zondag 11 september 2016

Het ene gat met het andere

Sinds ik terug ben uit Thailand ben ik me bewuster van de tijd. Secondes tikken nu met de donderslag van een kanonschot weg. Ik ben in Thailand niet alleen een lichaamsdeel kwijt geraakt, maar ook vijf uur van mijn dag. Het moordende regime van driemaal daags ruim anderhalf uur dilateren en masseren dwingt me om heel efficiënt met mijn tijd om te gaan. Zeker nu ik, gedwongen door de holle echo op mijn bankrekening, weer aan het werk gegaan ben; zo’n vier uur per dag wat in mijn geval nu gelijk staat aan fulltime. Meer ruimte zit er gewoon niet in mijn agenda. Niet dat ik energie had gehad voor meer, want ik ben doodmoe. Liever had ik het werken nog een maandje uitgesteld en met weemoed denk ik nu wel eens terug aan de tijd dat ik nog gewoon een comfortabel dienstverband met dito ziekte-uitkering had. En er is meer om me weemoedig over te voelen.

Vandaag had ik twee uur van mijn schaarse tijd gereserveerd om te gaan wandelen in het voormalige veenwinningsgebied ten zuidoosten van mijn stad. Ik stond me deze oncalvinistische verpozing toe, niet alleen omdat het zondag was, maar ook omdat ik me moe en gefrustreerd voelde. Beweging van mijn lijf en de zachtmoedige kalmte die de natuur zo eigen is zouden me goed doen. En zo gebeurde het ook. Ik voelde hoe mijn lijf bij mijn eerste stappen door de natuur bedachtzaam de teugels liet vieren: mijn spieren ontspanden zich ietsjes en mijn ademhaling zakte soms ineens onder mijn middenrif, de plek waar normaal gesproken ontspanning zich bevindt. Maar steeds trok ik terug, als een aarzelende teen boven een ijskoud zwembad. Onder mijn middenrif bleek geen ontspanning te zitten, maar emotie. Natuurlijk wist ik wel dat die er zat. Dat wist ik al weken.

Ik liep over het pad langs de wilgen en het riet, op de smalle strook aarde met links en rechts water. Ik zag het water golven en dacht terug aan afgelopen winter, toen ik hier ook liep en het water bevroren en bezaaid met schaatsers was en ik dacht aan het schaatsen met S. op de schaatsbaan bij mij in de buurt, vast ritueel in elk winterweekend dat hij bij mij was. Even verderop zag ik hop zich door de bomen en struiken slingeren en ik dacht aan mijn gewoonte om mijn kennis van de wereld aan S. over te brengen en ik hoorde mezelf het recept van bier aan hem uitleggen. Ik zag een roeiboot op de kant geduldig wachten op schippers en ik dacht met een brok in mijn keel aan de kanovakantie in Noorwegen en hoe stoer S. zich had gevoeld met het zakmes dat hij van mij had gekregen. Op een terras waar ik een welverdiend stukje appeltaart nam, zag ik een zoon die een tosti at – met ketchup – en de taart verloor haar smaak. In het dorpje dat het eind van mijn wandeling markeerde, liep ik langs een knusse basisschool en mijn gedachten gingen terug naar het schoolplein van de basisschool van S., waar ooit onze weekends samen telkens begonnen. Eenmaal terug bij mijn auto kwamen de tranen. In hevige golven die de rest van dag niet meer weg zouden gaan.

Het is niet toevallig dat het gemis van S. vandaag zo’n hoogtepunt beleeft. Morgen heb ik een gesprek met de psycholoog die S. – eindelijk – gaat helpen om zijn ziekteproces, mijn transitie en de scheiding van zijn ouders te verwerken. Met een ex die de afstand die S. van mij genomen heeft wel comfortabel vindt en die voorafgaand aan de scheiding mijn inbreng in de opvoeding al nauwelijks kon waarderen, is zo’n psycholoog voor mij de strohalm waarmee ik als liefdevolle ouder aan mijn kind verbonden ben. Zo’n gesprek is een van de schaarse momenten waarop ik de negatieve beelden kan bijstellen die mijn ex en S. met zich meedragen. Zodat ik de psycholoog help om S. te helpen dingen ook eens vanuit een andere kant te bekijken. Morgen moet ik mezelf van mijn beste, stabielste, redelijkste en liefdevolste kant laten zien. Met niets minder dan de relatie met mijn kind op het spel. Mijn kind, die ik zo vreselijk mis.

Eén van de belangrijkste aarzelingen die ik had om in transitie te gaan, was de angst om S. te verliezen. Uiteindelijk kon ik niets anders dan het risico nemen. Ik moest wel. Ik leefde te lang met een groot gat in mezelf en dat gat was stukje bij beetje inmiddels onmetelijk zwaar gaan wegen. Het voelt zuur dat ik door het ene gat te vullen er een andere leegte voor in de plaats heb gekregen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten