tv-kijken en veel, heel veel chips eten. Twee verdovende middelen die vrij verkrijgbaar zijn, ook als je nog geen 18 bent. Ik wil niet gaan slapen, want in bed wacht de stilte en daarin zijn mijn gevoelens zo goed te horen. De constante ruis van gevoelens die ik al de hele dag op de achtergrond voel, vanuit de ivoren toren hoorbaar als een onheilspellend schreeuwende meute op straat, voorspelt niet veel goeds. Maar ja, inmiddels suizen mijn oren en duizelt mijn hoofd van vermoeidheid, dus het moet er nu toch echt van komen.

Ik sta op en loop naar de badkamer, van binnen gedoofd, van buiten op de automatische piloot actief. Ik doe werktuiglijk mijn ding: mascara verwijderen, gezichtscrème smeren, tanden poetsen. Terwijl ik dat doe kijk ik in de spiegel. Ik zie een gezicht dat ik ken, maar wie het ook weer is dat weet ik niet meer. Is het een man? Of een vrouw? Ik denk het laatste, maar ik twijfel. Het is, ondanks de vermoeide blik, wel een aantrekkelijk gezicht. Mooie ogen. Ik buig voorover om dieper in de ogen te kijken. Ik zie de patronen in de irissen, het diepe zwart van de pupillen. Ineens lijkt er iets uit de donkerte tevoorschijn te komen. Ik zie iets veranderen in de ogen. Ik voel het ook in mijn lijf. Ik ga gloeien. Aders zetten op in mijn gezicht. Ik ga trillen. Ik voel hoe mijn handen zich aan de rand van de wastafel vastgrijpen. Zonder ernaar te hoeven kijken, weet ik dat mijn knokkels wit zijn, zoveel kracht zit er in mijn greep. Al mijn spieren spannen zich aan. Mijn hoofd trilt terwijl zich in mijn borst een rochelend geluid roert. Mijn ademhaling gaat als een dolle heen en weer. Mijn ogen spuwen nu een messcherp, ijskoud vuur. Scherpe scherven van ijs kaatsen tegen de spiegel en ik weet niet of die vanuit mijn spiegelbeeld of vanuit mezelf komen. Het maakt ook niet uit. Ik zie boosheid, heel veel boosheid en ik voel het ook. Samen met de persoon in de spiegel ben ik boos. Ik ben razend. Ik wil deze boosheid helemaal voelen, in elke cel van mijn lijf. Dus ik schreeuw niet, ik ga met niks smijten; dat zou al deze boze energie weer diffuus maken. Ik wil het helemaal voelen. Elke seconde dat ik dit langer volhoud, vergroot ik het indringende besef van deze boosheid. Boosheid om mijn bizarre, onverbiddelijke pad. Boosheid om de grote offers die ik heb moeten doen voor mijn transitie. Boosheid om mijn lot een vrouw te willen zijn.

Net op het punt dat de boosheid zich eindelijk in elke vezel in elke verre uithoek van mijn lijf heeft genesteld, komt er verdriet. Mijn boze, felle ogen beginnen tranen te produceren. In de spiegel zie ik totale overgave aan de emotie: niets meer te verbergen, niets hoog te houden. Het snot loopt uit mijn neus en uit mijn ogen en ik laat het lopen. Het verdriet verdringt de boosheid niet; het is alsof er een tweede laag overheen wordt gelegd. Alsof degene die boos is niet dezelfde persoon is als de verdrietige. Ineens voel ik hoe de verdrietige in mij de boze troost. Ik voel in mij dat de een de ander omhelst. Daardoor gaat mijn lijf nog heftiger trillen en ik voel een golf van warmte door mijn lijf sidderen. Een diepe zucht ontsnapt uit mijn longen. En nog een. En nog een. En na een tijdje bedaart mijn lichaam. Ontspant het gezicht in de spiegel. Stoppen de tranen. Ik was mijn gezicht, draai me om en ga naar bed.

Terwijl ik in bed lig, mijn beer stevig in mijn armen, dringt het tot me door dat niet alleen mijn droom een vrouw te zijn realiteit wordt. Ook de nachtmerrie van de transitie is nu dieper en werkelijker voelbaar dan ooit tevoren. Op de drempel van mijn operatie in Thailand probeer ik voor de laatste keer zin te zien in mijn onredelijke lot en ik murmel zachtjes: “Spiegeltje, spiegeltje aan de wand, waarom ben ik hier beland?”.

woensdag 15 juni 2016

Ophijsen

Vroeger had ik hoogtevrees. Ik voelde me al een beetje ongemakkelijk als ik op een stoel ging staan. Niet dat ik me daardoor liet belemmeren, want dat deden jongetjes niet. Laten belemmeren was iets voor meisjes. En dat was ik niet, zo had mijn vader me geleerd. Ik was een stoere jongen. Nou ja, dat wilde hij graag. En daarom ik dus ook, want ik wilde bij hem in het gevlei komen. Want stiekem wilde ik natuurlijk met hem trouwen, zoals ik onlangs al schreef. En in een gekke gesublimeerde manier die alleen kan bestaan in de wereld van een transgender, moest ik om dat te bereiken dus zo goed mogelijk de man zijn die mijn vader wilde zien.

Ik voelde me dan ook heel trots en stoer toen ik – jaren later – ging klimmen; in de klimhal en – nog stoerder – op kale rotsen in andere landen. Klimmen met hoogtevrees is een uitdaging, dus dat vergrootte de stoerheid. Voor even dan, want al snel nam mijn hoogtevrees af: exposuretherapie volgens het boekje. En dit effect bleef toen ik stopte met klimmen. Maar toen kwam mijn transitie en raakte ik op veel fronten in regressie. Niet alleen werd ik onzeker, werd mijn gedrag kinderlijk, maar ook mijn hoogtevrees kwam langzaam terug. Dat gebeurde geleidelijk, maar het was onmiskenbaar. Een paar dagen geleden werd me dat weer eens heel duidelijk.

Lusteloos hang ik op de bank te zappen; je moet toch wat als je de onrustige emoties die samenhangen met je aanstaande geslachtsoperatie wilt verdoven. Al zappenderwijs val ik binnen in een van de eerste scènes uit James Bonds Casino Royale, waarin onze held een criminele loopjongen achtervolgt die belangrijke informatie bij zich draagt. Ze freerunnen van hot naar her en komen uiteindelijk via een bouwplaats bovenop twee heel hoge hijskranen. Terwijl ik naar de scène kijk, voel ik de adrenaline in mijn bloed toenemen: mijn lijf reageert heel trouw op alle visuele en narratieve trucs die filmmakers gebruiken om iets spannend te maken. Ik merk het op en laat het gebeuren. Tot dat ene filmshot. James en zijn prooi lopen over de arm van de hijskraan en de camera kijkt op hen neer. Diep, diep beneden hen zie ik de grond. Tachtig meter? Honderd? Mijn lijf negeert deze vraag en reageert zoals het altijd reageert als de hoogtevrees me in haar greep neemt: mijn testikels trekken samen alsof ze in mijn buik willen schuilen. Terwijl dat niet nodig is want ik had mijn testikels na het laatste toiletbezoek natuurlijk al keurig in mijn buikholte geduwd, zoals dat hoort bij een vrouw in een mannenlichaam die geen bult in haar rokje wil hebben. Deze observatie haalt me uit de hypnose van de film en terwijl ik moet lachen om mijn eigen gedachten vraag ik me ineens af hoe dat straks na mijn operatie zal zijn. Hoe zal mijn lichaam reageren op hoogtevrees als ik geen testikels meer heb?

vrijdag 10 juni 2016

Piemel

Ik ben bij mijn oppaskindje. We spelen samen en ineens draait hij zich van me af om iets te gaan pakken. Op dat moment priemt een snijdende lucht zich in mijn neus. Poepluier. Onmiskenbaar. Deze schat is na S. en het zoontje van M. het derde kindje in mijn leven waar ik regelmatig de luier van verwissel, dus ik mag mezelf wel ervaren noemen. Voor een poepluier draai ik mijn hand niet om.

In een oogwenk ligt mijn oppaskindje op de bank. Billendoekjes en schone luier gepakt, broek uit, romper los, luier af, benen omhoog om te voorkomen dat er poep op de bank komt, poetsen, nieuwe luier eronder, benen loslaten. De lieve schat laat het allemaal gebeuren. Hij wacht gedwee zijn moment af: het moment waarop hij met zijn piemel kan spelen. Dat is helemaal de bom als je bijna drie bent en omdat het een normale fase is in de seksuele ontwikkeling van een kind, geef ik hem alle ruimte en wacht ik rustig tot hij uitgespeeld is en ik de luier kan vastmaken. Hij duwt en trekt aan zijn piemel en krijgt er zichtbaar plezier in. Dat is niet alleen aan zijn gezicht af te lezen, zal ik maar zeggen. Ik zie het tafereel en onwillekeurig kleuren mijn gedachten het binnen de context van mijn aanstaande operatie. In gedachten hoor ik mezelf zeggen: “Ik hoop dat je voor altijd zo blij met je piemel zult blijven als nu”. Het proces dat ik doormaak gun ik niemand en zeker niet deze lieve schat. Ik probeer mezelf te herinneren of ik ooit als jongetje van drie ook zo onvoorwaardelijk blij was met mijn piemel. Of er ooit een moment was waarop ik geen dysforie had. Ik kan het me niet herinneren. Ik weet dat ik in mijn pubertijd echt frustratie over mijn piemel voelde. Nooit eerder? Ik heb vroege herinneringen aan mijn vader die me corrigeerde op meisjesachtig gedrag. Maar wist ik als driejarig jongetje al dat er iets niet klopte?

Ineens overmant een triest gevoel me. Ik zie dat kleine jongetje voor me dat ik ooit was. Mijn handje graaiend naar mijn geslachtsdeel, dat op dat moment niets meer was dan gewoon een deel van mijn lichaam. Zonder besef van de verwachtingen die mijn omgeving mij zou gaan opleggen gebaseerd op dit lichaamsdeel. Onwetend van het nare onbehagen ten aanzien van mijn gender dat me nog te wachten zou staan. Onwetend van de barre tocht die ik zou gaan ondernemen om te herstellen wat de natuur had nagelaten.

De brede lach van mijn oppaskindje haalt me uit mijn gedachten. Zijn handje speelt nog naar hartenlust met zijn piemel. Ik lach een droeve glimlach naar hem en leg zijn luier over zijn hand, met de piemel er nog in. Dat is voor hem het teken om zijn hand terug te trekken, waarop ik de luier vastmaak, de romper weer sluit en hem zijn broek aantrek. Terwijl ik hem optil, geef ik hem een dikke kus op zijn wang. In gedachten stel ik me voor hoe ik de kleine jongen die ik ooit was, ook op de wang kus.

woensdag 8 juni 2016

Fabrieksinstellingen

“Als ik mijn pillen vergeet in te nemen dan vallen mijn borsten eraf”. Dit zei ik wel eens als ik met de nodige bravoure indruk wilde maken met mijn hormoonbehandeling. Mijn innerlijk oog zag dan in Looney Tunes-stijl voor zich hoe mijn boezem zich met een plompe smak van mij losmaakte. Ik wist wel dat het zo’n vaart niet zou lopen. Ik kon best eens een dagje mijn hormoonpillen overslaan. Maar inmiddels begint me te dagen dat ik me geen al te lange pauze kan permitteren.

Over een paar dagen neem ik mijn laatste pillen in de komende zes, zeven weken. Minimaal twee weken voor de operatie moet ik met al mijn hormoonpillen gestopt zijn, zowel de man-onderdrukkende als de vrouw-stimulerende. Vanwege het verhoogde risico op trombose van deze pillen, wil de arts in Thailand (net als zijn collega’s in Nederland overigens) dat ik helemaal clean ben tijdens de operatie. Gezien mijn eerdere ervaring met het abrupt stoppen van de testosterononderdrukkers wilde ik niet cold turkey stoppen, maar geleidelijk afbouwen. Daar ben ik drie weken geleden mee begonnen en op dit moment ligt mijn dosis op ongeveer een derde van wat het normaal is. Nog even en dan staat de teller van mijn oestrogeen op nul. En mijn testosteron op 100%. Terug naar fabrieksinstellingen.

Hoewel ik door de geleidelijke afbouw niet in ondraaglijke heftigheid terecht ben gekomen, voel en zie ik heel goed wat het effect is. Mijn huid is (met name in mijn gezicht) weer minder glad. De poriën zijn niet alleen zichtbaarder, maar ze produceren ook meer zweet: mijn lichaamsgeur is haar zachte subtiliteit weer verloren. Rondingen in mijn lichaam en in mijn gezicht zijn behoorlijk ver verdwenen: mijn lijf lijkt al weer bijna op een mannenlijf, met uitzondering van de borstjes die er – hoewel duidelijk flink geslonken – nog wel zitten. In de spiegel zie ik heel erg de man waar ik juist afscheid van wilde nemen. En mensen op straat zien het ook: de laatste week wordt ik duidelijk weer net zo vaak aangestaard als twee jaar geleden. Onlangs werd er zelfs weer door een groep opgeschoten jongens “meneer” naar me geroepen. Mijn vrouwelijkheid verdwijnt zonder pillen dan wel niet in één dag, maar meer dan een paar weken is er dus niet voor nodig.

Met de verandering in mijn hormoonbalans ben ik me ook minder vrouwelijk gaan voelen. Of eigenlijk moet ik zeggen: minder vrolijk, maar dat zijn voor mij synoniemen in de context van mijn transitie. Ik ben duidelijk prikkelbaarder; ronduit chagrijnig zelfs. Mijn libido roert zich, waarbij ook de aantrekkingskracht van vrouwen weer groter is geworden dan die van mannen. Terug naar fabrieksinstellingen. Maar het ergste is mijn agressie. Ik ben boos. Boos op niks en boos op alles. Ik mopper, vloek en schreeuw wat af. In het verkeer moet ik me soms beheersen om andere weggebruikers niet uit te schelden of – effectiever nog – gewoon van de weg te duwen.

Gelukkig kan ik veel boosheid kwijt bij het VUmc. Ter voorbereiding op mijn operatie in Thailand moest ik een aantal medische vooronderzoeken laten uitvoeren en moest ik een verwijsbrief conform de internationale WPATH zorgstandaard voor transgenderzorg krijgen. Twee zaken die ik dacht via het genderteam van het VUmc te kunnen regelen. En mijn allerverleidelijkste pogingen om het genderteam tot klantgerichtheid te bewegen, leken aanvankelijk ook te lukken. Maar uiteindelijk ging het genderteam natuurlijk toch weer terug naar hun amateuristische en klantonvriendelijke fabrieksinstellingen. Ik kreeg een verwijsbrief die niet aan de WPATH vereisten voldeed en de medische onderzoeken werden ook onvolledig uitgevoerd. En dat vonden ze toch vooral mijn probleem. Dus tot op de dag van vandaag ben ik bezig om deze fouten te (laten) repareren. Grrrr! Die resultaten hadden eigenlijk al twee weken geleden in Thailand moeten liggen.

Nog iets meer dan twee weken en dan zijn mijn testikels weg. Geen testosteron meer in mijn lijf, met uitzondering van het hele kleine snufje dat (zoals bij alle vrouwen) in de bijnieren wordt aangemaakt. Geen bovenmatige agressie, libido en chagrijn meer. Over twee weken krijg ik eindelijk de felbegeerde nieuwe fabrieksinstellingen.

zondag 5 juni 2016

Op het strand

Terwijl ik met mijn voeten stabiliteit probeer te vinden in het rulle zand kijk ik de kring rond en probeer de aanwijzingen van Kim, vriendin en Nia teacher, op te volgen. Zij organiseerde deze Nia workshop op het strand van Scheveningen als een saluut aan mijn moed om naar mijn verlangen te luisteren en alle gevolgen van mijn transitie te trotseren. Ik inspireer haar daarmee en daarom doneert ze de opbrengst van vandaag aan mijn crowdfundingsactie. Ik voel me heel erg vereerd en ook ongemakkelijk met al deze aandacht. En er is iets wat het ongemak nog groter maakt.

Opeens stapt zij de kring binnen. Een leerlinge van Kim, maar ook een ex-vriendin van mij met wie ik al jaren geen contact meer had; ik zal haar hier C. noemen. Ik wist dat ze zou komen – ze had contact met me gezocht toen Kim onder haar leerlingen het goede doel achter deze benefiet workshop bekend maakte en daarbij mijn naam had genoemd. C. wist dus van mijn transitie en was benieuwd me te ontmoeten. Dat was wederzijds. Maar ik vond het meteen ook spannend. Hoe zou ze er uit zien? Hoe zou het voor haar zijn om haar ex-vriendje als vrouw te zien? Zouden we bij de eerste aanblik allebei meteen de klik van jaren geleden weer voelen? Of juist helemaal niet meer? Of vervelender: een van ons wel en de ander juist niet? Maar toen we met de workshop begonnen, was C. er niet. Dat voelde gek genoeg toch een beetje als een blauwtje. En nu ze een paar minuten te laat alsnog de kring instapt, voel ik blijdschap en spanning tegelijk.

Ik kijk haar even aan en ze kijkt terug. In een milliseconde probeer ik in haar ogen te lezen wat ze denkt, wat ze voelt. Tegelijk merk ik dat ik aarzel om mijn eigen ogen te laten spreken, om mezelf niet teveel bloot te geven voordat ik weet wat ik kan verwachten. Gek mechanisme is dat: aftasten om jezelf te beschermen belemmert het spontane contact waardoor je juist minder te zien krijgt. Ik zie die automatische reactie gebeuren en dat geeft me de gelegenheid om het te stoppen. Ik probeer mijn blijdschap toe te laten. Ik lach naar haar, ze lacht even terug en we knikken lichtjes met ons hoofd. Het is voor haar net zo’n gekke situatie als voor mij, dat is duidelijk. Gelukkig voert de flow van de workshop ons verder en hoeven we nog niets te doen met deze situatie. De hele kring beweegt, danst en ontspant en wij bewegen, dansen en ontspannen mee.

Na afloop van deze intense workshop, waarin ik mij op mijn pad naar Thailand gesteund voelde door alle deelnemers, lopen C. en ik op elkaar af. Uiterlijk is ze geen spat veranderd. Ik wel. We kussen elkaar op de wang en blijven vlak voor elkaar staan. We houden elkaars onderarmen vast en we praten. Dat voelt niet ongemakkelijk. Integendeel, het voelt heel vertrouwd om zo met elkaar te staan. Ik voel liefde, zoals ik die destijds ook voor haar voelde. Tegelijk voel ik een alertheid bij ons allebei omdat we nog niet goed weten wat de ander verwacht. We praten wat over mijn transitie, haar werk, haar moederschap en wat al niet meer. Na een tijdje vraag ik haar of ze wil blijven om samen iets te drinken in de strandtent achter ons. Dat wil ze.

Op de robuuste houten bank op het terras zitten we bij elkaar en praten. Urenlang. Ik voel hoe ze gegroeid is – ze is veel rustiger en opener – en ik realiseer me dat dat bij mij ook het geval is. Af en toe komt de man die ik vroeger was in me boven. Hij is het immers die in onze herinneringen figureert. Met die man komt ook een sterker gevoel van aantrekking naar boven. Maar ik heb nu liever vanuit Lisa contact met C. De aantrekking die ik als vrouw voor haar voel heeft een heel andere kwaliteit: meer in het hier en nu, zonder verlangen, en dat bevalt me beter. Als het ware alsof we vriendinnen zijn die elkaar lang niet gesproken hebben. We praten vanuit wederzijds vertrouwen en respect. Zonder dat er iets goed gemaakt of uitgepraat moet worden van de relatie die we ooit hadden. We zijn gegroeid, allebei. De herinnering aan de relatie die C. en ik hadden als vrouw en man echoot op de achtergrond. Dat maakt de hele situatie surrealistisch, maar doet niets af aan hoe fijn het nu is.

Wanneer we afscheid nemen, kussen we elkaar op de mond. We spreken af om elkaar over een tijdje nog eens te gaan zien. Met een glimlach van dankbaarheid loop ik naar de tram. Ik voel het fijne contact met C. nog. En mijn hoofd probeert de ontmoeting van vandaag een plek te geven in het bizarre grotere plaatje van mijn transitie. Een transitie waarin vrijwel alles onverbiddelijk anders is geworden dan in mijn mannenleven was. Waarin het verleden soms pijnlijk wringt met het heden en relaties verstoord raken. Vandaag ervaarde ik hoe mooi het is dat het verleden zich ook met liefde en respect een plekje in de toekomst kan verwerven.

woensdag 1 juni 2016

Potje met vet

Het luide geroezemoes lokt me met mijn eten mijn balkon op. Het is avondvierdaagse en zoals elk jaar trekt op de derde dag een bonte stoet uitgelaten kinderen aan mijn huis voorbij. Ik ben al een paar dagen wat down en de blijdschap van deze wandelende kinderen vrolijkt me misschien op. Pontificaal ga ik aan de rand van het balkon staan, etend met mijn bord in de hand. Ik ben er klaar voor; kom maar op met die vrolijkheid. Terwijl ik de eerste hap kauw, kijk ik naar beneden. Kinderen wandelen kletsend. Kinderen wandelen hand in hand. Kinderen rennen overal zigzaggend tussendoor. Een gekanaliseerde wanorde. Gekanaliseerd door kuddegedrag en een flink aantal meelopende ouders.

En daar loop ik. In een andere stad. Een aantal jaar geleden. In een gekanaliseerde wanorde. S. loopt bij me. Voor me. Achter me. Kletsend. Zigzaggend. Hij geniet. En ik geniet. Ik geniet van dit vaste ritueel in onze relatie. Ondanks de grote reisafstand tussen onze woonplaatsen, loop ik elk jaar een dag mee in de avondvierdaagse. Dat is een van de vele manieren waarop ik mijn rol in zijn leven probeer in te vullen, ondanks dat zijn moeder na onze scheiding op drie kwartier rijafstand ging wonen.

Ik kauw niet meer. De laatste resten van mijn eerste hap eten liggen roerloos op mijn tong. Ik slik niet. Ik lijk wel verlamd. Een brok in de keel is geen beeldspraak: ik voel hem fysiek. En op het moment dat ik de brok wil doorslikken, om ruimte te maken voor de hap eten die klaarligt, voel ik waar de brok van gemaakt is: gemis. Het is een brok gemis. Ik mis S.

Beneden mij beginnen kinderen te zingen. Maar de tekst klopt niet. Het is geen potje met vet. Het is een potje met tranen. Een potje dat ik – aanvankelijk aarzelend, maar al snel gestaag – leegjank.