vrijdag 1 juli 2016

Lotusbloem

De bel van de hotelkamer gaat. Zolang ik hier in het hotel ben om te herstellen komt Chettawut’s hoofdzuster dagelijks langs om te controleren hoe het met me gaat. Aan het operatiegebied beneden kon ze de afgelopen dagen niks zien, want dat zit nog strak ingepakt. Ze kon alleen vaststellen dat het katheter nog liep en dat er – blijkens het nog witte verband – geen heftige bloedingen waren opgetreden. Dit kon ik zelf natuurlijk ook vaststellen, maar toch vond ik die dagelijkse nacontrole fijn: een voordeel van het laten opereren in Thailand, want in Nederland word je na vier of vijf dagen ziekenhuis gewoon naar huis gestuurd met de mededeling dat je altijd kunt bellen als er iets is.

Een andere dagelijkse taak van de zuster is dat ze mijn borsten masseert om het kapsel dat mijn lichaam om de implantaten maakt dun en soepel te houden. Dit is nodig om op termijn natuurlijk voelende en vallende borsten te krijgen. Om associaties met fijne erotische Thaise massages uit de weg te helpen: de afgelopen dagen leerden me dat die borstmassages er uit bestaan dat de zuster haar beide handen midden op de borst plaatst en er dan een minuutje met haar volle gewicht op gaat hangen. Wat vreselijk pijn doet. Ik voel het weefsel van binnen steeds letterlijk kapotscheuren. Ze zijn niet flauw hier.

De zuster is extreem vroeg vandaag; het is nog geen 6 uur in de ochtend wanneer L. en ik wakker schrikken van de bel. Ook deze ochtend begint ze met de massage en terwijl ze bezig is probeer ik haar mijn zorgen over mijn porno-cup D duidelijk te maken. “Veel masseren”, zegt ze en ze herinnert me aan de instructie die ze me eerder gaf over hoe ik deze massage zelf kan doen (hand op de borst leggen, met borst en hand tegen een muur aan leunen en heel hard duwen vanuit je benen). Ik probeer haar duidelijk te maken dat ik echt zorgen heb en dat ik echt de dokter wil spreken en of ze voor mij een afspraak met hem kan regelen. Ik krijg een half ontwijkend antwoord en ik ben op dit vroege uur niet assertief en snel genoeg om echt duidelijk te maken wat ik wil. Misschien komt dat ook omdat ik weet wat de zuster vandaag nog meer komt doen. Vandaag komt ze de pakking rond mijn vagina verwijderen. Vandaag zal ik mijn vagina voor het eerst kunnen zien.

De afgelopen dagen kwam er langzaam iets van leven in het doffe, verdoofde gebied. Ik voelde steken, tintelingen, doffe pijntjes. Niet veel, niet vaak, niet nadrukkelijk. Maar er roerde zich iets. Ik was ontzettend benieuwd. Het ene moment dacht ik werkelijk een vagina te kunnen voelen, het andere moment wist ik zeker dat onder die pakking gewoon nog mijn vertrouwde piemel zou zitten. Ik voelde mijn voorhuid, ik voelde mijn scrotum, ik voelde zelfs mijn ballen. Of waren dat nu juist sensaties die ik op die manier was gaan associëren en openbaren die sensaties zich nu op de nieuwe plekken die mijn weefsel had gekregen? Het werd me maar niet duidelijk. De drukkende pakking, de pijnstillers, de bizarre abstractie van het veranderen van geslacht… allemaal redenen om niet te kunnen voelen wat er gaande was. Vandaag zou ik het gaan zien. Misschien ging dat helpen.

De zuster begint te peuteren aan een hoekje van het pleisterverband dat mijn pakking omhult en ze trekt er aan. De stevig vastgeplakte band doet pijn aan mijn buik bij het loslaten. Ik zie een rode streep achterblijven en kijk weg. Eigenlijk durf ik de onthulling niet te zien. Bang dat het mis is? Dat mijn piemel er nog zit? Bang dat het net zo’n deceptie gaat worden als mijn borstvergroting? Geen idee. Het is misschien gewoon te groots om te bevatten wat ik zo ga zien. Gestructureerd trekt de zuster één voor één de pleisters los. De volgorde let vrij nauw, lijkt het. Het precaire gebied, waar onder de pleisters een dikke prop watten lijkt te zitten, laat ze zo lang mogelijk met rust. Als een omgekeerde origami opdracht werkt ze van ingepakt naar uitgevouwen om uiteindelijk bij mijn mooie lotusbloem uit te komen. Als het goed is.

Als ze eenmaal de prop watten tussen mijn benen uit tilt, durf ik even te kijken. Ik zie de slang van mijn katheter over mijn buik lopen en over een mooie glooiing verdwijnt deze tussen mijn benen. Een glooiing. Mijn venusheuvel! Ik zie geen piemel, ik zie een venusheuvel. Ik begin te huilen. Het is het mooiste wat ik ooit gezien heb. Aan de rechterkant is hij nog wat opgezwollen en er zitten vlekken van bloed en jodium op, maar het is het prachtigste wat ik ooit gezien heb. Mijn piemel is weg. Het lelijke amorfe stuk vlees is verdwenen. Ik heb nu een mooie heuvel en huilend probeer ik me op te richten om meer te zien. Maar dat lukt nog niet zo goed. Ik durf niet te veel spieren aan te spannen omdat ik bang ben dat alle hechtingen en al het vers verplaatste weefsel tussen mijn benen uit zal knallen. Er openbaart zich hier een volkomen nieuw en decennialang begeerd lichaamsdeel dat ik nog niet ken, nog niet vertrouw, en eerlijk gezegd ook nog niet goed kan voelen. Alsof het nog niet helemaal tot leven is gekomen.

De zuster kijkt goedkeurend naar mijn schaamlippen. Ze zegt dat ze verbandvulling uit mijn vagina gaat verwijderen en dat dat naar en pijnlijk aan kan voelen. Die verbandvulling is er bij de operatie ingestopt om de schede van mijn vagina open te houden gedurende deze eerste dagen. Als was het een haakje in een wollen trui trekt de zuster aan het begin en een lange sliert verband glijdt uit mijn vagina. Krul voor krul. Alsof een mannelijke wollen trui uitgehaald wordt tot er niets meer van over is. Het voelt heel gek. Een groot deel van het weefsel voelt doof, zoals je arm kan voelen wanneer je er in bed zelf te lang op gelegen hebt. De komende dagen, weken zullen zenuwen zich gaan herstellen, zal verplaatst weefsel beter doorbloed raken, zal ik volledig gevoel in mijn vagina gaan krijgen. Volledig nieuwe gevoelens. Zoals deze lange sliert verband die ik in mij voel. Het beweegt in mij. Niet anaal, nee het zit echt ergens anders. Ik ken deze sensatie niet, maar ik begrijp wat dit betekent: ik heb een vagina. O mijn god, ik ben een vrouw. Ik heb een echte vagina! Ik huil en mijn lijf begint te trillen. Ik voel koude stromen door mijn lijf gaan. Ik voel pijn van afwijzing. Pijn van een verwachting die niet bij mij past. Eenzaamheid van een onbenoembaar verlangen. Pijn van een moeilijk pad om hier te komen. Het voelt alsof het matras waar ik op lig oplost. Alsof ik begin te vallen. Los ben geraakt van alles wat ik ken, van alles waar ik zekerheid aan ontleende. Ik val. Ik val een diepte in met een ongewisse bodem. Als die er al is. Misschien blijf ik wel voor altijd vallen. Is dit doodgaan? Ben ik aan het doodgaan?

Dan voel ik ineens warmte. De kern van de aarde? Ga ik zo verbranden? Nee, het voelt helemaal niet bedreigend. Het voelt fijn. Beschermend. Koesterend. Ik voel zacht donzig fluweel om me heen. Wolken? Zijn het de blaadjes van een lotusbloem? Ik voel meeldraden van een bloem. Of nee, het zijn armen. Mama? Nee dit zijn andere armen, met een nog veel fundamentelere veiligheid dan je moeder je ooit kan geven. Zijn dit de armen van God? Het zijn vrouwenarmen, is God een vrouw? Ik heb deze vrouwenarmen nooit eerder gevoeld en toch ken ik ze heel goed. Het zijn mijn eigen armen. Ik vang mezelf op. Hier ben ik veilig. Ik kom thuis. Bestemming bereikt. Mijn eigen armen die me opvangen versmelten met mijn vallende lijf. Ik versmelt. Met mezelf. Ik verbind twee delen die veel te lang losgescheurd waren. Ik val samen. In mijn leven als vrouw hier op aarde.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten