donderdag 16 juni 2016

Spiegeltje, spiegeltje aan de wand

Het is al laat wanneer ik eindelijk toegeef aan het feit dat ik doodmoe ben en naar bed moet. De hele avond ben ik gevlucht in tv-kijken en veel, heel veel chips eten. Twee verdovende middelen die vrij verkrijgbaar zijn, ook als je nog geen 18 bent. Ik wil niet gaan slapen, want in bed wacht de stilte en daarin zijn mijn gevoelens zo goed te horen. De constante ruis van gevoelens die ik al de hele dag op de achtergrond voel, vanuit de ivoren toren hoorbaar als een onheilspellend schreeuwende meute op straat, voorspelt niet veel goeds. Maar ja, inmiddels suizen mijn oren en duizelt mijn hoofd van vermoeidheid, dus het moet er nu toch echt van komen.

Ik sta op en loop naar de badkamer, van binnen gedoofd, van buiten op de automatische piloot actief. Ik doe werktuiglijk mijn ding: mascara verwijderen, gezichtscrème smeren, tanden poetsen. Terwijl ik dat doe kijk ik in de spiegel. Ik zie een gezicht dat ik ken, maar wie het ook weer is dat weet ik niet meer. Is het een man? Of een vrouw? Ik denk het laatste, maar ik twijfel. Het is, ondanks de vermoeide blik, wel een aantrekkelijk gezicht. Mooie ogen. Ik buig voorover om dieper in de ogen te kijken. Ik zie de patronen in de irissen, het diepe zwart van de pupillen. Ineens lijkt er iets uit de donkerte tevoorschijn te komen. Ik zie iets veranderen in de ogen. Ik voel het ook in mijn lijf. Ik ga gloeien. Aders zetten op in mijn gezicht. Ik ga trillen. Ik voel hoe mijn handen zich aan de rand van de wastafel vastgrijpen. Zonder ernaar te hoeven kijken, weet ik dat mijn knokkels wit zijn, zoveel kracht zit er in mijn greep. Al mijn spieren spannen zich aan. Mijn hoofd trilt terwijl zich in mijn borst een rochelend geluid roert. Mijn ademhaling gaat als een dolle heen en weer. Mijn ogen spuwen nu een messcherp, ijskoud vuur. Scherpe scherven van ijs kaatsen tegen de spiegel en ik weet niet of die vanuit mijn spiegelbeeld of vanuit mezelf komen. Het maakt ook niet uit. Ik zie boosheid, heel veel boosheid en ik voel het ook. Samen met de persoon in de spiegel ben ik boos. Ik ben razend. Ik wil deze boosheid helemaal voelen, in elke cel van mijn lijf. Dus ik schreeuw niet, ik ga met niks smijten; dat zou al deze boze energie weer diffuus maken. Ik wil het helemaal voelen. Elke seconde dat ik dit langer volhoud, vergroot ik het indringende besef van deze boosheid. Boosheid om mijn bizarre, onverbiddelijke pad. Boosheid om de grote offers die ik heb moeten doen voor mijn transitie. Boosheid om mijn lot een vrouw te willen zijn.

Net op het punt dat de boosheid zich eindelijk in elke vezel in elke verre uithoek van mijn lijf heeft genesteld, komt er verdriet. Mijn boze, felle ogen beginnen tranen te produceren. In de spiegel zie ik totale overgave aan de emotie: niets meer te verbergen, niets hoog te houden. Het snot loopt uit mijn neus en uit mijn ogen en ik laat het lopen. Het verdriet verdringt de boosheid niet; het is alsof er een tweede laag overheen wordt gelegd. Alsof degene die boos is niet dezelfde persoon is als de verdrietige. Ineens voel ik hoe de verdrietige in mij de boze troost. Ik voel in mij dat de een de ander omhelst. Daardoor gaat mijn lijf nog heftiger trillen en ik voel een golf van warmte door mijn lijf sidderen. Een diepe zucht ontsnapt uit mijn longen. En nog een. En nog een. En na een tijdje bedaart mijn lichaam. Ontspant het gezicht in de spiegel. Stoppen de tranen. Ik was mijn gezicht, draai me om en ga naar bed.

Terwijl ik in bed lig, mijn beer stevig in mijn armen, dringt het tot me door dat niet alleen mijn droom een vrouw te zijn realiteit wordt. Ook de nachtmerrie van de transitie is nu dieper en werkelijker voelbaar dan ooit tevoren. Op de drempel van mijn operatie in Thailand probeer ik voor de laatste keer zin te zien in mijn onredelijke lot en ik murmel zachtjes: “Spiegeltje, spiegeltje aan de wand, waarom ben ik hier beland?”.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten