vrijdag 8 juli 2016

Donders goed

Mijn eigen gekreun wekt me uit mijn oppervlakkige slaap. Mijn lichaam voelt aan alsof het 3000 kilo weegt. Zelfs het bewegen van een vinger kost een onmenselijke hoeveelheid energie. Toch wil ik mijn positie in bed veranderen en ik probeer op mijn zij te draaien. De drains die het vocht van mijn borstvergroting via mijn oksels proberen af te voeren, loeien als sirenes: het doet pijn als ik er druk op uitoefen. Ik kan met geen mogelijkheid mijn bovenlijf anders laten liggen dan plat op mijn rug. Maar zeurende plekken rond mijn ruggenwervel geven aan dat we daarmee wel zo’n beetje klaar zijn. Sinds mijn tweede operatie lig ik weer vooral in bed. En lig ik denkbeeldig vastgeketend aan de beperkingen van mijn fysieke toestand. Ik kreun en mopper zachtjes. En die mopper doet me aan S. denken. Hij mopperde ook… een heel enkele keer. Maar meestal droeg hij zijn lot gelaten. Zijn lot van langdurig ziek zijn. Langduriger dan ik nu ben. Zieker dan ik nu ben. Mijn eigen misère maakt me nog trotser op hoe hij dat heeft doorstaan.

Mijn operatie is doordrenkt van overeenkomsten met wat S. heeft moeten doormaken in de maanden dat hij in het ziekenhuis lag. Maanden waarin ik even bij hem kon zijn, weer even onderdeel mocht uitmaken van zijn leven. Maanden van ziekenhuisopname die, gelukkig voor hem, voorbij zijn. Maanden die, helaas voor ons contact, voorbij zijn. Ik denk aan de week dat ik niks mocht eten. Aan de spanning van een operatie. Aan een epiduraal infuus, aan een katheter, aan drains. Aan de nachtmerries van de Tramadol. Aan doorligplekken op de rug. Aan te zwak zijn om je te bewegen. Aan pijn en onrustige nachten. Aan het wachten op het moment dat het beter wordt. We hebben het allebei meegemaakt. S. een flink stuk heftiger dan ik. En niet, zoals in mijn geval, om iets te bereiken wat hij heel graag wilde, maar om om te gaan met iets waar het wrede lot hem in sleurde.

Ik denk aan de afgelopen jaren tussen S en mij. Jaren waarin ik koortsachtig zocht naar wie ik was. Waarin ik emotioneel vaak niet beschikbaar was. Waarin ik vaak moe was. Waarin ik een geheim verborg dat, eenmaal geopenbaard, voor S. verdrietiger bleek te zijn dan het ongewisse. Jaren waarin hij ook blootstond aan de heftige relatiedynamiek tussen M. en mij. Relatiedynamiek waarin veiligheid niet vanzelfsprekend was. Waarin hij heeft gezien hoe zijn vader fysiek geweld aangedaan werd door M. Waarin hij telkens afscheid moest nemen van M., op wie hij ondanks het geweld zo gek was, omdat zijn vader en M. niet meer verder konden. En keer op keer startte die relatie na een paar weken of maanden opnieuw omdat zijn vader en M. aan elkaar verslaafd waren.

Ik denk aan alle heftigheid uit mijn leven waarin ik S. de laatste zes, zeven jaar heb meegesleurd. En ik huil. Ik begrijp zo goed waarom hij het contact met mij heeft verbroken. Ik begrijp het donders goed. Dat maakt het allemaal nog veel verdrietiger.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten