woensdag 20 juli 2016

Blik op oneindig

Het monotone gebrom van de vliegtuigmotoren dringt zich weer aan me op. Urenlang wisten mijn hersenen – na enige gewenning – dit geluid weg te filteren, maar dat lukt niet meer. Mijn donut-kussen ligt in mijn rug; onderuitgezakt op de stoelen die ik tot mijn beschikking heb probeer ik comfort te zoeken, maar het lijkt alsof het comfort een half uurtje geleden met een parachute het vliegtuig verlaten heeft. Netjes rechtop zitten op mijn donutkussen doet pijn. Liggen doet pijn. Om te lopen ben ik te moe en inmiddels voelt het alsof ik te stijf geworden ben om mezelf überhaupt nog tussen deze stoelenrij uit te persen. Het voelt alsof de hechtingen uit mijn vagina aan het losscheuren zijn en alsof het pus uit de ontsteking loopt die ik daar heb. Maar de vorige controle op de wc (ik had vooruitziend een spiegeltje meegenomen) wees loos alarm uit. Net als die daarvoor. Ik ben te moe om het zekere voor het onzekere te nemen. Het lukt me gewoonweg niet om in beweging te komen. Ik ben kapot. Uitgeput. Het liefst zou ik dit alles in één klap beëindigen. Weg met de herrie in mijn oren. Weg met deze klotestoelen. Weg met dit vliegtuig. Weg met mijn lijf. Ik wil thuis zijn, in mijn eigen bed, en dat alles even weer normaal is. Ik voel een brok in mijn keel tranen omhoog duwen. Ik slik. Voor de zoveelste keer. Het liefst zou ik mijn misère wegjanken. Maar iets weerhoudt me. Ik probeer het spreekwoord ‘verstand op nul, blik op oneindig’ te belichamen. Maar het lukt me niet meer. Ik zucht. Ik draai. Ik kreun. Ik wil naar huis!

Wanneer een uur of twee later eindelijk het vliegtuig geland is op Schiphol, voel ik opluchting. Samen met Y. wacht ik tot de meute het toestel verlaten heeft. Op de passagierslijst staat een vinkje achter mijn naam, waardoor ik als eerste het toestel in mocht en het nu als laatste moet verlaten. In de slurf staat een man met een rolstoel op me te wachten. Blij dat ik nu weer een etappe dichterbij huis ben begroet ik de man en ga – op mijn donut – op de rolstoel zitten. De man brengt me al zigzaggend snel bij de paspoortcontrole, waar een enorme rij staat te wachten. En net als op de luchthaven van Bangkok, sjees ik met mijn rolstoel langs de rij. Y.mag, als mijn begeleider, mee voorkruipen. Een hekje zwiept open en ik sta ineens voor de medewerker van de marechaussee. Ik zie hem vanaf mijn lage positie nog maar net boven zijn balie uitsteken. Mijn paspoort wordt gecontroleerd en voor ik het weet sta ik bij de bagageband te wachten. Dit ging lekker vlot! Het is heel fijn dat Schiphol 300 mensen op de loonlijst heeft staan om rolstoelbegeleiding te bieden, dankjewel naar jullie allemaal. Even later gaan we met koffer en rolstoel onder het bordje “Nothing to declare” door en ben ik op Schiphol Plaza. Daar staat L. op mij te wachten. Ik voel opluchting als ik haar zie en ik kan nog maar net mijn tranen bedwingen als we elkaar omhelzen.

Ik neem afscheid van Y. alsof we een avondje samen hebben gegeten en elkaar morgen weer gaan zien. Ik ben moe. Ik wil maar één ding: zo snel mogelijk naar huis. Voordat ik bij L. in de auto stap knuffelen we nog een keer en dan komen de eerste tranen. We rijden even later de parkeergarage uit, de snelweg op, richting mijn huis. De auto draait mijn straat in en opgelucht stel ik vast dat mijn huis er nog is en dat mijn auto nog keurig geparkeerd staat. Alsof dat ooit anders was na terugkeer van een reis, maar goed. Ik waggel met mijn vermoeide lijf naar de deur, pak mijn sleutels, open de deur en stap mijn trappenhuis in. Voor mij doemt de trap op: 42 treden scheiden mij van mijn voordeur. Moe, stijf, met pijn maar zeer gemotiveerd til ik mijn voet op de eerste trede en de andere voet op de volgende. Ik waggel en schuifel omhoog, gevolgd door L. die mijn koffer draagt. Wanneer ik bijna boven ben, zie ik mijn voordeur open staan. R. kijkt me aan met een mengeling van blijdschap en medelijden. Het is fijn om haar een paar pasjes later in de armen te sluiten. Ik wist dat ze mijn huis klaar zou maken voor mijn komst: schoonmaken na het vertrek van de tijdelijke huurder die ik had gevonden en de koelkast vullen met eten. Ik wist niet dat ze me letterlijk met open armen zou verwelkomen. Ik wist niet dat ze vannacht bij me zou blijven, zodat ze voor me kon zorgen. Als ik, na knuffels en een kop thee eindelijk in bed glijd, realiseer ik me de onmetelijke rijkdom van zoveel lieve vrienden.

dinsdag 19 juli 2016

Uit mijn cocon

Met een droge klik sluit het slotje van mijn koffer. Mijn spullen zijn gepakt. Morgenochtend worden we al vroeg opgehaald en naar het vliegveld gebracht. Dit ritje is het laatste deel van Chettawuts dienstverlening, maar afscheid hadden we al genomen. Tijdens de laatste controle, een paar dagen geleden, had Chettawut tevreden tussen mijn benen gestaard. Als een timmerman die monsterend naar zijn net getimmerde kozijnen keek, had hij het resultaat in zich opgenomen en trots gezegd: “It looks very good”. Gek genoeg heb ik zelf nog niet gezien wat hij zag, want ik mag mijn binnenste schaamlippen nog niet van elkaar halen, omdat het weefsel daaronder nog teer is. Ik neem die waarschuwing zeer serieus, want het laatste wat ik wil is dat ik in mijn overmoed mijn clitoris beschadig. Ik lijk wel een godsdienstige, want ik volg deze regel gedwee ten faveure van een enigmatische clitoris waarvan men zegt dat die bestaat, maar waarvan ik nog weinig bewijs heb gezien, behalve dan die incidentele pijnscheuten die ik voel en die ergens uit dat gebied lijken te komen. Het dichtst bij een bewijs kwam het moment dat Chettawut tijdens de laatste controle met een wattenstaafje rondom mijn clitoris draaide om de hechtingen waarmee dit stukje eikelweefsel was vastgezet van alle kanten goed te kunnen zien: ik voelde een sterke prikkel, duidelijk gelokaliseerd, niet pijnlijk, eerder raar en onbestemd, geruststellend en tegelijk uitnodigend. Een klinische aanraking als een sneak preview van wat me in de toekomst te wachten staat.

Mijn koffer zit vol. Het grootste deel van de kleding die ik had meegenomen is ongebruikt weer ingepakt. Tweederde van mijn tijd hier lag ik in bed, zonder kleren aan. En de overige tijd droeg ik steeds dezelfde jurk en dezelfde paar onderbroeken, elke paar dagen opgefrist door de wasmachine. Als souvenirs neem ik, behalve een klein Buddha-amulet, enkel voorwerpen mee die met mijn operatie te maken hebben: mijn dilatatieset, maandverband, medicijnen (antibiotica en anti-zwelling) en een grote voorraad glijmiddel omdat dat in Nederland veel duurder is dan hier. En natuurlijk mijn speciale, gesigneerde zitkussen – in de vorm van een donut om druk op mijn nieuwe, nog licht gezwollen en hypergevoelige vagina te voorkomen.

Morgen vlieg ik mijn cocon uit. Het was fijn om voor deze fysieke transformatie ver weg te zijn van mijn normale biotoop. Een overgangsritueel om in afzondering uit te voeren, zoals Aboriginal jongens alleen in de wildernis moeten overleven om man te worden of zoals een olifant de kudde verlaat om in stilte te sterven. Alleen keer ik al terug voordat mijn overgangsritueel klaar is. Mijn lijf is nog niet hersteld van de operaties. Ik heb nog zwelling bij mijn borsten en mijn schaamlippen. Ik heb nog lichte ontstekingen bij enkele hechtingen bij mijn schaamlippen. Een deel van mijn vagina is gevoelloos en de rest is juist overgevoelig. Zitten is moeilijk en door het vele liggen is mijn algehele conditie erg achteruitgegaan. Mijn hoofd is heel snel overprikkeld; zo’n 80% van mijn hersencapaciteit is bewust en onbewust bezig om mijn nieuwe lijf eigen te maken, dus is er weinig over voor ervaringen buiten mij. Het nieuwe lichaam roept vervreemding, angst en verdriet op. Ik heb een lijf dat nog niet het mijne is en omdat het nog gehavend is kan ik het ook nog niet ten volle ontdekken. Op sommige momenten sta ik voor de spiegel en huil ik van opluchting dat ik eindelijk een vagina heb. Op andere momenten kijk ik vol afgrijzen naar de plek waar ooit mijn oude vertrouwde piemel zat. Ik weet van anderen dat het maanden vergt om in je nieuwe lichaam thuis te komen. Ik maak me dan ook geen zorgen. Maar de overgang van het ongewenste vertrouwde lichaam naar het felbegeerde onbekende lichaam maakt me onrustig en onzeker.

Midden in mijn overgangsritueel vlieg ik uit. Het lichaam is klaar. Maar mooie vleugels maken nog geen vlinder. Eerst zal ik stapje voor stapje mijn lichaam verzorgen, helen, me eigen maken. Ik verheug me er op om weer dierbare vrienden te gaan zien, om weer in mijn eigen huis te zijn, om langzaam in praktisch opzicht mijn leven weer op te pakken. Vaste grond onder mijn voeten, zodat ik weer kan gaan staan. Langzaam zal ik me de komende maanden oprichten, mijn vleugels spreiden en uitvliegen, naar ik hoop de zon tegemoet.

zaterdag 16 juli 2016

Heiligschennis

Vanmiddag deed ik mijn borstmassage. Met mijn volle gewicht duwde ik mijn borst tegen de muis van mijn hand die tegen het raamkozijn aan lag. Ik voelde weerstand. Een stevige elastische substantie verzette zich, maar door mijn volledige gewicht tegen het kozijn te drukken lukte het me om voldoende druk te genereren. Ik voelde mijn borst platgedrukt worden. Of althans, ik voelde mijn huid, mijn borstweefsel, mijn borstspier zich uitrekken, onder druk van het siliconen implantaat dat er onder zat. Ineens zag ik de implantaten weer voor me die ik tijdens de intake bij dr. Chettawut in mijn handen had gehad. Zwaar, koud, ruw van oppervlak. Ik zag hoe mijn vinger zich in het implantaat boorde. De siliconen voegden zich gewillig om het drukpunt heen; de schil van het implantaat bolde op en werd iets meer doorschijnend. Mijn vinger trok zich terug en in een flits had het implantaat haar oorspronkelijke vorm weer aangenomen. Barbapapa was er niks bij. Nu, tijdens de borstmassage, speelde dit alles zich in mijn borst af. De 350cc van het implantaat voegde zich naar de omstandigheden, de schil onzichtbaar maar evengoed doorschijnend, klaar om terug te keren naar de oorspronkelijke toestand zodra ik de druk op mijn borst zou verminderen. Deze kunstmatige kwab was, in tweevoud, vanaf nu onderdeel van mij.

Halverwege 2012 schreef ik een heel heldere samenvatting van de worsteling in mijn zoektocht naar mijn gender. De wens om vrouw te zijn had negen tegenstemmen die ik eerst allemaal nog maar eens goed moest onderzoeken, vond ik toen. Ook al was de beslissing toen eigenlijk al onvermijdelijk. Eén van die tegenstemmen was mijn levensvisie dat je je lichaam moet eren. Ik ben geen gezondheidsfreak of foodie, maar ik probeer mijn lijf gezond en ongeschonden te houden. De ongeschonden puurheid van je lijf is voor mij een teken van respect aan de natuur waar je uit voortgekomen bent en onderdeel van uitmaakt. Daarom keek ik altijd meewarig naar mensen met een tatoeage of piercing.

En kijk me nu eens. Kon ik mijn haartransplantaties nog afdoen als ‘het herstellen van de natuurlijke uitgangssituatie’, het verwijderen van mijn baardgroei was ontegenzeglijk al een vernietiging van mijn oorspronkelijke natuur. Om van het chemische bombardement van de hormoonbehandeling maar te zwijgen. En nu? Nu is mijn aangeboren geslachtsdeel versneden tot een vagina en draag ik onder elke borstspier een flinke hand siliconengel. Dit was iets minder oppervlakkig dan een tatoeage. Had iets meer massa dan een piercing. En ik had het toegestaan. Ik had mijn tempel geschonden. Onomkeerbaar geschonden. Door trouw te zijn aan mijn verlangen was ik ontrouw geweest aan een voor mij belangrijke waarde. De stappen die ik hier in Thailand had gezet om mijn lijf aan te passen, waren niks minder dan heiligschennis. Geoorloofd, dat wel. Het belang van mezelf fundamenteel erkennen als vrouw woog zwaarder. Ik kon simpelweg niet beide belangen honoreren.

In dit onvermijdelijke conflict had ik mijn lichaam teleurgesteld. Ik had mijn impliciete eed gebroken dat ik goed voor dit lijf zou zorgen. Ik voelde me een verrader. Een verrader van mezelf. Ik was vies. Mijn lijf voelde vies. Het had voor altijd haar puurheid verloren. Mijn hoofd boog zich langs het raamkozijn en nederig liet ik mijn voorhoofd tegen de ruit vallen. Mijn tranen lieten het raam beslaan. Vanmiddag was mijn heiligschennis, mijn verraad aan mijn eigen lijf, ten diepste tot me doorgedrongen.

vrijdag 15 juli 2016

De liefde niet

Vijf dagen geleden begon ik er in. Het was er nog niet van gekomen omdat ik steeds te moe was om me te kunnen concentreren, maar na drie weken Candy Crush in bed, trok de verveling me toch over de streep: ik ging het boek lezen dat ik had meegenomen. Ik kocht het boek al een half jaar geleden, naar aanleiding van een recensie, maar het had al die tijd ongeopend thuis op tafel gelegen. Geen energie voor. Ik kon me niet eens concentreren op een krantenartikel, laat staan op een roman. Maar nu, in de stille overzichtelijke cocon van mijn herstel hier in Thailand, durfde ik het aan en sloeg ik het boek open: De liefde niet van Margriet van der Linden. Het is een autobiografisch coming-of-age verhaal waarin Margriet schrijft hoe ze, opgroeiend in een orthodox christelijk milieu, het onbestaanbare en onacceptabele ontdekt: dat ze op vrouwen valt. In een vlotte en trefzekere stijl sleurde ze me de afgelopen dagen door haar leven tot aan het punt dat ze als student, na een paar jaar niet meer thuis te hebben gewoond, aan zichzelf en haar omgeving durft toe te geven dat ze inderdaad lesbisch is. Het boek besluit met het moment waarop ze het haar ouders gaat vertellen: een zekere afwijzing en excommunicatie tegemoet.

Het lezen is ten einde. Tillend bedek ik de laatste bladzijde met de achterkaft. Ik sluit mijn ogen. Ik voel een traan op mijn linkerwang. Rechts ook een. Ik huil. Dit intense verhaal dwong me de afgelopen dagen tot doorlezen, alleen beperkt door mijn weinige energie en het moordende schema van dilateren en borstmassages. Ik identificeerde me met Margriet. Ik herkende het knellende gevoel van een door de buitenwereld opgelegde dogmatische norm waarvan je diep van binnen weet dat die niet voor jou geldt, maar waarvan het onmogelijk afstand nemen is. Ik tintelde bij de lesbische flirts en seks die Margriet meemaakt in haar leven of in haar fantasie, zag mezelf, met mijn nieuw verworven vrouwenlijf, naakt tegen een andere vrouw aanschurken, een verlangen aanwakkerend waarvan ik dacht dat die een lagere prioriteit zou hebben dan intimiteit met mannen. Ik voelde haar nederige, bijna fatalistische humeur van het moment vlak voor haar coming-out naar haar ouders en familie; overtuigd van de dramatische afloop. Een onafwendbare afloop, wilde Margriet zichzelf niet verloochenen.

Tijdens mijn lange zoektocht naar mezelf heb ik vaak geaarzeld. Niet over of ik een vrouw was, of over of ik als vrouw zou willen leven, maar over of ik de stap wel zou wagen, over of ik wel het risico wilde lopen dierbaren te verliezen. Ik was er vaak bang voor en helaas zijn al mijn angsten waarheid geworden. M., S., mijn familie: ze zijn allemaal ergens onderweg uit mijn leven verdwenen of nog maar met zo’n dun lijntje verbonden dat er van een relatie geen sprake meer is. Ik heb gegokt, en verloren. En net als in het verhaal van Margriet was het onafwendbaar: wat er ook ging gebeuren, het moest gebeuren. Net als Margriet wilde ik mezelf niet verloochenen; dat had ik al veel te lang gedaan. En ik heb mezelf niet verloochend: hier sta ik… ik ben een vrouw.

De titel van het boek van Margriet is ontleend aan een Bijbeltekst uit 1 Korintiërs 13: “Al ware het, dat ik met de tongen der mensen en der engelen sprak, maar had de liefde niet, ik ware schallend koper of een rinkelende cimbaal. Al ware het, dat ik profetische gaven had, en alle geheimenissen en alles, wat te weten is, wist, en al het geloof had, zodat ik bergen verzette, maar had de liefde niet, ik ware niets… Al ware het, dat ik al wat ik heb tot spijs uitdeelde, en al ware het, dat ik mijn lichaam gaf om te worden verbrand, maar had de liefde niet… het baatte mij niets”. Deze tekst raakte mij toen ik het in Margriets boek las en ik vermoed dat het haar ooit om dezelfde reden geraakt had. Je kunt je leven nog zo mooi inrichten, nog zoveel goeds doen, maar als je niet leeft vanuit een diepe erkenning van wie je werkelijk bent, dan is alles leeg en betekenisloos. Wanneer je daden zich vullen met de liefde voor het leven zelf, de liefde voor je eigen leven, dan deugen ze. Ongeacht de consequenties.

maandag 11 juli 2016

Koude douche

Ik maak zachte kreungeluidjes terwijl het warme water over mijn lijf stroomt. Mijn handen glijden door mijn haar en de laatste restjes conditioner vinden glijdend over mijn lichaam hun weg naar het doucheputje. Wat is dit heerlijk. De vorige douchebeurt was vanwege de tweede operatie inmiddels bijna een week geleden en voor mij is douchen toch wel een primaire levensbehoefte. Ik voel mijn lijf zich ontspannen onder de zachte, warme waterstraal. Zojuist heb ik mijn haren gewassen, mijn lijf gewassen en mijn gezicht geschoren. Als vaste afsluiter van mijn doucheritueel pak ik de sproeikop in mijn hand en was de laatste restjes zeep en stress van mijn lichaam. Wanneer ik met de douchekop in de buurt van mijn kruis kom, maakt mijn andere hand automatisch een grijpbeweging om mijn piemel te pakken en de voorhuid terug te trekken om de laatste waterstraal ook daar nog even langs te laten gaan. Licht gedesoriënteerd schudt de realiteit me wakker uit mijn automatisme en ik moet lachen. “Dat hoeft niet meer hoor”, zeg ik tegen mezelf en mijn gedachten gaan terug naar het dilateren van gisterenavond. Toen reageerde ik minder monter.

Ik heb alle attributen klaargelegd en wil beginnen met het dilateren. Het gekke klusje heeft de neiging corvee te worden: drie maal daags veertig minuten, volgens het schema nu. Daarom neem ik nu even de tijd om me bewust te worden van mijn vagina. Ik kijk tevreden naar mijn venusheuvel – nog een tikje gehavend door drains die daar gezeten hebben – en doe wat ik in het verleden wel eens bij mijn bedpartners deed: ik leg de bal van mijn hand tegen de helling van de heuvel en drapeer langzaam mijn hele hand en al mijn vingers over de vagina. Het binnenste deel van het weefsel voelt nog doof, maar de rest voelt ontspannen en levend. De zwelling van de buitenste schaamlippen is al een flink stuk minder en ze voelen natuurlijk aan nu. Een tevreden glimlach begint mijn mond te vormen, maar stokt snel. Een onbehaaglijk gevoel trekt aan me en verschrikt trek ik mijn hand van mijn vagina en pak het spiegeltje dat ik voor het dilateren gebruik. Via het spiegeltje kijk ik naar mijn vagina en ik schrik me rot. Mijn piemel is weg! Ineens realiseer ik me dat Man-ik nu aan het kijken is, door de euforie van Lisa tot nu toe steeds op de achtergrond geduwd, maar op dit moment aanweziger dan ooit, lijkt het.

Mijn piemel is weg. De piemel die veertig jaar niet alleen mijn lichaam, maar ook mijn hele leven definieerde. Verdwenen. Man-ik, de mannelijke identiteit die ik op die piemel had gebouwd, begint te huilen. Dit is onherstelbaar. De piemel, niet alleen symbool maar ook bron van de mannelijke identiteit is totaal verminkt tot een vagina. Er is niks meer van over. Man-ik realiseert zich dat hiermee niet alleen zijn periode in mijn leven wordt afgesloten, maar ook dat deze periode nooit meer terug zal komen. Man-ik is een man met een kut en vraagt zich angstig af wat dit betekent: zal hij nu zijn lichaam is verdwenen ook als identiteit moeten verdwijnen? Ik voel zijn paniek. Ik kan hem niet geruststellen. Ik weet het niet. Tot nu toe was de mannelijke identiteit altijd nog op de achtergrond aanwezig, als referentiepunt en als bron van verzet. Ik weet niet wat er nu gaat gebeuren. Het enige dat ik weet is dat het loslaten nu in een volgende fase is gekomen. Het loslaten van Man-ik, die ondanks alles zo aan zijn leven hechtte. Het loslaten van Man-ik, van wie ik ondanks alles toch ook zo ben gaan houden. Er rollen tranen over mijn wangen. Ik huil met Man-ik mee. Ik huil om Man-ik. Lieve schat, het spijt me.

vrijdag 8 juli 2016

Aziatische tijger

De Strenge Zuster (Chettawut’s hoofdzuster die de dagelijkse patiëntbezoeken in de hotels doet) liet lang op zich wachten. De toegezegde ochtend was al lang voorbij. Ik lag al de hele dag reikhalzend op haar te wachten, want ik wilde graag mijn drains uit mijn lijf hebben. Ik had er de afgelopen dagen zoveel pijn aan gehad, dat ik nauwelijks had kunnen slapen, hooguit twee, drie uurtjes per nacht, versnipperd over blokjes van een half uur, waardoor ik al twee dagen niet meer in een diepe slaap was geweest. Ik was inmiddels heel erg moe en dat leek me niet bevorderlijk voor mijn herstel. Daarnaast was ik er strontchagrijnig van geworden. Geen leuke ontvangst voor Y…

Uiteindelijk belde ze aan. Y. deed open en de zuster kwam mijn kamer binnen. Ik vertelde haar het probleem met de drains en ze keek naar de maatstreepjes. De rechter had zo goed als geen productie gehad sinds gisteren. De linker nog behoorlijk veel. En dus moesten ze blijven zitten. “Maar kan de rechter er dan niet uit? Dan heb ik minder last en kan ik op mijn rechterzij liggen en wat beter slapen”, vroeg ik. “Nee, ze gaan er tegelijk uit. De linker is nog niet klaar, dus blijven ze alle twee zitten”, reageerde ze kortaf; haar always-on Thaise glimlach in beton gebeiteld. Ik wilde protesteren, maar mijn reactie stokte toen ik in haar strenge ogen keek. Ik moest mijn persoonlijke behoeften ondergeschikt maken. Ik gedroeg me veel te Westers door bij een autoriteit voor mezelf op te komen. Ik realiseerde me ineens dat de arrogantie die me bij Nederlandse zorgverleners steeds zo stoorde, hier via een Aziatisch-culturele u-bocht ook speelde. Jammer. Vooral omdat het hier over mijn nachtrust ging.

Voordat ik me kon herpakken en een tweede poging kon wagen om de last van mijn drains te verlichten, zei ze: “Het katheter gaat er wel uit”. Nu had ik ook al twee dagen last van het gebied boven mijn rechterlies – mijn lijf leek het katheter na dertien dagen ook meer dan zat te zijn – dus dit zou mijn situatie ook verbeteren. Alleen voelde het voor mij als het minste probleem. Maar voor ik het wist was ze via de katheterslang het ballonnetje waarmee het zich in mijn blaas had verankerd aan het leegzuigen. Ze zei daarna dat ik moest ontspannen en elke aandrang om te plassen kon negeren. Die werd veroorzaakt door het uittrekken van de katheterslang. Ik wist direct wat ze daarmee bedoelde toen ze trok aan het gele slangetje dat ergens tussen mijn schaamlippen verdween. Meteen voelde ik een ijzige scherpe pijn in mijn onderbuik. Ik moest heel nodig plassen, maar dan met een blaas vol met accuzuur in plaats van met urine. Mijn lichaam verkrampte en dat was natuurlijk niet de bedoeling. Het uittrekken ging langzaam, met horten en stoten. Toen uiteindelijk de slang uit mijn urinebuis was verdwenen, bleef de nare scherpe aandrang hangen. Die moest ik negeren volgens de zuster. “Pas als deze aandrang is verdwenen en je voelt een nieuwe komen, dan moet je gaan plassen. Veel drinken vandaag, dan doet het geen pijn”, zei ze terwijl ze haar tas inpakte en vertrok.

Toen de pijn eenmaal begon te zakken, vroeg ik me af wat dat was, plassen. Ik had het al twee weken niet meer gedaan en ik had gehoord van mensen uit mijn omgeving die al eens een katheter hadden gehad, dat je dan niet meer weet hoe dat moet. Dat het even duurt voordat je lichaam weer het programma gevonden had om te plassen. En ik had van transvrouwen uit mijn omgeving gehoord dat je lichaam helemaal geen programma heeft om na de operatie te kunnen plassen. De hardware daar beneden was zo grondig gewijzigd, dat de oude software er echt niet meer op werkte. Ik moest dus opnieuw beginnen. Plassen zonder enig referentiepunt, behalve dan de vage aanbeveling dat je moest ontspannen.

Mijn eerste poging duurde lang, maar na een paar minuten kwam er toch een klein beetje urine uitlopen. Geen idee waar dat precies uitkwam en hoe dat daar was gekomen. Dit was de nieuwe blinde vlek in mijn zenuwstelsel; het ontbrekende stukje software. Het enige dat ik voelde was mijn drukkende volle blaas en een scherpe pijnscheut toen de urine begon te lopen. Alle spieren in mijn bekkenbodem trokken samen en het plassen stokte. Mijn tweede poging een uurtje later ging hetzelfde. Weinig resultaat, veel pijn en – door het vele drinken – een steeds vollere blaas. Maar bij de derde poging lukte het. De urine stroomde en bleef stromen. De pijn viel mee. Alleen stroomde de urine niet vanuit mijn plasbuis de toiletpot in, maar sproeide ik het naar achter als een tijger die zijn geurvlag uitzet. Ik voelde de warme urine tegen mijn billen, mijn anus en de verse hechtingen aan de onderkant van mijn schaamlippen spuiten. Het prikte. Fijn was het niet, maar de opluchting om de druk op mijn blaas te kunnen verlichten, had de overhand.

Sindsdien plas ik als een tijger. Ik maak me er niet heel veel zorgen over, gezien de nog gezwollen toestand van mijn binnenste schaamlippen. Dit komt heel veel voor en gaat vanzelf over, weet ik van transvrouwen die me voorgegaan zijn. Maar jammer is het wel. Ik zal morgen aan de Strenge Zuster vragen wat ik van het herstel kan verwachten op dit punt. Haar antwoord zal vermoedelijk hetzelfde zijn als op bijna al mijn vragen: “It’s normal. Just wait”. Geduld is een schone zaak. En vooral een Aziatische zaak, geloof ik.

Donders goed

Mijn eigen gekreun wekt me uit mijn oppervlakkige slaap. Mijn lichaam voelt aan alsof het 3000 kilo weegt. Zelfs het bewegen van een vinger kost een onmenselijke hoeveelheid energie. Toch wil ik mijn positie in bed veranderen en ik probeer op mijn zij te draaien. De drains die het vocht van mijn borstvergroting via mijn oksels proberen af te voeren, loeien als sirenes: het doet pijn als ik er druk op uitoefen. Ik kan met geen mogelijkheid mijn bovenlijf anders laten liggen dan plat op mijn rug. Maar zeurende plekken rond mijn ruggenwervel geven aan dat we daarmee wel zo’n beetje klaar zijn. Sinds mijn tweede operatie lig ik weer vooral in bed. En lig ik denkbeeldig vastgeketend aan de beperkingen van mijn fysieke toestand. Ik kreun en mopper zachtjes. En die mopper doet me aan S. denken. Hij mopperde ook… een heel enkele keer. Maar meestal droeg hij zijn lot gelaten. Zijn lot van langdurig ziek zijn. Langduriger dan ik nu ben. Zieker dan ik nu ben. Mijn eigen misère maakt me nog trotser op hoe hij dat heeft doorstaan.

Mijn operatie is doordrenkt van overeenkomsten met wat S. heeft moeten doormaken in de maanden dat hij in het ziekenhuis lag. Maanden waarin ik even bij hem kon zijn, weer even onderdeel mocht uitmaken van zijn leven. Maanden van ziekenhuisopname die, gelukkig voor hem, voorbij zijn. Maanden die, helaas voor ons contact, voorbij zijn. Ik denk aan de week dat ik niks mocht eten. Aan de spanning van een operatie. Aan een epiduraal infuus, aan een katheter, aan drains. Aan de nachtmerries van de Tramadol. Aan doorligplekken op de rug. Aan te zwak zijn om je te bewegen. Aan pijn en onrustige nachten. Aan het wachten op het moment dat het beter wordt. We hebben het allebei meegemaakt. S. een flink stuk heftiger dan ik. En niet, zoals in mijn geval, om iets te bereiken wat hij heel graag wilde, maar om om te gaan met iets waar het wrede lot hem in sleurde.

Ik denk aan de afgelopen jaren tussen S en mij. Jaren waarin ik koortsachtig zocht naar wie ik was. Waarin ik emotioneel vaak niet beschikbaar was. Waarin ik vaak moe was. Waarin ik een geheim verborg dat, eenmaal geopenbaard, voor S. verdrietiger bleek te zijn dan het ongewisse. Jaren waarin hij ook blootstond aan de heftige relatiedynamiek tussen M. en mij. Relatiedynamiek waarin veiligheid niet vanzelfsprekend was. Waarin hij heeft gezien hoe zijn vader fysiek geweld aangedaan werd door M. Waarin hij telkens afscheid moest nemen van M., op wie hij ondanks het geweld zo gek was, omdat zijn vader en M. niet meer verder konden. En keer op keer startte die relatie na een paar weken of maanden opnieuw omdat zijn vader en M. aan elkaar verslaafd waren.

Ik denk aan alle heftigheid uit mijn leven waarin ik S. de laatste zes, zeven jaar heb meegesleurd. En ik huil. Ik begrijp zo goed waarom hij het contact met mij heeft verbroken. Ik begrijp het donders goed. Dat maakt het allemaal nog veel verdrietiger.

donderdag 7 juli 2016

Wisseling

Spartelend als een vis op het droge probeer ik mijn ligpositie te veranderen. Ik kan mijn armen nauwelijks gebruiken om kracht te zetten. Met mijn bovenarmen langs mijn bovenlijf valt de pijn mee, maar elke andere beweging is pijnlijk. Ik voel de pijn, herken het van de eerste borstoperatie en vraag me af hoe het kan dat je dat soort belangrijke details altijd zo snel vergeet. Ik ben moe, heel moe, en ik realiseer me dat ik beter maar kan blijven liggen dan proberen mezelf te verplaatsen. Dan accepteer ik maar de zeurende druk op mijn rug, mijn billen, mijn hielen. Vorige week heb ik deze plekken al behoorlijk getart en dat proces is nu weer voortgezet nu ik weer aan bed gekluisterd ben. Het voordeel is nu dat ik mijn onderlijf redelijk goed en redelijk pijnloos kan bewegen. Het nadeel is dat ik deze keer een stuk minder fit de operatie inging dan daarvoor. Het ontwaken uit de narcose ging ook een stuk minder prettig dan de vorige keer. Mijn bewustzijn golfde niet heen en weer maar bleef hangen in een heel naar middengebied waar je net wakker genoeg bent om allerlei sensaties in beeld en geluid te ervaren, maar nog te veel verdoofd bent om daadwerkelijk te snappen wat er gebeurt. Heel bedreigend. Het enige concrete dat ik me er nog van kan herinneren is dat ik in paniek heb liggen schreeuwen tot de Lieve Zuster kwam.

En nu lig ik weer in het hotel. Ik kijk naar mijn borsten. Ze zijn minder knalhard dan de vorige keer, waarschijnlijk omdat mijn borstweefsel door de vorige ronde al voldoende opgerekt was. Ik heb er dan ook geen drukpakking omheen gekregen. Ik leg mijn handen op mijn borsten en voel hoe mijn vingers de rondingen volgen. Mooi vol, zonder te overweldigen. Het maakt een groot verschil, die 85cc kleiner. Toen ik in de kliniek voor het eerst deze borsten bewust zag (nadat ik uit mijn narcose delirium was gekomen) wist ik het meteen: dit zijn mijn borsten. Nu heb ik mijn borsten in plaats van borsten van een derderangs pornoactrice. Ik voelde meteen dat ik deze wel als onderdeel van mij kon zien. Deze borsten kon ik met liefde en toewijding gaan verzorgen. Hiermee kon ik pronken, al is dat iets wat ik in het dagelijkse leven niet vaak zal kunnen doen. Ik kijk uit naar mijn eerstvolgende saunabezoek, zeg maar. Al moet ik daar nog minimaal drie maanden mee wachten van de dokter. Ik ben erg blij dat ik mijn intuïtie heb gevolgd en mijn implantaten heb laten wisselen.

Er heeft zich vandaag ook een andere wisseling voorgedaan. L. is weg. Y. is gekomen. Ik heb nu dus een andere Florence Nightingale aan mijn zijde. Ben heel blij met zulke lieve vriendinnen die hun tijd opofferen om er voor mij te zijn. De eerste drie weken met L. waren heel intens. Zij was bij me toen ik het intakegesprek met Chettawut had, zij was bij me toen ik drie dagen moest vasten. Zij was bij me toen ik naar de kliniek ging voor de operatie, zij was er voor me in het hotel en leegde mijn katheterzak, gaf me mijn pillen en waste zelfs mijn dilatatie-dildo als ik daar na afloop zelf geen puf meer voor had. En bovenal was zij er op die momenten dat mijn emoties mij volkomen onderuit haalden. Zij was er als ik bang was voor wat komen ging, boos op wat er gebeurd was, of verdrietig was om mijn zware pad. Zij hield mijn handje vast, aaide me over mijn bol. Zij leidde me af als ik bang was, of dat zou kunnen worden. Zij was de ruimte waar ik me als klein kwetsbaar meisje een beetje veiliger kon voelen. Zij was er. En nu is ze weg. En huil ik tranen van liefde, tranen van gemis voor die lieve L., die er altijd voor me is.

dinsdag 5 juli 2016

Tweede ronde

Gisteren voelde ik me heel fit, als een soort apotheose van een opbouw in de dagen daarvoor. Tenminste, vandaag blijkt dat het een apotheose was. Beter werd het niet. Vandaag voel ik me ziek. Vandaag word ik opnieuw geopereerd. De borstvergroting die vorige week is uitgevoerd, wordt teruggebracht tot een kleinere omvang. Ik was erg geschrokken van het eerste resultaat en al mijn aannames bleken correct: nee, de omvang neemt nauwelijks af tijdens het herstel. De zwelling die de pijn veroorzaakt zit vooral van binnen. De brute borstmassages verminderen niet de zwelling, maar maken de vorm en het natuurlijke gevoel van de borst op langere termijn (half jaar tot een jaar) beter. De eerste reactie van de verpleegster (o, dat trekt wel bij, kijk het maar een half jaar aan) blijkt dus inderdaad niet te kloppen. Ik ben zo blij dat ik mijn intuïtie heb gevolgd. Daardoor had ik gisteren een gesprek met de arts die mijn vermoedens bevestigde. En die me ook bevestigde, dat als ik wilde verkleinen ik dat het best zo snel mogelijk kon doen. Over een half jaar is de operatie risicovoller en leidt het tot meer littekens.

Ik had de kliniek gezegd dat ik zelf fit genoeg was om langs te komen. De chauffeur zou mij en L. bij het hotel komen ophalen, net zoals bij het intakegesprek en bij de eerste operatie. Tot mijn verrassing  blijkt de Lieve Zuster (Noy heet ze eigenlijk) er deze keer ook bij te zijn. Ik begroet haar hartelijk en ze grijpt meteen mijn arm vast om me te ondersteunen. Het dringt tot me door dat ze niet voor de gezelligheid is meegekomen. De kliniek verwacht een behoorlijke zwakke patiënt; het is immers pas negen dagen na de eerste zware operatie. Maar ik voel me geen patiënt. Ik voel me fit en kiplekker. Dus ik streel haar arm uit dankbaarheid, trek mijn eigen arm los en loop monter, voorop, naar de taxi. Mijn zitdonut onder mijn arm natuurlijk. De chauffeur spoedt zich naar voren om het portier te openen en relatief soepel ga ik in de auto zitten. De chauffeur en de Lieve Zuster kijken verbijsterd. “You strong patient”. Ja, ik weet het.

De zuster bij de balie van de kliniek is on-Aziatisch expressief in haar gezicht als ze me binnen ziet komen en me opvangt tot de dokter klaar is voor me. Haar ogen gaan wijd open als ze de relatieve souplesse ziet waarmee ik op mijn donut op een stoel in de wachtkamer ga zitten. Ze vraagt met een lichte zweem van verbazing in haar stem hoe het gaat en ik vertel, levendig, honderduit. Wanneer L. naast me mijn relaas bevestigt gaat ook haar mond verder open: “You look so good! Strong patient”. Ik vraag haar of mijn fitheid zo exceptioneel is en ze knikt met een ontzag alsof ik een Mariaverschijning ben.

Eenmaal in Chettawut’s spreekkamer zie ik dezelfde reactie in zijn ogen, ook al laat zijn gezicht zich – een Aziaat waardig – wat minder duidelijk lezen. Ja, ik voel me goed. Mijn herstel gaat volgens mij prima, en dat mijn zorgen over mijn borsten gehoord zijn en eventueel opgelost kunnen worden, heeft me erg opgelucht. Ik dank Chettawut voor de prachtige vagina die hij me gegeven heeft en we pakken elkaars armen vast. Dan bespreken we mijn zorgen over de bovenboel met als conclusie dat als ik de borsten wil die ik eigenlijk bedoelde, dat hij zou moeten heropereren. Samen – Chettawut, L. en ik – bepalen we, met alle ervaringen van de eerste keer, de gewenste grootte. “Morgen kan ik je opereren”, zegt hij, met dezelfde luchtigheid die ik voelde bij een tweede operatie zo kort na de eerste. Geen probleem. Ik voel me sterk en hij ziet een patiënt die veel sneller dan gemiddeld aan het herstellen is. Hij is duidelijk op een of andere manier geraakt door mij, want bij het afscheid nemen krijg ik een knuffel van hem. On-Aziatischer kan het niet in dit land waar iedereen bij begroeting op gepaste afstand een namasté handgebaar maakt. Tevreden zit ik een paar minuten later in de taxi terug naar het hotel. Blij dat ik mijn intuïtie gevolgd heb. Blij dat ik over mijn trots heen kon stappen om toe te geven dat ik het de eerste keer niet goed had ingeschat. Blij dat Chettawut het meteen allemaal voor me kan oplossen.

Maar vandaag voel ik me minder opgewekt. Het toenemende ongemak dat ik de laatste dagen voelde over mijn katheter resulteerde vanochtend in een klein klontje bloed in mijn urine. Mijn lichaam is klaar met deze plastic slang in mijn urinebuis. Ook voelde ik sensaties rond mijn vagina die ik niet kon interpreteren als tot leven komende zenuwen. Het was gewoon pijn. En vanochtend lagen er iets donkere en grotere vlekken op het luiermatje in mijn bed dan de afgelopen dagen steeds was. Dit was geen post-operatieve vaginale afscheiding. Dit was bloed. Aan een van de schaamlippen lijkt een hechting minder goed dicht te zitten. De andere bron van zorg zit rond mijn clitoris, maar daar kan ik niks van zien omdat ik mijn schaamlippen bij elkaar moet houden. Weinig geruststellende signalen. Was de dag van gisteren dan toch te inspannend? Heb ik toch te lang gezeten en te weinig gelegen? En als derde bron van onrust begin ik nu toch meer ontzag te voelen voor de tweede narcose dan gisteren het geval was. Pffff, een tweede operatie. Een tweede herstelperiode met pijn en ongemak. Terwijl de eerste operatie nog maar nauwelijks achter de rug is en het herstel daarvan – ondanks al het gejubel – eigenlijk nog maar net begonnen is. Tot slot vertrekt L. naar Nederland één dag nadat ik weer uit de kliniek zal komen. De zorg voor mij is in goede handen bij Y. die ter aflossing hier komt, en ik kijk er erg naar uit om Y. te zien en te knuffelen. Maar voor dit wankele emotionele systeempje hier, voelt deze wisseling net iets te heftig. Ik voel me vandaag een heel klein zielig meisje dat de wereld even niet meer aan kan. Over een uur of vier à vijf komt Chettawut’s chauffeur me ophalen. De tweede operatie zal een paar uur later zijn. Ik denk dat ik me hier in bed nog maar even ga oprollen en diep onder de dekens ga schuilen.

maandag 4 juli 2016

Singing in the rain

Al ruim een week leef ik enkel in onze hotelkamer. In het begin kon ik natuurlijk mijn bed amper uit, maar ik begin me steeds fitter te voelen en ik kan me fysiek gezien al weer aardig bewegen, zolang ik alles maar geleidelijk en kalm doe. Dus ik zit regelmatig aan tafel, of hang op de bank. Vanochtend heb ik voor de derde keer samen met L. in de ontbijtzaal gegeten: hoogtepunt van de dag want verder verlaat ik de hotelkamer niet. Ik hang de hele dag in onze hotelkamer (behoorlijk ruim dus dat is het punt niet) in de steriele aircolucht: een cocon waarin het echte leven niet doordringt. Elk uur heeft dezelfde energie: hangen, zitten of liggen. Ik wil er op uit. Ik ben het zat. Ik slaap slecht van de sleur en het gebrek aan contact met het echte leven. Officieel mag ik van de dokter nog zeker een week het hotel niet uit, maar ik weet dat ik relatief snel aan het herstellen ben. Dat zie ik aan hoe de andere transgenders er bij lopen in de ontbijtzaal. Dus vanavond lapte ik het verbod aan mijn laars.

L. ging na het eten (heerlijke roomservice hier!) even liggen om bij te komen. Ik trok mijn slippers aan, moffelde mijn katheterzak weg in de harembroek die ik droeg en stapte de kamer uit. Lift in, veertien verdiepingen naar beneden en door de hotellobby naar de grote glazen voordeur. Op het moment dat ik de klink vastpak, roept de receptioniste me terug. Heel even denk ik dat ze door Chettawut geïnstrueerd was wie al wel en wie nog niet naar buiten mocht. Betrapt kijk ik over mijn schouder en ze komt aanlopen met een paraplu. Ik kijk naar buiten en het regent inderdaad pijpenstelen. Bangkokse regentijd betekent vrijwel elke avond warme douches op straat. Ik kijk de receptioniste aan en schud nee. Geen paraplu. Ze dringt aan. Het regent, vertelt haar lichaamstaal. Nou en?, antwoord mijn lijf. Ik trek de deur open en stap naar buiten, de receptioniste hoofdschuddend achterlatend. Een warme weldadige douche klettert op mijn hoofd. Dit is de wereld. Dit is het leven. Ik leef!! Ik spreid mijn armen uit en begin te lachen. Ik moet me zelfs inhouden om niet te gaan dansen en zingen van plezier; dat zou echt nog te riskant zijn voor mijn nieuwe vagina.

Ik loop een stukje de straat in. Veel mensen kijken me meewarig aan vanonder hun paraplu of kijken chagrijnig voor zich uit als ze hun paraplu vergeten waren. En ik lach. Mijn kleren worden nat, mijn haar wordt nat. Ik voel druppels over mijn gezicht stromen. Het water stroomt langs me, maar de levensenergie spoelt met hoge druk mijn lijf in. Ik wandel langzaam nergens heen. Ik hoef nergens heen. Ik ben hier. Midden in het leven. Mijn beschermende en ook knellende cocon van het patiënt-zijn is er even niet. Met een grote grijns wandel ik langzaam terug naar het hotel. Ik moest niet overmoedig worden; ik ben tenslotte nog patiënt. Maar na dit avontuur wel een blijere patiënt.

zondag 3 juli 2016

Dilateren

Twee dagen geleden onthulde de zuster mijn vagina. Althans, zo noemde ik het toen. Maar dat is natuurlijk helemaal niet waar. Het was een vagina, gemaakt van mijn piemel en scrotum. Hoezeer ik ook mezelf op zielsniveau thuis voelde komen bij de openbaring van die vagina, op fysiek niveau ben ik de kluts kwijt. Vorige week betrad ik de operatiekamer met een lichaam dat niet bij me paste, en werd ik wakker met een lichaam dat ik niet kende. De operatie die me op mijn bestemming moest brengen, bracht me eerst verder van huis. Zo gaat het nu eenmaal met een geslachtstransitie. Het mannenlijf was ongewenst, maar wel vertrouwd. Nu voel ik de hele dag door allerlei kriebeltjes, prikkels, druk en jeuk die ik niet kan thuisbrengen. Ik ben een vreemde in mijn nieuwe lijf en het is moeilijk om er goed kennis mee te maken. Zo kort na de operatie mag ik bijvoorbeeld het hele gebied tussen de schaamlippen niet aanraken. Sterker nog, ik heb het nog niet eens gezien omdat ik de buitenste schaamlippen nog niet opzij mag duwen. Eerst moet het verder herstellen. Dus voorlopig moet ik het doen met sensaties. En die zijn er vele, vooral in het gebied waar mijn clitoris moet zitten. Die sensaties zijn niet prettig; het zijn ontwakende, herstellende zenuwbanen die door de operatie een andere plek hebben gekregen. Oude bekende gevoelens voel ik ineens van heel vreemde plekken komen. Nieuwe onbekende gevoelens komen van plekken die ik ooit goed kende. Alsof je je verzekeringspapieren ineens bij je zwemdiploma hebt opgeborgen: het is één administratieve chaos in mijn zenuwstelsel. Mijn clitoris is gemaakt van een stukje van mijn eikel en soms voelt die ook zo. Soms voel ik mijn scrotum samentrekken, alleen dan op de plek waar nu mijn schaamlippen zitten. Het schijnt nog maanden te gaan duren voor alle administratieve chaos weer is opgelost.

Gelukkig is er één gebied dat ik al wel mag aanraken. Sterker nog, het moet juist. Drie keer per dag moet ik de schede van mijn vagina aanraken. Aan de binnenkant welteverstaan. Die binnenkant is gemaakt van mijn oude voorhuid en scrotumhuid en de holte die daarmee is gemaakt, moet onderhouden worden. Er zit geen slijmvlies, maar huid. En huid krimpt. Het is net als met oorbellen: als je net gaatjes hebt laten schieten, moet je er in het begin permanent speciale oorbellen in dragen om te voorkomen dat de gaatjes weer dichtgroeien. En de speciale oorbellen voor mijn vagina heten dilators en die moet ik inbrengen en dan een tijdje laten zitten. Nu een half uur, later zelfs vijftig minuten. Per keer. Vandaag twee keer per dag, uiteindelijk drie keer per dag. Inclusief het voorbereiden en schoonmaken gaat dit dilateren me dus dagelijks minimaal drie uur kosten en dat moet ik minimaal een jaar volhouden voordat de frequentie omlaag kan. En ik zal het de rest van mijn leven heel frequent, misschien zelfs dagelijks, moeten blijven doen om mijn vagina open te houden en haar diepte te laten behouden. Een immense taak die me erg intimideert. Maar het is ook bijzonder om te doen. Vandaag deed ik het voor het eerst zonder toezicht van de zuster.

Ik rangschik kussens op het bed om comfortabel met mijn hoofd rechtop te kunnen liggen. Ik pak een luiermatje om op te liggen, billendoekjes, een spiegeltje, glijmiddel en natuurlijk mijn dilatatieset. Deze set heb ik van dr. Chettawut gekregen en bevat vier plexiglazen dilators in verschillende dikten. De bedoeling is om het dilateren in drie maanden zo ver op te bouwen dat de allerdikste er in kan. Voorlopig moet ik het doen met het instapmodelletje van twee centimeter diameter.

Ik ga liggen en probeer te ontspannen. Dat is lastig om te doen in een onbekend gebied van je lijf, waar je ook nog bang bent om de net gehechte weefsels niet kapot te maken. Ik pak de dilator en smeer deze over de gehele in te brengen lengte riant in met glijmiddel. De binnenkant van mijn vagina is geen slijmvlies maar huid zoals ik al zei en die is dus van nature stroef. Veel glijmiddel nodig dus. Ik trek mijn benen op en doe ze wijd uit elkaar. Mijn rechterhand brengt een spiegeltje in de aanslag, zodat ik de opening van mijn vagina kan zien. Ondanks de vele hechtingen die er nu nog zitten, ontroert de aanblik van mijn pas gemaakte vagina me. Zo mooi. Zo prachtig. Mijn linkerhand heeft de dilator vast, ik breng de punt naar de ingang van mijn vagina en begin hem in een hoek van 45 graden in te brengen – de dilator steeds om haar as draaiend om het glijmiddel goed te blijven verdelen. Doe ik het wel goed? Maak ik niks stuk? Ik negeer de gedachten, volg mijn intuïtie en probeer bewust het fysieke gevoel waar te nemen. Het is een raar gevoel. Een totaal onbekend gevoel. Niet pijnlijk, maar fijn is het eigenlijk ook niet. Het is een vreemd gevoel waar ik in mijn mannenleven nooit woorden voor heb geleerd.

Na een paar centimeter duw ik de dilator horizontaler en ik voel hoe hij makkelijker naar binnen schuift, totdat hij het einde van de schede van mijn vagina bereikt. Daar moet ik tegenaan drukken, omdat de krimpneiging van de huid daar begint. Wanneer ik met een vinger tegen de achterkant van de dilator druk, voel ik aan de binnenkant iets zich verzetten. Een soort krampje dat ik vagelijk associeer met overgeven zonder me misselijk te voelen. Zoals je bij de eerste keer dat je een limoen proeft meteen aan citroen denkt en weet dat het toch iets anders is. Eigenlijk moet de dilator nog iets verder, want aan de maatstreepjes aan de zijkant van de staaf zie ik dat ik gisteren met hulp van de zuster een centimeter dieper was gekomen. Ik druk nauwelijks harder, bang om de innerlijke hechtingen kapot te drukken. Ik weet dat dat kan. Ik ken de bloederige verhalen. Ik probeer nog verder te ontspannen en het lukt me om de dilator er nog een, twee millimeter verder in te duwen. Dit moest het dan maar zijn. Niet teveel risico lopen. Morgen met zuster nog maar eens oefenen.

Op dit punt moet ik nu de dilator een half uur laten zitten, zachtjes druk uitoefenend met één hand. Ik kan er dus rustig bij blijven liggen en heb één hand vrij om berichtjes op mijn telefoon te checken. Dat doe ik echter niet. Ik sluit mijn ogen en concentreer op wat ik voel. Er zit iets in me. Op een plek die een week geleden nog niet bestond. Naast de wat nare, ongemakkelijke sensaties voel ik ook een heel speciaal gevoel van geborgenheid. Alsof ik datgene wat zich in mij bevindt, wil beschermen. Mijn hart vult zich met liefde en ik huil een traantje van geluk. Mijn hoofd weet dat er een plexiglazen dilator in mijn net door een chirurg gecreëerde neovagina zit. Maar de rest van mij weet dat ik zojuist weer een beetje dichter bij mijn essentie gekomen ben.

vrijdag 1 juli 2016

Lotusbloem

De bel van de hotelkamer gaat. Zolang ik hier in het hotel ben om te herstellen komt Chettawut’s hoofdzuster dagelijks langs om te controleren hoe het met me gaat. Aan het operatiegebied beneden kon ze de afgelopen dagen niks zien, want dat zit nog strak ingepakt. Ze kon alleen vaststellen dat het katheter nog liep en dat er – blijkens het nog witte verband – geen heftige bloedingen waren opgetreden. Dit kon ik zelf natuurlijk ook vaststellen, maar toch vond ik die dagelijkse nacontrole fijn: een voordeel van het laten opereren in Thailand, want in Nederland word je na vier of vijf dagen ziekenhuis gewoon naar huis gestuurd met de mededeling dat je altijd kunt bellen als er iets is.

Een andere dagelijkse taak van de zuster is dat ze mijn borsten masseert om het kapsel dat mijn lichaam om de implantaten maakt dun en soepel te houden. Dit is nodig om op termijn natuurlijk voelende en vallende borsten te krijgen. Om associaties met fijne erotische Thaise massages uit de weg te helpen: de afgelopen dagen leerden me dat die borstmassages er uit bestaan dat de zuster haar beide handen midden op de borst plaatst en er dan een minuutje met haar volle gewicht op gaat hangen. Wat vreselijk pijn doet. Ik voel het weefsel van binnen steeds letterlijk kapotscheuren. Ze zijn niet flauw hier.

De zuster is extreem vroeg vandaag; het is nog geen 6 uur in de ochtend wanneer L. en ik wakker schrikken van de bel. Ook deze ochtend begint ze met de massage en terwijl ze bezig is probeer ik haar mijn zorgen over mijn porno-cup D duidelijk te maken. “Veel masseren”, zegt ze en ze herinnert me aan de instructie die ze me eerder gaf over hoe ik deze massage zelf kan doen (hand op de borst leggen, met borst en hand tegen een muur aan leunen en heel hard duwen vanuit je benen). Ik probeer haar duidelijk te maken dat ik echt zorgen heb en dat ik echt de dokter wil spreken en of ze voor mij een afspraak met hem kan regelen. Ik krijg een half ontwijkend antwoord en ik ben op dit vroege uur niet assertief en snel genoeg om echt duidelijk te maken wat ik wil. Misschien komt dat ook omdat ik weet wat de zuster vandaag nog meer komt doen. Vandaag komt ze de pakking rond mijn vagina verwijderen. Vandaag zal ik mijn vagina voor het eerst kunnen zien.

De afgelopen dagen kwam er langzaam iets van leven in het doffe, verdoofde gebied. Ik voelde steken, tintelingen, doffe pijntjes. Niet veel, niet vaak, niet nadrukkelijk. Maar er roerde zich iets. Ik was ontzettend benieuwd. Het ene moment dacht ik werkelijk een vagina te kunnen voelen, het andere moment wist ik zeker dat onder die pakking gewoon nog mijn vertrouwde piemel zou zitten. Ik voelde mijn voorhuid, ik voelde mijn scrotum, ik voelde zelfs mijn ballen. Of waren dat nu juist sensaties die ik op die manier was gaan associëren en openbaren die sensaties zich nu op de nieuwe plekken die mijn weefsel had gekregen? Het werd me maar niet duidelijk. De drukkende pakking, de pijnstillers, de bizarre abstractie van het veranderen van geslacht… allemaal redenen om niet te kunnen voelen wat er gaande was. Vandaag zou ik het gaan zien. Misschien ging dat helpen.

De zuster begint te peuteren aan een hoekje van het pleisterverband dat mijn pakking omhult en ze trekt er aan. De stevig vastgeplakte band doet pijn aan mijn buik bij het loslaten. Ik zie een rode streep achterblijven en kijk weg. Eigenlijk durf ik de onthulling niet te zien. Bang dat het mis is? Dat mijn piemel er nog zit? Bang dat het net zo’n deceptie gaat worden als mijn borstvergroting? Geen idee. Het is misschien gewoon te groots om te bevatten wat ik zo ga zien. Gestructureerd trekt de zuster één voor één de pleisters los. De volgorde let vrij nauw, lijkt het. Het precaire gebied, waar onder de pleisters een dikke prop watten lijkt te zitten, laat ze zo lang mogelijk met rust. Als een omgekeerde origami opdracht werkt ze van ingepakt naar uitgevouwen om uiteindelijk bij mijn mooie lotusbloem uit te komen. Als het goed is.

Als ze eenmaal de prop watten tussen mijn benen uit tilt, durf ik even te kijken. Ik zie de slang van mijn katheter over mijn buik lopen en over een mooie glooiing verdwijnt deze tussen mijn benen. Een glooiing. Mijn venusheuvel! Ik zie geen piemel, ik zie een venusheuvel. Ik begin te huilen. Het is het mooiste wat ik ooit gezien heb. Aan de rechterkant is hij nog wat opgezwollen en er zitten vlekken van bloed en jodium op, maar het is het prachtigste wat ik ooit gezien heb. Mijn piemel is weg. Het lelijke amorfe stuk vlees is verdwenen. Ik heb nu een mooie heuvel en huilend probeer ik me op te richten om meer te zien. Maar dat lukt nog niet zo goed. Ik durf niet te veel spieren aan te spannen omdat ik bang ben dat alle hechtingen en al het vers verplaatste weefsel tussen mijn benen uit zal knallen. Er openbaart zich hier een volkomen nieuw en decennialang begeerd lichaamsdeel dat ik nog niet ken, nog niet vertrouw, en eerlijk gezegd ook nog niet goed kan voelen. Alsof het nog niet helemaal tot leven is gekomen.

De zuster kijkt goedkeurend naar mijn schaamlippen. Ze zegt dat ze verbandvulling uit mijn vagina gaat verwijderen en dat dat naar en pijnlijk aan kan voelen. Die verbandvulling is er bij de operatie ingestopt om de schede van mijn vagina open te houden gedurende deze eerste dagen. Als was het een haakje in een wollen trui trekt de zuster aan het begin en een lange sliert verband glijdt uit mijn vagina. Krul voor krul. Alsof een mannelijke wollen trui uitgehaald wordt tot er niets meer van over is. Het voelt heel gek. Een groot deel van het weefsel voelt doof, zoals je arm kan voelen wanneer je er in bed zelf te lang op gelegen hebt. De komende dagen, weken zullen zenuwen zich gaan herstellen, zal verplaatst weefsel beter doorbloed raken, zal ik volledig gevoel in mijn vagina gaan krijgen. Volledig nieuwe gevoelens. Zoals deze lange sliert verband die ik in mij voel. Het beweegt in mij. Niet anaal, nee het zit echt ergens anders. Ik ken deze sensatie niet, maar ik begrijp wat dit betekent: ik heb een vagina. O mijn god, ik ben een vrouw. Ik heb een echte vagina! Ik huil en mijn lijf begint te trillen. Ik voel koude stromen door mijn lijf gaan. Ik voel pijn van afwijzing. Pijn van een verwachting die niet bij mij past. Eenzaamheid van een onbenoembaar verlangen. Pijn van een moeilijk pad om hier te komen. Het voelt alsof het matras waar ik op lig oplost. Alsof ik begin te vallen. Los ben geraakt van alles wat ik ken, van alles waar ik zekerheid aan ontleende. Ik val. Ik val een diepte in met een ongewisse bodem. Als die er al is. Misschien blijf ik wel voor altijd vallen. Is dit doodgaan? Ben ik aan het doodgaan?

Dan voel ik ineens warmte. De kern van de aarde? Ga ik zo verbranden? Nee, het voelt helemaal niet bedreigend. Het voelt fijn. Beschermend. Koesterend. Ik voel zacht donzig fluweel om me heen. Wolken? Zijn het de blaadjes van een lotusbloem? Ik voel meeldraden van een bloem. Of nee, het zijn armen. Mama? Nee dit zijn andere armen, met een nog veel fundamentelere veiligheid dan je moeder je ooit kan geven. Zijn dit de armen van God? Het zijn vrouwenarmen, is God een vrouw? Ik heb deze vrouwenarmen nooit eerder gevoeld en toch ken ik ze heel goed. Het zijn mijn eigen armen. Ik vang mezelf op. Hier ben ik veilig. Ik kom thuis. Bestemming bereikt. Mijn eigen armen die me opvangen versmelten met mijn vallende lijf. Ik versmelt. Met mezelf. Ik verbind twee delen die veel te lang losgescheurd waren. Ik val samen. In mijn leven als vrouw hier op aarde.