woensdag 20 juli 2016

Blik op oneindig

Het monotone gebrom van de vliegtuigmotoren dringt zich weer aan me op. Urenlang wisten mijn hersenen – na enige gewenning – dit geluid weg te filteren, maar dat lukt niet meer. Mijn donut-kussen ligt in mijn rug; onderuitgezakt op de stoelen die ik tot mijn beschikking heb probeer ik comfort te zoeken, maar het lijkt alsof het comfort een half uurtje geleden met een parachute het vliegtuig verlaten heeft. Netjes rechtop zitten op mijn donutkussen doet pijn. Liggen doet pijn. Om te lopen ben ik te moe en inmiddels voelt het alsof ik te stijf geworden ben om mezelf überhaupt nog tussen deze stoelenrij uit te persen. Het voelt alsof de hechtingen uit mijn vagina aan het losscheuren zijn en alsof het pus uit de ontsteking loopt die ik daar heb. Maar de vorige controle op de wc (ik had vooruitziend een spiegeltje meegenomen) wees loos alarm uit. Net als die daarvoor. Ik ben te moe om het zekere voor het onzekere te nemen. Het lukt me gewoonweg niet om in beweging te komen. Ik ben kapot. Uitgeput. Het liefst zou ik dit alles in één klap beëindigen. Weg met de herrie in mijn oren. Weg met deze klotestoelen. Weg met dit vliegtuig. Weg met mijn lijf. Ik wil thuis zijn, in mijn eigen bed, en dat alles even weer normaal is. Ik voel een brok in mijn keel tranen omhoog duwen. Ik slik. Voor de zoveelste keer. Het liefst zou ik mijn misère wegjanken. Maar iets weerhoudt me. Ik probeer het spreekwoord ‘verstand op nul, blik op oneindig’ te belichamen. Maar het lukt me niet meer. Ik zucht. Ik draai. Ik kreun. Ik wil naar huis!

Wanneer een uur of twee later eindelijk het vliegtuig geland is op Schiphol, voel ik opluchting. Samen met Y. wacht ik tot de meute het toestel verlaten heeft. Op de passagierslijst staat een vinkje achter mijn naam, waardoor ik als eerste het toestel in mocht en het nu als laatste moet verlaten. In de slurf staat een man met een rolstoel op me te wachten. Blij dat ik nu weer een etappe dichterbij huis ben begroet ik de man en ga – op mijn donut – op de rolstoel zitten. De man brengt me al zigzaggend snel bij de paspoortcontrole, waar een enorme rij staat te wachten. En net als op de luchthaven van Bangkok, sjees ik met mijn rolstoel langs de rij. Y.mag, als mijn begeleider, mee voorkruipen. Een hekje zwiept open en ik sta ineens voor de medewerker van de marechaussee. Ik zie hem vanaf mijn lage positie nog maar net boven zijn balie uitsteken. Mijn paspoort wordt gecontroleerd en voor ik het weet sta ik bij de bagageband te wachten. Dit ging lekker vlot! Het is heel fijn dat Schiphol 300 mensen op de loonlijst heeft staan om rolstoelbegeleiding te bieden, dankjewel naar jullie allemaal. Even later gaan we met koffer en rolstoel onder het bordje “Nothing to declare” door en ben ik op Schiphol Plaza. Daar staat L. op mij te wachten. Ik voel opluchting als ik haar zie en ik kan nog maar net mijn tranen bedwingen als we elkaar omhelzen.

Ik neem afscheid van Y. alsof we een avondje samen hebben gegeten en elkaar morgen weer gaan zien. Ik ben moe. Ik wil maar één ding: zo snel mogelijk naar huis. Voordat ik bij L. in de auto stap knuffelen we nog een keer en dan komen de eerste tranen. We rijden even later de parkeergarage uit, de snelweg op, richting mijn huis. De auto draait mijn straat in en opgelucht stel ik vast dat mijn huis er nog is en dat mijn auto nog keurig geparkeerd staat. Alsof dat ooit anders was na terugkeer van een reis, maar goed. Ik waggel met mijn vermoeide lijf naar de deur, pak mijn sleutels, open de deur en stap mijn trappenhuis in. Voor mij doemt de trap op: 42 treden scheiden mij van mijn voordeur. Moe, stijf, met pijn maar zeer gemotiveerd til ik mijn voet op de eerste trede en de andere voet op de volgende. Ik waggel en schuifel omhoog, gevolgd door L. die mijn koffer draagt. Wanneer ik bijna boven ben, zie ik mijn voordeur open staan. R. kijkt me aan met een mengeling van blijdschap en medelijden. Het is fijn om haar een paar pasjes later in de armen te sluiten. Ik wist dat ze mijn huis klaar zou maken voor mijn komst: schoonmaken na het vertrek van de tijdelijke huurder die ik had gevonden en de koelkast vullen met eten. Ik wist niet dat ze me letterlijk met open armen zou verwelkomen. Ik wist niet dat ze vannacht bij me zou blijven, zodat ze voor me kon zorgen. Als ik, na knuffels en een kop thee eindelijk in bed glijd, realiseer ik me de onmetelijke rijkdom van zoveel lieve vrienden.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten