woensdag 29 juni 2016

Mijn ivoren toren

Alle spulletjes die ik bij me heb hier in de kliniek passen in één kleine schoudertas. En vrijwel al die spulletjes zijn mijn hele verblijf in de tas gebleven. Ik was te moe voor wat dan ook. Trots van zelfredzaamheid draag ik nu deze tas over mijn schouder terwijl ik de kliniek verlaat. Een auto staat voor de deur en gaat me in tien minuten terugbrengen naar het hotel. Naast me loopt de Lieve Zuster met nog een tas. Een tas van de kliniek, volgestouwd met de eerste levensbehoeften van een net geopereerde transvrouw: antibiotica, spierverslappers, antizwellingspillen, pijnstillers in twee smaken, ondermatjes voor in bed, maandverband, een dilatatieset, glijmiddel en billendoekjes. En natuurlijk het speciale gesigneerde dr. Chettawut zitkussen: een donutvormig okergeel kussen waarop ik kan zitten om druk op het operatiegebied te voorkomen. Dat kussen zal na gebruik tijdens het autoritje een tijdje werkloos blijven, want in het hotel zal ik nog een week vooral bedrust moeten houden.

Ik loop wankel en waggel, net als een paar dagen geleden bij de interne verhuizing ondersteund door de zusters van de kliniek; vlugzout in de aanslag. “You strong patient”. Ik voelde me helemaal het mannetje (kan deze uitdrukking eigenlijk nog wel?) toen ik daarnet uit bed stapte, maar dit korte wandelingetje toont me wel dat ik me geen illusies moet maken: mijn lijf heeft een flinke opdoffer gehad door de operatie. Ik ben opgelucht wanneer de autodeur openzwaait en ik – op mijn okergele donut – er in ga zitten. Bestemming bereikt. Althans, de eerste halte.

Tijdens de rit durf ik mijn benen niet te ontspannen; ik druk me zo goed mogelijk in de rugleuning van de stoel om mijn nog dik ingepakte bekkengebied uit mijn kussen omhoog te duwen. Ik ben bang dat de vele hechtingen en verplaatste stukjes weefsel in mijn schaamstreek onder de druk van mijn eigen lichaamsgewicht zullen bezwijken. Ik wil niet tijdens dit ritje door het drukke verkeer van Bangkok mijn clitoris of een schaamlip verliezen, nog voor ik die überhaupt gezien heb. Chettawut’s chauffeur glimlacht naar me. “You OK?”, vraagt hij bijna minzaam. Ik ben natuurlijk niet de eerste vermoeide, onzekere en bange transtoerist die hij voor Chettawut vervoert.

Eenmaal bij ons hotel gekomen – een opvallende hoge toren waar we op de 14e verdieping een appartement hebben – kan ik iets ontspannen. Ik werk me uit de auto omhoog, geholpen door talloze handen waarvan ik niet weet waar die ineens vandaan gekomen zijn, en voor ik het weet zit ik in de klaargezette rolstoel. Op mijn donut natuurlijk. De afstand die ik hier moet afleggen voor ik weer in mijn hotelkamer ben is echt veel te groot om zelf te waggelen. In de kamer wacht L. op me. Ik krijg een kus en een knuffel en ze begeleidt me naar mijn bed. Mijn gespreide bedje. Met veel gezucht en gekreun ga ik liggen. Ik ben gesloopt. Maar ik heb het gehaald. Ik ben in het hotel. Voorlopig ga ik nergens meer heen. Ik lig op bed, het slangetje van mijn katheter slingert vanuit mijn bekkenpakking onder de deken vandaan naar de grond. Daar ligt de opvangzak voor mijn urine. De zak die L. regelmatig voor me zal moeten legen, naast de vele andere taken die haar te wachten staan. Ik ben blij bij haar te zijn. De komende dagen trek ik me terug in deze ivoren toren en geef me over aan de verzorging, liefde en aandacht van mijn allerliefste hartsvriendin.

1 opmerking: